id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.413 Rolnummer: A. 233489/XIV-39363 Zaak: Arrest 260413 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 09/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-11 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-05 14:13 Fiche Arrest nr 260.413 van 9 juli 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 260.413 van 9 juli 2024 in de zaak A. é.489/XIV-39.363 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep ingesteld op 23 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg gewezen op 19 februari 2021 en kennis gegeven op 1 maart 2021, waarbij op haar vergadering unaniem werd beslist krachtens artikel 119, §1, 2, b en c1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen om het visum van [verzoekster] aan de volgende voorwaarden te koppelen: - [verzoekster] moet haar medicatie laten voorschrijven door haar GMD-houdende huisarts - [verzoekster] mag geen verdovende en psychotropische medicatie voorschrijven voor haar echtgenoot - [verzoekster] moet haar medicatie afhalen in 1 officina”. XIV-39.363-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 251.675 van 30 september 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Gendt, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Adrien Neyrinck, die loco advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-39.363-2/14 III. Feiten 3.1. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 251.675 van 30 september 2021. Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. Verzoekster voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan van inzonderheid artikel 119, § 1, 2°, b), c.1) en i), van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ‘op de gezondheidszorgberoepen’ (hierna: de gecoördineerde wet van 10 mei 2015) en artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 ‘betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies’ (hierna: het koninklijk besluit van 7 oktober 1976). Zij zet uiteen dat luidens de eerstgenoemde bepaling de Provinciale Geneeskundige Commissies enkel het visum van een gezondheidszorgbeoefenaar kan intrekken of het behoud ervan afhankelijk kan maken van de aanvaarding van de opgelegde beperkingen, op advies van artsen-deskundigen die worden aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Artsen. Dit advies moet vaststellen dat de arts niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten. Wanneer de fysieke of psychische ongeschiktheid dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, dan kan het visum reeds worden ingetrokken of onderworpen aan voorwaarden gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundigen in te winnen. Dit kan slechts voor een periode van twee maanden, herhaalbaar zo vaak als nodig. Te dezen is de bestreden beslissing genomen zonder dat het advies van artsen-deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Artsen, werd ingewonnen. De bestreden beslissing vermeldt evenmin dat het advies alsnog zal worden ingewonnen of dat er een ernstig gevaar voor de patiënten bestond. De bestreden beslissing is bijgevolg behept met een essentieel gebrek, dat vanzelfsprekend de belangen van verzoekster schaadt. XIV-39.363-3/14 5. De verwerende partij van haar kant, bevestigt vooreerst dat de Provinciale Geneeskundige Commissie, overeenkomstig artikel 119, § 1, 2°, b), van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 inderdaad tot taak heeft het visum in te trekken of het behoud ervan afhankelijk te maken van de aanvaarding van bepaalde opgelegde voorwaarden, maar dat uit geen enkele bepaling volgt dat de Provinciale Geneeskundige Commissie verplicht is om het advies van de artsen-deskundigen te volgen. Voorts moet overeenkomstig artikel 119, § 1, 2°, c), punt 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 iedere arts zich aan de toepasselijke wetten en reglementen houden. Te dezen bepaalt artikel 63 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 ‘betreffende de verdovende en psychotrope middelen’ dat iedere arts die overdreven hoeveelheden geneesmiddelen heeft voorgeschreven of gekocht, het gebruik ervan moet kunnen verantwoorden tegenover de Provinciale Geneeskundige Commissie. Het is in dit kader de taak van de Provinciale Geneeskundige Commissie om het probleem inzake het voorschrijven en aankopen van overdreven hoeveelheden geneesmiddelen te onderzoeken en op te lossen samen met de arts. Indien evenwel geen oplossing kan worden gevonden met de arts, dient de kwestie te worden gemeld aan het parket en de Orde der artsen. Voorts is het volgens de verwerende partij “de gangbare praktijk van de [Provinciale Geneeskundige Commissies] om het behoud van het visum afhankelijk te maken van de naleving van enkele voorwaarden zonder dat artsen-deskundigen worden aangesteld om een advies te geven over de fysische of psychische geschiktheid van de betrokken arts, wanneer het probleem in kwestie (nog) niet zodanig ernstig is en er een akkoord wordt bereikt met de arts.” Op deze manier worden volgens de verwerende partij “lange procedures vermeden en ook kosten bespaard.” In casu heeft de Provinciale Geneeskundige Commissie de bestreden beslissing inderdaad genomen ter bescherming van de patiënten van verzoekster en verzoekster zelf, zonder de beoefening van het beroep van arts door verzoekster volledig te willen beperken. Volgens de verwerende partij heeft verzoekster zich tijdens de vergadering van de Provinciale Geneeskundige Commissie op 19 februari 2021 uitdrukkelijk akkoord verklaard met de voorwaarden zoals weergegeven in de bestreden beslissing. Dit volgt volgens haar XIV-39.363-4/14 uit de e-mail, die verzoekster na de vergadering van 19 februari 2021 verzond aan de Provinciale Geneeskundige Commissie, waarin het volgende kan worden gelezen: “Zoals afgesproken, zend ik u gegevens van onze huisarts en apotheek. Huisarts: [naam en adres van de huisarts Apotheek: [naam en adres van de apotheek]” In de bestreden beslissing kan ook duidelijk het volgende worden gelezen: “De Provinciale Geneeskundige Commissie heeft nota genomen van het feit dat [verzoekster] als GMD-huisarts dr. Dr. [naam en adres arts] kiest en haar medicatie zal afhalen bij Apotheek [naam en adres apotheek].” Indien verzoekster zich tijdens de vergadering van de Provinciale Geneeskundige Commissie niet uitdrukkelijk akkoord had verklaard met de voorgestelde voorwaarden, zou die een andere beslissing hebben genomen. Verzoekster ging echter akkoord. Ter zake verwijst de verwerende partij naar rechtspraak van de Raad van State die vereist dat de burger, waar mogelijk, de verplichting heeft mee te werken aan de behoorlijke werking van het bestuur en dat in dat kader van hem mag worden verwacht dat hij het bestuur in kennis stelt van hiaten in de hem verstrekte mededelingen wanneer deze voor hem nadelig kunnen zijn. Laat hij zulks na, dan verbeurt hij het recht om later de tekortkoming tegen het bestuur te laten gelden. Ook wijst zij erop dat van degene die moet verschijnen voor een bestuursorgaan dat over administratiefrechtelijke problemen, zoals een tuchtsanctie, een uitspraak moet doen, mag worden verwacht dat hij aan dat orgaan direct zichtbare – direct zichtbaar voor hem of voor een raadsman waar hij een beroep op kan doen – administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt, zodoende dat orgaan voor de indruk behoedend dat hij over die bezwaren heenstapt. Wanneer iemand er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthoudt in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden en aldus belet dat het bestuur eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik XIV-39.363-5/14 dat deze nog geen definitief nadeel hebben berokkend, kan die persoon er zich niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over beklagen dat zijn rechten zijn geschonden. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat het visum van verzoekster, in overleg met verzoekster zelf, werd verbonden aan enkele beperkingen toen werd vastgesteld dat verzoekster grote hoeveelheden verdovende en psychotrope middelen voor zichzelf voorschreef en/of aankocht, maar dat deze situatie (nog) niet zodanig overmatig leek dat de fysische en psychische geschiktheid van verzoekster uitgebreid diende te worden onderzocht door artsen-deskundigen. De beperkingen werden steeds besproken met verzoekster en werden enkel opgelegd omdat de arts hiermee uitdrukkelijk akkoord ging. Ze werden enkel vastgelegd ter bescherming van de patiënten van verzoekster en verzoekster zelf om toekomstige problemen te vermijden, zonder dat de beoefening van het beroep door verzoekster werd beperkt. Zij benadrukt voorts dat de Provinciale Geneeskundige Commissie op geen enkel moment contra legem heeft willen handelen en dat, indien verzoekster zich tijdens de vergadering van de Provinciale Geneeskundige Commissie niet uitdrukkelijk akkoord had verklaard met de oplegging van de voorgestelde voorwaarden, die andere stappen zou hebben ondernomen. Volgens de verwerende partij wist verzoekster als arts-specialiste dat zij zich zou moeten verantwoorden voor de Provinciale Geneeskundige Commissie gelet op de vele voorschriften die zij heeft voorgeschreven voor zichzelf en de grote hoeveelheden geneesmiddelen die zij vervolgens aankocht. De Provinciale Geneeskundige Commissie had in dit kader kunnen beslissen om het dossier over te maken aan het parket en de Orde der artsen, en/of om het visum van verzoekster tijdelijk in te trekken in afwachting van een onderzoek en advies van de artsen-deskundigen over de fysische en psychische geschiktheid van verzoekster maar zij heeft, gelet op de medewerking en het akkoord van verzoekster, de bestreden beslissing genomen die minder verregaande gevolgen heeft. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat verzoekster door de Provinciale Geneeskundige Commissie uitgebreid werd betrokken, gehoord en bevraagd. De reden dat de bestreden beslissing tot stand kwam op de manier en in XIV-39.363-6/14 de vorm dat zij voorligt, is omdat verzoekster het eens was met deze beslissing en de voorwaarden tijdens de vergadering van 19 februari 2021. Beoordeling 6. De bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 119, § 1, 2,
- b)en c), punt 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015. Die bepaling luidde ten tijde van de bestreden beslissing als volgt: Art. 119.§ 1. De geneeskundige commissie heeft tot taak, in haar ambtsgebied: […]. 2° in het bijzonder : […]
- b)het visum in te trekken of zijn behoud afhankelijk te maken van de aanvaarding, door de betrokkene, van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van artsen deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren of door de Nationale Raad van de Orde waaronder hij ressorteert, vastgesteld wordt dat een gezondheidszorgbeoefenaar bedoeld in deze gecoördineerde wet, een dierenarts of een lid van een geregistreerde niet-conventionele praktijk als bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999 niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten; De beroepsbeoefenaar heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken. In dat laatste geval kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan drie maanden, herhaalbaar zo vaak als nodig, bedragen. Wanneer zijn fysieke of psychische ongeschiktheid dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan twee maanden, herhaalbaar zo vaak als nodig, bedragen. De voorlopige intrekking of het voorwaardelijke behoud van het visum neemt een einde zodra de geneeskundige commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan.
- c)onverminderd de bevoegdheid van de personen, belast door of krachtens de wet, met controle- of toezichtsopdrachten : 1. erover te waken dat de gezondheidszorgberoepen bedoeld in deze gecoördineerde wet, de diergeneeskunde, en de geregistreerde niet-conventionele praktijken bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999 in overeenstemming met de wetten en reglementen worden uitgeoefend; […]; […] XIV-39.363-7/14
- i)voor de in deze gecoördineerde wet bedoelde gezondheidszorgbeoefenaar of een dierenarts, het visum te schorsen of het behoud ervan afhankelijk te maken van de beperkingen die zij hem oplegt wanneer uit ernstige en eensluidende aanwijzingen blijkt dat de verdere beroepsuitoefening door de betrokkene voor zware gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid doet vrezen. De geneeskundige commissie spreekt de schorsing van het visum of het behoud ervan binnen de perken die zij oplegt uit bij eenparige beslissing van de aanwezige leden. Deze maatregel blijft geldig zolang de redenen die hem hebben verantwoord voortduren. De geneeskundige commissie maakt een einde aan de maatregel wanneer zij vaststelt dat de redenen die hem hebben verantwoord verdwenen zijn, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de zorgverstrekker. De zorgverstrekker kan daartoe elke maand vanaf de uitspraak van de maatregel een verzoek indienen. De beslissing om de schorsing of de beperking van het visum in te trekken wordt genomen bij gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden. Voorafgaand aan elke beslissing inzake schorsing of beperking van het visum of inzake het behoud of de intrekking van de schorsingsmaatregel krijgt de betrokkene de mogelijkheid om door de geneeskundige commissie te worden gehoord. Indien er zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid te vrezen vallen, kan de geneeskundige commissie elke beslissing nemen tot schorsing of beperking van het visum zonder de betrokkene voorafgaand te hebben gehoord. In dat geval wordt de schorsing van het visum of het onderwerpen ervan aan de beperkingen die zij de betrokkene oplegt uitgesproken voor een duur van ten hoogste acht dagen en kan ze niet worden verlengd vooraleer de betrokkene de mogelijkheid heeft gekregen om door de geneeskundige commissie te worden gehoord met betrekking tot de motieven die dergelijke maatregelen verantwoorden.” Voorts bepaalt het artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 wat volgt: “Wanneer een lid van de geneeskundige commissie verneemt dat een beoefenaar van de geneeskunde, van de artsenijkunde, van de verpleegkunde, een dierenarts of een lid van een paramedisch beroep niet meer voldoet aan de vereiste fysische of psychische geschiktheden om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten, stelt hij de voorzitter daarvan in kennis. Deze roept onmiddellijk de commissie bijeen die, na de haar medegedeelde gegevens te hebben onderzocht en de belanghebbende te hebben gehoord of behoorlijk opgeroepen, de Nationale Raad van de Orde der geneesheren of van de Orde waaronder de belanghebbende ressorteert verzoekt drie geneesheren-deskundigen en even zoveel plaatsvervangers aan te wijzen. De belanghebbende wordt onverwijld in kennis gesteld van de instelling van de procedure. Elke deskundige tegen wiens persoon redenen tot wraking bestaan, is er toe gehouden deze onverwijld mede te delen aan de Nationale Raad.” XIV-39.363-8/14 Uit deze bepalingen blijkt dat de Provinciale Geneeskundige Commissie tot taak heeft het visum in te trekken of het behoud ervan afhankelijk te maken van de aanvaarding door de betrokkene van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van artsen-deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Artsen waaronder deze ressorteert, wordt vastgesteld dat een gezondheidsbeoefenaar bedoeld bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 niet meer voldoet aan de vereiste fysieke en psychische geschiktheden om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten (art. 119, § 1, 2°, b). Tot die beslissing kan evenwel slechts worden overgegaan nadat het advies werd ingewonnen van drie artsen-deskundigen, aangeduid op verzoek van de Provinciale Geneeskundige Commissie door de Nationale Raad van de Orde van Artsen. Wanneer de fysieke of psychische ongeschiktheid van de zorgbeoefenaar dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, kan de Provinciale Geneeskundige Commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de artsen-deskundigen in te winnen. 7. Te dezen blijkt noch uit de bestreden beslissing noch uit de stukken van het dossier dat dit advies van de artsen-deskundigen werd ingewonnen. Evenmin blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat die is genomen in afwachting dat dit advies is verleend, omdat de fysieke of psychische ongeschiktheid van verzoekster dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd. Hieruit volgt dat de in artikel 119, § 1, 2°, b), van de wet van 15 mei 2015 vervatte consultatieplicht, die een substantiële vormvereiste is en welke is ingesteld in het belang van de betrokkene, werd miskend. 8. De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. XIV-39.363-9/14 In de mate dat de verwerende partij in de memorie van antwoord wijst op artikel 119, § 1, 2°, c), punt 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 en op artikel 63 van het koninklijk besluit van 6 september 2017, gaat zij vooreerst eraan voorbij dat de bestreden beslissing niet enkel is gesteund op dat artikel 119, § 1, 2°, c), punt 1, maar evenzeer op artikel 119, § 1, 2°, b), dat nu net het verplicht inwinnen van het advies van artsen-deskundigen oplegt. Bovendien wordt noch in artikel 119, § 1, 2°, c), punt 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 noch in artikel 63 van het koninklijk besluit van 6 september 2017, voorzien in de mogelijkheid om, zoals de bestreden beslissing, het behoud van het visum van een arts aan voorwaarden te koppelen. In de mate dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord wijst op een ‘gangbare praktijk’ om het behoud van het visum afhankelijk te maken van de naleving van voorwaarden zonder aanstelling van artsen-deskundigen wanneer het probleem (nog) niet zodanig ernstig is en er een akkoord kan worden bereikt met de betrokken arts, moet worden opgemerkt dat zulk een ‘gangbare praktijk’ geen steun vindt in enige normatieve bepaling en integendeel uitdrukkelijk strijdt met hetgeen is bepaald in artikel 119, § 1, 2°, b), van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 en artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976, met name dat het advies van artsen-deskundigen die worden aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Artsen dient te worden ingewonnen. Een “gangbare praktijk” contra legem – zelfs al zou het luidens de laatste memorie van de verwerende partij nooit de bedoeling zijn geweest om contra legem te willen handelen –, kan nooit voorrang hebben op een uitdrukkelijke normatieve regeling waarmee die praktijk strijdt. Dat met deze ‘gangbare praktijk’ lange procedures worden vermeden en kosten worden bespaard verantwoordt al evenmin dat van de geschonden geachte consultatieplicht wordt afgeweken. In de mate dat de verwerende partij doet gelden dat verzoekster zich uitdrukkelijk akkoord zou hebben verklaard met het opleggen van de voorgestelde beperkingen, verliest de verwerende partij vooreerst uit het oog dat voor het opleggen daarvan, twee cumulatieve voorwaarden moeten zijn vervuld: XIV-39.363-10/14 enerzijds de aanvaarding door de betrokken arts van de opgelegde beperkingen en anderzijds het voorafgaand aan de beslissing inwinnen van het advies van de artsen-deskundigen. Noch artikel 119, § 1, 2°, b), van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, noch artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 voorzien dat het advies van de artsen-deskundigen niet zou moeten worden ingewonnen ingeval van akkoord van de betrokken arts. Bovendien mag in het kader van de beperking van het eigen visum, een arts bij het nemen door het Provinciale Geneeskundige Commissie van de bestreden beslissing, uitgaan van het vermoeden dat het overheidsoptreden in overeenstemming is met het recht en aldus aannemen dat de Provinciale Geneeskundig Commissie, het voorafgaand advies inwint alvorens te beslissen. Dat verzoekster “akkoord” zou zijn gegaan met de opgelegde beperkingen en niet heeft gewezen op mogelijke onwettigheden of onregelmatigheden bij het nemen van de bestreden beslissing, of op dat ogenblik geen bezwaar heeft gemaakt, ontzegt haar derhalve niet het recht om de schending van de consultatieplicht in een latere procedure voor de Raad van State voor te leggen. Overigens bemerkt de Raad van State dat, in de mate dat de verwerende partij opwerpt dat verzoekster er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van heeft onthouden zich te verdedigen voor de Provinciale Geneeskundige Commissie en aldus heeft nagelaten haar rechten te doen gelden tijdens de administratieve procedure – wat de Provinciale Geneeskundige Commissie zou hebben belet de eventuele gebreken in de procedure recht te zetten op het ogenblik dat zij nog geen definitief nadeel hebben berokkend aan verzoekster – op zich niet volstaat om het middel te verwerpen. Hoe dan ook kan de aangevoerde zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen slechts uitzonderlijk worden toegepast en de bewijslast daarvan berust bij het bestuur. Op dat punt faalt de verwerende partij in haar bewijslast, nu niet is aangetoond dat de enkele omstandigheid dat verzoekster zou zijn akkoord gegaan met de gestelde beperkingen, ervan doet blijken dat zij welbewust of met een verregaande lichtzinnigheid over de in het middel aangevoerde grief is heengestapt om zodoende te vermijden dat de Provinciale Geneeskundige Commissie het gebrek aan consultatie zou rechtzetten en om zich dan, als de bestreden beslissing is XIV-39.363-11/14 genomen, bij de Raad van State over de miskenning van haar rechten te gaan beklagen. Dat tot slot de Provinciale Geneeskundige Commissie een andere beslissing zou hebben genomen indien verzoekster niet had ingestemd met die voorwaarden, doet evenmin afbreuk aan de vaststelling dat de bestreden beslissing met miskenning van het geschonden geachte artikel 119, § 1, 2°, b), van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, werd genomen zonder voorafgaand het verplichte advies van de artsen-deskundigen in te winnen. Deze bewering van de verwerende partij lijkt integendeel overigens net te bevestigen dat de Provinciale Geneeskundige Commissie onterecht is overgegaan tot het nemen van haar beslissing zonder het advies van de artsen-deskundigen in te winnen. Overigens is het argument dat Provinciale Geneeskundige Commissie een andere beslissing zou hebben genomen zo verzoekster zich niet akkoord zou hebben verklaard met het opleggen van de betreffende beperkingen, niets meer dan een zuiver aleatoire bewering die bij gebrek aan enig concreet element, niet op haar merites kan worden getoetst. 9. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel in de aangegeven mate gegrond is. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt “de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg gewezen op 19 februari 2021 en kennis gegeven op 1 maart 2021, waarbij op haar vergadering unaniem werd beslist krachtens artikel 119, §1, 2, b en c1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen om het visum van [verzoekster] aan de volgende voorwaarden te koppelen: - [verzoekster] moet haar medicatie laten voorschrijven door haar GMD-houdende huisarts - [verzoekster] mag geen verdovende en psychotropische medicatie voorschrijven voor haar echtgenoot XIV-39.363-12/14 - [verzoekster] moet haar medicatie afhalen in 1 officina”. XIV-39.363-13/14 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.363-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div