← België

Arrest 260422 - Tucht (openbaar ambt) - 10/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.422 Rolnummer: A. 224177/IX-9215 Zaak: Arrest 260422 - Tucht (openbaar ambt) - 10/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-12 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-06-15 02:45 Fiche Arrest nr 260.422 van 10 juli 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Schadevergoeding tot herstel als niet verricht beschouwd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.422 van 10 juli 2024 in de zaak A. 224.177/IX-9215 In zake: T.M. woonplaats kiezend te 9506 Zandbergen Jan de Coomanstraat 42 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Mary kantoor houdend te 1060 Sint-Gillis Afrikastraat 92 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door : - het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowits en Patrick De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen - de minister van Begroting, thans staatssecretaris voor Begroting -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 4 januari 2018, strekt tot nietigverklaring van:

  1. de beslissing van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën van 31 oktober 2017 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf ‘terugzetting in de weddeschaal met twee jaar’ opgelegd wordt;
  2. het ministerieel besluit NR M19 van 9 november 2017 houdende uitvoering van de beslissing van 31 oktober 2017 van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën in het kader van de tuchtprocedure tegen verzoeker, IX-9215-1/150 inspecteur van financiën, waarbij “de anciënniteit van [verzoeker], inspecteur van Financiën met ingang van 1 december 2017 met twee jaar wordt verminderd”. Tevens vordert verzoeker een schadevergoeding “enerzijds omwille van het geleden morele nadeel, en anderzijds omwille van de geleden materiële schade uit hoofde van gederfde inkomsten, alsook voor de gevolgen van gemiste kansen bij de verdere uitbouw van zijn loopbaan omwille van de blaam in zijn dossier.” II. Verloop van de rechtspleging
  3. De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord en toelichtende memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een aanvullende memorie ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
  4. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Sven De Baere, die loco advocaat Sven Mary verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Patrick De Maeyer verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. IX-9215-2/150 Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker wordt bij koninklijk besluit van 31 januari 2010 benoemd tot inspecteur van financiën. Hij is sedert 2011 geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering waar hij het Vlaams agentschap Wegen en Verkeer adviseert. Hij vervult tevens de functie van Vlaamse Auditautoriteit voor elf Europese structuurfondsen. 3.
  7. In januari 2017 krijgt verzoeker naar eigen zeggen kennis van een aantal verklaringen van een medewerkster over intimidatiepogingen door een collega-inspecteur van financiën, de heer M.V. zou daarbij gevraagd hebben valse verklaringen af te leggen aangaande gebeurtenissen van 2015 die het voorwerp uitmaakten van een tuchtonderzoek tegen hem. Naar eigen zeggen ziet verzoeker geen andere mogelijkheid dan zelf een onafhankelijke instantie aan te stellen om de gegrondheid van de verklaring van zijn medewerkster, personeelslid van de Vlaamse overheid, te onderzoeken. Aldus beslist hij een externe forensische auditor aan te stellen, gebruikmakend van de raamovereenkomst die door Audit Vlaanderen werd gesloten inzake audits, waarbij hij de bestelling plaatst op de begrotingsaanrekening van de Vlaamse Auditautoriteit. Op 26 januari 2017 richt verzoeker, via zijn korpschef, een schrijven aan de leden van de Raad van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën. In die brief, met als onderwerp ‘Vaststellingen forensische audit werking Vlaamse Auditautoriteit Europese Structuurfondsen, en daaraan gekoppeld de Inspectie van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering’, IX-9215-3/150 deelt hij de conclusies van de audit mee, interpreteert hij die conclusies en deelt hij zijn “auditopinie” mee om onder meer te besluiten: “Bovenstaande dwingt mij tevens, naast de vraag de mogelijke straf- en tuchtrechtelijke vergrijpen van de heer [M.V.], begaan tijdens het najaar 2016 en de maand januari 2017, welke binnen de exclusieve bevoegdheid van de Raad vallen, te onderzoeken, u te vragen om als ordemaatregel (en dus losstaand van mogelijke onderzoeken), in het belang van de goede werking van de dienst, de heer [M.V.] met onmiddellijke datum te verplaatsen.” Verzoeker bezorgt een afschrift van dit schrijven aan de minister-president van de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, de korpschef van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën en de inspecteur-generaal van Financiën, Coördinator. Verzoeker vermeldt hierbij dat hij dit doet “gezien [zijn] hoedanigheid als Vlaamse Auditautoriteit enerzijds, en het gegeven dat het gaat om een inspecteur van Financiën anderzijds”. Op 27 januari 2017 richt de korpschef van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën (hierna: de korpschef) een nota aan verzoeker, die luidt als volgt: “Ik verwijs naar uw brief van 26 januari 2017 betreffende de in rand vermelde aangelegenheid, die u mij gisteren namiddag heeft overhandigd in mijn kantoor. In het belang van het onderzoek is het cruciaal om over alle elementen te kunnen beschikken om de situatie goed te kunnen inschatten. U heeft ervoor gekozen om zelf een onderzoek in te stellen eerder dan de Korpschef of de Raad onmiddellijk op de hoogte te brengen van de feiten. In dat verband verzoek ik u mij de volgende inlichtingen te willen bezorgen: - op welke juridische basis steunt uw beslissing om een forensische audit te laten uitvoeren door KPMG? - hoe werd deze audit gefinancierd? - tenslotte verzoek ik u, in het belang van het onderzoek, om een kopie van de audit te bezorgen. Gezien de hoogdringendheid mag ik aandringen op een snel antwoord.” In een e-mail van dezelfde dag dringt verzoeker bij zijn korpschef aan “op het nemen van de gepaste ordemaatregelen teneinde de IX-9215-4/150 bestaande onaanvaardbare situatie te stuiten”. In zijn antwoord bij brief, eveneens op dezelfde dag, deelt verzoeker aan de korpschef mee dat zijn schrijven dienst deed als melding van een probleem van intimidatie en misbruik van gezag uitgaande van een inspecteur van financiën ten aanzien van Vlaamse personeelsleden en dat precies daarom de Vlaamse instanties op de hoogte werden gebracht. Hij wijst erop dat het verslag van de forensische audit vertrouwelijk is en enkel ter inzage van de bevoegde Vlaamse instanties. Op 2 februari 2017 vraagt de korpschef, in een tweede nota aan verzoeker, opnieuw naar de documenten waarvan sprake in zijn eerste nota. De korpschef is van oordeel dat een aantal bijkomende inlichtingen noodzakelijk is: “Ik beschik immers enkel over uw nota van 26 januari 2017 doch niet over de stukken waarop u uw nota heeft gebaseerd”. In zijn antwoord van dezelfde datum stelt verzoeker dat hij het vertrouwelijk verslag niet kan bezorgen. Hij is van mening dat het auditverslag betrekking heeft op “overheidspersoneel tewerkgesteld bij de Vlaamse overheid”, en dat de “vertrouwelijke elementen […] enkel binnen het Vlaamse kader ingekeken [kunnen] worden, door de daartoe bevoegde Vlaamse instanties”. Op 3 februari 2017 wordt verzoeker nogmaals aangeschreven door zijn korpschef en dit in volgende bewoordingen: “Betreft : Vaststellingen forensische audit werking Vlaamse Auditautoriteit Europese Structuurfondsen, en daaraan gekoppeld de Inspectie van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering Geachte heer [T.M.], Ik kom terug op uw schrijven van 2 februari 2017 betreffende de in rand vermelde aangelegenheid. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe en hoewel een Inspecteur van Financiën er het voorwerp van uitmaakt, bent u niet ingegaan op mijn verzoek om mij het door u bestelde auditverslag over de heer [M.V.] te bezorgen. Het gegeven dat de personen die het slachtoffer waren van de vermeende feiten van intimidatie, personeelsleden zijn van de Vlaamse Overheid, IX-9215-5/150 betekent niet dat dit een interne kwestie binnen de Vlaamse Overheid zou betreffen en dat daarom uitsluitend de Vlaamse instanties zouden moeten in kennis gesteld worden van de audit. Immers maakt de persoon die het voorwerp uitmaakt van de audit deel uit van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en is hij in die hoedanigheid onderworpen aan de deontologie van het Korps en de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de disciplinaire commissie, de Beroepskamer en het interministerieel Comité van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. U meldt mij in uw nota van 26 januari 2017 mogelijke tuchtfeiten die volgens u zelfs als strafrechtelijke vergrijpen zouden kunnen gekwalificeerd worden zonder de stukken mee te delen die u doen besluiten tot deze stelling. Met dit schrijven verzoek ik u dan ook een laatste keer om mij een afschrift over te maken van de audit in kwestie met bijlagen en mij ook de wijze waarop een beroep werd gedaan op de diensten van KPMG en de financieringsmodaliteiten van deze audit te willen meedelen. Gelet op de ernst van de zaak, verzoek ik u opnieuw mij zo spoedig mogelijk te willen antwoorden op dit schrijven.” Op 6 februari 2017 stuurt de korpschef een herinnering, waarin hij schrijft: “Mag ik u dan ook verzoeken om mij ten laatste morgen middag de elementen van antwoord te willen bezorgen. Zonder enige reactie van uwentwege, ga ik ervan uit dat u niet wenst te antwoorden en zal ik verder het nodige gevolg geven aan uw schrijven van 26 januari 2017 betreffende deze aangelegenheid”. Verzoeker antwoordt op 7 februari 2017 dat het forensisch onderzoek beperkt was tot het niveau van het ondersteunend personeel en niet gericht was op een inspecteur van financiën. In tegenstelling tot de korpschef is verzoeker van mening dat M.V. niet het voorwerp uitmaakte van het forensisch onderzoek. Uit dit intern, Vlaams onderzoek, aldus verzoeker, is gebleken dat de korpschef ingelicht moest worden, hetgeen verzoeker heeft gedaan. De conclusies van het onderzoek waren voldoende duidelijk en richtinggevend om de korpschef en de Raad van het Korps toe te laten de noodzakelijke stappen te zetten. Het onderzoek zelf kwam, aldus verzoeker, op geen enkele wijze tussen in de bevoegdheden van de korpschef in het kader van de tuchtprocedure voor de inspecteurs van financiën. 3.
  8. Op 9 februari 2017 richt de korpschef een nota aan verzoeker, IX-9215-6/150 waarmee hij hem in kennis stelt van de feiten waarvoor een tuchtprocedure wordt opgestart. Deze nota luidt als volgt: IX-9215-7/150 “Betreft: Vaststellingen forensische audit werking Vlaamse Auditautoriteit Europese structuurfondsen, en daaraan gekoppeld de Inspectie van financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering — Uw nota van 26 januari
  9. Inleiden tuchtprocedure — Uitnodiging voor een onderhoud met de disciplinaire commissie I. Regelgeving Artikelen 53-84 van het K.B. van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. Koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende vaststelling van de deontologische code van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. II. Omschrijving van de feiten waarvan de Korpschef heeft kennis genomen
  10. Ik verwijs naar uw nota van 26 [januari] 2017 betreffende de vaststellingen van een forensische audit die op uw verzoek werd uitgevoerd door KPMG en die u mij op donderdag 26 januari 2017 in mijn kantoor heeft overhandigd. Deze nota werd eveneens bezorgd aan de Minister-President en de Minister van Begroting van de Vlaamse Regering. De aanleiding voor deze audit was dat uw secretaresse u begin januari 2017 meldde dat de heer [M.V.], inspecteur-generaal van financiën, haar in de maanden november/december zou hebben benaderd met de vraag om te zwijgen over de aantijgingen met betrekking tot de feiten van seksuele aard welke in het voorjaar 2015 zouden zijn gebeurd. De heer [M.V.] zou daarbij zeker twee secretaresses welke op het gelijkvloers werkten in de Rozenstraat, meermaals en in hun burelen benaderd hebben.
  11. Volgens uw voormelde nota zou de forensische audit, die in de week van 23 januari 2017 werd uitgevoerd, tot de volgende conclusies zijn gekomen: - uit de interviews blijkt dat de verklaringen gedaan werden op vraag van de heer [K.], inspecteur-generaal van financiën, coördinator en dat daarbij niet werd gespecifieerd wat de verklaringen dienden te bevatten; - uit twee interviews blijkt dat de heer [M.V.] eenmalig heeft gevraagd om te verklaren dat zij niets gezien of gehoord hebben en dat dit door de secretaresses als druk werd ervaren; - uit twee interviews blijkt dat de heer [M.V.] op de hoogte was van de verklaringen van de secretaresses en dat deze niet wisten hoe hij hun vertrouwelijke verklaringen zou hebben kunnen inzien: de auditoren raden aan om dit verder te onderzoeken; - de betrokkene zelf (de heer [V.]) werd niet gehoord, noch andere personen die op de hoogte zouden zijn van de feiten vb. inspecteurs van financiën: de auditoren raden aan om dit verder te onderzoeken om na te gaan of de deontologische code werd overschreden waarbij zij specifiek denken aan één bepaalde verbodsbepaling m.b.t. de loyauteit, met name ‘Hij onthoudt zich van activiteiten die zijn integriteit en de waardigheid IX-9215-8/150 van de functie schade zouden kunnen berokkenen’. Voor alle duidelijkheid veronderstel ik dat het hier gaat om de verklaringen die de heer [K.], inspecteur-generaal van financiën, coördinator, mij, op mijn verzoek van 19 oktober 2016 in het kader van het voorbereiden van een tuchtonderzoek, heeft bezorgd met zijn brief van 21 november
  12. Deze verklaringen dateren van 17 november
  13. U komt, op basis van de informatie uit het auditverslag, tot de auditopinie dat 1° de verklaringen inzake de gebeurtenissen van het voorjaar 2015 correct werden weergegeven en dat daarbij geen druk vanwege de coördinator [D.K.] werd gelegd om verklaringen welke niet strookten met de feiten af te leggen en dat 2° er voldoende grond is om aan te nemen dat de heer [V.] in de laatste maanden van 2016 gepoogd heeft om getuigen van de gebeurtenissen van het voorjaar van 2015 te bewegen tot andere verklaringen dan deze die stroken met de feiten. III. Tuchtfeiten A. Inleiding: Deontologie van de Inspectie van financiën
  14. De deontologische code bepaalt o.m. het volgende over de ambtsverplichtingen van de inspecteurs van financiën: ‘I. De onafhankelijkheid. (...) A. Verbodsbepalingen
  15. Hij onthoudt zich van activiteiten die zijn integriteit en de waardigheid van de functie schade zouden kunnen berokkenen. II. De loyaliteit
  16. Hij stelt zich loyaal op ten aanzien van de bevoegde autoriteiten en zijn collega's. Wat dit laatste betreft, respecteert hij de bevoegdheidsverdeling zoals ze werd vastgesteld
  17. Hij spreekt af met zijn collega's op stuk van de materiële organisatie van de dienst en geeft hun de nodige informatie. Hij onthoudt zich van elke kwetsende opmerking ten aanzien van een collega of ten aanzien van het Korps. (...)
  18. De inspecteur van financiën is gehouden tot professionele discretie. a. Dit heeft betrekking op alle feiten en gegevens waarvan hij kennis heeft gekregen naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie.(...)’ De hieronder beschreven feiten kunnen mogelijks als een inbreuk op deze deontologische verplichtingen worden beschouwd. B. Overzicht van de tuchtfeiten
  19. Hieronder zal worden weergegeven waarom u de volgende tuchtfeiten ten laste gelegd worden: - het voeren van een onderzoek, namens de Vlaamse Auditautoriteit, naar een ander lid van het Korps en het niet respecteren van de interne bevoegdheidsverdeling binnen het Korps; - het opstellen van een schrijven van 26 januari 2017 dat ingaat tegen de in dit schrijven geciteerde conclusie van de forensische audit en dus niet strookt met de waarheid; - het mogelijk aanwenden van gemeenschapsmiddelen om een onrechtmatige uitgave te financieren; - het vertrouwelijk houden van de forensische audit van de bevoegde IX-9215-9/150 overheden; - het richten van het schrijven van 26 januari 2017 aan de betrokken ministers zonder voorafgaandelijke raadpleging van de andere organen binnen het Korps; - het aandringen op de overplaatsing van de heer [M.V.], zonder tegenspraak van deze laatste, waardoor de betrokken ministers de indruk zullen hebben dat de aanwezigheid van de heer [M.V.] de werking van de dienst in het gedrang brengt; - het opstellen van een conclusie en een waardeoordeel over het handelen van de heer [M.V.] zonder enige vorm van tegenspraak of tuchtprocedure en de kwalificatie van deze gedragingen als mogelijks strafrechtelijke feiten. C. Onbevoegdheid
  20. Ik vestig uw aandacht er ten eerste op dat u ten aanzien van de heer [M.V.] geen enkele bevoegdheid heeft om een onderzoek naar zijn handelen te laten uitvoeren. Dat u de hiërarchisch meerdere bent van één van de secretaresses doet hier geen afbreuk aan. Eerder dan mij voor het eerst pas met uw schrijven van 26 januari 2017 op de hoogte te brengen van uw onderzoek, diende u op het ogenblik dat u op de hoogte werd gebracht van de feiten deze te melden aan de Korpschef die een onderzoek had kunnen instellen. Dat het volgens u mogelijks om strafbare feiten gaat, doet hier evenmin afbreuk aan. De betrokken secretaresses konden, indien zij van mening waren dat er strafbare feiten gepleegd werden, een klacht indienen. Ook de wens om meer duidelijkheid te krijgen over de feiten en de gevoeligheid van de zaak doen geen afbreuk aan deze vaststelling. Het is aan de Korpschef om de zaak te onderzoeken en niet aan een lid van het Korps, ongeacht of de feiten gepleegd door de betrokken inspecteur van financiën verband houden met personeelsleden die onder het toezicht van dit lid (of van een andere inspecteur van financiën) staan. U was dan ook niet bevoegd om enig onderzoek te voeren dan wel te laten uitvoeren door een extern auditbureau.
  21. Tevens wijs ik er op dat de handelingen van de heer [M.V.] geen uitstaans hebben met uw functie van Vlaamse Auditautoriteit. Het betreft immers een functie die voorzien is in de Europese regelgeving betreffende de Europese fondsen. U kan niet in naam van de Vlaamse Auditautoriteit een dergelijk onderzoek laten uitvoeren. Er moet dan ook worden vastgesteld dat er sprake is van een kennelijke machtsoverschrijding en onbevoegdheid en dus, gelet op de gevolgen hiervan, van een beroepsfout.
  22. Mede gelet op de andere in deze nota vermelde tuchtfeiten, strookt dit gedrag bovendien niet met de Verklaring van bevoegdheid en functionele onafhankelijkheid krachtens bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1828/2006 af te leggen door het hoogste orgaan van de auditautoriteit wanneer deze zelf het advies overeenkomstig artikel 71, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1828/2006 over de conformiteit van de beheers- en controlesystemen uitbrengt, die ik ten behoeve van de Europese Commissie heb afgelegd op IX-9215-10/150 8 april 2009, met name wat betreft het volgende element dat mede onze onafhankelijkheid moet waarborgen: ‘De inspecteurs van financiën zijn onderworpen aan een deontologische code die door alle Regeringen en Colleges werd goedgekeurd en die werd bekrachtigd door het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende vaststelling van de deontologische code van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën’. Ook het respecteren van het principe van scheiding van functies wordt in deze Verklaring vermeld. Zowel de deontologische code als het principe van scheiding van functies werden niet geëerbiedigd.
  23. Op mijn vraag naar de wijze waarop u een beroep heeft gedaan op de diensten van KPMG en de financieel-budgettaire implicaties van hun tussenkomst heeft u tot driemaal toe geweigerd om te antwoorden. Met mijn nota’s van 27 januari 2017, 2 en 3 februari 2017 heb ik u verzocht om me mede te delen welke de juridische basis was voor uw optreden (nota van 27 januari 2017) en hoe deze audit werd gegund en gefinancierd. Tevens heb ik u verzocht om me een kopie van het auditverslag te willen bezorgen. In uw antwoorden van 27 januari 2016, 2 en 7 februari 2017 ([in voetnoot: de datums van de antwoorden stemmen niet overeen met de verzendingsdatums]) gaat u evenwel niet in op deze vragen en stelt u enkel dat de bevoegde Vlaamse instanties op de hoogte werden gebracht gelet op het feit dat het over Vlaamse personeelsleden van het domein Financiën en Begroting gaat en de betreffende vertrouwelijke elementen enkel binnen het Vlaamse kader kunnen ingekeken worden door de daartoe bevoegde Vlaamse instanties. Verwijzend naar uw schrijven van 7 februari 2017, wijs ik er op dat de stelling dat de heer [M.V.] niet het voorwerp uitmaakte van het onderzoek niet kan weerhouden worden. De heer [M.V.] was de persoon die de feiten zou hebben begaan en er wordt door u een beoordeling van het laakbaar karakter van het handelen van de heer [M.V.] gedaan op grond van de besluiten in het auditverslag. De wens om de realiteit en de omvang van deze verklaringen na te gaan heeft evenmin enig gevolg op de vaststelling dat u niet bevoegd was om enig onderzoek te voeren. Ten slotte wijs ik er nogmaals op dat de hoedanigheid van Vlaams Auditautoriteit geen enkel verband houdt met de begane feiten noch geeft het u de bevoegdheid om het onderzoek te bevelen Daarnaast stel ik vast dat u evenmin bent ingegaan op mijn verzoek om inzage te kunnen krijgen van het volledig auditverslag met de bijlagen. Ook dit handelen maakt een inbreuk uit op de eerbiediging van de bevoegdheidsverdeling binnen het Korps. De vraagstelling omtrent de gunning van de auditopdracht en de financiering ervan, hadden tot doel na te gaan: ° welke gunningsprocedure werd gevolgd; ° of u deze opdracht met eigen persoonlijke middelen hebt gefinancierd dan wel of u gemeenschapsmiddelen hebt aangewend om een onrechtmatige uitgave te financieren. IX-9215-11/150 Het aanwenden van gemeenschapsgelden om een onrechtmatige uitgave te financieren zou in ieder geval onaanvaardbaar zijn mede gezien de opdracht van de Inspectie van financiën er juist in bestaat om, namens de Minister van Begroting, toe te zien op de regelmatigheid en wettelijkheid van de overheidsuitgaven. Door niet te antwoorden op mijn vraag heb ik ten behoeve van de disciplinaire commissie hierover geen uitsluitsel kunnen bekomen.
  24. Aangezien sprake is van kennelijke machtsoverschrijding en onbevoegdheid en mogelijk ook van het onrechtmatig aanwenden van gemeenschapsgelden is uw handelen van die aard dat het uw integriteit en de waardigheid van de functie schade heeft berokkend. D. Aanvullende eigen verklaringen die niet stroken met de inhoud van het auditverslag
  25. Naast deze door u geciteerde conclusies van de forensische audit, voegt u, in eigen naam, een aantal andere belastende verklaringen tegen de heer [M.V.] toe die echter geen bevestiging vinden in de door u geciteerde conclusies van het auditrapport of niet worden ondersteund door bewijsstukken noch het voorwerp hebben uitgemaakt van enig onderzoek door de bevoegde overheid. Het gaat om de hierna vermelde verklaringen.
  26. U spreekt over verklaringen van meer dan vier secretaresses (dus minstens vijf secretaresses) betreffende de gebeurtenissen van het voorjaar
  27. Mij werden echter slechts twee verklaringen bezorgd. Bovendien blijkt het bestaan van meer dan vier verklaringen geenszins uit de door de u in uw nota vermelde conclusies van de forensische audit, waar enkel sprake is van twee verklaringen.
  28. Verder beweert u dat de intimiderende handelingen van de heer [M.V.] zich meer dan eens hebben voorgedaan daar waar uit de door u vermelde conclusies van de forensische audit blijkt dat het om een eenmalige handeling ging.
  29. U suggereert dat de handelingen van de heer [M.V.] mogelijks de kwalificatie dienen te krijgen van misbruik van gezag temeer omdat een van de twee secretaresses deels voor de heer [M.V.] werkte. U verwijst hierbij naar art. 66 van het Strafwetboek. Dit artikel heeft echter evenwel betrekking op de vraag welke personen al dan niet als dader van een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Daarin wordt bepaald dat de personen die door misbruik van gezag een misdrijf hebben uitgelokt als dader kunnen beschouwd worden. Dit artikel houdt dus niet de strafbaarstelling zelf van het misbruik van gezag in, maar wel artikel 254 Sw. Deze handelingen kunnen echter evenmin worden gekwalificeerd als misbruik van gezag in de zin van art. 254 van het Strafwetboek. Deze bepaling die het optreden tegen de wet wil bestraffen van een ambtenaar die daarvoor de openbare macht vordert, kan niet worden toegepast op de betreffende handelingen van de heer [V.].
  30. U vermeldt dat een derde secretaresse vermijdt om naar het verdiep van de heer [V.] te komen, gezien haar afgelegde verklaringen inzake de gebeurtenissen van het voorjaar 2015, omdat ze zijn reactie vreest. U IX-9215-12/150 voegt eraan toe dat haar stilzwijgen mogelijkerwijze aan deze situatie dient te worden gekoppeld. Er werd mij in ieder geval geen schriftelijke verklaring van deze derde secretaresse bezorgd.
  31. U vermeldt dat één van beide secretaresses vorige woensdag opnieuw werd geïntimideerd om geen verdere verklaringen af te leggen. Het dossier bevat echter geen verklaring van deze secretaresse.
  32. U beweert tevens dat de heer [V.] aan beide secretaresses zou hebben verteld dat hij hun verklaringen had gelezen. Dit gaat verder dan de door u vermelde conclusies van de forensische audit, met name dat uit twee interviews blijkt dat de heer [V.] heeft vermeld dat hij op de hoogte was van hun verklaringen. De heer [V.] was overigens inderdaad op de hoogte aangezien hij door mij op 25 november 2016, overeenkomstig artikel 72 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, in kennis werd gesteld van het bestaan van drie getuigenissen (twee verklaringen van secretaresses en één verklaring van een inspecteur van financiën). De heer [V.] heeft echter pas op 12 januari 2017 inzage gehad van zijn tuchtdossier en dus ook van de betreffende verklaringen. Op het ogenblik dat de interviews werden afgenomen (de week van 23 januari 2017) had de heer [V.] aldus de betrokken verklaringen gelezen. Uit de opsomming hierboven blijkt dat u een aantal ongefundeerde beschuldigingen heeft overgemaakt aan onder meer de Minister-President en de Minister van Begroting van de Vlaamse Regering en deze verklaringen door hun niet aangetoond karakter kwetsend zijn voor de heer [V.] en getuigen van een deloyale houding ten overstaan van een andere inspecteur van financiën. E. Vertrouwelijk houden van de audit
  33. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe en hoewel een inspecteur van financiën het onderwerp ervan uitmaakt, bent u niet ingegaan op mijn verzoek om mij het door u bestelde auditverslag te bezorgen. Het feit dat de slachtoffers van de vermeende daden van intimidatie personeelsleden zijn van de Vlaamse Overheid noch uw hoedanigheid van Auditautoriteit doen besluiten dat uw handelingen rechtmatig zijn. U hebt een onderzoek gevoerd naar het handelen van een ander lid van het Korps en in dat kader een privéonderneming gecontacteerd en ermee gecontracteerd. Het auditrapport dat hieruit is voortgekomen kan niet worden beschouwd als een document waarvan alleen uzelf inzage zou mogen krijgen. Toch hebt u, tot driemaal toe, een verzoek van de bevoegde overheid geweigerd. Ook deze handeling kan als een niet-eerbiediging van de bevoegdheidsverdeling binnen het korps gekwalificeerd worden. F. Overmaken van het schrijven van 26 januari 2017 aan de Minister- President en de Minister van Begroting van de Vlaamse Regering
  34. Het deloyaal karakter van uw schrijven van 26 januari 2017 wordt nog IX-9215-13/150 in de verf gezet doordat u, zonder enig overleg met mijzelf of de leden van de Raad van het Korps en zonder dat enige tegensprekelijke procedure werd gevoerd met de heer [V.], het schrijven hebt overgemaakt aan de voormelde leden van de Vlaamse Regering. Zoals hierboven werd aangetoond wordt bovendien informatie aan deze personen meegedeeld die niet overeenstemt met de passages van het auditrapport die u zelf aanhaalt en citeert. Daarenboven hebt u in dit schrijven zelfs het mogelijks strafrechtelijk karakter van de vermeende feiten aangehaald. Tot slot hebt u aangekaart dat de heer [V.] niet langer kon worden tewerkgesteld in zijn huidige functie. Opnieuw maakt dit handelen een inbreuk uit op de bevoegdheidsverdeling van het Korps, is het kwetsend ten overstaan van de heer [V.] zonder dat hij zich heeft kunnen verdedigen en is het eveneens deloyaal tegenover de heer [V.] en het Korps. Door zo te handelen berokkent u schade aan de waardigheid van de functie. G. Beschuldigingen en gebrek aan tegenspraak
  35. U besluit tot de auditopinie zonder tegenspraak dat er voldoende grond zou zijn om de feiten als bewezen te beschouwen. Zonder enige tegensprekelijke procedure werd bovendien het volgende gesteld: ‘Bijgevolg dient dit mogelijks de kwalificatie te krijgen van misbruik van gezag (art. 66 Sw.), temeer aangezien een van beide secretaresses ook deels effectief voor hem werkte. Daarbij is mij ook ter ore gekomen dat een derde secretaresse zou vermijden om naar het verdiep te komen waar de heer [V.] werkt aangezien ze, gezien haar afgelegde verklaringen inzake gebeurtenissen van het voorjaar 2015, zijn reactie vreest. Zijn eigen secretaresse was de enige die geen interview wenste te geven. Haar stilzwijgen dient mogelijkerwijze aan deze situatie te worden gekoppeld. Tenslotte dient in dit kader ook gemeld te worden dat één van beide secretaresses mij deze morgen vertelde dat ze woensdag jl. opnieuw werd bezocht in haar bureel door de heer [V.], die de deur sloot en haar opnieuw intimideerde om geen verklaringen af te leggen (aparte vertrouwelijke verklaring).’ Uw brief bevat een reeks niet bewezen insinuaties, waaronder: - de stelling dat een secretaresse waarvan de identiteit niet vermeld wordt, niet in de aanwezigheid durft te zijn van de heer [V.]; - de bewering dat de secretaresse van de heer [V.] niet zou hebben willen getuigen uit vrees voor de reactie van de heer [V.]. Deze niet-gefundeerde verklaringen en het gebrek aan transparantie maken opnieuw deloyaal gedrag uit ten overstaan van het Korps. IV.Toerekenbaarheid van de feiten
  36. Teneinde vast te stellen of een feit een tuchtinbreuk is, dient te worden nagegaan of het personeelslid zelf – hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid – de schuld draagt voor de verstoring van de goede werking van de dienst ingevolge dit feit, met andere woorden of hij een beroepsfout heeft begaan. De feiten moeten met andere woorden aan het IX-9215-14/150 betrokken personeelslid persoonlijk toerekenbaar zijn.
  37. Uit het voorgaande blijkt dat: - zonder enig overleg binnen het Korps werd overgegaan tot het voeren van een belastend onderzoek over een ander lid van het Korps; - de Korpschef of andere beheersorganen van het Korps op geen enkele wijze betrokken werden en worden bij dit onderzoek noch bij het opstellen van de nota van 26 januari 2017 die nochtans gericht werd aan leden van de Vlaamse Regering; - geweigerd wordt het dossier mee te delen aan deze beheersorganen; - er niet gefundeerde verklaringen werden afgelegd of zelfs verklaringen die ingaan tegen de in uw nota van 26 januari vermelde inhoud van de zelf bestelde audit en die de betrokken inspecteur van financiën in een slecht daglicht stellen; - er zonder enige vorm van tegenspraak of procedure, beschuldigingen worden geuit aan de betrokken inspecteur van financiën en een besluit van tuchtrechtelijke en mogelijks strafrechtelijke feiten wordt meegedeeld aan leden van de Vlaamse Regering; - er gevraagd wordt een overplaatsingsmaatregel op te leggen zonder enig overleg of tegensprekelijke procedure of zonder enige bevoegdheid ter zake. Deze feiten werden met opzet begaan of maken minstens een nalatigheid uit die gelet op de zwaarwichtigheid van de inbreuken, de beschuldigingen aan het adres van een ander inspecteur van financiën en het volledige gebrek aan overleg met de organen binnen het Korps en transparantie naar deze organen, niet verschoonbaar is. V. Besluit
  38. Overeenkomstig art. 72 van het voormeld koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, stel ik u met dit schrijven bijgevolg in kennis van de hierboven beschreven feiten waarvoor een tuchtprocedure wordt opgestart. VI. Uitnodiging voor de hoorzitting
  39. De Minister van Begroting heeft de inspecteurs van financiën aangeduid die deel zullen uitmaken van de disciplinaire commissie voorzien in art. 73 van het voormeld koninklijk besluit van 1 april
  40. De samenstelling van de disciplinaire commissie is als volgt: de Heer [W.S.], inspecteur-generaal van financiën; de Heer [L.P.], inspecteur-generaal van financiën; de Heer [T.D.B], inspecteur van financiën, De heer Minister heeft de heer [T.D.B.], inspecteur van financiën, als griffier-rapporteur aangeduid. U wordt hierbij uitgenodigd voor een onderhoud met de disciplinaire commissie met het oog op uw verdediging op 6 maart 2017, om 14 uur in […]. Het komt de Commissie toe te oordelen of een voorstel van tuchtstraf aangewezen is (art. 75 van het voormeld koninklijk besluit van 1 april IX-9215-15/150 2003). U kan zich laten bijstaan door een raadgever of u laten vertegenwoordigen door een raadgever ingeval van gewettigde verhindering. Verwijzend naar art. 73, §2 kan u uw tuchtdossier tot en met 3 maart 2017 inzien in mijn kantoor […] of op 6 maart 2017 vóór uw verdediging. U kan er desgevallend gratis fotokopieën van maken.” 3.
  41. De disciplinaire commissie vergadert uiteindelijk op 20 maart
  42. Verzoeker dient, naar aanleiding daarvan, een omstandig verweerschrift in waarbij op de verschillende vermeende tuchtfeiten wordt ingegaan. Van het onderhoud door de disciplinaire commissie met verzoeker wordt een proces- verbaal opgesteld. Op 27 maart 2017 stelt de disciplinaire commissie voor om de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Het voorstel luidt : “Artikel 75 van het KB van 1 april 2003 stelt dat indien de disciplinaire commissie het noodzakelijk oordeelt, zij binnen een termijn van vijftien dagen een voorstel van tuchtstraf formuleert. Gelet op het voorgaande elementen van dit verslag is de Disciplinaire Commissie van oordeel dat een voorstel tot effectieve tuchtstraf in deze noodzakelijk is. In haar beraadslagingen heeft de Disciplinaire Commissie rekening gehouden met volgende omstandigheden. - [Verzoeker] kan buigen op een zeer lange ervaring in het openbaar ambt. Hij is jurist van vorming en bovendien co-auteur van juridische handboeken over administratief en grondwettelijk recht. De Disciplinaire Commissie is van oordeel dat zijn juridische onderlegdheid en ervaring hem eerder hadden moeten aanzetten tot voorzichtigheid en terughoudendheid. - De verspreiding van de nota van 26 januari 2017 […] heeft geleid tot zware reputatieschade voor [V], dit op een ogenblik waarop de vermeende tuchtfeiten nog niet het voorwerp hadden uitgemaakt van een tuchtonderzoek of een eindbeslissing. - De Disciplinaire Commissie is van oordeel dat [verzoeker] zich volledig ten onrechte beroept op zijn hoedanigheid van auditautoriteit, op het rapport dat hij ten onrechte kwalificeert als een forensische audit en dat hij een onzorgvuldige auditopinie formuleerde en verspreidde in een zaak die zelfs niet tot zijn (audit)bevoegdheden behoort. - Het beweerde optreden als Vlaamse Auditautoriteit door [verzoeker] verschafte hem tevens het excuus om misbruik te maken van zijn ordonnateurschap over een begrotingskrediet dat voor andere doeleinden bestemd was. Hij heeft met andere woorden misbruik gemaakt van publieke middelen. De Disciplinaire Commissie is van oordeel dat er voor dergelijke feiten binnen het interfederaal korps een absolute nultolerantie IX-9215-16/150 moet worden gehanteerd. - Een inspecteur van financiën oefent wettigheidscontrole uit over de correcte besteding van overheidsmiddelen. De inspecteurs van financiën beschikken daarom ook over een grote onafhankelijkheid in de uitoefening van hun functie. Men mag verwachten dat het eigen gedrag van een inspecteur van financiën op dat terrein dus absoluut onberispelijk is. De Disciplinaire Commissie is ook van oordeel dat een inspecteur van financiën een voorbeeldfunctie vervult. Dat heeft [verzoeker] absoluut niet vertoond. - Uit de argumentatie van [verzoeker] tijdens de hoorzitting is gebleken dat hij absoluut geen inzicht heeft in de gemaakte deontologische fouten en absoluut geen spijt betoont. Hij is ervan overtuigd dat hij correct heeft gehandeld. - De Disciplinaire Commissie is van oordeel dat deze feiten wegen op het goede imago en het aanzien van, niet enkel het korps van de Inspectie van financiën, doch ook de heer V[…] en [verzoeker] zelf. Gelet op hetgeen voorafgaat, en met toepassing van de artikelen 54 en 75 van het KB van 1 april 2003, stelt de Disciplinaire Commissie de tuchtsanctie op te leggen voorzien bij artikel 60, § 1, 6° van het KB van 1 april 2003: ‘ontslag van ambtswege’.” 3.
  43. Op 11 april 2017 stelt verzoeker beroep in bij de beroepskamer Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën. Van de hoorzitting op 25 april 2017 van de beroepskamer wordt een proces-verbaal opgesteld. De beroepskamer adviseert de tuchtstraf ‘terugzetting in weddeschaal’ op te leggen, en wel om volgende redenen: “
  44. Beoordeling van het beroep op grond van artikel 63 kb 1 april 2003 bij Beroepskamer Bij aangetekend schrijven van 11 april 2017 werd door [verzoeker] beroep aangetekend tegen het voorstel van de disciplinaire commissie van 27 maart
  45. Overeenkomstig de termijnen en vormvereisten van de artikelen 76 en 83 van het KB van 1 april 2003 oordeelt de Beroepskamer dat het beroepsschrift in zijn geheel ontvankelijk moet worden beschouwd. De elementen van beroep die door [verzoeker] aangehaald worden, worden hieronder apart besproken en beoordeeld.
  46. Exceptie van onbevoegdheid van Korpschef [R.] om de tuchtprocedure t.a.v. [verzoeker] op te starten [Verzoeker] herneemt integraal de exceptie van onbevoegdheid zoals uiteengezet in zijn verweerschrift ten aanzien van de disciplinaire commissie en benadrukt dat hij de feiten die hem ten laste worden gelegd heeft uitgevoerd in zijn functie van Vlaamse Auditautoriteit (hierna: IX-9215-17/150 VAA) en niet in de hoedanigheid van Inspecteur van Financiën. [Verzoeker] verwijst hierbij naar de getuigenis van de heer [D.K.] […] waarin bevestigd wordt dat er ‘een rechtstreekse lijn Auditautoriteit versus Vlaamse Overheid bestaat’. Volgens [verzoeker] is de stelling van de disciplinaire commissie bijgevolg niet correct wanneer zij argumenteert dat het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen (hierna: BVR 2007) geen bepaling zou bevatten waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteurs van Financiën aangeduid als VAA, in die bijzondere hoedanigheid, zouden worden onttrokken aan het generieke tuchtstelsel van toepassing op alle inspecteurs van financiën. De Beroepskamer is van oordeel dat uit de bepaling dat de leden van de auditcel onder het functioneel gezag van de Auditautoriteit staan bezwaarlijk afgeleid kan worden dat de Auditautoriteit zelf — die geen lid is van de auditcel — onttrokken zou zijn aan zijn tuchtstatuut als Inspecteur van Financiën. Het bestaan van een ‘rechtstreekse lijn’, zoals die opgenomen is in het getuigenis van de heer [D.K.], doet geen afbreuk aan de vaststelling van de disciplinaire commissie dat het BVR 2007 geen bepaling bevat om aan te nemen dat de Inspecteurs van Financiën aangeduid als VAA onttrokken zouden zijn aan het generieke tuchtstelsel van toepassing op alle inspecteurs van financiën. Om die reden meent de Beroepskamer dat dit bijkomend element van verweer geen afbreuk doet aan de motivering van de disciplinaire commissie. Ter zitting werd door [verzoeker] gesteld dat de Korpschef – mede in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel – ten onrechte heeft nagelaten om minstens de Vlaamse Regering vooraf te consulteren/bevragen over het al dan niet foutief karakter van de ten laste gelegde gedragingen in de context van de finaliteit en werking van de Auditautoriteit, alsook over de opportuniteit/noodzaak van een tuchtvordering. [Verzoeker] stelt dat de Korpschef hiertoe gehouden is, mede gelet op: - het ontbreken, tot op heden, van een protocol tussen de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en de Korpschef, in de zin van artikel 1 van het BVR 2007; - de eigenheid van de functie van de VAA, waarbinnen door de VAA handelingen worden gesteld die buiten het bestek vallen van de hoedanigheid van Inspecteur van Financiën; - de constitutieve autonomie van de Vlaamse Regering inzake de Vlaamse Auditautoriteit; - de observatie van de afdeling wetgeving van de Raad van State, in diens advies bij het KB van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën, dat er sprake is van een ‘specificiteit van het korps van de Inspectie van Financiën, waarvan de leden krachtens artikel 51, eerste lid, van de voornoemde bijzondere wet onder het gezag staat van de Regeringen waaronder zij ressorteren. Het zou wellicht verkieslijk zijn te bepalen dat de betrokken regeringen de korpschef kunnen vragen de tuchtprocedure in gang te zetten.’ De Beroepskamer meent dat deze elementen de motivering van de IX-9215-18/150 disciplinaire commissie omtrent de tuchtbevoegdheid van de Korpschef niet weerleggen. De geciteerde vaststelling van de Raad van State laat niet toe om te concluderen dat de Raad van State van oordeel was dat de Korpschef géén tuchtbevoegdheid zou (moeten) bezitten ten opzichte van bij andere dan federaal geaccrediteerde Inspecteurs van Financiën. Daarbij moet vastgesteld worden dat de Korpschef met de nodige zorgvuldigheid heeft overwogen om al dan niet een tuchtonderzoek en - procedure op te starten. Dat blijkt uit de verschillende vragen van de Korpschef aan [verzoeker]; zie meer in detail hierna bij de bespreking van verweerelement
  47. Bovendien komt het overeenkomstig artikel 72 van het KB van 1 april 2003 alleen aan de Korpschef toe om een tuchtprocedure in te stellen. De Beroepskamer benadrukt, net als de disciplinaire commissie, dat het niet de disciplinaire commissie noch de beroepskamer is die de tuchtsanctie finaal oplegt. Het is het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën die deze finale besluitvorming voert en waar de Vlaamse regering aan deelneemt. De Beroepskamer herneemt voor het overige integraal de motivering van de Disciplinaire Commissie en is van oordeel dat de exceptie van onbevoegdheid bijgevolg dient te worden verworpen.
  48. Er werd een tuchtonderzoek gestart zonder [verzoeker] hiervan in te lichten Op basis van de correspondentie tussen de Korpschef en [verzoeker] tussen 26 januari 2017 en de inleiding van een tuchtprocedure dd. 9 februari 2017 stelt [verzoeker] dat de Korpschef reeds vanaf 26 januari 2017 een tuchtonderzoek zou hebben opgestart. [Verzoeker] meent evenwel dat het cruciaal is dat het personeelslid bij de opstart van een tuchtonderzoek onmiddellijk formeel in kennis wordt gesteld. De Beroepskamer is van oordeel dat in het beroepsschrift geen nieuwe elementen worden aangedragen die de motivering van de disciplinaire commissie ondergraven. In het beroepsschrift wordt de zinssnede ‘(...) en zal ik verder het nodige gevolg geven aan uw schrijven van 26 januari 2017 betreffende deze aangelegenheid.’ uit de mail van Korpschef van 6 februari 2017 beschouwd als een dreigement. Het is niet ernstig om uit een dergelijk neutraal en puur zakelijk taalgebruik een ‘dreigement’ te veronderstellen, nota bene wanneer een ‘gevolg’ in het vooruitzicht wordt gesteld voor een nota waarin men zelf op het nodige gevolg aandringt. Om deze redenen kan het argument van [verzoeker] dat door dit ‘dreigement’ de Korpschef niet gehandeld heeft vanuit een normale zorgvuldigheidsverplichting niet aanvaard worden. De Beroepskamer is bijgevolg ook van oordeel dat de tuchtprocedure, en het bijhorende onderzoek, gestart zijn met de kennisgeving van de Korpschef aan [verzoeker] op 9 februari
  49. Om bovenstaande redenen dient dit tweede beroepselement te worden verworpen.
  50. Tuchtonderzoek niet à charge en à décharge [Verzoeker] argumenteert dat het gevoerde tuchtonderzoek louter à charge en niet à décharge werd gevoerd : IX-9215-19/150 - [verzoeker] vormde reeds twee weken het voorwerp van een tuchtonderzoek vooraleer hij hiervan formeel in kennis gesteld werd. - de correspondentie met de Korpschef getuigt van een nauwelijks verholen dreigement met een sanctie. - in de formele kennisgeving van de tuchtprocedure dd. 9 februari 2017 worden de tenlasteleggingen als vaststaande feiten beschouwd. Zoals hierboven onder punt 2 uiteengezet, dient de formele kennisgeving van de tuchtprocedure als start van de procedure beschouwd te worden en kan bezwaarlijk de correspondentie met de Korpschef als een dreigement beschouwd worden. Het tuchtonderzoek en de wederzijdse uitwisseling van argumenten werd bovendien niet beëindigd bij deze formele kennisgeving, integendeel. De Beroepskamer meent dat uit de samenstelling van het dossier en in het bijzonder de zeer uitgebreide feitelijke elementen die worden aangedragen, de verklaringen die werden toegevoegd door de verschillende getuigen en de zeer uitgebreide motivering van de disciplinaire commissie er voldoende blijk wordt gegeven van de objectiviteit van de gevoerde tuchtprocedure. Om bovenstaande redenen dient dit derde beroepselement te worden verworpen.
  51. Het tuchtonderzoek werd gevoerd door de Korpschef terwijl deze rechtstreeks betrokken is bij de feiten die als tuchtfeiten worden aangemerkt. Volgens [verzoeker] was de Korpschef zelf rechtstreeks betrokken bij de feiten die als tuchtfeiten aangemerkt worden. Het betreft het verwijt de interne bevoegdheidsverdeling binnen het korps niet te hebben gerespecteerd, andere organen binnen het korps niet te hebben geraadpleegd vooraleer een schrijven aan de ministers te richten en de audit van KPMG vertrouwelijk te houden ondanks herhaaldelijk vragen van de Korpschef. De Beroepskamer wijst er op dat overeenkomstig artikel 72 van het KB van 1 april 2003 het de Korpschef is, en alleen de Korpschef, die bevoegd is om een tuchtprocedure op te starten. Indien de redenering van [verzoeker] gevolgd wordt, zou bijgevolg iedere inbreuk op de bevoegdheidsverdeling binnen het Korps nooit het voorwerp van een tuchtprocedure kunnen uitmaken. Deze redenering holt de tuchtbevoegdheid uit en kan door de Beroepskamer bijgevolg niet bijgetreden worden. De stelling van [verzoeker] dat de Korpschef als contactpersoon fungeert voor een beroepsprocedure tegen een voorstel van tuchtsanctie van de disciplinaire commissie is niet correct. Enkel werd om praktische redenen gevraagd het beroep in te dienen op het postadres van het secretariaat van de Korpschef. Iedere verdere communicatie met de Beroepskamer werd gevoerd met en door de griffier-rapporteur. Om bovenstaande reden dient dit vierde beroepselement te worden verworpen.
  52. De disciplinaire Commissie en de Beroepskamer zijn onrechtmatig samengesteld. [Verzoeker] stelt dat beide instanties onrechtmatig zijn samengesteld, IX-9215-20/150 omdat noch in de Beroepskamer noch in de Disciplinaire Commissie personen zetelen die enige band hebben met de bevoegdheden en werking van de Vlaamse Overheid. De Beroepskamer meent dat de disciplinaire commissie en de beroepskamer zijn samengesteld overeenkomstig het KB van 1 april
  53. De impliciet veronderstelde onwetendheid omtrent ‘Vlaamse materies’ in hoofde van de leden van de disciplinaire commissie en/of de beroepskamer kan niet bijgetreden worden; in beide instanties zetelen personen die in het (recente) verleden hetzij als inspecteur van financiën hetzij als personeelslid van de Vlaamse overheid een sterke affiniteit hebben met de Vlaamse bevoegdheden en context. De Beroepskamer wijst er bovendien op dat het feit of de leden van de disciplinaire commissie en/of de beroepskamer al dan niet een affiniteit hebben met de Vlaamse bevoegdheden niet terzake doet, aangezien het gaat om het generieke tuchtstelsel van toepassing op alle inspecteurs van financiën. Dit vijfde beroepselement dient bijgevolg verworpen te worden.
  54. De disciplinaire commissie is eenzijdig en derhalve niet objectief opgetreden. [Verzoeker] argumenteert dat de ‘beknopte weerlegging’ van het verweer in de motivering van de disciplinaire commissie niet alleen beknopt is maar ook niet ingaat op de inhoud van het verweer. De Beroepskamer is van oordeel dat deze stelling niet kan worden bijgetreden. De geciteerde alinea lijkt een beknopte samenvatting, maar doet afbreuk aan het zeer omstandig geformuleerde voorstel van de disciplinaire commissie waarbij alle elementen van het verweerschrift omstandig worden beoordeeld, becommentarieerd en weerlegd. Dit zesde beroepselement dient bijgevolg verworpen te worden.
  55. [Verzoeker] heeft steeds ter goeder trouw gehandeld; er is geen sprake van enig intentioneel element, laat staan van enige schuld. [Verzoeker] stelt dat er in zijn hoofde geen sprake was van enige intentionaliteit om de heer [M.V.] te treffen en dat er ten allen tijde door hem te goeder trouw gehandeld werd. De Beroepskamer wijst erop dat er geen bijzondere intentie wordt vereist in tuchtzaken. Aan de goede trouw van [verzoeker] kan bovendien worden getwijfeld. Verschillende elementen wijzen erop dat [verzoeker] een intentioneel proces heeft opgestart ten aanzien van een ander lid van het Korps: - het bestellen van een auditopdracht naar ‘de mogelijke feiten gepleegd door M.V., inspecteur van financiën’, zoals de opdracht werd omschreven in de opdrachtbrief aan KPMG […]; - het feit dat deze audit volgens KPMG ‘geen audit of nazicht is in overeenstemming met algemene aanvaarde auditstandaarden’ […]; - de verwijzing naar de mogelijke kwalificatie van misbruik van gezag (artikel 66 van het Strafwetboek) en de ‘mogelijke straf- en tuchtrechtelijke vergrijpen van de heer [V.]’ […]; - het richten van deze informatie […] aan een ruim aantal bestemmelingen, terwijl de enige correcte bestemming de Korpschef zou zijn geweest. IX-9215-21/150 Onder meer uit bovenstaande vaststellingen valt af te leiden dat aan de goede trouw van [verzoeker] sterk getwijfeld kan worden. De Beroepskamer verwijst integraal naar de motivering van de disciplinaire commissie met betrekking tot de ten laste gelegde feiten die deze vaststelling ondersteunen. Dit wordt niet met nieuwe elementen weerlegd in het beroepsschrift van [verzoeker]. De Beroepskamer meent bijgevolg dit zevende beroepselement te moeten verwerpen.
  56. [Verzoeker] heeft steeds transparant gehandeld. [Verzoeker] stelt dat hij steeds met maximale transparantie heeft gehandeld. De Beroepskamer moet evenwel vaststellen dat [verzoeker] geen nieuwe elementen aandraagt die het oordeel van de disciplinaire commissie in dit verband — met name de beoordeling van het ten laste gelegde feit van het vertrouwelijk houden van de forensische audit van de bevoegde overheden — [weerlegt]. De Beroepskamer kan bijgevolg dit achtste beroepselement niet aanvaarden.
  57. Handelingen door de tuchtvervolgde gesteld in het kader van het tuchtonderzoek, kunnen geen afzonderlijk tuchtfeit uitmaken [Verzoeker] voert aan dat hij niet kan verweten worden een rapport dat KPMG uitdrukkelijk als vertrouwelijk [bestempelt] en enkel kon ingezien worden door bij een deelstaatregering geaccrediteerde Inspecteurs van Financiën aanvankelijk niet wilde overmaken. De wijze van verdediging van de tuchtvervolgde kan hem geenszins worden aangerekend als een bijkomend tuchtfeit of verzwarende omstandigheid. De weigering om de betrokken informatie over te dragen aan de Korpschef dateert evenwel van voor de tuchtprocedure en -onderzoek werd ingesteld. Bijgevolg kan de weigering moeilijk beschouwd worden als een wijze van verdediging van een tuchtvervolgde. Om deze reden kan de Beroepskamer dit negende beroepselement niet aanvaarden.
  58. Weerlegging per ten laste gelegde tuchtfeit. [Verzoeker] verwijst naar zijn verweerschrift welke werd neergelegd bij de disciplinaire commissie in het kader van de hoorzitting van 20 maart
  59. Deze dient als integraal hernomen te worden. De Beroepskamer stelt vast dat aangaande de ten laste gelegde tuchtfeiten geen nieuwe elementen worden aangedragen die de conclusie van de disciplinaire commissie weerleggen. De Beroepskamer verwijst bijgevolg integraal naar de beoordeling van de tenlasteleggingen door de disciplinaire commissie en herneemt hierbij de beoordeling en motivering van de disciplinaire commissie, waarvan zij de oordeelkundige conclusies en redengeving integraal tot de hare maakt.
  60. Advies van de Beroepskamer aan het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën Overeenkomstig artikel 78 van het KB van 1 april 2003 brengt de Beroepskamer een gemotiveerd advies uit binnen de vijftien kalenderdagen, betreffende zowel de opportuniteit van de sanctie als de grootte ervan. IX-9215-22/150 Op grond van de motivering van de elementen van beroep, zoals hierboven omstandig omschreven, acht de Beroepskamer : ‐ de tenlastelegging nr. 1, met name het voeren van een onderzoek, namens de Vlaamse Auditautoriteit, naar een ander lid van het Korps en het niet respecteren van de interne bevoegdheidsverdeling binnen het Korps, met zes stemmen voor en geen tegenstemmen, als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 2, met name het opstellen van een schrijven van 26 januari 2017 dat ingaat tegen de in dit schrijven geciteerde conclusie van de forensische audit en dus niet strookt met de waarheid, met vijf stemmen voor en één stem tegen als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 3, met name het mogelijk aanwenden van gemeenschapsmiddelen om een onrechtmatige uitgave te financieren, met vijf stemmen voor en één stem tegen als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 4, met name het vertrouwelijk houden van de forensische audit van de bevoegde overheden, met vijf stemmen voor en één stem tegen als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 5, met name het richten van het schrijven van 26 januari 2017 aan de betrokken ministers zonder voorafgaandelijke raadpleging van de andere organen binnen het Korps, met vijf stemmen voor en één stem tegen als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 6, met name het aandringen op de overplaatsing van de heer [V.], zonder tegenspraak van deze laatste, waardoor de betrokken ministers de indruk zullen hebben dat de aanwezigheid van de heer [V.] de werking van de dienst in het gedrang brengt, met vijf stemmen voor en één stem tegen als bewezen; ‐ de tenlastelegging nr. 7, met name het opstellen van een conclusie en een waardeoordeel over het handelen van de heer [M.V.] zonder enige vorm van tegenspraak en tuchtprocedure en de kwalificatie van deze gedragingen als mogelijks strafrechtelijke feiten, met vijf stemmen voor en één stem tegen, als bewezen. De Beroepskamer is bijgevolg van oordeel dat de feiten lastens [verzoeker] na onderzoek zoals blijkt uit het dossier, na het horen van de betrokkene in zijn verweer naar voor gebracht door hemzelf en zijn raadslieden, bewezen zijn. Overwegende dat de raad van oordeel is dat de feiten die als bewezen werden verklaard ernstig zijn en in hoofde van [verzoeker] een overtreding impliceren van de verschillende door hem terzake voldoende gekende wettelijke en administratieve reglementeringen ; dat deze feiten van aard zijn te wegen op het imago van het Korps van de Inspectie van Financiën ; dat daarenboven de feiten ook mogelijks ten aanzien van een ander lid van IX-9215-23/150 het Korps bepaalde negatieve gevolgen kunnen hebben wat betreft zijn imago binnen en buiten de dienst; dat zoals de disciplinaire commissie terecht stelt, men van een Inspecteur van Financiën een onberispelijk gedrag mag verwachten gelet op het feit dat hij een voorbeeldfunctie heeft; dat anderzijds [verzoeker] een zeer lange ervaring heeft in het openbaar ambt, dat hij volgens getuigenissen een gewaardeerde medewerker is en gezien de eenmaligheid van de feiten; overwegende dat uit het aan de beroepskamer voorgelegde dossier niet blijkt dat betrokkene in het verleden strafrechtelijke of tuchtrechtelijke antecedenten heeft; om deze redenen de beroepskamer tot de conclusie komt met vier stemmen ja en twee stemmen neen, dat de terugzetting in weddenschaal (artikel 60, §1, 5° KB 1 april 2003) de meest aangepaste sanctie is voor de aan [verzoeker] verweten en door de beroepskamer bewezen verklaarde feiten. [Verzoeker] wordt erop gewezen dat overeenkomstig artikel 78 van het KB van 1 april het dossier wordt overgemaakt aan het Comité. Overeenkomstig artikel 79 beslist het Comité binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het dossier. De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer.” 3.
  61. Op 5 mei 2017 bezorgt de korpschef, secretaris van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën, het volledige tuchtdossier – waaronder het proces-verbaal van de hoorzitting van de beroepskamer van 25 april 2017 en het advies van deze beroepskamer – aan de minister van Begroting, voorzitster van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën. Het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën vergadert op 24 en 25 oktober
  62. Na beraadslaging wordt bij unanimiteit de volgende op 31 oktober 2017 gedateerde beslissing genomen: “Het Comité, Gelet op het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. Gelet op het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, in het bijzonder artikel 60, § 1; IX-9215-24/150 Gelet op het voorstel van de disciplinaire commissie van 27 maart 2017 dat onderschreven wordt voor zover het advies van de Beroepskamer van 25 april 2017 er niet van afwijkt; Gelet op het advies van 25 april 2017 van de Beroepskamer; Gelet op de feiten en de motivering vermeld in het hierbij gevoegd advies van 25 april 2017 van de Beroepskamer, aangetekend verstuurd naar de betrokkene op 2 mei 2017, waarvan de inhoud integraal onderschreven wordt; Overwegende dat zowel de disciplinaire commissie als de Beroepskamer de zeven feiten als zijnde bewezen beschouwen; Overwegende dat de inspecteurs van financiën een beschermd statuut genieten dat hun onafhankelijkheid waarborgt en belast zijn met de controle op de regelmatigheid en de wettelijkheid van de uitgaven; Overwegende dat de inspecteurs van financiën in de uitoefening van hun functie de wetten en reglementeringen in acht dienen te nemen en elke activiteit dienen te vermijden die het ambt in diskrediet kan brengen; Overwegende dat [verzoeker] zelf de wettelijke en reglementaire bepalingen die op de Inspectie van financiën en op de Auditautoriteit van toepassing zijn, duidelijk heeft overtreden en een collega, zonder enige vorm van tegenspraak of eerbiediging van de interne regels en organen, in een slecht daglicht heeft geplaatst; Overwegende dat [verzoeker] door zo te handelen de geloofwaardigheid van het ambt van inspecteur van financiën ernstige schade heeft toegebracht; Overwegende dat het daarom noodzakelijk is om dergelijk handelen krachtig te veroordelen; Beslist het advies en de bijbehorende motivering van de Beroepskamer te volgen en aan [verzoeker] als tuchtstraf de terugzetting in de weddenschaal op te leggen; Overwegende dat in artikel 60, § 1, 5°, van het KB van 01 april 2003 niet wordt bepaald met hoeveel jaren de terugzetting in de weddenschaal kan worden opgelegd; Dat het Interministerieel Comité ter zake dan ook over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt; Overwegende dat het Interministerieel Comité, het aantal jaren dient vast te leggen dat de Inspecteur van Financiën verliest rekening houdend met de zwaarwichtigheid van de bewezen tuchtfeiten; Overwegende dat het Interministerieel Comité ervoor opteert om de terugzetting in de weddenschaal in dit dossier op te leggen met 2 jaar die ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan; Overwegende dat de periode van 2 jaar werd gekozen omdat: - de Beroepskamer heeft besloten om de tuchtstraf van terugzetting in de weddenschaal voor te stellen en niet het ontslag van ambtswege gelet op de volgende verzachtende omstandigheden: uit het dossier blijkt niet dat er strafrechtelijke en tuchtrechtelijke antecedenten zijn in hoofde van de [verzoeker]; de zeer lange ervaring van [verzoeker] in het openbaar ambt; de getuigenissen dat hij een gewaardeerde medewerker is en de IX-9215-25/150 eenmaligheid van de feiten; - de Beroepskamer echter geen beperking heeft opgelegd aan het aantal jaren dat deze terugzetting in de weddenschaal kan worden opgelegd; - de terugzetting in weddenschaal een zwaardere tuchtmaatregel is dan de tuchtschorsing voor ten hoogste drie maanden gepaard gaande met een inhouding van wedde ten belope van 20 % van de bruto wedde; - de terugzetting in weddenschaal de op twee na zwaarste tuchtmaatregel is en wordt gerangschikt net onder het ontslag van ambtswege en de afzetting; - er dus een bepaald gewicht kan worden gegeven aan de tuchtmaatregel die wordt gerangschikt net onder de definitieve beëindiging van de betrekking van de betrokken Inspecteur van Financiën; - de tuchtfeiten ook door de Beroepskamer als bijzonder zwaarwichtig worden beschouwd; - een duidelijk signaal moet worden gegeven dat dergelijke feiten volstrekt onaanvaardbaar zijn; - de tuchtfeiten inderdaad zwaar wegen op het imago van het Korps van de Inspectie Financiën; - [verzoeker] de wettelijke en reglementaire bepalingen en de loyauteitsplicht met kennis van zaken heeft overtreden; - nochtans van een Inspecteur van Financiën die een bijzondere onafhankelijkheid geniet in de uitoefening van zijn functie ook een bijzondere loyauteit mag verwacht worden naar de andere leden van het Korps en een eerbiediging van de interne werking van het Korps en de bevoegde organen ervan; - uit de tuchtfeiten 1, 2, 4, 5, 6 en 7 blijkt dat deze loyauteitsplicht ernstig geschonden werd; - wat betreft het misbruik van publieke middelen vervat in het derde tuchtfeit een absoluut respect van de ter zake geldende regels mag verwacht worden; - het Interministerieel Comité echter ook nog eens in de omvang van de terugzetting wenst rekening te houden met de door de Beroepskamer voorgedragen verzachtende omstandigheden en met name het blanco tuchtverleden van [verzoeker]. Gelet op het voorgaande wordt er voor gekozen om de terugzetting in de weddenschaal op te leggen met 2 jaar aangezien een dergelijke terugzetting de geldelijke loopbaan herleidt zonder dat het om een ernstig voelbare herleiding van deze loopbaan gaat; Beslist, gezien de ernst van de feiten, de tuchtstraf van de terugzetting in de weddenschaal met 2 jaar op te leggen, tuchtstraf die ingaat de eerste dag van de maand volgend op de betekening van deze beslissing.” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.
  63. Met een brief van 6 november 2017 wordt verzoeker van de opgelegde tuchtstraf in kennis gesteld. IX-9215-26/150 3.
  64. Navolgend op de beslissing van 31 oktober 2017 van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën, neemt de minister van Begroting op 9 november 2017 een besluit waarbij de anciënniteit van verzoeker met ingang van 1 december 2017 met twee jaar verminderd wordt. Dat is de tweede bestreden beslissing. IV. Voorwerp van het beroep
  65. Het wordt niet betwist dat de twee bestreden beslissingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Bij een eventuele nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing verliest de tweede bestreden beslissing haar grondslag. Een eventuele nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing leidt noodzakelijkerwijze tot een nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing. Er is bijgevolg voldoende samenhang tussen de eerste en de tweede bestreden beslissing om ze op ontvankelijke wijze in hetzelfde verzoekschrift te bestrijden.
  66. Verzoeker beoogt de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing, zijnde de beslissing van 31 oktober 2017 van het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën. Bij de middelen die hierna onderzocht worden, formuleert verzoeker in het bijzonder grieven ten aanzien van het voorstel van 27 maart 2017 van de disciplinaire commissie en het advies van 25 april 2017 van de beroepskamer. De eerste bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk dat het voorstel van de disciplinaire commissie onderschreven wordt voor zover het IX-9215-27/150 advies van de beroepskamer er niet van afwijkt, en dat van het advies van de beroepskamer de inhoud integraal onderschreven wordt. In de mate dat elementen van het voorstel en van het advies aldus deel uitmaken van de eerste bestreden beslissing, zijn de ertegen gerichte grieven ontvankelijk en kunnen ze tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing leiden. V. Onderzoek van de middelen A. Voorafgaande opmerkingen
  67. Doorheen zijn verschillende middelen voert verzoeker telkenmale per middel de schending aan van tal van bepalingen en beginselen, zonder dat steeds in elk middel voor elk van die geschonden geachte bepalingen en beginselen wordt aangegeven op welke wijze deze nu precies geschonden zijn. Deze middelen en middelonderdelen zijn slechts ontvankelijk voor zover verzoeker effectief telkenmale en in elk middel afzonderlijk per geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel duidelijk aangeeft op welke wijze precies die rechtsregel of dat rechtsbeginsel geschonden is.
  68. Bij zo goed als alle middelen roept verzoeker de miskenning in van het “algemeen rechtsbeginsel van goed bestuur”. Telkens laat hij na om uiteen te zetten wat hiermee precies wordt bedoeld. Voor zover verzoeker met de aangehaalde miskenning de bedoeling zou hebben gehad een schending aan te voeren van ‘de algemene beginselen van behoorlijk bestuur’, geeft hij niet aan welk beginsel hij precies bedoelt. Een dergelijke algemene verwijzing naar een schending van ‘de algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ is geen aanvoering van een schending van een welbepaalde rechtsregel en maakt derhalve geen ontvankelijk IX-9215-28/150 rechtsmiddel uit. Het zal bijgevolg niet verder onderzocht worden bij de beoordeling van de verschillende middelen.
  69. Verzoeker roept bij welhaast alle middelen “machtsafwending” in. Enkel bij het eerste en het vijfde middel licht hij toe waarin die machtsafwending volgens hem bestaat. Bij het aanvoeren van machtsafwending dient de verzoekende partij aan te tonen dat het bestuur een bevoegdheid, toegekend tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt voor een ander doel en dit ongeoorloofde doel het enige doel van de betrokken handeling is. Het bestaan van machtsafwending kan worden afgeleid uit voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens. IX-9215-29/150 Voor zover verzoeker machtsafwending inroept, maar dit op geen enkele wijze concretiseert of onderbouwt, zijn de desbetreffende middelen onontvankelijk. De grief zal bij die middelen dan ook niet verder onderzocht worden.
  70. De door verzoeker in samenhang met machtsafwending aangevoerde machtsoverschrijding voegt niets toe aan de argumentatie in de middelen met betrekking tot de onbevoegdheid van de verwerende partij of de tuchtorganen. Dit wordt verder dan ook niet afzonderlijk beoordeeld. 10.
  71. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht en de “manifeste appreciatiefout” worden ook bij bijna alle middelen vermeld. 10.
  72. De artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet verplichten het bestuur ertoe zijn eenzijdige bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk te motiveren en daartoe in de akte op een afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom bij de uitoefening van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. 10.
  73. Aan het begrip “manifeste appreciatiefout”, dat als dusdanig geen algemeen bekende inhoud heeft, lijkt ook verzoeker geen autonome, welomlijnde betekenis te geven. In de mate hij hiermee de kennelijke beoordelingsfout bedoelt, lijkt het begrip samen te vallen met het redelijkheidsbeginsel en de beoordeling of IX-9215-30/150 het bestuur zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend en geen beslissing heeft genomen die geen enkel ander normaal en voorzichtig handelend bestuur, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou hebben genomen. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel is maar sprake wanneer een beslissing op deugdelijke grondslagen berust, maar wordt vastgesteld dat ze niettemin inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt, dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. In beginsel zijn de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarvan de schending moeilijk is samen te brengen in één enkele vernietigingsgrond. In de mate verzoeker aan de impliciet aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel geen afzonderlijke invulling geeft, moet dan ook worden aangenomen dat het middel samenvalt met en opgaat in de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht. In de mate verzoeker met de vermelding van de “manifeste appreciatiefout” verwijst naar de voormelde motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsverplichting of het proportionaliteitsbeginsel, kan verwezen worden naar hetgeen hierover zal worden opgemerkt. 10.
  74. Voor zover verzoeker zich op deze bepalingen of beginselen beroept, maar dit op geen enkele wijze concretiseert of onderbouwt, zijn de desbetreffende middelen onontvankelijk. De respectieve grieven zullen bij die middelen dan ook niet verder onderzocht worden.
  75. In het derde tot het tiende middel wordt telkens melding gemaakt van de schending van artikel 6 van het Europees verdrag over de rechten van de mens (EVRM). Onverminderd de vaststelling dat in deze middelen niet wordt uiteengezet waarin specifiek de schending van artikel 6 EVRM zou gelegen zijn, kan worden vastgesteld dat de waarborgen inzake onafhankelijkheid en IX-9215-31/150 onpartijdigheid waarin artikel 6, lid 1, EVRM voorziet, niet hoeven te worden betrokken op de beslissingen van de administratieve overheid die optreedt als tuchtorgaan, aangezien het uit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn door artikel 6 EVRM volstaat dat een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie die aan de bij artikel 6, lid 1, EVRM gestelde vereisten voldoet. Met de mogelijkheid om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen – mogelijkheid die verzoeker in casu effectief heeft benut – wordt tegemoetgekomen aan de door artikel 6 EVRM vereiste proceswaarborgen. Artikel 6, lid 2, EVRM ziet op eenieder “die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd”. Het is niet van toepassing op de voorliggende tuchtprocedure, die geen betrekking heeft op tenlasteleggingen die strafbare feiten zijn in de zin van deze verdragsbepaling en die dus geen procedure met een inherent strafrechtelijk karakter betreft in de zin van voormeld artikel. Ook de waarborgen in artikel 6, lid 3, EVRM voor eenieder “die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd” zijn niet van toepassing op tuchtorganen van het actief bestuur. Voor zover de middelen steunen op artikel 6 EVRM, falen ze aldus naar recht.
  76. Verzoeker roept in het negende en het tiende middel de schending in van artikel 13 EVRM. Dit artikel waarborgt het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, en stelt: “Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.” Onverminderd de vaststelling dat in deze middelen niet wordt uiteengezet waarin de schending van artikel 13 EVRM zou bestaan, moet worden geconstateerd dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM in casu gewaarborgd wordt middels een annulatieberoep bij de IX-9215-32/150 Raad van State, waarvan verzoeker ook gebruik heeft gemaakt. IX-9215-33/150 Voor zover de middelen steunen op artikel 13 EVRM, falen ze naar recht. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 13.
  77. Verzoeker voert in een eerste middel de onbevoegdheid van de steller van de bestreden akte aan, schending van de artikelen 37 en 107 van de Grondwet, schending van de artikelen I 1 en VIII 7 en VIII 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams personeelsstatuut of VPS), schending van artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten’ (hierna: de Bijzondere Financieringswet), schending van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 ‘houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen, houdende aanduiding van de Vlaamse Auditinstantie voor het Europees fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en houdende oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007), artikelen 59 en volgende en artikel 85 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 ‘tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën’ (hierna: het koninklijk besluit van 1 april 2003). Daarnaast vermeldt verzoeker de schending van de motiveringsverplichting, schending van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van goed bestuur, en de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Hij roept ook een manifeste appreciatiefout, machtsoverschrijding en machtsafwending in. 13.
  78. Verzoeker meent dat uit de combinatie van artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet en artikel 1 van het het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 afgeleid moet worden dat de Vlaamse IX-9215-34/150 Auditautoriteit (hierna: de VAA) weliswaar een inspecteur van financiën is, doch dat hij door de aanstelling als VAA een andere functie bekleedt. Verzoeker krijgt als het ware een dubbele functie, enerzijds deze van inspecteur van financiën, en anderzijds deze van VAA. In deze laatste functie maakt de VAA deel uit van de Vlaamse overheidsdiensten en valt hij onder het Vlaams personeelsstatuut. De VAA maakt als onafhankelijke dienst immers deel uit van de Vlaamse overheid en staat onder rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering. Volgens verzoeker is het niet omdat de Vlaamse Regering bij haar besluit van 30 november 2007 gebruik maakte van de mogelijkheid geboden door artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet op grond waarvan zij inspecteurs van financiën kan belasten met haar begrotingscontrole, dat de benoeming van twee van die inspecteurs van financiën tot Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen dezelfde gevolgen zou hebben als deze van een gewone accreditatie. Verzoeker meent dat niets uitsluit dat in de mate dat de Auditautoriteit een dienst is van de Vlaamse Regering, waarbij hij verwijst naar artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007, het algemeen tuchtreglement op de Vlaamse diensten van toepassing is, zoals vervat in het VPS, met verdere aanpassingen en zoals uitgelegd in de omzendbrief BZ 2011/
  79. Verzoeker wijst erop reeds van bij zijn eerste verweer voor de disciplinaire commissie te hebben aangegeven dat hij onterecht vervolgd werd in zijn hoedanigheid van inspecteur van financiën daar waar hij de functie van VAA bekleedde en dat de hem verweten feiten begaan werden in zijn functie van VAA als functionele meerdere van een Vlaams personeelslid. Het zijn naar verzoekers oordeel zijn gedragingen namens de VAA die geviseerd worden en niet zijn gedrag als inspecteur van financiën. Het is in zijn hoedanigheid van VAA dat zijn secretaresse, Vlaams personeelslid, hem IX-9215-35/150 als haar functionele meerdere aanspreekt over het gedrag van M.V. die haar en haar collega intimideerde. Het is in zijn hoedanigheid van functionele overste binnen de Vlaamse overheid dat hij een onderzoek startte naar de waarachtigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van zijn ondergeschikte. Zowel de eerste e-mail van 16 januari 2017 waarbij verzoeker KPMG contacteert met het verzoek om een vertrouwelijk onderzoek te voeren als alle daaropvolgende briefwisseling wordt verzonden in zijn hoedanigheid van VAA, op briefpapier van de VAA. De kosten van de audit worden op het Vlaamse budget ingeschreven. Ook zijn schrijven aan de Raad van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën via de korpschef wordt door hem geschreven op briefpapier van de VAA en ondertekend als VAA. Dit schrijven begint als volgt: “Ik schrijf U vanuit mijn hoedanigheid van Vlaamse Auditautoriteit Europese Structuurfondsen. In deze hoedanigheid leg ik direct en enkel verantwoording af aan de Vlaamse Regering. Evenwel gaat mijn schrijven over handelingen, gesteld door een lid van het Interfederaal Korps, in zijn hoedanigheid van inspecteur van financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering.” Verzoeker meent aldus in casu niet in zijn hoedanigheid van inspecteur van financiën te hebben gehandeld, doch wél in zijn hoedanigheid van VAA. Het is volgens hem enkel omdat een inspecteur van financiën betrokken was bij de klacht die hij als functionele overste ontving vanwege zijn Vlaams personeelslid, dat hij de informatie, gebaseerd op de resultaten van zijn onderzoek, meende te moeten toezenden aan de korpschef van deze laatste. Verzoeker meent derhalve terecht een exceptie van onbevoegdheid te hebben opgeworpen in hoofde van de korpschef om de tuchtprocedure te starten. Het is onterecht dat de procedure op grond van de artikelen 59 en volgende van het koninklijk besluit van 1 april 2003, die specifiek geldt voor inspecteurs van financiën, gevolgd werd. Daarnaast is verzoeker van oordeel dat de eerste bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is nu nergens uit blijkt dat een standpunt IX-9215-36/150 ingenomen wordt over de argumentatie inzake de bevoegdheid van het Interministerieel Comité om zich te mogen uitspreken over de gegrondheid van de voorgestelde straf. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij op dit vlak het standpunt van de beroepskamer zou overnemen. Verzoeker volgt de motivering niet volgens dewelke de inspecteur van financiën in zijn hoedanigheid van VAA niet onttrokken zou worden aan zijn tuchtstatuut. Het is immers precies omdat verzoeker niet als inspecteur van financiën optrad dat het tuchtstatuut van de Inspectie van Financiën in dit kader niet op hem van toepassing is. Het advies van de beroepskamer, voor zover dit deel zou uitmaken van de bestreden beslissing, schendt dan ook de voormelde bepalingen. Verzoeker wijst er ook op dat de inspecteur van financiën als VAA een volledige onafhankelijkheid heeft tegenover zijn korpschef en niet meer aan deze rapporteert doch enkel aan de bevoegde Vlaamse minister. Verzoeker meent voor het overige dat, in zoverre de bestreden beslissing effectief het standpunt van de beroepskamer zou overnemen, het eveneens onterecht is omwille van de voornoemde wetsschendingen en middelen dat het standpunt van de disciplinaire commissie gevolgd werd. Het is naar het oordeel van verzoeker niet omdat hij de hoedanigheid van inspecteur van financiën behouden heeft en derhalve eveneens federaal ambtenaar is gebleven, dat hij op het vlak van zijn hoedanigheid van VAA niet onder de Vlaamse tuchtregeling zou vallen indien hij in die hoedanigheid zijn verplichtingen te buiten zou gaan. Stellen dat hij omwille van zijn hoedanigheid van inspecteur van financiën als inspecteur van financiën beoordeeld dient te worden, riskeert hem bloot te stellen aan een dubbele vervolging, die strijdig is met het principe non bis in idem. Artikel 59 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 – dat de tuchtregeling voor inspecteurs van financiën bevat – handelt over de procedure die gevolgd moet worden lastens een inspecteur van financiën (en niet tegen een IX-9215-37/150 VAA) inzake tekortkomingen aan de deontologie van een inspecteur van financiën, quod non in casu. Volgens verzoeker moest hij beoordeeld worden volgens de regels van toepassing in Vlaanderen en derhalve door de Vlaamse minister of Regering. Opdat verzoeker onderworpen zou zijn aan de Vlaamse tucht, moest bovendien geen aparte regeling uitgewerkt worden. Dat hij inspecteur van financiën gebleven is, volstaat evenmin om permanent onderworpen te worden aan de specifieke tuchtregeling, nu het statuut een zekere mate van cumul toelaat en eveneens verlof toelaat om opdrachten van algemeen belang te vervullen, overeenkomstig artikel 85 van het koninklijk besluit van 1 april
  80. Voor zover de disciplinaire commissie een parallel getrokken heeft met de detachering van een gemeentelijk ambtenaar naar een vzw, merkt verzoeker op dat hijzelf niet gedetacheerd werd. Verzoeker stelt nog dat de disciplinaire commissie onterecht stelt dat de noodzaak van functionele onafhankelijkheid van de VAA impliceert dat de Vlaamse Regering geen tucht zou kunnen uitoefenen. De functionele onafhankelijkheid (namelijk de onderlinge onafhankelijkheid van verschillende functies of functionele eenheden nodig voor het uitoefenen van VAA) is gelegen in het feit dat deze onafhankelijk moet zijn van de management- en certificeringsautoriteit. Dat verzoeker als VAA onder gezag staat van de Vlaamse Regering staat deze functionele onafhankelijkheid niet in de weg. Het gezag van de Vlaamse Regering impliceert de mogelijkheid de tekortkomingen aan de verplichtingen te bestraffen en dus de tuchtbevoegdheid. Verzoeker meent derhalve dat de korpschef zijn bevoegdheid te buiten ging toen hij besliste de tuchtprocedure lastens verzoeker op te starten. 13.
  81. Verzoeker volhardt in zijn standpunt zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift en voegt daar in zijn memorie van wederantwoord nog het volgende aan toe. IX-9215-38/150 IX-9215-39/150 Uit de bewoordingen zelf van artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet vloeit volgens hem voort dat de gemeenschappen en de gewesten een eigen administratieve en begrotingscontrole organiseren en dat de inspecteurs van financiën, die te hunner beschikking worden gesteld, onder hun gezag staan. Er is dan ook een onderscheid tussen de organisatie van het Korps van de Inspectie van Financiën en de relatie tussen de inspecteurs van financiën die ter beschikking gesteld worden van de gemeenschappen en gewesten en die dientengevolge onder hun gezag staan. Verzoeker is inspecteur van financiën en werd ter beschikking gesteld van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap. Ter uitvoering van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 werd verzoeker door de Vlaamse Regering aangewezen als Auditautoriteit. Indien de Koning het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën organiseert – na akkoord van de regeringen – worden bepaalde inspecteurs van dit Korps ter beschikking gesteld van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, die op hen een beroep doen en onder wier gezag zij staan. Dat verzoeker, eens geaccrediteerd bij de Vlaamse overheid, onder het gezag van deze Vlaamse overheid staat, blijkt eveneens uit het feit dat verzoeker door deze overheid aangeduid werd als auditauditeur, bevoegdheid die exclusief aan de Vlaamse overheid toekomt. Met betrekking tot de motivering voert verzoeker aan dat het niet duidelijk is dat het advies van de beroepskamer het oordeel van de disciplinaire commissie volledig overneemt. Dit wordt immers niet met zoveel woorden gezegd, ook niet in de bestreden beslissing. Zelfs indien met de verwijzingen naar de adviezen rekening gehouden zou moeten worden, dan nog moet deze motivering correct en draagkrachtig zijn, wat in casu niet het geval is. De redenering van de disciplinaire commissie is bovendien niet dienstig in zoverre ze de rechtspositie van de inspecteur van financiën beoordeelt, IX-9215-40/150 nu verzoeker niet in deze hoedanigheid handelde. Inzake de motivering betreffende zijn hoedanigheid van VAA, komt de disciplinaire commissie niet verder dan te stellen dat verzoeker geen wettelijke of reglementaire bepaling aanduidt op basis waarvan hij onttrokken zou worden aan het generieke tuchtstelsel van de Inspectie van Financiën en dat indien hij daaraan onttrokken zou worden hij onder geen enkel tuchtstelsel valt. Deze bewering volstaat volgens verzoeker niet om te besluiten dat hij dan maar onder het tuchtstelsel van de Inspectie van Financiën moet vallen. De motivering dat in de regelgeving betreffende de Auditautoriteit geen afzonderlijke tuchtregeling werd uitgewerkt, is volgens verzoeker evenmin afdoende, nu hij als VAA onder de Vlaamse overheid valt die een eigen generieke tuchtregeling uitwerkte voor haar personeel. Het is volgens verzoeker onterecht te beweren dat zijn stelling ingaat tegen het specifiek interfederaal karakter van de Inspectie van Financiën, daar waar de functie van VAA een specifieke Vlaamse functie is. Verzoeker blijft de motivering van de bestreden beslissing betwisten. De hem verweten feiten werden immers niet begaan als inspecteur van financiën, maar wel als VAA, functioneel overste van een Vlaams personeelslid. In het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 wordt nergens gezegd dat de inspecteurs van financiën die de functie van Auditautoriteit uitoefenen, onderworpen blijven aan het generieke tuchtstelsel van toepassing op alle inspecteurs van financiën en uit niets kan worden afgeleid dat de inspecteurs van financiën die de functie van Auditautoriteit uitoefenen niet zouden vallen onder het generieke tuchtstelsel van het Vlaamse overheidspersoneel. Het is niet omwille van één van de voorwaarden om tot Auditautoriteit benoemd te kunnen worden, dat het tuchtstelsel van de Inspectie van Financiën van toepassing zou blijven. Dit argument is overigens niet terug te vinden in de bestreden beslissing, zo meent verzoeker. Niets belet dat de VAA onder het generieke tuchtstelsel van het Vlaamse overheidspersoneel zou vallen. De functionele onafhankelijkheid impliceert tot slot niet dat er geen tucht zou kunnen worden uitgevoerd door de overheid waartoe men behoort. De tuchtbevoegdheid staat de functionele IX-9215-41/150 onafhankelijkheid niet in de weg. Verzoeker volhardt in zijn argumentatie dat de bestreden beslissing door een onbevoegde overheid is genomen. Verzoeker wijst er ook nog op dat de Vlaamse Regering uit meer dan die twee leden die de bestreden beslissing onderschreven bestaat en dat de beraadslaging collegiaal is. Uit het onderschrijven door twee ministers in een ander collegiaal orgaan kan niet afgeleid worden dat de Vlaamse Regering hetzelfde standpunt zou hebben ingenomen. Het risico op een schending van het non bis in idem-beginsel is volgens hem niet ondenkbaar. Verzoeker merkt ook op dat het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 enkel het kader vormt op basis waarvan twee inspecteurs van financiën aangeduid worden als VAA, terwijl voor zijn benoeming in die functie een andere beslissing genomen werd waarbij hij nominatim werd aangeduid. Verzoeker meent dat er sprake kan zijn van meer dan loutere machtsoverschrijding en derhalve van mogelijke machtsafwending binnen het Korps van de Inspectie van Financiën, nu dit enkel bevoegd is over de inspecteurs van financiën in hun hoedanigheid van inspecteur van financiën, terwijl hier de bevoegdheid wordt aangemeten zich te mengen in de werking van de VAA, onafhankelijke entiteit behorend tot de Vlaamse overheid. 13.
  82. In zijn laatste memorie legt verzoeker nogmaals de nadruk op het feit dat de inspecteurs van financiën, overeenkomstig artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet, onder het gezag staan van de gemeenschappen en gewesten. Daarnaast verwijst verzoeker naar advies 34.901/4 van 19 maart 2003 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 1 april 2003, en de verwijzing daarin naar het IX-9215-42/150 verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 28 april
  83. Dit verslag aan de Koning stelt, op zijn beurt verwijzend naar het advies van de afdeling Wetgeving bij dit koninklijk besluit, dat voor de tuchtregeling voor de inspecteurs van financiën in een specifiek besluit zal worden voorzien, waarin de mogelijkheid zal worden opgenomen voor de regeringen en de colleges om de tuchtprocedure in te zetten. Verzoeker citeert advies 34.901/4: “Zoals hierna uiteengezet wordt, heeft de uitoefening van dit gezag over de inspecteurs van financiën die ter beschikking van de gemeenschappen en de gewesten worden gesteld, ongetwijfeld gevolgen voor de rechtspositieregeling die op hen van toepassing is. In het ontwerp wordt weliswaar het verband gelegd tussen bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling en het gezag dat wordt uitgeoefend door de leden van de regeringen van de deelentiteiten, zoals bijvoorbeeld voor cumulatie van beroepsactiviteiten of inzake evaluatie, doch voor andere aspecten van de rechtspositieregeling wordt dit verband niet altijd uitdrukkelijk geregeld, inzonderheid wat de tuchtregeling betreft. Zo is het niet uitgesloten dat een inspecteur van financiën, in het kader van zijn opdrachten bij de regering van een deelentiteit, niet gehandeld heeft in overeenstemming met zijn ambt, zodat het bevoegde lid van deze regering het noodzakelijk kan achten tegen deze inspecteur een tuchtprocedure in gang te zetten of in het belang van de dienst zijn schorsing te vorderen. Luidens artikel 72 van het ontwerp dient de Korpschef aan de betrokken inspecteur van financiën de feiten mede te delen die hem ten laste worden gelegd. In het ontwerp wordt echter niet gepreciseerd of het lid van de regering van een deelentiteit zelf de tuchtprocedure kan instellen indien de Korpschef niet optreedt. Doordat de tuchtprocedure gegrond zou zijn op grieven geuit door de regering van een deelentiteit, zou het daarenboven logischer zijn aan de betrokken inspecteur van financiën rechtstreeks de inhoud van deze grieven bekend te maken in zijn oproeping voor een verhoor door de tuchtcommissie. Om in het kader van deze tuchtprocedure de onpartijdigheid van het Comité niet in het gedrang te brengen, dient te worden gepreciseerd dat het (de) lid (leden) van de regering die de klacht heeft (hebben) ingediend. geen zitting kan (kunnen) hebben in het Comité dat overeenkomstig artikel 79 van het ontwerp de tuchtstraf dient uit te spreken.” Verzoeker stelt dat uit dit advies “onmiskenbaar [volgt] dat de tuchtvervolging enkel kan geschieden op initiatief van de Gemeenschap of Gewest aan wie de inspecteur is ter beschikking gesteld. Het is vervolgens de IX-9215-43/150 (federale) Korpschef die de tuchtprocedure praktisch opstart en de feiten ter kennis brengt”. Beoordeling
  84. In essentie kaart verzoeker in dit eerste middel de onbevoegdheid aan van de tuchtoverheid die lastens hem is opgetreden. De korpschef was volgens hem niet bevoegd om de tuchtprocedure op te starten en het Interministerieel Comité was niet bevoegd om lastens hem een tuchtbeslissing te nemen. De door verzoeker aangebrachte grieven kunnen als volgt worden samengevat. De tuchtregeling, zoals vervat in de artikelen 59 tot 84 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 is naar het oordeel van verzoeker niet op hem van toepassing. Dit koninklijk besluit bevat de tuchtregeling die van toepassing is op de inspecteurs van financiën, en verzoeker is weliswaar inspecteur van financiën, maar verzoeker is eveneens VAA. Uit artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 volgt dat de VAA weliswaar een inspecteur van financiën is, maar door de aanstelling als VAA een andere functie bekleedt. Als VAA valt hij onder de tuchtbevoegdheid van de Vlaamse overheid en is de in het VPS opgenomen tuchtregeling op hem van toepassing. De VAA maakt namelijk deel uit van de Vlaamse overheidsdiensten en valt derhalve onder het VPS. Het feit dat in de regelgeving inzake de Auditautoriteit geen afzonderlijke tuchtregeling werd uitgewerkt, weerlegt dit niet, nu hij als VAA onder de Vlaamse overheid valt die een eigen tuchtregeling uitwerkte voor haar personeel. Daarnaast legt verzoeker er nadruk op dat de hem verweten feiten begaan werden in zijn functie van VAA als functioneel meerdere van een IX-9215-44/150 Vlaams personeelslid. Zijn gedragingen worden geviseerd, terwijl hij duidelijk heeft aangegeven te handelen vanuit zijn hoedanigheid van Vlaamse Auditautoriteit Europese Structuurfondsen. IX-9215-45/150 Door te beslissen dat hij omwille van zijn hoedanigheid van inspecteur van financiën als inspecteur van financiën beoordeeld moet worden, riskeert hij blootgesteld te worden aan een dubbele vervolging, die in strijd is met het principe non bis in idem. Uit artikel 51 Bijzondere Financieringswet volgt dat de inspecteurs van financiën die ter beschikking worden gesteld van de gemeenschappen en gewesten onder hun gezag staan. De korpschef heeft niet de bevoegdheid om zelf het initiatief te nemen voor een tuchtvervolging zonder dat er een initiatief is van de gemeenschap of het gewest. Ten slotte meent verzoeker dat in de eerste bestreden beslissing zijn argumenten inzake de onbevoegdheid niet worden beoordeeld, zodat de beslissing strijdt met de motiveringsplicht. 15.
  85. Artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet luidt: “De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van Financiën die hun ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan. De inspecteurs van Financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Executieve waaronder zij ressorteren. Na akkoord van de Regeringen, organiseert de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het korps van de Inspectie van Financiën, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs van Financiën bij de Gemeenschappen en Gewesten met het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste lid zijn toevertrouwd.” 15.
  86. Artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet houdt in dat de gemeenschappen en gewesten instaan voor het organiseren van hun administratieve en begrotingscontrole en dat zij daartoe een beroep doen op de hen ter beschikking gestelde en onder hun gezag staande inspecteurs van financiën. IX-9215-46/150 IX-9215-47/150 De drie hierna vermelde aspecten worden, overeenkomstig het derde lid van dit artikel 51, geregeld bij koninklijk besluit, genomen na overleg in ministerraad en na akkoord van de regeringen van de gemeenschappen en gewesten: de wijze waarop de deelstaten betrokken worden bij het beheer van het Korps van de Inspectie van Financiën; de wijze waarop de inspecteurs van financiën ter beschikking worden gesteld van de federale Regering en elke deelstaatregering; de organisatie van het Korps. Aldus kwamen de volgende koninklijke besluiten tot stand: het koninklijk besluit van 28 april 1998 ‘tot organisatie van het Interfederaal Korps van de Inspectie van financiën’ (hierna ook: het koninklijk besluit van 28 april 1998) en het reeds vermelde koninklijk besluit van 1 april 2003 ‘tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën’. Op grond van artikel 6, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 april 1998 stelde de Raad van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën een deontologische code op, die vastgesteld werd bij koninklijk besluit van 20 december 2007 ‘houdende vaststelling van de deontologische code van het Interfederaal Korps van de Inspectie van financiën’.
  87. Uit artikel 51 van de Bijzondere Financieringswet volgt aldus dat het niet tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten behoort om de rechtspositie, met inbegrip van de tuchtregeling, te regelen van de inspecteurs van financiën die hun ter beschikking worden gesteld. Deze bevoegdheid komt toe aan de Koning, die de bevoegdheid enkel kan uitoefenen met akkoord van de gemeenschaps- en gewestregeringen.
  88. Dit komt ook tot uiting in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 28 april 1998, waarin onder meer het volgende kan worden gelezen: “De inspecteurs van financiën blijven federale ambtenaren. IX-9215-48/150 Als dusdanig zijn ze in beginsel aan het statuut van de Staatsambtenaren in de ruimste zin onderworpen. Zoals de Raad van State laat opmerken zullen de latere wijzigingen aangebracht aan het statuut slechts op hen van toepassing zijn na het bekomen van het akkoord van alle Deelregeringen volgens de procedure voorzien in artikel 51, § 3, van de wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. [...] Anderzijds kan de algemene reglementering niet ongewijzigd toegepast worden op de inspecteurs van financiën omwille van de specificiteit van hun opdracht en de vereiste onafhankelijkheid in de uitoefening ervan. Zo zal een ander besluit worden genomen om een specifieke reglementering uit te vaardigen onder meer op drie domeinen: […] en tuchtregeling. Voor dit laatste zal dit besluit een mogelijkheid voor de Regeringen en de Colleges voorzien om de tuchtprocedure in te zetten, zoals voorgesteld door de Raad van State.” 18.
  89. De bijzondere tuchtregeling voor de inspecteurs van financiën kwam tot stand in het koninklijk besluit van 1 april
  90. In het verslag aan de Koning bij dit koninklijk besluit staat onder meer het volgende: “Het ontwerp van besluit dat ter ondertekening aan Uwe Majesteit wordt voorgelegd, vervolledigt de reglementaire beschikking voorzien bij het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën. […] In zijn advies van 9 juli 1997 omtrent het ontwerp van het latere koninklijk besluit van 28 april 1998, heeft de Raad van State opgemerkt dat de inspecteurs van financiën in principe onderworpen zijn aan het federaal statuut van de rijksambtenaren zoals het bestond op de eerste januari
  91. […] De algemene regelgeving moet op sommige punten worden aangepast teneinde tegemoet te komen aan de specifieke kenmerken van het ambt van de inspecteurs van financiën en teneinde hun autonomie in de uitvoering van hun opdracht te waarborgen. Deze aanpassingen houden rekening met de algemene principes van het openbaar ambt, in het bijzonder door de oprichting van beroepsorganen en de naleving van de Europese richtlijnen. De tekst van het besluit neemt de beginselen van de modernisering van het openbaar ambt over. Vandaar dat het huidig ontwerp van koninklijk besluit de regelgeving bevat die specifiek van toepassing is voor de inspecteurs van financiën, onder meer op het vlak van […] tuchtstelstel en verlofregeling.” 18.
  92. Hoofstuk VII van het koninklijk besluit van 1 april 2003, dat IX-9215-49/150 bestaat uit de artikelen 53 tot 84, bevat aldus ‘De tuchtregeling’ van de inspectie van financiën. De artikelen 59 en volgende vallen onder afdeling 2 ‘Tuchtstraffen’, afdeling 3 ‘De Beroepskamer’ en afdeling 4 ‘De procedure’. De relevante artikelen luiden als volgt: Artikel 59: “De inspecteurs van financiën die hun plichten niet nakomen, kunnen het voorwerp zijn van een tuchtprocedure.” Artikel 60: “§
  93. De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken : […] 5° terugzetting in weddenschaal; 6° ontslag van ambtswege […]” Artikel 62: “De disciplinaire sancties worden door het Comité uitgesproken.” Met dit Comité wordt het Interministerieel Comité van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën, in de zin van artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 1 april 2003 bedoeld. Artikel 63: “Wanneer de inspecteur van financiën niet akkoord gaat met een voorstel of beslissing dat hem betreft, kan hij een beroep instellen bij de Beroepskamer, opgericht bij het Korps, in de in dit besluit voorziene gevallen.” Artikel 72: “De vordering wordt ingesteld met de kennisgeving van de feiten door de Korpschef aan de betrokken inspecteur van financiën.” De Korpschef is de Korpschef van het Interfederaal Korps van de Inspectie van financiën (artikel 1, 3°). Artikel 73: “§
  94. De inspecteur van financiën wordt door de Korpschef opgeroepen binnen een termijn van dertig dagen voor een onderhoud met de disciplinaire commissie samengesteld uit drie door de Minister aangeduide inspecteurs van financiën. […]” Artikel 75: “Indien de disciplinaire commissie het noodzakelijk oordeelt, formuleert zij binnen een termijn van vijftien dagen een voorstel van tuchtstraf. Een afschrift van het voorstel wordt betekend aan de inspecteur van financiën.” Artikel 76: De inspecteur van financiën kan binnen een termijn van vijftien dagen vragen om gehoord te worden door de Beroepskamer. Hij heeft het recht om binnen dezelfde termijn van vijftien dagen een gemotiveerd verweerschrift over te maken.” Artikel 78: “De Beroepskamer hoort betrokkene binnen de vijftien dagen na de verzending van zijn aanvraag en brengt een gemotiveerd advies uit binnen de vijftien kalenderdagen. Het advies betreft zowel de opportuniteit van de sanctie als de grootte ervan. Een afschrift van het advies wordt overgemaakt aan de betrokken inspecteur van financiën. Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, IX-9215-50/150 wordt het dossier aan het Comité overgemaakt. In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure beëindigd.” Artikel 79: “Het Comité beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het dossier. De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer. De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.”
  95. Deze tuchtregeling houdt, net zoals het koninklijk besluit van 28 april 1998 en de andere bepalingen van het koninklijk besluit van 1 april 2003 rekening met het specifieke interfederale karakter van het Korps van de Inspectie van Financiën. Zoals de disciplinaire commissie in de motivering van haar voorstel van 27 maart 2017 schrijft, behoort het tot de definiërende kenmerken van het Korps dat zijn inspecteurs worden tewerkgesteld bij de verschillende deelentiteiten van het federale België. Gelet op dat interfederaal karakter, werd niet de federale overheid, maar wel het Interministerieel Comité van de Inspectie van Financiën, waarin de gemeenschappen en gewesten vertegenwoordigd zijn, belast met het beheer van het Korps. Om dezelfde reden oefent niet de federale overheid, maar het Interministerieel Comité overeenkomstig artikel 62 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 de tuchtbevoegdheid uit over alle inspecteurs van financiën, ongeacht de overheid waarbij zij geaccrediteerd zijn.
  96. Zoals verduidelijkt in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 28 april 1998 blijven de inspecteurs van financiën die ter beschikking gesteld worden van de Vlaamse Regering federale ambtenaren. De tuchtregeling in het koninklijk besluit van 1 april 2003 is een specifiek voor hen uitgewerkte tuchtregeling, tot stand gekomen na akkoord van de regeringen van de gemeenschappen en gewesten. Deze tuchtregeling, die geldt voor alle inspecteurs van financiën, maakt geen onderscheid al naargelang de inspecteur al dan niet ter beschikking gesteld is van een gemeenschaps- of gewestregering. IX-9215-51/150
  97. Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 regelt de aanwijzing als Vlaamse Auditautoriteit (VAA). Artikel 1 van dit besluit luidt: “Twee Inspecteurs van Financiën, geaccrediteerd bij de Vlaamse Gemeenschap, worden aangewezen als Auditautoriteit in de zin van art. 59 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/
  98. Dezelfde Inspecteurs van Financiën worden aangewezen als Auditinstantie in de zin van artikel 23 van de Beschikking 2007/435/EG van 25 juni 2007 van de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemeen programma ‘Solidariteit en beheer van de migratiestromen’. Zij kunnen onafhankelijk van elkaar optreden namens de Auditautoriteit. Zij voeren de functies uit in de zin van artikel 62 en artikelen 72 tot en met 74 van die Verordening, en in het artikel 28 en volgende van de Beschikking 2007/435/EG van 25 juni 2007 van de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen voor de periode 2008-2013 als onderdeel van het algemeen programma ‘Solidariteit en beheer van de migratiestromen’, alsmede de bepalingen die in uitvoering daarvan reeds werden of nog zullen worden uitgevaardigd. Deze aanwijzing geldt voor elk operationeel programma dat onder toepassing valt van de voormelde Verordening of van de voormelde Beschikking. Te dien einde sluit de Vlaamse minister van Financiën en Begroting een protocol af met de Korpschef van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën.”
  99. Uit deze regeling kan niet worden afgeleid dat een inspecteur van financiën die is aangewezen als VAA niet langer onder de op de inspecteurs van financiën van toepassing zijnde tuchtregeling valt. Uit het vermelde artikel 1 kan enkel worden afgeleid dat twee bij de Vlaamse Gemeenschap geaccrediteerde inspecteurs van financiën aangewezen worden als Auditautoriteit en Auditinstantie, dat zij namens de Auditautoriteit onafhankelijk van elkaar kunnen optreden, welke functies zij precies uitvoeren en dat enkel te dien einde de Vlaamse minister van Financiën en Begroting een protocol sluit met de korpschef van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën. IX-9215-52/150 Uit artikel 1 en de andere bepalingen van het besluit volgt dat om als Auditautoriteit en Auditinstantie te kunnen worden aangewezen, het specifiek moet gaan om een inspecteur van financiën. Er is nergens sprake van dat door de Vlaamse overheid een aparte tuchtregeling voor de als VAA aangewezen inspecteurs van financiën zou worden georganiseerd of dat deze als VAA aangewezen inspecteurs zouden vallen onder de Vlaamse tuchtregeling. Evenmin is een andere wettelijke of reglementaire bepaling te vinden waaruit zou volgen dat de inspecteur van financiën die is aangewezen als VAA zou ressorteren onder het VPS. Hieruit volgt aldus dat verzoeker, niettegenstaande zijn accreditatie bij de Vlaamse Regering en niettegenstaande zijn aanwijzing als VAA, inspecteur van financiën is en blijft.
  100. De omstandigheid dat verzoeker bepaalde handelingen, die hem in de tuchtprocedure verweten worden, zou hebben gesteld in zijn hoedanigheid van VAA, noch de omstandigheid dat de hem verweten feiten verband zouden hebben gehouden met een personeelslid van de Vlaamse overheid, zijn relevant in de beoordeling van de vraag welke tuchtregeling op verzoeker van toepassing is.
  101. Uit al het voorgaande volgt dat de tuchtregeling vervat in het koninklijk besluit van 1 april 2003 van toepassing is.
  102. Dit impliceert dat de tuchtprocedure lastens hem moest worden opgestart door de korpschef, conform artikel 72 van het koninklijk besluit van 1 april 2003, en dat de uiteindelijke tuchtbeslissing moest worden genomen door de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, conform de artikelen 62, 78 en 79 van hetzelfde koninklijk besluit. IX-9215-53/150
  103. Aangezien op verzoeker enkel de tuchtprocedure op grond van het koninklijk besluit van 1 april 2003 van toepassing is, bestaat er geen mogelijkheid tot een bijkomende tuchtrechtelijke vervolging op grond van het VPS. Voor zover het al mogelijk zou zijn het beginsel non bis in idem in te roepen ten aanzien van een enkele tuchtvervolging, moet worden vastgesteld dat het beginsel in geen geval kan worden geschonden.
  104. Verzoeker brengt evenwel het argument aan, in het bijzonder uitgewerkt in zijn laatste memorie, dat de korpschef niet de bevoegdheid zou hebben om zelf initiatief te nemen voor een tuchtvervolging. Verzoeker steunt daarvoor op een opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies bij het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 1 april
  105. In dat reeds vermelde advies 34.901/4 stelt de afdeling Wetgeving vast dat voor wat de tuchtregeling betreft het ontwerp geen uitdrukkelijke regeling bevatte met betrekking tot “het verband […] tussen bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling en het gezag dat wordt uitgeoefend door de leden van de regering van de deelentiteiten”. De afdeling Wetgeving formuleerde de aanbeveling om te preciseren of het lid van de regering van een deelentiteit al dan niet zelf de tuchtprocedure kan instellen indien de korpschef niet optreedt overeenkomstig het latere artikel 72 van het koninklijk besluit. De afdeling Wetgeving vond het bovendien logischer dat wanneer de tuchtprocedure gegrond zou zijn op grieven geuit door de regering van een deelentiteit, aan de betrokken inspecteur van financiën rechtstreeks de inhoud van de grieven bekendgemaakt zouden worden. Deze opmerking van de afdeling Wetgeving sluit aan bij de opmerking in het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit van 28 april 1998, waarin een specifiek besluit inzake de tuchtregeling voor de Inspectie van Financiën wordt aangekondigd, en waar wordt aangekondigd dat dit besluit in de mogelijkheid zal voorzien voor de regeringen en de colleges om de IX-9215-54/150 tuchtprocedure in te zetten, “zoals voorgesteld door de Raad van State”. Met dit laatste verwijst dit verslag aan de Koning naar advies 26.515/9 van 9 juli 1997 bij het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 28 april
  106. In dit advies stelt de afdeling Wetgeving de vraag of de ontworpen tuchtregeling “in overeenstemming [is] met de specificiteit van het korps van de Inspectie van Financiën, waarvan de leden krachtens artikel 51, eerste lid, van de voornoemde bijzondere wet onder het gezag staan van de Regeringen waaronder zij ressorteren.” De afdeling Wetgeving stelt: “Het zou wellicht verkieslijk zijn te bepalen dat de betrokken regeringen de korpschef kunnen vragen de tuchtprocedure in gang te zetten”. Uit deze door de afdeling Wetgeving geformuleerde vragen en suggesties, kan evenwel hoegenaamd niet de door verzoeker geformuleerde conclusie worden getrokken. Er moet integendeel worden vastgesteld dat de Koning bij het aannemen van het koninklijk besluit van 2003 uitdrukkelijk niet is ingegaan op de suggestie om te preciseren dat het lid van een gemeenschaps- of gewestregering zelf de tuchtprocedure kan instellen indien de korpschef niet optreedt. De Koning heeft daarentegen, met kennis van het advies van de afdeling Wetgeving, en met akkoord van de regeringen van de gemeenschappen en gewesten, de tekst van artikel 72 van het koninklijk besluit ongewijzigd behouden, zodat de tuchtvordering enkel kan worden ingesteld door de korpschef. De stelling van verzoeker dat de korpschef niet de bevoegdheid heeft om zelf het initiatief te nemen voor een tuchtvervolging zonder dat er voorafgaand een initiatief is van de gemeenschap of het gewest, steunt aldus niet enkel op een verkeerde lezing van de adviezen van de afdeling Wetgeving maar vormt ook een miskenning van de duidelijke tekst van artikel 72 van het koninklijk besluit van 1 april
  107. IX-9215-55/150
  108. Uit het voorgaande volgt ook dat, aangezien de tuchtregeling van het VPS niet van toepassing is op verzoeker, er geen schending kan zijn van de door verzoeker in het eerste middel vermelde bepalingen van het VPS (de artikelen I 1 (dat valt onder deel I ‘Toepassingsgebied en algemene bepalingen’, titel 1 ‘Toepassingsgebied’) en VIII 7 en VIII 8 (die vallen onder deel VIII ‘Tuchtregeling’, titel 2 ‘Tuchtprocedure’, hoofdstuk 1 ‘De bevoegde overheden’)). Aangezien verzoeker niet onder de tuchtregeling van het VPS valt, moet evenmin de door verzoeker, reagerend op de motivering van de disciplinaire commissie op dit punt, opgeworpen vraag beantwoord worden of de functionele onafhankelijkheid van de VAA al dan niet moet impliceren dat de Vlaamse Regering geen tucht kan uitoefenen. 29.
  109. Het voorstel van de disciplinaire commissie alsook het advies van de beroepskamer motiveren op uitvoerige wijze waarom de tuchtbevoegdheid lastens verzoeker moet worden uitgeoefend volgens de regels bepaald in het koninklijk besluit van 1 april
  110. Daarbij wordt telkenmale ingegaan op de verweerargumenten die verzoeker in dit verband ook steeds in de loop van de tuchtprocedure heeft aangehaald en op basis waarvan verzoeker dus duidelijk weet of althans kan weten waarom niet werd meegegaan in zijn verweer. 29.
  111. Hier kan worden opgemerkt dat uit de formelemotiveringsplicht niet volgt dat op alle grieven die verzoeker aanvoert, een afzonderlijk en specifiek antwoord moet worden gegeven. Het volstaat dat blijkt dat die grieven in overweging zijn genomen en waarom ze in globo niet konden overtuigen, wat dus is gebeurd door de disciplinaire commissie en de beroepskamer. 29.
  112. In de eerste bestreden beslissing wordt het voorstel van de disciplinaire commissie onderschreven voor zover het advies van de beroepskamer er niet van afwijkt en wordt de inhoud van het advies van de beroepskamer integraal onderschreven. De eerste bestreden beslissing is met IX-9215-56/150 andere woorden, ook voor wat de tuchtbevoegdheid betreft, gemotiveerd aan de hand van dit voorstel en van dit advies. Hoewel de formelemotiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken, is aan de doelstelling van de formelemotiveringsplicht om de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd. Dit kan doordat de beslissing verwijst naar andere stukken. Ingeval van een dergelijke ‘motivering door verwijzing’ moet ten eerste de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht, ten laatste op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid. Uit zijn verzoekschrift blijkt dat verzoeker effectief op de hoogte is van de inhoud van het voorstel van de disciplinaire commissie (dat hem met een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs ter kennis is gebracht), alsook van de inhoud van het advies van de beroepskamer. Dit voorstel en dit advies zijn, zoals hiervóór is gebleken, elk afdoende gemotiveerd. Ze komen op het vlak van de tuchtbevoegdheid tot dezelfde conclusie, meer nog, naast haar eigen bijkomende argumenten herneemt de beroepskamer integraal de motivering van de disciplinaire commissie, wat maakt dat ze niet tegenstrijdig zijn. Er kan ook geen twijfel over bestaan dat de eerste bestreden beslissing dit voorstel en dit advies bijvalt, vermits in de eerste bestreden beslissing zelf gesteld wordt dat de inhoud ervan wordt onderschreven. In de IX-9215-57/150 eerste bestreden beslissing is aldus standpunt ingenomen wat betreft de tuchtbevoegdheid van de verwerende partij. De eerste bestreden beslissing is aldus afdoende gemotiveerd. 29.
  113. De inhoudelijke betwisting van de motivering van de disciplinaire commissie en de beroepskamer en dus ook van de eerste bestreden beslissing, vormt in wezen een herhaling van de argumenten die verzoeker reeds in de loop van de tuchtprocedure heeft aangehaald en die reeds uitgebreid weerlegd zijn door de disciplinaire commissie, de beroepskamer en dus ook door het Interministerieel Comité in de eerste bestreden beslissing. Zoals blijkt uit de beoordeling sub 14 tot 28, slaagt verzoeker er hiermee niet in om aan te tonen dat de eerste bestreden beslissing niet zou steunen op deugdelijke motieven.
  114. Voor de volledigheid moet er nog op gewezen worden dat het inroepen van mac

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.