← België

Arrest 260429 - Milieuvergunningen - 12/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 Rolnummer: Zaak: Arrest 260429 - Milieuvergunningen - 12/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-12 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-14 03:49 Fiche Arrest nr 260.429 van 12 juli 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 no lien 277947 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIbisde KAMER nr. 260.429 van 12 juli 2024 in de zaken I. A. 235.867/VIIbis-1 II. A. 240.445/VIIbis-2 In zake : I.+ II. 1. T.P. 2. E.D. 3. D.D. 4. de VZW GREENPEACE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Audrey Baeyens, Carole Billiet en Ward Reniers kantoor houdend te 1780 Wemmel Fr. Robbrechtsstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen I. 5. de VZW BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Fonteinstraat 1A, bus 501 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I.+II. de VZW GRONDBANK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1030 Brussel A. Reyerslaan 80 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: I.+II. 1. de NV STADSBADER 2. de NV CIT BLATON 3. de NV ARTES ROEGIERS 4. de NV ARTES DEPRET 5. de BV MOBILIS, samen vormend de tijdelijke maatschap RINKONIEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Kristof Hectors en Céline Bimbenet kantoor houdend te 2018 Antwerpen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -1/195 Mechelsesteenweg 127A, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Roel Meeus en Aline Fadié kantoor houdend te 1000 Brussel Regentschapsstraat 58, bus 8 6. de NV van publiek recht BEHEERSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN MOBIEL (BAM), handelend onder de naam LANTIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Bastiaan Schelstraete en Maarten Christiaens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen I. 7. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Verbist, Britt Weyts en Valerie Goyvaerts kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187, bus 302 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip Dewallens, Christophe Lemmens en Thierry Vansweevelt kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 8. de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Patrick Hofströssler kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen 1.1. Het beroep in de zaak sub I is ingesteld op 14 maart 2022 en strekt tot de nietigverklaring van: “- De conformverklaring met referentienummer 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het ‘Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever (ref OWL1-SBS-RTS-RAP-0001)’ (eerste bestreden beslissing); - De conformverklaring met referentienummer 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag ‘Oosterweelverbinding ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -2/195 Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever (ref OWL2-01742-LAN-RAP- W30-000002)’. (tweede bestreden beslissing); - Alle navolgende beslissingen die gebaseerd zijn op voormelde documenten, zoals, maar niet uitsluitend: - de grondverzettoelating met nr. 5015-22-301125.01 van 7 maart 2022 in het dossier Linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf (derde bestreden beslissing) - de grondverzettoelating met nr. 5015- 301125.02 van 7 maart 2022 in het dossier linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf (vierde bestreden beslissing) die omwille van hun verbondenheid met de eerste twee bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer moeten verdwijnen (samen: de overige bestreden beslissingen)”. 1.2. Het beroep in de zaak sub II is ingesteld op 8 november 2023 en strekt tot de nietigverklaring van: “- De beslissing dd. 15 september 2023 tot intrekking van de conformverklaring met referentienummer 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het ‘Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever (ref OWL1-SBS-RTS-RAP-0001)’ (eerste bestreden beslissing); - De beslissing dd. 18 september 2023 tot intrekking van de conformverklaring met referentienummer 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag ‘Oosterweelverbinding Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever (ref OWL2-01742-LAN-RAP-W30-000002)’ (tweede bestreden beslissing); - De beslissing dd. 18 september 2023 tot intrekking van de grondverzettoelating met nr. 5015-22-301125.01 van 7 maart 2022 in het dossier Infrastructuurwerken Linkeroever-Oosterweel voor gebruik van uitgegraven bodem binnen de werf (derde bestreden beslissing) - De beslissing dd. 18 september 2023 tot intrekking van de grondverzettoelating met nr. 5015-301125.02 van 7 maart 2022 in het dossier Infrastructuurwerken Linkeroever-Oosterweel voor gebruik van uitgegraven bodem binnen de werf (vierde bestreden beslissing)”. VIIbis-1 & VIIbis-2 -3/195 II. Verloop van de rechtsplegingen Wat betreft de zaak sub I 2.1. Bij arrest nr. 253.523 van 19 april 2022 (ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.523) is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen ingewilligd. De verwerende partij en de eerste zeven tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben memories van wederantwoord ingediend. De eerste zeven tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 28 april 2023 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de eerste zeven tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste vier verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Wat betreft de zaak sub II 2.2. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 19 december 2023 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de VIIbis-1 & VIIbis-2 -4/195 rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. Wat betreft de zaken sub I en sub II 2.3. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024. Wnd. kamervoorzitter Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Audrey Baeyens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaten Roel Meeus en Lies Marquet, die verschijnen voor de eerste vijf tussenkomende partijen, advocaten Jan Bouckaert en Maarten Christiaens, die verschijnen voor de zesde tussenkomende partij en advocaten Johan Verbist en Charlotte Plottier, die verschijnen voor de zevende tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VIIbis-1 & VIIbis-2 -5/195 VIIbis-1 & VIIbis-2 -6/195 III. Feiten en wettelijk kader A. Feiten 3.1. Er wordt in eerste instantie verwezen naar de feiten uiteengezet in arrest nr. 252.567 van 29 december 2021 van de Raad van State (ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.567) die de schorsing beveelt van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van: - de conformverklaring door de vzw Grondbank met nr. 2015-16-210737 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag infrastructuurwerken Linkeroever dd. 19/12/2019, met als referentie OWL1- SBSRTS-RAP-0001; - de conformverklaring door de vzw Grondbank met nr. 2046-19-305809 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever dd. 21/11/2020, met als referentie OWVA-SBS-BAM- RAP-0027. De in dit arrest uiteengezette feiten blijven relevant in de huidige procedure. 3.2. “[N]aar aanleiding van de vernieuwing van de technische verslagen van Lantis voor de Oosterweelwerf (zone Linkeroever en zone Scheldetunnel) op basis van het arrest van de Raad van State 252.567 van 29/12/2021” verleent de zogenaamde Commissie Grondverzet op 22 februari 2022 een “locatiespecifiek advies” waarbij “twee buitenlandse experten [werden] betrokken”. Het advies gaat over twee vragen die aan deze commissie “[i]n opdracht van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken” werden voorgelegd: “Vraag 1 Kunnen de PFAS-houdende gronden, onder de hergebruiksvoorwaarden zoals beschreven in de technische verslagen hergebruikt worden binnen de in technisch verslagen gedefinieerde en afgebakende kadastrale werkzone en dit rekening houdend met de ‘standstill-principes’ zoals beschreven in het VLAREBO (artikels 163-172) (i.c. bijkomende verontreiniging van het grondwater en bijkomend risico van mogelijke blootstelling)? VIIbis-1 & VIIbis-2 -7/195 … Vraag 2 Passen de herwerkte technische verslagen binnen de eerdere aanbevelingen van de Commissie Grondverzet van 14 juli 2021 betreffende stof, bodem en (grond)water?”. De Commissie Grondverzet stelt in haar advies voorafgaandelijk over de “zoneringsaanpak Oosterweelwerken” dat: - de “Oosterweelwerf […] een uitzonderlijk grote werf [is] in een context waarbij receptoren, zowel mens als milieu (bodem, grondwater, lucht en oppervlaktewater) reeds geruime tijd onderhevig zijn aan een hoge belasting als gevolg van de aanwezige PFAS-verontreiniging”; - “[b]innen dergelijke context moet gestreefd worden naar een maximale beperking van bijkomende humane blootstelling als gevolg van de ingrepen in het kader van de Oosterweelwerf” en dat “het verantwoord [kan] zijn om strikter te handelen dan de grondverzetsregeling expliciet vereist en dus strengere principes te hanteren dan het standstill-principe”; - “bij deze evaluatie [...] rekening [moet] gehouden worden met ‘de bron (de aanwezige verontreiniging)’, de ingreep (verontreiniging die wordt verplaatst door grondverzet in de zones rondom 3M)”, “het effect van de verspreiding van de verontreiniging als gevolg van de ingreep (via stof en grondwater)”, “de receptor (gebruikers van de zone Oosterweel en omwonenden) die hetzij via inhalatie/ingestie van beladen stof, hetzij via het gebruik van verontreinigd grondwater en/of van consumptie van voedsel gekweekt in de verontreinigde bodem wordt blootgesteld”; - “[n]aast het maximaal beperken van (in)directe (humane) blootstelling tijdens en na de grondverzetswerken op de zone van de werken zelf [...] tevens de verspreiding van de verontreiniging via stof en grondwater [moet] vermeden worden” omdat “[d]eze verspreiding onrechtstreeks [...] ook weer [kan] leiden tot blootstelling via inname van stof of het gebruik van verontreinigd drink- of putwater en voeding”; - de “blootstellingsroutes [die] worden beoordeeld als gevolg van de ingreep in de zones die worden heraangelegd in het kader van de Oosterweelverbinding” “Ingestie en inhalatie van stof” en “Ingestie via hand-mond contact” zijn, dat “[v]ermits er geen bewoning zal zijn in de afgewerkte Oosterweelzone [...] enkel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -8/195 passanten en gebruikers van de zone [worden] blootgesteld”, dat “[v]oor evaluatie van de verspreiding [...] gekeken [wordt] naar de routes via stof en grondwater” en dat “[d]e eventueel nadelige effecten op organismen in het leefmilieu (ecotox) worden meegenomen in het kader van de sanering door 3M (BBO en BSP) en [...] geen deel uit[maken] van dit advies”; - de (ontwerp-)technische verslagen voorzien in een indeling van de uitgegraven grond in verschillende kwaliteiten, elk met eigen codering: “Bodemmaterialen met 3 μg/kg ds PFOS” die worden “hergebruikt binnen de kadastrale werkzone volgens een gezoneerde aanpak” door de verdeling van de kadastrale werkzone (KWZ) “in subzones met 3 kwaliteitscategorieën boven de hergebruikswaarde (3 μg/kg DS)”, meer bepaald “Categorie ! => >3 μg/kg ds PFOS en ≤14,4 μg/kg ds2 PFOS”, “Categorie !! => >14,4 μg/kg ds PFOS en ≤70 μg/kg ds som PFAS” en “Categorie !!! => >70 μg/kg ds som PFAS en ≤1000 μg/kg ds som PFAS”; - “[v]oor het grondverzet binnen de kadastrale werkzone […] het standstill- principe [geldt] volgens de […] voorwaarden” van artikel 164, § 2, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, dat “tot doel [heeft] dat door de werken geen bijkomende verontreiniging wordt gecreëerd” en dat deze “evaluatie gebeurt op niveau van de kadastrale werkzone”. Vervolgens antwoordt de Commissie Grondverzet op de eerste vraag dat “[o]p basis van de informatie in de technische verslagen (ontwerp technische verslagen, dd. 16/01/2022) […] invulling is gegeven aan het standstill- principe zoals omschreven in Hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 (het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen) en de codes van goede praktijk van OVAM” na de vaststelling “dat in vergelijking met de technische verslagen die werden voorgelegd in juni 2021, aanpassingen gebeurden op volgende vlakken”: - “De kadastrale werkzone werd opgesplitst in meerdere kadastrale werkzones”; - “De KWZ101 en KWZ102 wordt telkens verdeeld in subzones met 3 kwaliteitscategorieën boven de hergebruikswaarde (3 μg/kg DS) [...] waarbij uitgegraven bodem slechts hergebruikt kan worden binnen zones met een VIIbis-1 & VIIbis-2 -9/195 gelijkaardige of slechtere kwaliteit” en “De volumes in m³ per kwaliteitscategorie zijn als volgt”: “ILO: 134.000!; 110.000!!; 72.000!!!” en “ST: 500.000!; 310.000!!; 16.000!!!”; - “Voor hergebruik buiten de kadastrale werkzone wordt geen code opgegeven aangezien gesteld wordt dat de bodemmaterialen volledig binnen de respectievelijke kadastrale werkzone worden hergebruikt, behalve de fractie 9!!!, met concentraties >1000 μg/kg ds som PFAS. Deze kwaliteitscategorie wordt afgevoerd voor eindverwerking”; - “De fractie >70μg/kg ds 70μg/kg

  1. ds)af te voeren naar de terreinen van 3M, gezien deze nu buiten de kadastrale werkzone liggen. Nochtans creëerde de gecontroleerde opslag van de verontreinigde fractie op de terreinen van 3M een opportuniteit om de verontreiniging te concentreren op de privéterreinen van de veroorzaker van de verontreiniging, in afwachting van de sanering ervan en dit in de nabijheid waardoor de hinder als gevolg van transport (het gaat om grote volumes) zeer beperkt bleef. Deze piste werd door de commissie beschouwd als een meer duurzame oplossing in functie van toekomstige sanering. In het huidige voorstel wordt de verontreinigde fractie tijdelijk opgeslagen op openbaar domein en op terreinen die een lagere verontreinigingsgraad hebben dan de terreinen van 3M. De commissie vindt dit een nadelige evolutie en blijft voorstander van een gecentraliseerde opslag van de verontreinigde gronden op de terreinen van 3M in een goed ingekapselde berm, met monitoring van de grondwaterkwaliteit”; - “Het draft technisch verslag geeft aan dat de bodemmaterialen met concentraties >1000 μg/kg ds worden afgevoerd. Nochtans vermelden de technische verslagen (tabel 55) bij deze fractie eveneens de bijkomende codering ‘!!!’. Dit klopt niet, vermits het toetsingskader het volgende vermeldt ‘Grondlagen voorzien van de bijkomende codering ‘!!!’ kunnen worden aangewend ter hoogte van zones met gelijkaardige PFOS/PFAS-concentraties, aangeduid met ‘!!!’’. De codering !!! moet dus geschrapt worden voor materialen met concentratie >1000 μg/kg som PFAS. Door de code Y=9 is duidelijk dat dit materiaal niet mag hergebruikt worden. Bijkomende codering is weinig zinvol en verwarrend. In antwoord op VIIbis-1 & VIIbis-2 -10/195 vragen van de commissie gaf Lantis aan dat deze aanpassing zal doorgevoerd worden”; - “Met betrekking tot de fractie >70 μg/kg ds som PFAS wordt in de huidige technische verslagen enkel gesproken van dubbellagige bovenafdek, terwijl hiervoor aanvankelijk een 3-lagige bovenafdek en een onderafdek werd voorzien. Gezien de specifieke context van de omgeving van 3M, met de huidige hoge blootstelling van de omgeving, is het ten zeerste aan te bevelen om ook een onderafdek te voorzien. De nieuwe bepalingen van de Raad van State kunnen geen reden zijn om goede beheerspraktijken die in de vorige versie van het technisch verslag waren voorzien terug te schroeven. Voor de opslag van de meest verontreinigde fractie (in de technische verslagen >70μg/kg ds som PFAS) wordt dan ook aanbevolen om de oorspronkelijke werkwijze (bovenafdek: vezeldoek - klei - folie; onderafdek: folie) te behouden. Hiervoor kan tevens verwezen worden naar het advies van de afdeling Geotechniek (17 augustus 2021) en het ‘advies bermenlandschap’ van AZG (24 januari 2022). Volgens de oorspronkelijke werkwijze (veiligheidsberm 3M) werd tevens een monitoring voorzien van het grondwater onder de berm. Het is niet duidelijk beschreven of dit ook wordt voorzien bij de tijdelijke opslag. De commissie acht het aangewezen dat ook ter hoogte van de tijdelijke opslag een monitoring van de grondwaterkwaliteit wordt voorzien”; - “Met betrekking tot het grondwater wenst de commissie, in lijn met haar vorige advies, een reeks aandachtspunten te formuleren, die verder in dit advies aan bod komen”. De Commissie Grondverzet antwoordt vervolgens op de tweede vraag: - aangaande de zoneringscriteria, dat “het standstill-principe niet [volstaat] om de gezondheid van de omwonenden maximaal te beschermen in de context van de vastgestelde reeds hoge humane belasting”, dat zij beoordeelt “of de gebruikte zoneringscriteria en de toegepaste procedures volstaan om de verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan, maar ook om de algemene blootstelling van de omwonenden maximaal te beperken”, dat de “nood om de algemene blootstelling van de omwonenden te beperken volgt uit de resultaten van het bloedonderzoek VIIbis-1 & VIIbis-2 -11/195 uitgevoerd door AZG in november-december 2021, waaruit bleek dat de bewoners in de omliggende zone van 3M sterk verhoogde PFAS-waarden in hun bloed vertonen” en dat het “nastreven van een nulrisico […] evenwel niet realistisch” is maar dat wel “kan gestreefd worden naar een zo laag mogelijk risico”; - aangaande het zoneringscriterium “3 μg/kg ds PFOS als criterium vrij hergebruik” dat “werd afgeleid door de achtergrondwaarde (1,5 μg/kg
  2. ds)te verdubbelen”, dat zij aanbeveelt “dat ook rekening gehouden wordt met perfluor- 1-butaansulfonamide (PFBSA), vermits deze molecule ook door 3M wordt geproduceerd” en “om het onderste zoneringscriterium uit te breiden tot de 3 huidige Vlaamse toetsingswaarden voor vrij hergebruik: 3 μg/kg ds PFOS, 3 μg/kg ds PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS (incl. PFBSA)”; - aangaande het zoneringscriterium “14,4 μg/kg PFOS als eerste zoneringscriterium” dat “wordt afgeleid van de ontwerp bodemsaneringsnorm (BSN) type III (wonen)”, dat zij voorstelt “om hier ook een waarde voor som PFAS te hanteren en [...] om het criterium aan te passen naar 14,4 μg/kg ds som PFAS. Waarden onder de LOQ worden niet meegerekend”; - aangaande het zoneringscriterium “70 μg/kg ds som PFAS als tweede zoneringscriterium”, dat binnen de aangepaste technische verslagen voor “alle opgegraven bodemmateriaal met PFAS-gehalte >70 μg/kg ds som PFAS het risico op blootstelling en verspreiding” wordt vermeden “door afvoer of inkapseling” en dat “het bodemmateriaal met concentraties “>3 μg/kg ds PFOS en “beperken vuilvracht: door vermindering van de vuilvracht in de werfzone, wordt de bron van blootstelling en verspreiding rechtstreeks aangepakt”,
  3. ii)“bijkomende directe blootstelling: dit is de blootstelling door direct contact met de bodem als gevolg van bodemgebruik, in dit geval recreatie (fietspaden, parkgebied) en industrie (wegen)”, iii) “verspreiding via grondwater” en
  4. iv)“verspreiding via stof”; VIIbis-1 & VIIbis-2 -12/195 - vanuit de invalshoek “Bronaanpak: beperking vuilvracht”, dat volgens een benaderende berekening “hoeveel % van de totale hoeveelheid PFAS in de bodem wordt verwijderd door het tijdelijk stockeren met boven- en onderafdek van de bodemmaterialen >70 μg/kg ds som PFAS en het afvoeren van bodemmaterialen >1000 μg/kg ds voor eindverwerking”, deze ingreep een belangrijke impact heeft op de reductie van de aanwezige vuilvracht en dus ook op de grootte van de bron - hoewel de relatieve impact in het project Scheldetunnel lager is, vermits daar grotere volumes van minder verontreinigde bodem worden verzet - aangezien het “afvoeren en inkapselen van verontreinigde bodemmaterialen >70 μg/kg ds som PFAS [...] voor de twee werfzones samen voor een vermindering van de vuilvracht van 25,61 kg, dit is 55% van de totale hoeveelheid PFAS in de verplaatste gronden” zorgt; - vanuit de invalshoek “Bijkomende directe blootstelling - bodem”, dat “[d]e directe blootstelling aan PFAS [...], na afwerking van de werken, enkel [kan] optreden voor zover personen in contact komen met opwaaiend stof of bodemmateriaal. Het risico van die directe blootstelling kan bepaald worden, door toetsing van de blootstelling tijdens de voorziene manier van gebruik, aan een gezondheidskundige grenswaarde (GGW)”; dat zij op basis van een scenarioberekening voor “de lokale situatie van de Oosterweelwerf […] met oog op de finale bestemming van de werfzone” die zal bestaan uit “bermen, parkgebied, fietspaden en (auto)snelwegen, die niet gebruikt worden als woonfunctie” aanbeveelt “om ook de toplaag van de bermzone ten Zuid-Westen van de knoop R1-E34, die aansluit bij de Polderstraat uit te voeren in zuivere grond” en vaststelt dat alle “andere zones [...] nauw aan[sluiten] bij de snelweg en [...] soms [worden] doorkruist door fietspaden”, dat het “gebruik van deze zones kan vergeleken worden met een gebruikstype ‘park of outdoor recreatie’”, dat dit “gebruikstype [...] er van uit[gaat] dat gebruikers blootgesteld worden aan opwaaiend stof van de bodem en dit via inademing, alsook ingestie via hand- mondcontact opnemen”, dat het “hier [gaat] om een worst case scenario, vermits de bermen na afronding van de werken grotendeels niet vrij toegankelijk zullen zijn voor gebruikers, en stofvorming zal beperkt worden door begroeiing en onderhoud van de bermen”; dat “[i]n deze specifieke situatie […] er rekening mee gehouden [moet] worden dat de bewoners al sterk blootgesteld zijn en hoge VIIbis-1 & VIIbis-2 -13/195 PFAS-waarden in hun bloed vertonen”, zij dan ook “aan[beveelt] om het bijkomende risico maximaal te beperken” en “dat de extra dosis via deze route maximaal 10% van de TWI [Toegelaten Wekelijkse Inname] mag bedragen” en “[v]anuit die overweging […] voor[stelt] om het tweede zoneringscriterium aan te passen naar 47 μg/kg ds som PFAS. Verontreinigde bodemmaterialen met concentratie boven deze waarde moeten opgeslagen worden in tijdelijke opslagplaatsen met boven- en onderafdek […]. […] Bij de evaluatie van de verontreiniging van een bepaalde (sub)zone, worden de meetwaarden geëvalueerd en uitgemiddeld volgens de normaal gehanteerde procedures bij grondverzet. Voor de zones >14,4 en - vanuit de invalshoek “verspreiding via grondwater”, dat zij vaststelt “dat de grondwaterkwaliteit in het gebied rondom 3M problematisch is. Een (verdere) verspreiding van de verontreiniging moet ten allen tijde tegengegaan worden. In het gebied zijn geen waterwinningen of putwatergebruikers gesitueerd, waardoor er geen risico op directe blootstelling bestaat”; dat “[i]n de eerste plaats […] het verminderen van de vuilvracht […] voor een beperking van de bron van uitloging van PFAS naar het grondwater” zorgt, “dat het gebruik van bodemmaterialen met concentraties som PFAS 3 - 47 μg/kg ds nog steeds aanleiding geeft tot uitloging naar het grondwater” en dat deze “uitloging als gevolg van de aanwezige historische verontreiniging zorgt voor een verdere PFAS aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater in de zone” en dat de “aanpak van de grondwaterverontreiniging [...] verder uitgewerkt [zal] moeten worden in het op te stellen bodemsaneringsplan van 3M” dat er zal voor moeten zorgen “dat de aanwezige verontreiniging in het grondwater zich niet verder kan verspreiden en dat de verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. […] Een eventuele bijdrage door uitloging van de bouwwerken kan (en zal) meegenomen worden in de algemene saneringsaanpak en zal dus pas na verdere sanering niet tot een (bijkomend) verspreidingsrisico leiden”; dat “[i]n de zone van de Scheldetunnel [...] op grotere diepte nog een diepe laag niet-verontreinigd VIIbis-1 & VIIbis-2 -14/195 grondwater [wordt] aangetroffen. Door uitgraven van de tunneltoegang, zal er tot op het niveau van dit grondwater gegraven worden. Bij uitvoering van de werken moet ervoor gezorgd worden dat de diepe grondwaterlaag in de zone Scheldetunnel niet verontreinigd wordt. Lantis geeft in antwoord op vragen hieromtrent door de Commissie Grondverzet aan dat bij het aanvullen van de diepere lagen de oorspronkelijke gelaagdheid gerespecteerd zal worden. Dit houdt in dat de diepere bodemlagen, waarin voor uitgraving geen PFAS- houdende gronden aanwezig zijn, niet aangevuld zullen worden met PFAS- verontreinigde gronden. Deze werkwijze is conform de voorwaarden voor het gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone: Bij het gebruik binnen de KWZ wordt er steeds op toegezien dat bodemmaterialen met een bepaalde gebruikscategorie (geen !, !, !! of !!!) enkel gebruikt kunnen worden in zones waar de kwaliteit van een gelijkaardige of minder goede kwaliteit is. Dezelfde voorwaarden gelden ook voor de ondiepere lagen en voor de talud die bovenop het oorspronkelijk maaiveld wordt aangelegd. Ter hoogte van de diepe grondwaterlaag beveelt de commissie aan te werken met zuivere grond (d.w.z. μg/kg ds PFOS; - vanuit de invalshoek “verspreiding via stof”, dat “Lantis [...] een stofactieplan [heeft] opgesteld en geïmplementeerd. In dat kader is er monitoring opgezet, worden acties genomen indien verhoogde waarden worden gemeten, worden hieruit lessen getrokken i.v.m. de effectiviteit van maatregelen en er werd een stofverantwoordelijke aangesteld. De gehanteerde goede werfpraktijken voor beperking van stofemissies geven blijk van een degelijk uitgewerkte en afdoende aanpak om de stofverspreiding, en aldus de bijkomende risico’s die hiermee gepaard gaan, te beperken”. De Commissie Grondverzet besluit als volgt: “De commissie blijft voorstander van een gecentraliseerde opslag van de verontreinigde gronden op de terreinen van 3M in een goed ingekapselde berm, met monitoring van de grondwaterkwaliteit. Voor de (tijdelijke) opslag van de meest verontreinigde fractie wordt ook aanbevolen om de oorspronkelijke werkwijze (bovenafdek: vezeldoek - klei - folie; onderafdek: folie) te behouden, inclusief de monitoring van de grondwaterkwaliteit rondom de opslagplaats. VIIbis-1 & VIIbis-2 -15/195 De technisch verslagen voldoen aan het standstill-principe zoals dat binnen de grondverzetsregeling wordt gehanteerd. Gezien de specifieke situatie rondom 3M, adviseert de commissie dat het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal wordt beperkt. Vanuit die insteek werden de toegepaste zoneringscriteria geëvalueerd. De zoneringscriteria moeten telkens uitgedrukt worden als maximale gehalten aan som PFAS. In het huidige voorstel wordt voor de twee laagste criteria enkel naar PFOS verwezen. Voor deze bepaling dient de lijst en berekeningswijzen van het Compendium voor Monstername en analyse van OVAM te worden gevolgd, waarbij zowel de kwantitatieve als de indicatieve parameters worden gemeten. De Commissie Grondverzet beveelt aan om het onderste zoneringscriterium uit te breiden tot de 3 huidige Vlaamse toetsingswaarden voor vrij hergebruik: 3 μg/kg ds PFOS, 3 μg/kg ds PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS (incl. PFBSA). De wetenschappelijke onderbouwing van het zoneringscriterium 70 μg/kg ds som PFAS werd recent in vraag gesteld. Via nieuwe scenarioberekening op basis van het reële gebruik van de heraangelegde zone (worst case benadering, blootstelling van kinderen), stelt de commissie voor om het criterium gebiedsspecifiek te herzien naar 47 μg/kg ds. Boven dit criterium worden ontgraven gronden samengebracht in tijdelijke opslag, voorzien van boven- en onderafdek en grondwatermonitoring. De praktijk om de meest verontreinigde uitgegraven gronden in te kapselen, zorgt voor een belangrijke reductie van de aanwezige vuilvracht die ter beschikking is voor uitloging of verspreiding. Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >3 μg/kg ds en μg/kg ds kunnen teruggeplaatst worden in zones met zelfde kwaliteit, zonder gebruiksbeperkingen. Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en μg/kg ds kunnen hergebruikt worden in zones waar actief recreatief gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt. De commissie stelde daarnaast nog specifieke gebruiksadviezen op voor een beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning. De voorgestelde zoneringsaanpak neemt niet alle verontreiniging weg uit het systeem en kan dus nog steeds aanleiding geven tot uitloging van PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties 3 - 47 μg/kg ds som PFAS. Dit risico beperken vormt een essentieel onderdeel van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. 3.3. Met een “addendum” geeft de Commissie Grondverzet op 27 februari 2022 “een aantal technische verduidelijkingen” bij haar advies van 22 februari 2022: “[…] - Tijdelijke opslag De term ‘tijdelijke opslag’ heeft enkel betrekking op de aanwending van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -16/195 het bodemmateriaal 47 μg/kg ds in een berm met boven- en onderafdek, in afwachting van verdere verwerking. Het betreft niet de tijdelijke werfopslag, in afwachting van verdere verplaatsing, afdekken of inpakken. De commissie gebruikte deze bewoording voor de bouwwerken (bermen) die aangelegd moeten worden om de verontreinigde grond op te slaan. De commissie geeft de voorkeur aan één centrale berm. Als dat niet kan, zal het één berm per KWZ zijn. Hierbij gaat de Commissie er van uit dat het om een tijdelijke oplossing gaat, voor de tijd dat er gezocht wordt naar een oplossing voor afvoer of reiniging. Zodra er technische oplossingen beschikbaar komen moet deze sterk vervuilde grond gereinigd worden (bvb. in een te bouwen reinigingsinstallatie op de 3M site). Die verdere saneringsaanpak is de verantwoordelijkheid van 3M en wordt uitgewerkt in het BBO (beschrijvend bodemonderzoek) en BSP (bodemsaneringsplan). Daarnaast werd een werkgroep saneringstechnieken opgericht in kader van het Stakeholderoverleg Zwijndrecht. Die groep zal innovatieve en bestaande saneringstechnieken inventariseren en evalueren. De grond die wordt ontgraven en tijdelijk (max. 1 maand) op de werf opgeslagen in afwachting van een meer definitieve toepassing wordt beschouwd als werfopslag, en valt niet onder het begrip ‘tijdelijke opslag’, zoals gehanteerd in het rapport van de commissie van 22 februari 2022. Langdurige (> 1 maand) onbedekte werfopslag van verontreinigde grond moet vermeden worden. Reeds in haar eerste verslag beval de Commissie aan om de werfopslag in te zaaien met snelgroeiend onkruid en continu te besproeien bij droog weer. - Gemiddelde concentraties Het rapport van de commissie van 22 februari stelt ‘Bij de evaluatie van de verontreiniging van een bepaalde (sub)zone, worden de meetwaarden geëvalueerd en uitgemiddeld volgens de normaal gehanteerde procedures bij grondverzet.’ Deze aanbeveling bleek op verschillende manieren geïnterpreteerd te kunnen worden. De commissie stelt daarom hierbij dat de grens 47 μg/kg ds moet beoordeeld worden tegenover het rekenkundig gemiddelde van de (sub)zone. De commissie keek hiervoor naar de subzones en waarden zoals weergegeven in de tabellen van Lantis waarin de vuilvrachtvermindering wordt berekend. De daarin gehanteerde zones moeten bij evaluatie van dit criterium behouden blijven. Het rekenkundig gemiddelde is een goede weergave van de bodemkwaliteit van de beschouwde subzone, met oog op het humane risico. - PFBSA De commissie hecht bijzonder belang aan PFBSA en heeft daarom expliciet in het advies opgenomen dat ook deze parameter mee bekeken moest worden. Daarnaast werd voor de bepaling van de som PFAS verwezen naar de CMA. In de huidige (goedgekeurde) CMA versie 11/2020 (Per- en polyfluorverbindingen (PFAS) (vito.be)) worden 36 PFAS-verbindingen geanalyseerd, 28 kwantitatieve parameters en 8 indicatieve parameters, zoals in het rapport van de commissie vermeld. Hierin is PFBSA (nog) niet vervat. Dat is wel het geval voor de ontwerp ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -17/195 (nog niet goedgekeurde) CMA versie 11/2021 (ontwerpversie, Per- en polyfluorverbindingen (PFAS) (vito.be)), die gehanteerd wordt voor staalnames en analyses die sinds december 2021 worden uitgevoerd. Deze CMA versie (11/2020) wordt rechtsgeldig vanaf juni 2022. De Commissie adviseert derhalve om voor alle toekomstige stalen het gehalte PFBSA en andere indicatieve parameters volgens het CMA te bepalen, met oog op karakterisering van de verontreiniging. Voor evaluatie van de zoneringscriteria moeten ook de indicatieve parameters opgenomen worden in de evaluatie van de som PFAS. [...]”. 3.4. In de (in de zaak sub I) bestreden eerste en tweede beslissing wordt het overleg tussen de voorzitter van de Commissie Grondverzet, de erkende bodemsaneringsdeskundige van de nv BAM, de nv BAM en de vzw Grondbank van 2 maart 2022, evenals het antwoord van de OVAM op vragen van de vzw Grondbank van 3 maart 2022 vermeld die werden in acht genomen bij die conformverklaringen. In haar antwoord op de vragen van de vzw Grondbank, vestigt de OVAM de aandacht op de voorwaarde “dat het gebruik van de bodemmaterialen de eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen” en stelt zij in dat verband dat het aangewezen lijkt “om, in het kader van de nieuwe technische verslagen, rekening te houden met een eventuele toekomstige bodemsanering” en dat het “ook logisch [lijkt] dat de initiatiefnemer van de grondverzetwerken en de aangestelde bodemsaneringsdeskundige zich bewust zijn van deze problematiek en dat de bodemsaneringsdeskundige aangeeft wat de impact van de grondwerken kan zijn op de verschillende mogelijke varianten van de bodemsanering”. De OVAM verwijst nog naar “een verslag van gefaseerd beschrijvend bodemonderzoek van de erkende bodemsaneringsdeskundige ERM in opdracht van 3M Belgium” en stelt dat de bevindingen in dat bodemonderzoek “ongetwijfeld nuttig aangewend [kunnen] worden door de erkende bodemsaneringsdeskundige van de initiatiefnemer van de grondverzetswerken om de interactie van die werken en de bodemsanering na te gaan”. 3.5. Het Technisch Verslag “Infrastructuurwerken Linkeroever - Oosterweel 2000 Antwerpen” van 3 maart 2022 (hierna: TV IWLO) vervangt het Technisch Verslag waarvan de conformverklaring bij voormeld arrest nr. 252.567 VIIbis-1 & VIIbis-2 -18/195 werd geschorst behalve voor de “zone Beveiligingsberm” waarvoor de geschorste conformverklaring nog steeds van toepassing is. De vzw Grondbank verklaart met de (in de zaak sub I) eerste bestreden beslissing het TV IWLO conform. De vzw Grondbank overweegt: - het advies van de Commissie Grondverzet, het addendum bij dit advies, het overleg van 2 maart 2022 en het antwoord van de OVAM op vragen van de vzw Grondbank in acht te nemen; - dat het TV IWLO beantwoordt aan het standstill-beginsel; - dat het “dossier heel bijzonder is” en dat de “Vlaamse overheid” zich daarom “heeft omringd met bijzondere, aanvullende expertise”; - te hebben vastgesteld “dat de aanbevelingen van de Commissie Grondverzet die betrekking hebben [op] het gebruik van de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone […] geïntegreerd [zijn] in het TV IWLO”: “ Toegepaste zoneringscriteria teneinde het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal te beperken;  Uitdrukking van de zoneringscriteria als maximale gehalten aan som PFAS;  Gebiedsspecifieke herziening van het criterium van 70 μg/kg ds som PFAS naar gemiddeld 47 μg/kg ds som PFAS;  Bodemmaterialen met concentratie PFOS > 3 μg/kg ds, PFOA > 3 μg/kg ds en som PFAS > 8 μg/kg ds en  Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en  Specifieke gebruiksadviezen voor beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning”; - “dat ook de volgende aanbevelingen van de Commissie Grondverzet zullen dienen inachtgenomen in het vooropgezette omgevingsvergunnings- en/of bodemsaneringsrechtelijke traject:  de aanwending van bodemmaterialen >47μg/kg ds som PFAS in een berm met boven- (vezeldoek - klei - folie) en onderafdek (folie), inclusief monitoring van VIIbis-1 & VIIbis-2 -19/195 de grondwaterkwaliteit;  het risico op potentiële uitloging van residuaire PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties tot 47μg/kg ds som PFAS dient een essentieel onderdeel te zijn van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. De vzw Grondbank merkt dan “voorafgaandelijk” op dat: - er “wordt gegraven in de buurt van een verdacht terrein” en dat wanneer “er zintuiglijk verontreinigde bodem wordt aangetroffen” dit “onmiddellijk [moet] gemeld worden aan de opdrachtgever en Grondbank vzw, zodat verdere stappen kunnen genomen worden”; - omwille “van de concentraties PFAS in het grondwater […] voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig [zal] zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen”; omdat grondwaterbemaling “een invloed [kan] hebben op de aanwezige verontreiniging […] moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen”. Over het punt “begeleiding” stelt de vzw Grondbank onder meer dat: - “[h]et gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen […] integraal [moet] worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige” die toeziet “op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone”; - de uitgravingswerken ter hoogte van een aantal zones moeten worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige; - ter hoogte van zone 201c is bijkomend onderzoek noodzakelijk op PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige; - de zone waar de calamiteit “CAL04: Lozing potentieel verontreinigd PFAS- water in beek thv Neerstraat” zich heeft voorgedaan, “wordt onder begeleiding van de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E Consult ontgraven (lopende)”; - met betrekking tot zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 (in de kadastrale werkzone 101) en de gestapelde grondhopen (501 t.e.m. 507) verwezen wordt naar de bijkomende voorwaarden. VIIbis-1 & VIIbis-2 -20/195 De vzw Grondbank stelt vervolgens dat er 2 kadastrale werkzones (hierna: KWZ) worden afgebakend: - KWZ 1001 die de zones 215a en 318 omvat “waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: de “partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 1001 en KWZ 11 worden hergebruikt”; - KWZ 101 die de zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404 en 405 omvat “waar de concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden”: twee “partijen” afkomstig van deze zones worden onderscheiden: enerzijds de partijen “met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, ‘!!’, ‘!!!’ en ‘!!!!’)” die “enkel binnen KWZ 101 [kunnen] worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen” die in “hoofdstuk 4” worden vermeld en anderzijds partijen “met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde vrij gebruik” die “kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 101 en KWZ 1001”. De vzw Grondbank vermeldt dan volgende “bijkomende voorwaarden”: “- De partijen 020! thv zone 203 mogen enkel hergebruikt worden binnen zone 203 mits hergebruik onder een verharding of leeflaag. Het hergebruik van de gronden dient voor toepassing afgestemd te worden met een EBSD. Opgelet: hierbij dient bijkomend rekening gehouden te worden met de voorwaarden opgenomen voor PFAS. Voor de aanpak van de ontgraving van de PFAS-houdende gronden verwijzen we naar punt 5 van de conformverklaring. - Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 mogen enkel terreineigen gronden hergebruikt worden. Voor gebruik van partijen die niet afkomstig zijn van zone 208, 209a, 209b, 210 en 214 dient op voorhand afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige of toepassing van de betreffende gronden mogelijk is voor de parameters van het standaard analysepakket. Hergebruik van gronden met concentraties aan genormeerde parameters groter dan de 80% BSN III is niet mogelijk in deze zone. - De gestapelde grondhopen (zones 501, 502, 503, 504, 505, 506 en 507) moeten in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -21/195 erkende bodemsaneringsdeskundige. - Thv de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 zullen geen gronden worden toegepast. - Er is een directe afvoer naar een ontwateringsbekken voorzien voor de partijen waterbodem. Indien men toch zou opteren voor tijdelijke oeverdeponie, is een bijkomende evaluatie van de mogelijkheid tot ontwatering binnen de vijfmeterstrook van de oever nodig”. Wat betreft de “PFAS-houdende gronden (KWZ 101)” stelt de vzw Grondbank dat: - in deze zones en hopen (uitgegraven bodem) 501, 503 en 504 (samen 4200m³), 505 en 506 (samen 17.930m³) en 507 (5.000m³) “concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik [worden ] aangetroffen”; - voor “gebruik van de PFAS-houdende partijen […] een afzonderlijk bodembeheerrapport [zal] worden opgemaakt”; - de KWZ 101 onderverdeeld wordt in “4 subzones […] in de opmetingstabel met een ‘!’, ‘!!’, ‘!!!’ en ‘!!!!’ aangeduid in de partijen”, en verder: “- Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform deze principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met gemiddelde concentraties > 47 μg/kg ds. - In de nabijheid van bewoning en recreatieterreinen mogen enkel niet verontreinigde gronden worden toegepast in de leeflaag van de berm. De betreffende delen staan aangeduid op het zoneringsplan (zie zones 201c, 207a, 207b, 207c en 208). M.a.w. dienen in deze zones partijen met code 211 of terreineigen gronden met natuurlijke aanrijking met code 4y1* te worden gebruikt (of externe partijen 3y1 of 4y1 met van nature verhoogde concentraties obv een vereenvoudigde studie van de ontvangende grond). - Thv de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
  5. mv)en 216 (1,5-2,5 m-
  6. mv)mogen geen partijen met PFOS- concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden. - Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. - Voor de partijen met concentraties PFAS boven detectielimiet maar die de door de EBSD voorgestelde toetsingswaarde voor Vrij Gebruik niet overschrijden is er bijkomende evaluatie nodig: - bij afvoer naar terreinen met een Studie Ontvangende Groeve dient men ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -22/195 steeds na te gaan of de vermelde parameter mag aanvaard worden. - voorafgaand aan onderwatertoepassingen 4.1 Subzones met code ‘!’ Partijen met code 020! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. Concentraties som PFAS zijn kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds. Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS- concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). 4.2 Subzones met code ‘!!’ Partijen met code 020!! bevatten concentraties som PFAS groter dan 14,4 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds. Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS- concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief gebruik op niet- verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt. 4.3 Subzones met code ‘!!!’ Partijen met code 020!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan gemiddeld 47 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan 1000 μg/kg ds. Partijen met code 020!!! kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!!’ - mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 76 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). We verwijzen ook naar 0. Inleiding ivm de onderafdek en de monitoring. - In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). 4.4 Subzones met code ‘!!!!’ Partijen met code 090!!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan 1000 μg/kg ds. Er mogen geen bodemmaterialen met concentraties aan som PFAS groter dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 101 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld thv de Palingbeek (slibfractie met code 090!!!!). Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker”. De vzw Grondbank stelt wat betreft “saneringen” dat volgens “de erkende bodemsaneringsdeskundige […] er aanwijzingen [zijn] dat er op het terrein zal moeten overgegaan worden tot bodemsanering” en zij wijst er tevens op dat de Code van Goede Praktijk “Gebruik van bodemmaterialen in een kadastrale werkzone” bepaalt dat het gebruik van de bodemmaterialen eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen”. VIIbis-1 & VIIbis-2 -23/195 3.6. Het Technisch Verslag “Scheldetunnel” van 8 maart 2022 (hierna: TV ST) vervangt het Technisch Verslag waarvan de conformverklaring bij voormeld arrest nr. 252.567 werd geschorst “voor zover de erin afgebakende kadastrale werkzones overlappen met de kadastrale werkzones in het voorgaande Technisch Verslag. De kadastrale werkzones of onderdelen ervan die afgebakend werden in het voorgaande Technisch Verslag maar niet in het huidige Technisch Verslag, vallen uitsluitend onder het toepassingsgebied van het voorgaande, weliswaar geschorste, Technisch Verslag”. De vzw Grondbank verklaart met de (in de zaak sub I) tweede bestreden beslissing het TV ST conform. De vzw Grondbank verwijst naar de communicatie op 3 februari 2022 met de erkende bodemsaneringsdeskundige en overweegt: - dat zij “bij het beoordelen van de conformiteit van het TV ST inzonderheid ook” het advies van de Commissie Grondverzet, het addendum bij dit advies, het overleg en het antwoord van de OVAM op vragen van de vzw Grondbank in acht neemt; - dat het TV ST beantwoordt aan “het standstill-beginsel”; - dat het “dossier heel bijzonder is” en dat de “Vlaamse overheid” zich daarom “heeft omringd met bijzondere, aanvullende expertise”; - te hebben vastgesteld “dat de aanbevelingen van de Commissie Grondverzet die betrekking hebben [op] het gebruik van de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone […] geïntegreerd [zijn] in het TV ST”: “ Toegepaste zoneringscriteria teneinde het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal te beperken;  Uitdrukking van de zoneringscriteria als maximale gehalten aan som PFAS;  Gebiedsspecifieke herziening van het criterium van 70 μg/kg ds som PFAS naar gemiddeld 47 μg/kg ds som PFAS;  Bodemmaterialen met concentratie PFOS > 3 μg/kg ds, PFOA > 3 μg/kg ds en som PFAS > 8 μg/kg ds en  Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en μg/kg ds kunnen hergebruikt worden in zones waar actief recreatief gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -24/195 wordt;  Specifieke gebruiksadviezen voor beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning”; - “dat ook de volgende aanbevelingen van de Commissie Grondverzet zullen dienen inachtgenomen in het vooropgezette omgevingsvergunnings- en/of bodemsaneringsrechtelijke traject:  de aanwending van bodemmaterialen >47μg/kg ds som PFAS in een berm met boven- (vezeldoek - klei - folie) en onderafdek (folie), inclusief monitoring van de grondwaterkwaliteit;  het risico op potentiële uitloging van residuaire PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties tot 47μg/kg ds som PFAS dient een essentieel onderdeel te zijn van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. De vzw Grondbank merkt dan “voorafgaandelijk” onder meer op dat: - er “wordt gegraven in de buurt van een gesaneerde zone (thv zone 308)” en dat wanneer “er zintuiglijk verontreinigde bodem wordt aangetroffen” dit “onmiddellijk [moet] gemeld worden aan de opdrachtgever en Grondbank vzw, zodat verdere stappen kunnen genomen worden”; - omwille “van de concentraties PFAS in het grondwater […] voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig [zal] zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen”; omdat grondwaterbemaling “een invloed [kan] hebben op de aanwezige verontreiniging […] moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen”. Over het punt “begeleiding” stelt de vzw Grondbank onder meer dat: - “[h]et gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen […] integraal [moet] worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige” die toeziet “op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone”; - de uitgravingswerken ter hoogte van een aantal zones moeten worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige; VIIbis-1 & VIIbis-2 -25/195 - met betrekking tot “zones 302a en b (vanaf 1 m-
  7. mv)en de zones 320 en 328 (tot 1 m-mv)” verwezen wordt naar de bijkomende voorwaarden; - in een aantal specifieke gevallen bijkomend bemonsterd moet worden alvorens een grondverzettoelating te kunnen afleveren. De vzw Grondbank stelt vervolgens dat er 3 kadastrale werkzones (KWZ) worden afgebakend: - KWZ 1 die de zones 309, 310, 311, 312, 313, 314a, 314b, 318 en 320 omvat waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: de partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 102 en KWZ 1 worden hergebruikt; er zijn bijkomende voorwaarden: - ter hoogte van de Schelde (zone 309 tem 314B):
  8. i)“Er is geen hergebruik van de waterbodem mogelijk op het droge”;
  9. ii)“Hergebruik als bodem van de waterbodem (zones 309 tem 314B) is enkel mogelijk binnen de zone van de Schelde binnen KWZ 1 (= zones 309 tem 314B). Deze conformverklaring heeft geen betrekking op bagger- en ruimingsspecie die wordt teruggestort in de waterloop waaruit ze afkomstig is als vermeld in rubriek 2.3.7, b), van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.5.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (artikel 137 4°, Bodemdecreet)”; - “Zone 320: hergebruik van de partij 921 kan enkel thv de openbare wegenis of binnen zones met gelijkaardige verhoogde concentraties. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”; - KWZ 102 die de zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 306, 307, 315, 316, 317, 319a (het deel van zone 319a opgenomen in KWZ 102 overlapt niet met het deel van zone 319a opgenomen in KWZ 101 van het TV Infrastructuurwerken Linkeroever), 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330 omvat waar concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: “de partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, ‘!!’ en ‘!!!’) afkomstig uit deze zones kunnen enkel binnen KWZ 102 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie hoofdstuk 5 voor bijkomende toelichting). De partijen met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde vrij gebruik afkomstig van deze zones (oa diepere lagen) VIIbis-1 & VIIbis-2 -26/195 kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 1 en KWZ 102”; er zijn bijkomende voorwaarden: - “Zone 302a en 302b: de partij 020!! in de laag 1,0-3,0 m-mv kan enkel hergebruikt worden binnen de kadastrale werkzone mits toepassing onder een verharding of leeflaag (minstens 20 cm). De partij kan bijkomend enkel ter plaatse toegepast worden binnen de talud van de Scheldetunnelmond. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”; - “Zone 303: Bij eventueel hergebruik van de gereinigde gronden met code 090!! dienen deze een gebruik te krijgen waarbij rekening wordt gehouden met de restconcentraties voor PFAS”; - “Zone 328: Hergebruik van de partij 020! tot 1,0 m-mv kan enkel thv de openbare weg of binnen zones met gelijkaardige verhoogde concentraties. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”; - “Thv de zones 302a (laag 1,0-3,0 m-mv), 302b (vanaf 1,0 m-mv), 304 (vanaf 1,0 m-mv), 306 (laag 0-1,5 m-mv), 326 (laag 1,0+ m-
  10. mv)en 327 (laag 1,0-2,5 m-
  11. mv)mogen geen partijen met PFOS-concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden”; - KWZ 301 omvat zone 308: “De partij 020! ene 020 afkomstig van zone 308 kan worden hergebruikt binnen KWZ 301. De vzw Grondbank formuleert vervolgens “Hergebruiksmodaliteiten buiten KWZ”: “De partijen met code 999 (zone 310) en code 090!!! (zone 315 en 316) en code 921 thv zone 320 bevatten PCB’s boven waarde vrij gebruik. Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. Voor de partijen met concentraties PFAS boven detectielimiet die echter de toetsingswaarde vrij gebruik niet overschrijden is er bijkomende evaluatie nodig: - bij afvoer naar terreinen met een Studie Ontvangende Groeve of Grond dient men steeds na te gaan of de vermelde parameter mag aanvaard worden - voorafgaand aan onderwatertoepassingen”. VIIbis-1 & VIIbis-2 -27/195 Wat betreft de “PFAS-houdende gronden” stelt de vzw Grondbank: “In zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 306, 307, 315, 316, 317, 319a, 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330 worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen. Voor gebruik van de PFAS-houdende partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt. KWZ 102 wordt onderverdeeld in 3 subzones. Deze subzones worden in de opmetingstabel met een ‘!’ , ‘!!’ en ‘!!!’ aangeduid in de partijen. 5.1 Subzones met code ‘!’ Partijen met code 020! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. Concentraties som PFAS zijn kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds. Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS- concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). 5.2 Subzones met code ‘!!’ Partijen met code 020!! bevatten concentraties som PFAS groter dan 14,4 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds. Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS- concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief gebruik op niet- verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt. 5.3 Subzones met code ‘!!!’ Partijen met code 020!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan gemiddeld 47 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan 1000 μg/kg ds. Partijen met code 020!!! kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!!!’ mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail eBSD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 69 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). We verwijzen ook naar 0. Inleiding ivm de onderafdek en de monitoring. In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). 5.4 Concentraties PFAS > 1000 μg/kg ds Er mogen geen bodemmaterialen met concentraties aan som PFAS groter dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 102 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden geen concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld”. Wat betreft “Afbakening” stelt de vzw Grondbank: “De code 921 thv zone 320 geldt alleszins tot 1m-mv (A-laag). Indien echter ook dieper (bak)steenhoudende gronden voorkomen, dient de code 921 doorgetrokken te worden. De code 411 geldt enkel voor de niet- VIIbis-1 & VIIbis-2 -28/195 (bak)steenhoudende gronden thv zone 320. Afzeven verbetert de kwaliteit niet. De code 999 thv zone 324 geldt alleszins van 1,5-2 m-mv (toplaag code 090!). Indien echter ook dieper of elders in de naastgelegen zone (zone 320) gronden met bodemvreemd aanvulmateriaal (glas, kolengruis) worden aangetroffen, dient de code 999 (of 090!, !! of !!! indien PFAS bijkomend boven waarde vrij gebruik in naastgelegen zone) doorgetrokken te worden”. Over het punt “Cement-bentonietwanden” stelt de vzw Grondbank: “In de zones 301, 302b, 304, 316, 329 en 330 wordt een cement- bentonietwand voorzien. De gronden die vrijkomen bij het plaatsen betreft een mengsel van de verschillende lagen. Eventuele bovenliggende PFAS- houdende lagen dienen voorafgaandelijk te worden verwijderd. Indien dit praktisch niet mogelijk blijkt, zal het mengsel van de gronden vrijgekomen uit de verschillende lagen aanvullend onderzocht moeten worden op PFAS. Het mengsel van de niet PFAS-houdende lagen krijgen de code 421 toegekend (dieptes per zone staan verduidelijkt in het technisch verslag - 5.5 Bespreking zonering). Het bentonietmengsel dat achteraf zal vrijkomen tijdens het inpompen van het cementmengsel dient bijkomend bemonsterd te worden door een erkende bodemsaneringsdeskundige. De partij krijgt dan voorlopig code 000. Grondbank vzw dient te beschikken over de analyseresultaten en de interpretatie door een erkende bodemsaneringsdeskundigen, alvorens een grondverzettoelating te kunnen afleveren. Opgelet: Indien het bentonietmengsel cement bevat, dient deze partij afgevoerd te worden conform VLAREMA-wetgeving”. De vzw Grondbank stelt wat betreft “saneringen” dat volgens “de erkende bodemsaneringsdeskundige […] er aanwijzingen [zijn] dat er op het terrein zal moeten overgegaan worden tot bodemsanering” en zij wijst er tevens op dat “de Code van Goede Praktijk ‘Gebruik van bodemmaterialen in een kadastrale werkzone’ bepaalt dat het gebruik van de bodemmaterialen eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen”. 3.7. Met de (in de zaak sub I) derde bestreden beslissing van 7 maart 2022 geeft de vzw Grondbank aan de nv Stadsbader een toelating “voor gebruik van uitgegraven grond binnen de werf”, meer bepaald voor “gebruik als bodem” en voor “bouwkundig bodemgebruik” mits “de specifieke en aanvullende VIIbis-1 & VIIbis-2 -29/195 voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” in acht te nemen. Het gaat concreet om “partijen ! en !!” die “worden gebruikt zoals omschreven in het TV/CTV (enkel binnen eigen subzone of slechter) […] in sleufaanvulling met respect voor de gelaagdheid”, voor “nivelleren percelen”, “opvullen bouwputten” en “in bouwkundige toepassingen (cfr plannen) o.a. aanleg landhoofden, wegenis in talud en geluidsbermen”. Onder “aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” geldt: “Bijkomend: - Thv de woonzones wordt de afdek voorzien met partijen code 211. - Thv deze zone 203 (code 020!) zal geen grondverzet plaatsvinden (enkel ophoging) of indien toch gronden vrijkomen zullen deze worden toegepast onder de toekomstige wegenis. - Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 worden enkel terreineigen gronden hergebruikt. - Indien thv de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 gronden worden toegepast (afdek teelaardelaag) zal dit met code 211 gebeuren. - Thv de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
  12. mv)en 216 (1,5-2,5 m-
  13. mv)zullen geen partijen met PFOS- concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden (enkel met code ‘!’ of beter)”. De toelating wordt gegeven onder volgende “specifieke voorwaarden”: - de toelating “geldt voor alle partijen met PFAS-concentraties hoger dan de Waarde Vrij Gebruik. In zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 207a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404 en 405 en hopen 501, 503, 504, 505, 506 en 507 worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen”; - de toelating “geldt niet voor partijen met code ‘!!!’ en ‘!!!!’”; - de “uitgravingswerken worden begeleid door de erkende bodemsaneringsdeskundige”: “ Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen worden opgevolgd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -30/195 door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO.  Thv de zone rondom boring B403 (ontgraving onder begeleiding) is obv huidige ontwerpplannen geen grondverzet voorzien (cfr toelichting [E.D.] dd 7/03/2022).  De begeleiding van de calamiteiten wordt uitgevoerd door de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E consult en bodemassen aan zone ‘t Rot door de erkende bodemsaneringsdeskundige Universoil (cfr toelichting [E.D.] dd 7/03/2022).  Thv zone 201c wordt bijkomend onderzoek uitgevoerd op PFAS door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO”; - de “partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, en ‘!!’) afkomstig uit bovenvermelde zones kunnen enkel binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen. Voor hergebruik van deze partijen binnen de werf gelden, zowel voor hergebruik als bodem als voor bouwkundig bodemgebruik, de volgende voorwaarden (zowel horizontaal als verticaal begrensd): - Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). - Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt”. De toelating wordt gegeven onder volgende “bijkomende voorwaarden”: “- Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform deze principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met gemiddelde concentraties > 47 μg/kg ds. - De gestapelde grondhopen (zones 501, 503, 504, 505, 506 en 507) moeten in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige. - Thv de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 zullen geen gronden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -31/195 worden toegepast. - In de nabijheid van bewoning en recreatieterreinen mogen enkel niet verontreinigde gronden worden toegepast in de leeflaag van de berm. De betreffende delen staan aangeduid op het zoneringsplan (zie zones 201c, 207a, 207b, 207c en 208). Maw dienen in deze zones partijen met code 211 of terreineigen gronden met natuurlijke aanrijking met code 4y1* te worden gebruikt (of externe partijen 3y1 of 4y1 met van nature verhoogde concentraties op basis van een vereenvoudigde studie van de ontvangende grond). - In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken conform principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). - Thv de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
  14. mv)en 216 (1,5-2,5 m-
  15. mv)mogen geen partijen met PFOS- concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden. - Er mogen geen gronden met concentraties aan PFAS hoger dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 101 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld ter hoogte van de Palingbeek (slibfractie met code 090!!!!). Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker”. De toelating herneemt nog de bemerkingen die de vzw Grondbank “voorafgaandelijk” in het TV ILWO formuleert (supra). De toelating geldt van 7 maart 2022 tot 31 december 2024. 3.8. Met de (in de zaak sub I) vierde bestreden beslissing van 7 maart 2022 geeft de vzw Grondbank aan de nv Stadsbader een toelating “voor gebruik van uitgegraven grond binnen de werf”, meer bepaald voor “gebruik als bodem” en voor “bouwkundig bodemgebruik” mits “de specifieke en aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” in acht te nemen. Het gaat concreet om partijen die gebruikt worden voor het “nivelleren percelen, opvullen van bouwputten en gebruikt in bouwkundige toepassingen (cfr plannen) oa. aanleg landhoofden, wegenis in talud en geluidsbermen”. De toelating wordt gegeven onder volgende “specifieke voorwaarden”: - dit document “geldt voor alle partijen met PFAS-concentraties lager dan of VIIbis-1 & VIIbis-2 -32/195 gelijk aan de Waarde Vrij Gebruik”; - de “uitgravingswerken worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige”: “ Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen wordt opgevolgd door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO.  Thv de zone rondom boring B403 (ontgraving onder begeleiding) is obv huidige ontwerpplannen geen grondverzet voorzien (cfr toelichting [E.D.] dd 7/03/2022).  De begeleiding van de calamiteiten wordt uitgevoerd door de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E consult en bodemassen aan zone ‘t Rot door de erkende bodemsaneringsdeskundige Universoil (cfr toelichting [E.D.] dd 7/03/2022).  Thv zone 201c wordt bijkomend onderzoek uitgevoerd op PFAS door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO”; - de “partijen kunnen binnen KWZ 1001 en KWZ 101 worden hergebruikt. Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 worden als bodem enkel terreineigen gronden hergebruikt (cfr telefonische toelichting [E.D.] dd 7/03/2022)”; - de “gestapelde grondhoop (zones 502) moet in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige”. De toelating herneemt nog de bemerkingen die de vzw Grondbank “voorafgaandelijk” in het TV ILWO formuleert (supra). De toelating geldt van 7 maart 2022 tot 31 december 2024. 3.9. Bij arrest nr. 253.523 van 19 april 2022 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de voormelde in de zaak sub I bestreden beslissingen. 3.10. Op 25 augustus 2023, nadat de partijen in de zaak sub I hun laatste memories hadden neergelegd en nadat er hen kennis van was gegeven dat de zaak werd opgeroepen voor de terechtzitting op 21 september 2023 zendt de nv BAM een aangetekende brief aan de vzw Grondbank: VIIbis-1 & VIIbis-2 -33/195 “[…] Hoewel we menen dat er gegronde redenen zijn voor de Raad van State om het ongunstig advies van het Auditoraat dd. 28 april 2023 niet te volgen en de prima facie-beoordeling uit het arrest van 19 april 2022 te herzien, is sinds het verlenen van de conformverklaringen en de grondverzettoelatingen zowel de feitelijke, beleidsmatige als regelgevende context ingrijpend gewijzigd. Vooreerst sloten 3M Belgium, het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de OVAM en de VMM op 6 juli 2022 een saneringsovereenkomst af waarin o.a. engagementen werden vastgelegd met betrekking tot de aanpak van de bodemverontreiniging op en rond de omgeving van de 3M-site. Op 28 oktober 2022 sloten de Vlaamse Overheid, de VMM, OVAM, de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, Zwijndrecht Gezond, Natuurpunt, de gemeente Zwijndrecht en BAM voorts een saneringsverbond af (hierna: ‘het Saneringsverbond’). Het betreft een gezamenlijk en integraal plan aangaande de PFAS-verontreiniging in Zwijndrecht en omgeving dat o.a. ook een aantal voorwaarden bevat waaraan moet worden voldaan vooraleer de grondwerken in PFAS- houdende grond onder de grondverzetsregeling kunnen hervatten. In uitvoering van het Saneringsverbond werden o.m. de meest verontreinigde gronden (met PFAS-concentraties boven de 47 μg/ kg ds), waarvan het hergebruik op grond van de voormelde technische verslagen en hun conformverklaringen mogelijk was binnen de kadastrale werkzone en tot concentraties van 1000 μg/ kg ds, inmiddels afgevoerd. Op 17 februari 2023 besliste de Raad van Bestuur van Lantis dat zij, onverminderd de grondverzetsreglementering, koos voor een vrijwillig bodemsaneringstraject en dat zij dus de met PFAS-verontreinigde bodem binnen de perimeter van de Oosterweelwerven zal saneren overeenkomstig het Bodemdecreet, gelijktijdig met de werken aan de Oosterweelverbinding. Dit alles evenwel onder de voorwaarde van het bereiken van een akkoord met 3M Belgium over de modaliteiten, inclusief de toewijzing van de saneringskosten van het te doorlopen saneringstraject. Ook regelgevend is er te wijzen op verschillende evoluties. Zo is vooreerst te wijzen op het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2023 tot vaststelling van de site ‘PFAS 3M - Zwijndrecht’ (hierna: ‘het Sitebesluit’), dat in werking trad op 30 april 2023. In het Sitebesluit worden voorwaarden opgenomen om tot grondverzet binnen de perimeter van de vastgestelde site ‘PFAS - 3M Zwijndrecht’ te kunnen overgaan. Die voorwaarden streken er in wezen toe om bijkomende garanties te bieden dat het grondverzet de latere bodemsanering niet zal verhinderen. Op 7 juli 2023 keurde de Vlaamse Regering een tijdelijk handelingskader goed voor het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen bij bodemsanering en grondverzet. Het Tijdelijk Handelingskader concretiseert o.m. wanneer voldaan is aan de dubbele voorwaarde dat het gebruik van bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone (
  16. i)niet mag leiden tot bijkomende verontreiniging van het grondwater, en (
  17. ii)geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -34/195 bijkomend risico door blootstelling aan de verontreinigende stoffen mag veroorzaken (samen geduid als het ‘standstill-beginsel’). De zo-even opgelijste evoluties impliceren dat het voorwerp van de conformverklaringen en de grondverzettoelatingen in wezen feitelijk, juridisch en wetenschappelijk achterhaald is, zodat Lantis niet langer het uitvoeren van deze bestreden beslissingen benaarstigt, zelfs al zou de Raad van State het annulatieberoep verwerpen. Het is dan ook om die reden dat Lantis bij onderhavig schrijven onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand doet van het voordeel van de thans voor de Raad van State bestreden conformverklaringen (met ref. OWL1-SBS-RTS-RAP-0001 en ref. OWL2-01742-LAN-RAP-W30- 000002). Deze afstand is strikt beperkt tot deze conformverklaringen. De raadslieden van Lantis zullen een kopie van huidig schrijven aan de Raad van State, en de overige in het geding betrokken partijen overmaken, alsook aan COTU (een van de gekozen aannemers, niet betrokken in het geding). […]”. 3.11. Op 12 september 2023 zendt de nv Stadsbader, eerste tussenkomende partij, een aangetekende brief aan de vzw Grondbank: “[…] We verwijzen naar de brieven van 25 augustus 2023 met referentie JUY/MCA/PVC/6794 en JUY/MCA/PVC/6795 (zie bijlagen), waarin BAM NV van publiek recht onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van het voordeel van de volgende conformverklaringen: […] Gezien de afstand van BAM NV van publiek recht van de hoger vermelde conformverklaringen waarop de grondverzettoelatingen zijn gesteund, gelet op de gewijzigde feitelijke, beleidsmatige en juridische context zoals beschreven in de afstandsbrieven van BAM NV van publiek recht en op instructie van haar bouwheer BAM NV van publiek recht, doet Stadsbader NV in het kader van dit geschil bij de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak bij huidig schrijven en ten overvloede afstand van het voordeel van de grondverzettoelatingen van 7 maart 2022 (nr. 5015-22-301125.01 en nr. 5015- 301125.02). Stadsbader NV doet dit in eigen naam en voor eigen rekening en (voor zoveel als nodig) in naam van (de vennoten van) de tijdelijke maatschap Rinkoniën, voor doeleinden van dit schrijven (voor zoveel als nodig) afzonderlijk vertegenwoordigd door haar projectdirecteurs. Bijgevolg gebeurt de voormelde afstand van het voordeel van de betreffende grondverzettoelatingen zowel door Stadsbader NV in eigen naam en, voor zoveel als nodig en ten overvloede, ook door tijdelijke maatschap Rinkoniën. Deze afstand is ten overvloede, want deze grondverzettoelatingen hebben immers geen voorwerp en geen rechtsbasis meer als gevolg van deze briefwisseling. Deze onvoorwaardelijke en onherroepelijke afstand is strikt beperkt tot voormelde grondverzettoelatingen in het kader van deze procedure voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -35/195 de Raad van State en louter ingegeven door de opgegeven redenen. Rinkoniën en Stadsbader NV hebben immers altijd gewerkt conform instructies, verleende vergunningen en de toepasselijke milieurechtelijke regels en grondverzetsdocumenten. […]”. 3.12. Op 15 september 2023 neemt de vzw Grondbank de volgende beslissing over de in de zaak sub I bestreden eerste beslissing: “[…] Gelet op het schorsingsarrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de Raad van State dd. 19 april 2022 met nr. 253.523 en waarvoor de annulatieprocedure aanhangig is (zaak G/A 235.867/VII-14.332); Gelet op de brief van de NV van publiek recht BAM (‘Lantis’) dd. 25 augustus 2023 (ref. JUY/MCA/PVC/6795), waarbij zij meldt onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand te doen van het voordeel van - onder meer - de conformverklaring met nr. 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever (met als ref. OWL1-SBS-RTS-RAP-0001); Overwegende dat aldus vaststaat dat de conformverklaring met nr. 2015- 22-301125 van 5 maart 2022 niet langer nog enig recht (kan) verlenen aan de desbetreffende begunstigde(n); [sic] Overwegende dat het dan ook passend voorkomt, inzonderheid met het oog op het verzekeren van de rechtszekerheid, de conformverklaring met nr. 2015-22-301125 van 5 maart 2022 formeel in te trekken; Beslist de VZW Grondbank: Art. 1 De conformverklaring met nr. 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever met als ref. OWL1- SBS-RTS-RAP-0001 wordt ingetrokken. […]”. 3.13. Op 18 september 2023 neemt de vzw Grondbank de volgende beslissing over de in de zaak sub I tweede bestreden beslissing: “[…] Gelet op het schorsingsarrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de Raad van State dd. 19 april 2022 met nr. 253.523 en waarvoor de annulatieprocedure aanhangig is (zaak G/A 235.867/VII-14.332); Gelet op de brief van de NV van publiek recht BAM (‘Lantis’) dd. 25 augustus 2023 (ref. JUY/MCA/PVC/6795), waarbij zij meldt onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand te doen van het voordeel van - onder meer - de conformverklaring met nr. 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag Oosterweelverbinding Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever (met als ref. OWL2-01742- VIIbis-1 & VIIbis-2 -36/195 LAN-RAP-W30-000002); Overwegende dat aldus vaststaat dat de conformverklaring met nr. 2015- 22-301327 van 9 maart 2022 niet langer nog enig recht kan verlenen aan de desbetreffende begunstigde(n); [sic] Overwegende dat het dan ook passend voorkomt, inzonderheid met het oog op het verzekeren van de rechtszekerheid, de conformverklaring met nr. 2015-22-301327 van 9 maart 2022 formeel in te trekken; Beslist de VZW Grondbank: Art. 1 De conformverklaring met nr. 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag Oosterweelverbinding Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever met als ref. OWL2-01742-LAN-RAP-W30-000002 wordt ingetrokken. […]”. 3.14. Diezelfde 18 september 2023 trekt de vzw Grondbank ook de derde en de vierde in de zaak sub I bestreden beslissingen in waarvan sprake in de brief van Stadsbader van 12 september 2023. Ze neemt daarvoor twee besluiten, die identiek zijn, behalve wat het nummer van de respectieve grondverzettoelatingen betreft: “Gelet op het schorsingsarrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de Raad van State dd. 19 april 2022 met nr. 253.523 en waarvoor de annulatieprocedure aanhangig is (zaak G/A 235.867/VII 41.332); Gelet op de brief van de NV van publiek recht BAM (‘Lantis’) dd. 25 augustus 2023 (ref. JUY/MCA/PVC/6795), waarbij zij meldt onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand te doen van het voordeel van - onder meer - de conformverklaringen met: - nr. 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever (met als ref. OWL1-SBS-RTS- RAP-0001); - nr. 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag Oosterweelverbinding Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever (met als ref. OWL2-01742-LAN-RAP-W30-000002); Gelet op de brief van de NV Stadsbader dd. 12 september 2023 (zonder ref.), waarbij zij in eigen naam en voor eigen rekening en (voor zoveel als nodig) in naam van (de vennoten van) de tijdelijke maatschap Rinkoniën afstand doet, onvoorwaardelijk en onherroepelijk, van het voordeel van de grondverzettoelating nr. [5015-22-301125.01 resp. 5015- 22-301125.02] van 7 maart 2022 in het dossier Linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf; Overwegende dat aldus vaststaat dat de grondverzettoelating nr. [5015- 22-301125.01 resp. 5015-22-301125.02] van 7 maart 2022 niet langer nog enig recht (kan) verlenen aan de desbetreffende begunstigden; [sic] Overwegende dat het dan ook passend voorkomt, inzonderheid met het oog op het verzekeren van de rechtszekerheid, de grondverzettoelating ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -37/195 nr. [5015-22-301125.01 resp. 5015-22-301125.02] van 7 maart 2022 formeel in te trekken; Beslist de VZW Grondbank: Art. 1 De grondverzettoelating nr. [5015-22-301125.01 resp. 5015-22- 301125.02] van 7 maart 2022 in het dossier Linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf wordt ingetrokken. […]”. 3.15. Diezelfde 18 september 2023 bezorgt de vzw Grondbank deze intrekkingsbeslissingen aan de Raad van State. 3.16. Op de terechtzitting van 21 september 2023 werpen de vzw Grondbank, RINK en de nv BAM op dat het beroep in de zaak sub I geen voorwerp meer heeft. De verzoekende partijen betwisten dat omdat de thans in de zaak sub II bestreden intrekkingsbeslissingen volgens hen onwettig zijn. Het auditoraat merkt onder meer op dat voorafgaand aan arrest nr. 253.523 de (in de zaak sub I) bestreden, thans ingetrokken beslissingen reeds in niet onbelangrijke mate ten uitvoer waren gelegd, en dat de intrekkingsbeslissingen de reeds gerealiseerde werken onwettig maken. De Raad van State stelt de zaak in voortzetting en verleent aan de partijen een termijn om schriftelijk standpunt in te nemen. 3.17. Op 2 oktober 2023 stelt de Omgevingsinspectie een proces- verbaal op. Dit stuk werd door geen van de partijen voorgelegd, maar uit het door het Vlaamse Gewest bij de schriftelijke opmerkingen van 7 december 2023 in de zaak sub I voorgelegde stuk 1 (https://beslissingenvlaamseregering.vlaanderen.be /document-view/65326205B25B0219D5CD8FD4) kan worden begrepen dat de Omgevingsinspectie van oordeel is dat wat voorheen werd geacht gebruik van bodemmaterialen in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 te zijn, na de intrekking van de bestreden beslissingen moet worden beschouwd als met het Materialendecreet strijdig beheer van afvalstoffen. Uit dat stuk blijkt dat ook de Vlaamse regering van oordeel is dat de “intrekking van de conformverklaring van de technische verslagen […] de juridische status van de genoemde gronden [wijzigt] van bodemmateriaal naar afvalstof”. Ze meent dat het niet aan haar is “om zich uit te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -38/195 spreken over de handhavingsrechtelijke aspecten”, maar dat het wel evident is dat “een regularisatie van de definitief toegepaste gronden” moet gebeuren “binnen het bestaand wettelijk kader”. 3.18. Op 10 oktober 2023 plaatst de nv BAM volgend nieuwsbericht op haar website: “De komende maanden zal Lantis naar schatting 110.000 m³ extra PFAS- houdende gronden afvoeren naar een verwerkingscentrum. De gronden die worden afgevoerd, waren reeds definitief verwerkt binnen het Oosterweelproject. Lantis neemt deze beslissing omdat de gronden in kwestie niet langer juridisch gedekt worden door een Technisch Verslag waardoor ze het juridisch label ‘afval’ hebben gekregen. Aangezien de af te voeren gronden zich niet bevinden in definitief uitgevoerde weginfrastructuur, zal de weggebruiker geen hinder ondervinden van deze operatie. De Technische Verslagen die voor een rechtsgeldig kader van het grondverzet binnen het Oosterweelproject moesten zorgen zijn ruim anderhalf jaar geleden al geschorst door de Raad van State. De behandeling van het dossier voor dit hoogste administratieve rechtscollege is nog steeds lopende. Intussen pasten Lantis en de aannemers de praktijk van het grondverzet aan de meest recente inzichten aan. ‘Die aangepaste werfpraktijk, in combinatie met een aangepast beleidskader in Vlaanderen hebben ons doen besluiten om afstand te doen van de Technische Verslagen aangezien we ze niet meer gebruikten sinds de schorsing en ze voor ons geen nut meer hadden’, licht [L.H.], gedelegeerd bestuurder van Lantis toe. Lantis hield de bevoegde administraties de voorbije jaren nauwgezet op de hoogte van alle stappen die werden gezet. Zo ook de Afdeling Handhaving die regelmatig controles uitvoert op de werf. Midden september vond er een overleg plaats waarop Lantis de Afdeling Handhaving formeel op de hoogte bracht dat er afstand was gedaan van de Technische Verslagen in het kader van de Bodemreglementering. Het juridische gevolg is dat de PFAS-houdende gronden die tot april 2022 correct toegepast mochten worden binnen de grondverzetsreglementering, vandaag het statuut afval krijgen. ‘Het is puur een kwestie van welke milieuwetgeving van toepassing is: de Vlaamse bodemreglementering of de Vlaamse afvalreglementering. Het gaat om twee verschillende regimes op een ongewijzigde feitelijke werfsituatie. Door de intrekking van de Technische Verslagen kan de Afdeling Handhaving niet anders dan ons een proces-verbaal overmaken wegens mogelijke inbreuken op de afvalreglementering. Zonder vergunning mag je immers geen afvalstoffen achterlaten. Dat proces- verbaal hebben we begin deze week gekregen’, legt [L.H.] verder uit. ‘Het mag duidelijk zijn dat noch Lantis, noch de aannemers bij de uitvoering van het project ooit de bedoeling hebben gehad om op een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -39/195 onwettige wijze ‘afval’ onbeheerd achter te laten. Nu niet en in de toekomst niet.’ Er is bovendien geen risico voor de omgeving aangezien de PFAS-gronden definitief verwerkt zijn en daardoor niet kunnen verspreiden. Nog voor het proces-verbaal was binnengekomen had Lantis al beslist om de komende periode een extra volume van 110.000 m³ grond die reeds definitief was verwerkt in de projectgebieden Scheldetunnel (Westberm en Scheldedijk), Linkeroever en Zwijndrecht (knooppunten Antwerpen-West en Sint-Anna), af te voeren. Daarmee zijn niet alle gronden afgevoerd die niet meer gedekt zijn door een Technisch Verslag. Naar schatting 36.500 m³ werd reeds definitief toegepast in weginfrastructuur. ‘Het milieuvoordeel van het verwijderen en afvoeren weegt niet op tegen de bijkomende milieu- en omgevingshinder en de kosten voor het opbreken van de definitief uitgevoerde weginfrastructuur waarin ze zijn toegepast. Door de manier waarop ze zijn toegepast, gaat er bovendien geen risico uit voor mensen, dieren en planten. De gronden zijn immers volledig ingepakt en kunnen zich niet verspreiden via de lucht, noch kan er verspreiding naar het grondwater optreden’, verduidelijkt [L.H.]. Om definitief uitsluitsel te krijgen over het lot van deze kleine fractie toegepaste gronden zal Lantis de komende weken verder in overleg gaan met de bevoegde instanties”. 3.19. Het besluit van de Vlaamse regering van 31 maart 2023 ‘tot vaststelling van de site ‘PFAS 3M - Zwijndrecht’’ is het voorwerp van een annulatieberoep bij de Raad van State, er gekend onder A. 239.432/VII-42.094. 3.20. Het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 2023 ‘tot vaststelling van een tijdelijk handelingskader voor het gebruik van PFAS- houdende bodemmaterialen en voor de invulling van het saneringscriterium, vermeld in artikel 19, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor PFAS-houdende bodem’ is het voorwerp van annulatieberoepen bij de Raad van State, er gekend onder A. 240.331-VII-42.242 en A. 240.705/VII-42.299. B. Wettelijk kader 3.21. Artikel 136 van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: Bodemdecreet), opgenomen onder Titel III, “Bodemsanering”, Hoofdstuk XIII, “Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen”, Afdeling I, “Toepassingsgebied”, luidt: VIIbis-1 & VIIbis-2 -40/195 “De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, gereinigde bodemmaterialen en bodemmaterialen waarop een fysische scheiding wordt toegepast”. Artikel 138, dat op zich de volledige Afdeling II “Algemene bepalingen” van dat hoofdstuk vormt, bepaalt: “§1. Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen en het duurzame gebruik van bodemmaterialen te bevorderen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 hierbij vervult. §2. De Vlaamse Regering kan het gebruik van bodemmaterialen afhankelijk maken van het opstellen van een technisch verslag. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag. Een technisch verslag wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het technisch verslag opgesteld volgens een code van goede praktijk”. “Bodemverontreiniging” is “aanwezigheid van stoffen of organismen, veroorzaakt door menselijke activiteiten, op of in de bodem of opstallen, die de kwaliteit van de bodem op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden” (artikel 2, 4°, van het Bodemdecreet). Ze wordt “ernstige bodemverontreiniging” genoemd als ze “een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu”. Bij de evaluatie van de ernst van de bodemverontreiniging wordt in concreto rekening gehouden met onder meer “de mogelijkheid op verspreiding van de verontreinigingsfactoren” (artikel 2, 5°, van het Bodemdecreet). “Bodemmaterialen” zijn “uitgegraven bodem, baggerspecie, ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib” (artikel 2, 33°, van het Bodemdecreet). “Uitgegraven bodem” is “bodemmateriaal dat afkomstig is van de uitgraving van de bodem” (artikel 2, 34°, van het Bodemdecreet). Dat er in sommige verder in dit arrest geciteerde teksten enkel sprake is van “uitgegraven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -41/195 bodem” en niet van het ruimere “bodemmaterialen”, ligt aan de latere “inkanteling” (Parl.St. Vl.Parl, 2016-2017, nr. 1266/1, 9) van het gebruik van die andere bodemmaterialen in de regeling over het gebruik van uitgegraven bodem van het Bodemdecreet en het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: VLAREBO-besluit van 14 december 2007), bij het decreet van 8 december 2017 ‘tot wijziging van diverse bepalingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en artikel 38 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en tot opheffing van diverse bepalingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007’, in werking getreden op 1 april 2019. 3.22. De Vlaamse regering heeft de haar in artikel 138 van het Bodemdecreet opgedragen uitvoering opgenomen in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 als Titel III, “Bodemsanering”, Hoofdstuk XIII, “Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen”. Artikel 159 omschrijft het toepassingsgebied van het hoofdstuk als volgt: “De bepalingen van dit hoofdstuk regelen de traceerbaarheid en het gebruik van bodemmaterialen in de volgende toepassingen: 1° als bodem; 2° voor bouwkundig bodemgebruik; 3° in een vormvast product”. “Bouwkundig bodemgebruik” is “het niet-vormvaste gebruik van bodemmaterialen in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van bodemmaterialen waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem” (artikel 158, 1°, van het VLAREBO- besluit van 14 december 2007). Een “vormvast product” is “elk product waarin bodemmaterialen worden gebruikt en dat vormvast is gemaakt door bindmiddelen of thermische processen” (artikel 158, 12°, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007). VIIbis-1 & VIIbis-2 -42/195 In het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 zijn enerzijds voorwaarden voor gebruik als bodem vastgesteld, en anderzijds voorwaarden voor bouwkundig bodemgebruik en gebruik in een vormvast product. In beide gevallen is er zowel een algemene regeling (“algemeen gebruik”) en een daarvan in een aantal opzichten afwijkende regeling voor “gebruik binnen een kadastrale werkzone”. Een “kadastrale werkzone” wordt in artikel 158, 5°, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 gedefinieerd als: “de zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken. Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden”. De tweede zin van deze definitie werd aan het ontworpen het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 toegevoegd na een aanbeveling van de afdeling Wetgeving van de Raad van State (Adv. 43.678/3 van 7 november 2007): “In artikel 158, 7°, wordt het begrip ‘kadastrale werkzone’ gedefinieerd als een zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project, die bestaat uit een geheel van gronden ‘met soortgelijke kenmerken’. Uit het verslag aan de Vlaamse Regering kan worden afgeleid dat niet eender welk ‘soortgelijk kenmerk’ wordt bedoeld, maar wel kenmerken die betrekking hebben op, bijvoorbeeld, de op de bodem uitgeoefende activiteit of de functie van de bodem. Het verdient dan ook aanbeveling het begrip ‘soortgelijke kenmerken’ nader af te bakenen, rekening houdende met hetgeen daaromtrent wordt gesteld in het verslag aan de Vlaamse Regering”. 3.23. Bij dat onderscheid tussen enerzijds gebruik als bodem en anderzijds bouwkundig bodemgebruik of gebruik in een vormvast product, en bij de van de algemene regeling afwijkende regeling voor gebruik binnen een kadastrale werkzone, komt nog dat de concrete voorwaarden van uiteenlopende aard zijn: - voor sommige voorwaarden gelden objectieve a priori door de Vlaamse regering bepaalde concentratiewaarden (bodemsaneringsnormen, uitlogingswaarden, …); - andere voorwaarden vragen om een concrete evaluatie van de risico’s van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -43/195 gebruik van de bodemmaterialen, op de plaats van gebruik; - weer een andere voorwaarde, enkel van toepassing bij algemeen gebruik, vraagt om een vergelijking van de gemiddelde concentraties in de te gebruiken bodemmaterialen en in de ontvangende grond. Deze voorwaarden gelden vaak cumulatief, waardoor de strengste ervan moet worden nageleefd. Bij dat alles moet er ook nog eens rekening mee worden gehouden dat de bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 1 van Bijlage IV bij het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, voor het vaste deel van de aarde verschillend zijn naargelang het bestemmingstype van de grond. Voor het grondwater zijn de bodemsaneringsnormen hetzelfde voor alle bestemmingstypes. Artikel 2 van dezelfde Bijlage IV preciseert hoe moet worden bepaald wat het bestemmingstype van een grond is. De gedetailleerde aanpak daarvan maakt duidelijk dat hier omzichtig mee moet worden omgegaan: VIIbis-1 & VIIbis-2 -44/195 “De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 1, zijn verschillend naargelang van de bestemming volgens de vigerende plannen van aanleg of de vigerende ruimtelijke uitvoeringsplannen, of naargelang van de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. Per grond wordt het overeenkomstige bestemmingstype opgezocht. De bodemsanerings- normen voor die grond worden in artikel 1 weergegeven, in de kolom onder het cijfer van het bestemmingstype in kwestie. De volgende bestemmingstypes worden onderscheiden: 1° Bestemmingstype I: - Bosgebied; - Groengebied; - Valleigebied; - Natuurgebied; - Natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat; - Bosgebied met ecologisch belang; - Bijzonder natuurgebied; - Gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat; - Zone voor natuurontwikkeling; - Ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling; - Beschermd duingebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen; - Bijzonder groengebied; - Gebied dat behoort tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN); - Agrarisch gebied met ecologisch belang of ecologische waarde; - Brongebied; - Agrarisch gebied met bijzondere waarde; - Voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen; - Ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening; 2° Bestemmingstype II: - Agrarisch gebied; - Landschappelijk waardevol agrarisch gebied; - Landelijk gebied met toeristische waarde; - Parkgebied met semi-agrarische functie; - Woongebied met landelijk karakter; - Woongebied met geringe dichtheid; - Landelijk woongebied met culturele, historische of esthetische waarde; - Kleintuingebied; - Abdijgebied; - Ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening; 3° Bestemmingstype III: VIIbis-1 & VIIbis-2 -45/195 - Woongebied; - Woonuitbreidingsgebied; - Woongebied met grote dichtheid; - Woongebied met middelgrote dichtheid; - Woonpark; - Woongebied met culturele, historische of esthetische waarde; - Woongebied waar bijzondere voorschriften voor de hoogte van de gebouwen gelden; - Pleisterplaats voor nomaden, zigeuners of woonwagenbewoners; - Scholen en kinderspeelterreinen; - Gebied voor serviceresidentie; - Gemengd woon- en industriegebied; - Gemengd woon- en parkgebied; - Bedrijfsgebied met stedelijk karakter; - Zone van handelsvestigingen; - Reservegebied voor woonwijken; - Speelbos of speelweide; - Gebied voor jeugdcamping; - Ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening; 4° Bestemmingstype IV: - Parkgebied; - Recreatiegebied; - Gebied voor dagrecreatie; - Gebied voor verblijfsrecreatie; - Sportterrein; - Golfterrein; - Gebied voor vissport; - Gebied voor groenvoorziening met recreatieve accommodatie; - Toeristisch recreatiepark; - Gebied voor recreatiepark; - Reservegebied voor recreatie; - Of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening; 5° Bestemmingstype V: - Industriegebied; - Industriegebied voor vervuilende industrieën; - Industriegebied voor milieubelastende industrieën; - Gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen; - Dienstverleningsgebied; - Industriegebied met bijzondere bestemming; - Gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor de vestiging van grootwinkelbedrijven; - Gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, andere dan scholen en kindertuinen; - Oeverstrook met bijzondere bestemming […]; - Luchtvaartterrein; VIIbis-1 & VIIbis-2 -46/195 - Industriestortgebied; - Bezinkingsgebied; - Transportzone; - Gemengd gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied, andere dan scholen en kinderspeelterreinen; - Gebied voor kerninstallatie; - Stortgebied; - Wetenschapspark; - Reservegebied voor ambachtelijke uitbreiding; - Reservegebied voor beperkte industriële uitbreiding; - Reservegebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; - Reservegebied voor beperkte industriële uitbreiding; - Ermee vergelijkbare, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening”. De artikelen 3 tot 7 van dezelfde Bijlage IV bevatten verdere verduidelijkingen, enkele afwijkingen, alsook correcties die noodzakelijk kunnen zijn omwille van feitelijke situaties. Daaruit blijkt opnieuw hoe ernstig en zorgvuldig met de bestemmingstypes moet worden omgegaan: “Voor een grond die in een bufferzone gelegen is, wordt de bodemsaneringsnorm bepaald op basis van de bodemsaneringsnormen van de gronden die aan de bufferzone grenzen. Bij de berekening van de bodemsaneringsnormen wordt rekening gehouden met de gehaltes aan klei en organisch materiaal en de pH-KCl van de grond in de bufferzone. Na de berekening geldt de strengste bodemsaneringsnorm van de gronden die aan de bufferzone grenzen als bodemsaneringsnorm voor de grond in de bufferzone” (artikel 3). “De onderstaande bestemmingen die in overdruk op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen worden weergegeven, worden beoordeeld krachtens deze bijlage op basis van de bestemming, bepaald door de grondkleur: - Landschappelijk waardevol gebied; - Ontginningsgebied; - Uitbreiding van ontginningsgebied; - Opspuitings- en ontginningsgebied; - Reservegebied voor ontginning; - Tijdelijk ontginningsgebied; - Kleiontginningsgebied; - Kleinontginningsreservegebied; - Renovatiegebied; - Overstromingsgebied; - Opspuitingsgebied; VIIbis-1 & VIIbis-2 -47/195 - Reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden” (artikel 4). “In afwijking van artikel 2 en 4 worden de groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, vergund volgens rubriek 60 van bijlage 1 van Vlarem II, die liggen in bestemmingstype I of II volledig in bestemmingstype III ingedeeld, tenzij ze liggen in waterwingebieden en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones” (artikel 4/1). “Alle gronden die niet onder de eerder genoemde bestemmingen ressorteren, worden beoordeeld op basis van de functies die de bodem er vervult. Op basis van de beoordeling van die functie wordt de grond in kwestie ingedeeld onder een van de bestemmingstype, vermeld in artikel 2” (artikel 5). “De waterwingebieden, en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, worden volledig in bestemmingstype I ingedeeld” (artikel 6). §1. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype III, IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk als landbouwgrond worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype II ingedeeld zouden zijn. §2. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor bewoning worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype III ingedeeld zouden zijn. §3. gronden die op basis van de artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor recreatie worden gebruikt, moeten worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype IV ingedeeld zouden zijn” (artikel 7). 3.24. De voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem zijn terug te vinden in de artikelen 161 tot 165 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007. De artikelen 161 en 162 betreffen algemeen gebruik, de artikelen 163 tot 165 betreffen gebruik in een kadastrale werkzone. De artikelen 162 en 165 hebben betrekking op de aanwezigheid van stenen en andere bodemvreemde materialen, en kunnen hier buiten beschouwing blijven. “§1. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -48/195 is gevoegd, kunnen vrij als bodem worden gebruikt. §2. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage V, kunnen als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden: 1° het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater; 2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op; 3° de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen [zijn] lager dan of gelijk aan 80% van overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de concentraties aan zware metalen of metalloïden die van nature aanwezig zijn, kan daarvan afgeweken worden tot de waarde van de natuurlijke concentraties in de bodem; 4° de gemiddelde concentraties van stoffen in de bodemmaterialen zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype I, II of III, kan daarvan afgeweken worden tot 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de groeve, graverij, uitgraving of andere put wordt ingedeeld. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype IV of V, kan daarvan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III; 5° de bodemmaterialen worden vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als ze concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, voorbestemmingstype III of als ze concentraties van verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, waardoor ze niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoen. Als de bodemmaterialen niet reinigbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. §3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. §4. Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -49/195 voldaan aan de hand van een technisch verslag. Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan aan de hand van een technisch verslag en een studie van de ontvangende grond. De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 2, 5°, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 3, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister” (artikel 161). “Een kadastrale werkzone wordt afgebakend conform een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden. De code van goede praktijk voor de afbakening van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister” (artikel 163). “In afwijking van artikel 161, §2, en artikel 162 is het gebruik van bodemmaterialen als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1° bodemmaterialen met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt; 2° bodemmaterialen met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage IV, kunnen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden:
  18. a)het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  19. b)de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
  20. c)de bodemmaterialen worden gebruikt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister” (artikel 164). 3.25. Het geciteerde artikel 161, § 2, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 stelt dat de twee daar genoemde categorieën bodemmaterialen als bodem kunnen worden gebruikt onder vijf voorwaarden. Er moet echter worden opgemerkt dat er een onderscheid wordt gemaakt naargelang er voor de verontreinigende stoffen al dan niet bodemsaneringsnormen zijn vastgesteld door de Vlaamse regering, zodat niet steeds alle vijf voorwaarden gelden. Voor beide ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -50/195 categorieën geldt: - het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater (artikel 161, § 2, 1°); - de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op (artikel 161, § 2, 2°); - de gemiddelde concentraties van stoffen in de bodemmaterialen zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond (artikel 161, § 2, 4°, er geldt een beperkte mogelijkheid tot afwijking voor bodemmaterialen die verontreinigd zijn met stoffen waarvoor bodemsaneringsnormen zijn bepaald). Voor bodemmaterialen die verontreinigd zijn met stoffen waarvoor bodemsaneringsnormen zijn bepaald geldt bovendien: - dat de concentraties niet hoger mogen zijn dan 80% van de bodemsaneringsnormen voor het bestemmingstype van de ontvangende grond (artikel 161, § 2, 3°; er geldt een beperkte mogelijkheid tot afwijking voor zware metalen of metalloïden die van nature aanwezig zijn); - dat de concentraties ook niet hoger mogen zijn dan de bodemsaneringsnormen voor bestemmingstype III (artikel 161, § 2, 5°). 3.26. De afwijkende regeling in het geciteerde artikel 164 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, voor gebruik binnen een kadastrale werkzone, komt hier op neer: - voor bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarde gesteld in artikel 161, § 2, 3° vervallen alle andere in die paragraaf gestelde voorwaarden (artikel 164, 1°); - voor alle andere bodemmaterialen vervallen de voorwaarden van artikel 161, § 2, 4° en 5° maar blijven de voorwaarden van artikel 161, § 2, 1° en 2° behouden (zoals overgenomen uit artikel 164, 2°,
  21. a)en b)); en de bodemmaterialen moeten worden gebruikt conform een op voorstel van de OVAM door de minister vast te stellen code van goede praktijk (artikel 164, 2°, c)). 3.27. De voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -51/195 bouwkundig bodemgebruik of gebruik in een vormvast product zijn terug te vinden in de artikelen 168 tot 172 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007. Met weglating van de bepalingen die betrekking hebben op de aanwezigheid van stenen, steenachtige materialen en andere bodemvreemde materialen, of die enkel betrekking hebben op zware metalen en metalloïden en op niet-valoriseerbare bagger- of ruimingsspecie, gaat het om de volgende voorwaarden: “§1. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product. §2. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, op voorwaarde dat de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd. Als de bodemmaterialen concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden ze beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. […] §3. Bodemmaterialen waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden: 1° het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater; 2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op. Als de bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -52/195 afvalstoffen. §4. […] §5. Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, is voldaan aan de hand van een technisch verslag. De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 4, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister” (artikel 168). “De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem. De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen in een vormvast product. Het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product die niet in de lijsten, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn vermeld, kan toch in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de ontvanger aan de hand van een onderzoeksverslag aantoont dat de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister” (artikel 171). “In afwijking van artikel 168 kunnen bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone” (artikel 172). 3.28. In uitvoering van artikel 138, § 2, van het Bodemdecreet worden de verplichtingen inzake het opstellen van een technisch verslag geregeld in de artikelen 173, 174, 175 en 176 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, en de nadere regelen met betrekking tot de inhoud ervan in artikel 180. Verder bepaalt het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 procedureregels, waaronder de conformverklaring. Voor de hier toegepaste procedure, de conformverklaring via een erkende bodembeheerorganisatie, gaat het om de artikelen 185 tot 189. De in artikel 180 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 bepaalde regelen met betrekking tot de inhoud van het technisch verslag luiden: VIIbis-1 & VIIbis-2 -53/195 “Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister. Het technisch verslag bevat al de volgende gegevens : 1° de identificatie van de grond waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden; 2° de identiteit van de eigenaar van de grond of de beheerder van de waterloop waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden; 3° het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkwam; 4° het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan opgeslagen zijn; 5° het historische onderzoek van de grond; 6° een motivering van de verdachte parameters in de bodemmaterialen; 7° de identiteit van de initiatiefnemer van de werken; 8° een duidelijke omschrijving van de werken; 9° de karakterisering van de andere materialen dan de bodemmaterialen die tijdens de uitvoering van de werken vrijkomen; 10° het zoneringsplan en de opmetingstabel, als dat van toepassing is; 11° het verslag van de bemonstering en het verslag van de analyse van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium; 12° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de bodemmaterialen bemonsterd en geanalyseerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit; 13° de volgende gegevens, als de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden :
  22. a)de afbakening van de kadastrale werkzone;
  23. b)de voorwaarden waaronder de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt mogen worden, als dat van toepassing is;
  24. c)de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de bodemmaterialen, als dat van toepassing is; 14° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de bodemmaterialen; 15° de interpretatie en de besluiten op basis van de bemonstering en de analyseresultaten. Om bij de uitvoering van de werken een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodemmaterialen en andere materialen te kunnen opmaken, wordt het volume van de deelpartijen die niet in aanmerking komen voorgebruik conform de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, mee opgenomen in de besluitvorming van het technisch verslag; 16° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd; 17° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.429 VIIbis-1 & VIIbis-2 -54/195 bodemmaterialen kunnen worden gebruikt; 18° de inschatting van het potentieel van de uit te graven bodem om als alternatief voor een primaire oppervlaktedelfstof in aanmerking te komen, als het gaat om grondwerken waarbij meer dan 2500 m³ dieper dan 2 m-mv uitgegraven wordt”. 3.29. Het Bodemdecreet definieert niet uitdrukkelijk wat een “standaardprocedure” is. Waar er in het Bodemdecreet naar een standaardprocedure wordt verwezen wordt steeds vermeld dat deze wordt vastgesteld

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.