← België

Arrest 260430 - Polders en Wateringen - 12/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.430 Rolnummer: A. 242405/X-18734 Zaak: Arrest 260430 - Polders en Wateringen - 12/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-15 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-05 13:02 Fiche Arrest nr 260.430 van 12 juli 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Polders en Wateringen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.430 van 12 juli 2024 in de zaak A. 242.405/X-18.734 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Messiaen kantoor houdend te 9051 Gent Kortrijksesteenweg 1084/401 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Kirsch kantoor houdend te 1040 Brussel Sint-Michielslaan 55/10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de ISABELLAPOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 juli 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 juni 2024 ‘tot de afzetting van [D. V.] uit zijn functie als ontvanger-griffier van de Isabellapolder’. X-18.734-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 10 juli 2024 heeft de Isabellapolder gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juli 2024, om 10 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daphne Segers, die loco advocaat Tom Messiaen verschijnt voor verzoeker, advocaat Matthias Kirsch, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Ibe Delbeke, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 28 november 2023 beslist de algemene vergadering van de Isabellapolder om verzoeker, ontvanger-griffier, in het kader van “een tuchtzaak” met onmiddellijke ingang de “sanctie” van de schorsing van één maand op te leggen, om reden van verschillende “feiten die ten laste worden gelegd”. X-18.734-2/9 Tevens beslist de algemene vergadering om aan de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie) een voorstel tot afzetting van verzoeker te doen. 3.
  5. De deputatie adviseert op 25 april 2024 aan de gouverneur om op grond van dezelfde “ten laste gelegde feiten” tot de afzetting van verzoeker over te gaan. 3.
  6. Zo geschiedt. Op 20 juni 2024 sluit de gouverneur zich aan bij het advies van de deputatie en beslist zij verzoeker af te zetten uit zijn functie als ontvanger-griffier, overwegende dat “de weerhouden tuchtfeiten, zowel gezamenlijk als elk afzonderlijk beschouwd, een ernstige tuchtsanctie verantwoorden”. IV. Tussenkomst
  7. Zoals het feitenrelaas hiervóór uitwijst, zijn de belangen van de Isabellapolder bij de voorliggende zaak betrokken. Er is reden het verzoek tot tussenkomst in te willen. V. Schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. X-18.734-3/9 VI. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
  9. Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 58 van de wet van 3 juni 1957 ‘betreffende de polders’ (hierna: de polderwet) en het non bis in idem-beginsel: “Doordat de bestreden beslissing werd genomen nadat de Isabellapolder op 28 november 2023 reeds een sanctie heeft genomen voor dezelfde feiten, zijnde de schorsing van één maand. Terwijl krachtens artikel 58 van de wet van 3 juni 1957 de Algemene Vergadering slechts ofwel een disciplinaire schorsing van een maand [kan] opleggen ofwel de afzetting door de provinciegouverneur voorstellen.”
  10. Volgens de verwerende partij achtte de algemene vergadering van de Isabellapolder “in ieder geval een strengere sanctie noodzakelijk dan de schorsing van één maand” en kan de schorsing van één maand door de algemene vergadering van de Isabellapolder niet anders begrepen worden dan als een ordemaatregel in afwachting van het voorstel van de deputatie. Het opleggen van een ordemaatregel belet niet dat later een tuchtstraf wordt uitgesproken. Bovendien maakt de beslissing van de algemene vergadering van de Isabellapolder van 28 november 2023 het voorwerp uit van een vernietigings- beroep door verzoeker. Nu de sanctie van de schorsing van één maand nog niet onherroepelijk in werking is, is er geen beletsel voor de gouverneur om gebruik te maken van haar eigen bevoegdheid om zich, met toepassing van artikel 58 van de polderwet, uit te spreken over het voorstel van de bestendige deputatie.
  11. De tussenkomende partij van haar kant meent dat nergens uit de tekst van artikel 58 van de polderwet blijkt dat er in die bepaling “sprake is van of-of en niet en-en”. Er volgt uit dat de algemene vergadering tot een schorsing van één maand kan beslissen en dat, als zij een strengere sanctie noodzakelijk acht, zij “eveneens kan overgaan tot een voorstel tot afzetting aan de Deputatie”. X-18.734-4/9 Nog volgens de tussenkomende partij is het, gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel, vanzelfsprekend dat er twee afzonderlijke tucht- procedures zijn gevoerd. Maar het is niet omdat er twee afzonderlijke tuchtprocedures zijn gevoerd dat er ook sprake is van twee afzonderlijke tuchtsancties. De uiteindelijke afzetting volgt op de schorsing van één maand, “enkel en alleen omdat tussenkomende partij geen bevoegdheid tot afzetting had en aldus een voorstel aan de Deputatie moest doen waarop verwerende partij dan de uiteindelijke beslissing tot afzetting nam”. Beoordeling
  12. Artikel 58 van de polderwet luidt: “Meent het bestuur dat een sanctie moet worden getroffen ten laste van de ontvanger-griffier, dan brengt het de zaak voor de algemene vergadering. Deze hoort de belanghebbende. Zij kan hem voor één maand schorsen. Acht zij een strengere sanctie noodzakelijk, dan kan zij aan de bestendige deputatie de schorsing voor meer dan een maand of de afzetting voorstellen. De gouverneur doet uitspraak over het voorstel van de bestendige deputatie.” Het non bis in idem-beginsel verbiedt dat iemand opnieuw vervolgd of berecht wordt voor een tuchtfeit dat al aanleiding gaf tot een veroordeling.
  13. Zoals de Raad van State artikel 58 van de polderwet alsnog begrijpt, plaatst het de algemene vergadering die meent dat een sanctie jegens de ontvanger-griffier noodzakelijk is voor de keuze: ofwel schorst zij hem voor één maand, ofwel, als zij meent dat een strengere sanctie moet worden opgelegd, richt zij zich daartoe tot de deputatie.
  14. Te dezen heeft eerst de algemene vergadering van de Isabellapolder verzoeker een tuchtstraf opgelegd en daarna, voor dezelfde tuchtfeiten, de gouverneur. Minstens in de huidige stand van de procedure lijkt de formulering van de beslissing van de Isabellapolder van 28 november 2023 immers X-18.734-5/9 geen enkele twijfel toe te laten: de beslissing legt als uitkomst van een tuchtprocedure de sanctie van één maand schorsing op. De beslissing is op het eerste gezicht een tuchtstraf en geen tijdelijke ordemaatregel. Voorts is verzoekers annulatieberoep tegen die tuchtstraf (gekend onder nr. A. 240.672/X-18.527) als zodanig zonder invloed op het bestaan ervan, haar uitvoerbaarheid of inwerkingtreding. Ten slotte is er, prima facie, ook geen reden om de beslissing van de algemene vergadering van de Isabellapolder en die van de gouverneur tezamen te beschouwen als een “enige” tuchtsanctie. Het gaat om twee onderscheiden tuchtstraffen, waarbij de eerste inging op 28 november 2023 en al uitgewerkt was op het moment dat de beslissing tot het opleggen van de tweede, ettelijke maanden later, werd genomen.
  15. Zowel artikel 58 van de polderwet als het non bis in idem-beginsel lijken geschonden. Het middel is ernstig. VII. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
  16. Verzoeker zet uiteen een onmiddellijk en persoonlijk nadeel te lijden. Hij licht toe dat de bestreden afzetting ernstige gevolgen heeft “inzake het verlies van loon en pensioenrechten, de verdere carrièremogelijkheden en dergelijk meer”. Betoogd wordt dat ze ook ernstige psychische gevolgen heeft teweeggebracht. Met de dag slinken zijn kansen op re-integratie, en een andere tewerkstelling vinden zal niet gemakkelijk zijn. Hoe langer het brandmerk “als een persoon die klaarblijkelijk ernstige professionele en strafrechtelijke tekort- komingen heeft begaan die de allerzwaarste tuchtsanctie verantwoorden” aan hem kleeft, des te moelijker hij ervan af zal geraken. X-18.734-6/9 Beoordeling
  17. Of, in het geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de aangevoerde uiterste urgentie kan worden bijgevallen, hangt mede af van de diligentie die de verzoekende partij bij het instellen van haar vordering heeft betoond. In de regel wordt die voorwaarde van de vereiste diligentie geacht onvoldoende vervuld te zijn wanneer, kort gezegd, de vordering wordt ingesteld buiten de termijn van vijftien dagen nadat de beweerde urgentie is ontstaan of zich gemanifesteerd heeft, zonder dat daarvoor een toereikende uitleg wordt verschaft.
  18. Verzoeker heeft de voorliggende vordering tot schorsing ingediend de negentiende dag na de mededeling van de bestreden beslissing op 20 juni
  19. Dit ontkracht in principe de geclaimde dringende noodzakelijkheid tenzij mocht blijken dat voor het tijdsverloop een afdoende rechtvaardiging wordt verschaft. Dat is evenwel niet het geval.
  20. Met de vordering blijkt verzoeker alsnog te willen ‘scoren in de rebound’, meer bepaald nadat hij een eerste vordering tot schorsing zag spaak lopen, of beter: deed spaak lopen, door niet het verschuldigde rolrecht en de bijdrage te betalen, noch zelfs maar ter terechtzitting aanwezig of vertegen- woordigd te zijn. De argumentatie die verzoeker ter verantwoording hiervoor in zijn verzoekschrift aanvoert, namelijk dat “de aanvankelijke zitting niet gekend was”, is reeds in het arrest nr. 260.423 van 11 juli 2024 over die eerste vordering tot schorsing beoordeeld, en verworpen als zijnde “in strijd met de waarheid”.
  21. In de gegeven omstandigheden kan de Raad van State er niet toe komen een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden te achten. X-18.734-7/9 Aangezien aldus één van de twee cumulatieve voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet vervuld blijkt, wordt de vordering verworpen. BESLISSING
  22. Het verzoek van de Isabellapolder tot tussenkomst in de procedure wordt toegelaten.
  23. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  24. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. X-18.734-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Johan Lust X-18.734-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.430 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.