id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 Rolnummer: A. 242332/XIV-39474 Zaak: Arrest 260452 - Overheidsopdrachten - 22/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-22 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 03:25 Fiche Arrest nr 260.452 van 22 juli 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 no lien 278227 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.452 van 22 juli 2024 in de zaak A. 242.332/XIV-39.474 In zake: de BV ARCADE ENGINEERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Benoit Forêt en Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTEN EDEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(100). Hoewel de inschrijvers op die manier niet een in een geldsom uitgedrukte prijs meedelen, brengen zij in hun offertes wel de verhouding van hun ereloon ten opzichte van het totale uitvoeringsbedrag tot uitdrukking. Die verhouding verschilt, zo lijkt, niet wezenlijk van een in geld uitgedrukte prijs. Indien die verhouding – versta: dat ereloonpercentage – wordt toegepast op het totale uitvoeringsbedrag, komt dit immers neer op – zoals de verzoekende partij het omschrijft – de “daadwerkelijke” of “effectieve” prijs. Door zo een percentage voor te stellen, is mogelijk het “effectieve” bedrag als dusdanig niet vastgesteld, maar lijken de inschrijvers wel degelijk vooraf en definitief de verhouding tot het gehele bedrag te hebben vastgelegd. Aldus is prima facie voldaan aan het beginsel dat de overheidsopdrachten op forfaitaire basis worden geplaatst. Bovendien blijft de door de inschrijvers voorgestelde verhouding (percentage) steeds dezelfde, ongeacht het totale uitvoeringsbedrag, zodat op het eerste gezicht een dergelijke manier van prijsvoorstelling de vergelijking van de verschillende offertes zonder meer toelaat. 7.
- In die mate is het eerste middelonderdeel niet ernstig. XIV-39.474-12/16 8.
- Artikel 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 bepaalt: “De aanbesteders behandelen de ondernemers op gelijke en niet- discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.” Artikel 81, § 3, derde lid, van dezelfde wet luidt als volgt: “Deze criteria [lees: de gunningscriteria] moeten in de aankondiging van een opdracht of in een ander opdrachtdocument worden vermeld.” 8.
- In de mate dat de verzoekende partij betoogt dat “alle elementen die rechtstreeks de voorbereiding van de offerte kunnen beïnvloeden” in het bestek moeten worden vermeld en dat in dit geval de verwerende partij heeft nagelaten om aan de inschrijvers duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de “grootteorde van het totaal uitvoeringsbedrag” waarop de ereloonpercentages per perceel moesten worden toegepast, merkt de Raad van State op dat zij zichzelf lijkt tegen te spreken. Immers, verderop in hetzelfde middelonderdeel geeft de verzoekende partij zelf aan dat “uit het Bestek wél kan afgeleid worden van welke geraamde waarde verwerende partij uitgegaan is voor wat betreft de totale uitgave voor elk perceel van de Opdracht” en dat “de borgtocht voor percelen 1 t.e.m. 3 [blijkt] vastgesteld te zijn op 3% van het geraamde bedrag van ieder perceel, afgerond naar het hogere tiental”. Vervolgens rekent zij na dat de “verwerende partij de waarde van deze percelen [lees: de percelen 2 en 3, waarvoor de verzoekende partij heeft ingeschreven] raamde op respectievelijk 125.000,00 EUR en 57.333,33 EUR”, waarna de verzoekende partij zelf besluit dat “[d]it wordt bevestigd in de Bestreden Beslissing”. Gewis kon de verwerende partij de geraamde bedragen meer uitdrukkelijk in het bestek of de aankondiging hebben opgenomen. Evenwel laat de verzoekende partij, in de concrete omstandigheden van de zaak zoals hiervóór ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 XIV-39.474-13/16 geschetst, niet verstaan waarom het feit dat dit niet is gebeurd, haar zou hebben benadeeld. Aangenomen mag worden, zo lijkt, dat de verzoekende partij als professionele speler binnen deze markt met de gegevens vermeld in het bestek, zoals zij zelf erkent, over voldoende informatie beschikte om met een eenvoudige rekenoefening aan de hand van de borgtochten, het totale geraamde uitvoeringsbedrag te berekenen. 8.
- Op het eerste gezicht kan overigens nog worden opgemerkt dat de verzoekende partij niet beweert dat zij bij het opstellen van haar offerte en het bepalen van het gevraagde ereloonpercentage, van andere bedragen zou zijn uitgegaan dan die welke zij thans voorrekent en die ook in de bestreden beslissing zijn opgenomen. 8.
- Aldus maakt de verzoekende partij een schending van de genoemde bepalingen en beginselen prima facie niet aannemelijk. Ook in die mate is het eerste middelonderdeel niet ernstig. 9.
- Artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “De prijs van de opdracht wordt bepaald volgens één van de prijsvaststellingen vermeld in artikel 2, 3° tot 6°.” Naar luid van het bestek betreft de voorliggende opdracht een ‘opdracht tegen prijslijst’. In artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 wordt het begrip ‘de opdracht tegen prijslijst’ als volgt gedefinieerd: “de opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de XIV-39.474-14/16 posten worden bepaald, worden vermoed of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden”. 9.
- Wat dit tweede middelonderdeel betreft, lijkt de verzoekende partij niet ervan te overtuigen dat de verwerende partij niet naar redelijkheid vermocht te besluiten dat de betrokken opdracht als een ‘opdracht tegen prijslijst’ in de voormelde zin kon worden beschouwd. Zoals hiervóór gezien bij de bespreking van het eerste middelonderdeel, verschilt een in een percentage uitgedrukte prijs op het eerste gezicht niet wezenlijk van een in geld uitgedrukte prijs. Het enkele feit dat aan de inschrijvers “geen eenheidsprijzen […] (maar slechts percentages)” werden gevraagd, lijkt bijgevolg niet van aard om te besluiten dat de betrokken opdracht geen ‘opdracht tegen prijslijst’ uitmaakt. Eveneens bij de bespreking van dat eerste middelonderdeel is vooralsnog geoordeeld dat de verzoekende partij op grond van het bestek over de nodige informatie leek te kunnen beschikken om “de vermoede hoeveelheden (in de vorm van een (geraamd) uitvoeringsbedrag)” te bepalen. 9.
- Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. VII. Besluit
- Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XIV-39.474-15/16 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jurgen Neuts XIV-39.474-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div