← België

Arrest 260452 - Overheidsopdrachten - 22/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 Rolnummer: A. 242332/XIV-39474 Zaak: Arrest 260452 - Overheidsopdrachten - 22/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-22 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 03:25 Fiche Arrest nr 260.452 van 22 juli 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 no lien 278227 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.452 van 22 juli 2024 in de zaak A. 242.332/XIV-39.474 In zake: de BV ARCADE ENGINEERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Benoit Forêt en Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTEN EDEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 juli 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem van 17 juni 2024, in de mate dat daarbij de percelen 2 (‘gebouwtechnieken’) en 3 (‘stabiliteit’) van de opdracht ‘Raamovereenkomst studieopdrachten voor bouwkunde, gebouwtechnieken en stabiliteit’ worden gegund aan de bv D, respectievelijk de bv DE. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-39.474-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024, om 14.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Victoire Willemot, die loco advocaten Benoit Forêt en Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Geert Van Engelgem, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp ‘Raamovereenkomst studieopdrachten voor bouwkunde, gebouwtechnieken en stabiliteit’. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.2.
  5. De opdracht is onderworpen aan het bestek nr. 2024-
  6. Het voorwerp wordt daarin als volgt omschreven: “Toelichting: Voorwerp van deze diensten: Raamovereenkomst voor allerhande studieopdrachten in het kader van bouwkunde en architectuur, gebouwtechnieken, stabiliteit. De dienst Patrimonium & Facility heeft occasioneel ondersteuning nodig voor het ontwerp en de opvolging van diverse projecten. Dit kan gaan over (niet-limitatief en louter informatief): XIV-39.474-2/16 - een ontwerpvraag van een specifieke detaillering (bv. aansluiting buitenschrijnwerk, berekening metalen ligger, haalbaarheidsstudie technieken, etc.); - het ontwerp, de omgevingsvergunningsaanvraag en de opvolging van bouwwerken in zijn geheel (bv. verbouwing van enkele klaslokalen, etc.). De opdracht heeft een looptijd van 48 kalendermaanden. Deze overheidsopdracht beoogt het sluiten van een raamovereenkomst met één deelnemer per perceel. De sluiting van deze overeenkomst doet ten aanzien van de opdrachtnemer geen exclusiviteitsrecht ontstaan voor het uitvoeren van opdrachten zoals omschreven in dit bestek. De opdracht is opgedeeld in 5 percelen: - Perceel 1: Bouwkunde / Architectuur - Perceel 2: Gebouwtechnieken - Perceel 3: Stabiliteit - Perceel 4: Omgevingsaanleg - Perceel 5: Werken in regie Meer details leest u in de technische bepalingen. […] De opdracht is opgedeeld in volgende percelen: […] Perceel 2 ‘Gebouwtechnieken’ Toelichting: Deze opdracht heeft tot doel om een extern consultant of (studie)bureau aan te stellen die deskundige ondersteuning kan bieden bij verschillende projecten inzake nieuwbouw, renovaties en noodzakelijke vervangingen van technische installaties. In dit geval dient de opdrachtnemer, in voorkomend geval, ook te kunnen instaan voor een beperkte bouwkundige opdracht (zoals bv. een brandcompartimentering, een extra uitgang,…) echter steeds gerelateerd en ondergeschikt aan de technische opdracht. De inschrijver verzorgt de studies van de technische installaties binnen een project volgens de vigerende normen en gebaseerd op het ‘best beschikbare technieken’ principe en conform de geldende ERP (Europees) en EPN-richtlijnen (Energieprestatieregelgeving). Perceel 3 ‘Stabiliteit’ Toelichting: De opdrachtnemer staat in voor de stabiliteitsberekening van structuren (zowel staal, beton, hout, metselwerk), funderingstechnieken en bouwputten, terreinverhardingen, grondwerken enz. van zowel bestaande als nieuwe gebouwen en constructies. Deze studie resulteert uiteindelijk in een uitvoeringsdossier met inbegrip van overzichtstekeningen en detailtekeningen, bekistings- en wapeningstechnieken, ramingen, meetstaten en buigstaten.” 3.2.
  7. Met betrekking tot de “prijsvaststelling” vermeldt het bestek wat volgt: “De opdracht wordt beschouwd als een opdracht tegen prijslijst. XIV-39.474-3/16 De opdracht tegen prijslijst is een opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de posten worden bepaald, vermoedelijk zijn of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden. De opdracht wordt gegund op basis van de eenheidsprijzen opgegeven in de offerte. Bij het opstellen van de lastvoorwaarden van deze opdracht beschikt de aanbestedende overheid nog niet over de exact benodigde hoeveelheden. Daarom zijn de vermoedelijke hoeveelheden louter indicatief. Zij binden het bestuur op geen enkele wijze. De opdrachtnemer kan geen schadevergoeding eisen indien deze vermoedelijke hoeveelheden niet bereikt worden. Elke afzonderlijke afroep zal het voorwerp uitmaken van een bestelbon.” 3.2.
  8. De opdracht wordt gegund door middel van een openbare procedure met als gunningscriteria de prijs (50 punten) en het plan van aanpak (50 punten). 3.2.
  9. In punt 2.4 van het bestek, ‘Borgtocht’, wordt het volgende bepaald: “Perceel 1 ‘Bouwkunde / architectuur’: Volgende borgtocht wordt gevraagd: 3% van het geraamde bedrag van het perceel (excl. btw), afgerond naar het hogere tiental (4.280,00 EUR). De borgtocht wordt volledig vrijgegeven na de oplevering. Perceel 2 ‘Gebouwtechnieken’: Volgende borgtocht wordt gevraagd: 3% van het geraamde bedrag van het perceel (excl. btw), afgerond naar het hogere tiental (3.750,00 EUR). De borgtocht wordt volledig vrijgegeven na de oplevering. Perceel 3 ‘Stabiliteit’: Volgende borgtocht wordt gevraagd: 3% van het geraamde bedrag van het perceel (excl. btw), afgerond naar het hogere tiental (1.720,00 EUR). De borgtocht wordt volledig vrijgegeven na de oplevering. Perceel 4 ‘Omgevingsaanleg’ Perceel 5 ‘Werken in regie’: Er wordt geen borgtocht gevraagd.” 3.2.
  10. De bijlage C, ‘Inventaris’, vermeldt voor de percelen 1 tot 4 slechts één post, namelijk het “[e]reloonpercentage”. XIV-39.474-4/16 3.
  11. Voor perceel 2 melden zich vier inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, met de volgende ereloonpercentages: Nr. Naam Prijs excl. Btw 1 bv D 9,00 % 2 AG bv 11,00 % 3 EE 12,00 % 4 Arcade Engineering 15,13 % Voor perceel 3 schrijven drie ondernemingen in, waaronder de verzoekende partij, met de volgende ereloonpercentages: Nr. Naam Prijs excl. Btw 1 bv DE 5,00 % 2 EE 10,00 % 3 Arcade Engineering 12,16 % 3.4.
  12. Op 10 juni 2024 wordt een gunningsverslag opgesteld waarin de offertes worden beoordeeld per perceel. 3.4.
  13. Met betrekking tot perceel 2 ‘gebouwtechnieken’ worden de vier voormelde inschrijvers geselecteerd en worden hun offertes regelmatig bevonden. Na vergelijking van de offertes behalen de vier inschrijvers de volgende scores op het gunningscriterium van de prijs (op 50 punten): 1 bv D Score offerte = (9,00 / 9,00) * 50 50 2 AG bv Score offerte = (9,00 / 11,00) * 50 40,91 3 EE Score offerte = (9,00 / 12,00) * 50 37,5 4 Arcade Engineering Score offerte = (9,00 / 15,13) * 50 29,74 XIV-39.474-5/16 Op het gunningscriterium ‘plan van aanpak’ behalen alle inschrijvers dezelfde score van 45 punten op
  14. De rangschikking is als volgt (op 100 punten): 1 bv D 95 2 AG bv 85,91 3 EE 82,5 4 Arcade Engineering 74,74 3.4.
  15. Met betrekking tot perceel 3 ‘stabiliteit’ worden de drie voormelde inschrijvers geselecteerd en worden hun offertes regelmatig bevonden. Na vergelijking van de offertes behalen de drie inschrijvers de volgende scores op het gunningscriterium van de prijs: 1 bv DE Score offerte = (5,00 / 5,00) * 50 50 2 EE Score offerte = (5,00 / 10,00) * 50 25 3 Arcade Engineering Score offerte = (5,00 / 12,16) * 50 20,56 Op het gunningscriterium ‘plan van aanpak’ behalen ook deze inschrijvers dezelfde score van 45 punten op
  16. De rangschikking met betrekking tot dit perceel is de volgende: 1 bv DE 95 2 EE 70 3 Arcade Engineering 65,56 3.
  17. Op 17 juni 2024 gunt het college van burgemeester en schepenen de verschillende percelen. Perceel 2 wordt toegewezen aan de bv D en perceel 3 wordt gegund aan de bv DE. Dat is de bestreden beslissing. XIV-39.474-6/16 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  18. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6.
  20. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4, 9, eerste lid, en 81, § 1, § 2, eerste lid en § 3, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van artikel 26, eerste lid, juncto artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. XIV-39.474-7/16 6.
  21. De verzoekende partij vat haar middel, dat zij in twee onderdelen opsplitst, als volgt samen: “Doordat, eerste onderdeel, de Bestreden Beslissing gebaseerd is op het Gunningsverslag P2 en het Gunningsverslag P3 waarin bij het eerste gunningscriterium inzake de prijs voor zowel perceel 2 als perceel 3 geen vergelijking van daadwerkelijke prijzen, maar enkel van de opgegeven percentages doorgevoerd wordt, En doordat, eerste onderdeel, de Bestreden Beslissing uitsluitend oplegt om een percentage op te geven dat toegepast zal worden op het (onbekende, minstens niet meegedeelde) uitvoeringsbedrag van ieder perceel, En doordat, eerste onderdeel, uit het Bestek wel de totale uitgave van elk perceel van de Opdracht kan afgeleid worden, Terwijl, eerste onderdeel, het Bestek stelt dat de economisch meest voordelige offerte vastgesteld wordt op grond van een eerste gunningscriterium inzake de prijs, En terwijl, eerste onderdeel, overheidsopdrachten geplaatst worden op forfaitaire basis, En terwijl, eerste onderdeel, het Bestek niet alleen de gunningscriteria zelf, maar ook elementen moet vermelden die rechtstreeks de voorbereiding van de offerte kunnen beïnvloeden, En terwijl, eerste onderdeel, uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat deze essentiële informatie onder andere het bedrag betreft waarop het percentage zal toegepast worden dat de inschrijvers dienen op te geven, En terwijl, eerste onderdeel, van een zorgvuldig en redelijk handelende aanbestedende overheid die wel een inschatting maakt van de geraamde waarde van de opdracht en gelijktijdig aan inschrijvers vraagt om louter een percentage op te geven om de prijs te bepalen, verwacht mag worden dat deze een geraamde waarde van het uitvoeringsbedrag per perceel opneemt, Doordat, tweede onderdeel, het Bestek stelt dat de Opdracht tegen prijslijst geplaatst wordt, En doordat, tweede onderdeel, het Bestek evenwel uitsluitend oplegt om een percentage op te geven dat toegepast zal worden op het (onbekende, minstens niet meegedeelde) uitvoeringsbedrag van ieder perceel; Terwijl, tweede onderdeel, de prijs van een overheidsopdracht bepaald wordt volgens één van de prijsvaststellingen vermeld in het KB Plaatsing; Zodat de Bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur schendt.” Vervolgens licht de verzoekende partij de beide onderdelen toe als volgt. XIV-39.474-8/16 6.
  22. Met betrekking tot het eerste onderdeel wijst de verzoekende partij erop dat het bestek voor alle percelen van de opdracht de prijs en het plan van aanpak als gunningscriteria vooropstelt. Uit de inventaris van het bestek blijkt dat voor de percelen 2 en 3 aan de inschrijvers wordt gevraagd om een ereloonpercentage voor te stellen. De technische bepalingen van het bestek maken volgens de verzoekende partij duidelijk dat dit ereloonpercentage moet worden berekend op het totale uitvoeringsbedrag. Dat bedrag werd echter niet meegedeeld bij de plaatsing van de opdracht. De inschrijvers hadden geen kennis van het bedrag waarop zij hun ereloonpercentage moesten toepassen. Bijgevolg kon op basis van dit percentage evenmin een prijs voor ieder perceel worden bepaald. Uit de gunningsverslagen voor de percelen 2 en 3 blijkt volgens de verzoekende partij dat het gunningscriterium van de prijs wordt beoordeeld door de percentages van de verschillende inschrijvers af te wegen. Aldus worden niet de “daadwerkelijke prijzen”, maar alleen de percentages vergeleken, zo stelt zij. Artikel 81, §§ 1 en 2, van de wet overheidsopdrachten 2016 laat evenwel alleen een vergelijking van effectieve prijzen toe en niet van percentages. Een vergelijking van prijzen was alleen mogelijk als de waarde – minstens de geraamde waarde – van de werken zou zijn meegedeeld. De verwerende partij heeft echter nagelaten zo een raming te maken of mee te delen. De bestreden beslissing komt niet tot een effectieve vergelijking van prijzen en schendt op die manier de bepalingen van artikel 81 van de wet overheidsopdrachten 2016, net als het ‘forfaitair beginsel’ dat vervat ligt in artikel 9, eerste lid, van dezelfde wet. Het genoemde gebrek aan mededeling van de waarde van de werken, staat volgens de verzoekende partij ook op gespannen voet met het vereiste dat niet alleen de gunningscriteria, maar ook alle elementen die rechtstreeks de voorbereiding van de offerte kunnen beïnvloeden, in het bestek moeten worden vermeld. In dat verband verwijst de verzoekende partij naar de arresten nr. 232.368 van 29 september 2015 en nr. 254.480 van 19 september XIV-39.474-9/16 2019 van de Raad van State. De verwerende partij heeft nagelaten om aan de inschrijvers enige duidelijkheid te verschaffen over de grootteorde van het totale uitvoeringsbedrag waarop de percentages voor ieder perceel moeten worden toegepast. Dat is volgens de verzoekende partij nochtans van “doorslaggevend belang” om “op nuttige wijze” een percentage te bepalen. De Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging biedt een kader van percentages aan dat voor dergelijke opdrachten kan worden toegepast; de percentages zijn degressief bepaald, in functie van de stijgende uitvoeringskost. Dat toont het belang aan van het meedelen van de waarde van het totale uitvoeringsbedrag. Het is essentiële informatie voor de inschrijvers om het percentage te bepalen. Aldus heeft de verwerende partij niet alleen artikel 81, § 3, van de wet overheidsopdrachten 2016 geschonden, maar ook het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, zoals gewaarborgd door artikel 4 van de wet overheidsopdrachten
  23. Een en ander klemt volgens de verzoekende partij des te meer nu uit het bestek wél kan worden afgeleid wat de geraamde waarde per perceel is waarvan de verwerende partij is uitgegaan. De verzoekende partij wijst erop dat artikel 2.4 van het bestek de borgtochten voor de percelen 1 tot 3 heeft vastgesteld op 3% van het geraamde bedrag van elk perceel, afgerond naar het hogere tiental. Voor de percelen 2 en 3 – waarvoor de verzoekende partij inschrijver was – bedraagt de borgtocht respectievelijk 3750 euro en 1720 euro. De verzoekende partij rekent voor dat de geraamde waarde van deze percelen respectievelijk 125.000 euro en 57.333,33 euro bedraagt. Zulks wordt bevestigd door de bestreden beslissing. De verzoekende partij noemt het “volstrekt onredelijk en manifest onzorgvuldig” dat de verwerende partij “enerzijds wel uitgegaan is van een bepaalde uitgave voor ieder perceel, maar anderzijds aan de inschrijvers vraagt om hun prijs te bepalen als een percentage van een niet-nader genoemd bedrag”. 6.
  24. Wat het tweede middelonderdeel aangaat, betoogt de verzoekende partij dat de opdracht een ‘opdracht tegen prijslijst’ betreft. Omdat alleen een ereloonpercentage werd gevraagd, moesten de inschrijvers geen XIV-39.474-10/16 effectieve prijs opgeven per perceel van de opdracht. Zonder geraamd uitvoeringsbedrag, kon derhalve evenmin een effectieve prijs per perceel worden bepaald. Dat betekent, zo besluit de verzoekende partij, dat er geen sprake is van een prijsvaststelling volgens prijslijst voor deze opdracht en dat de prijs niet werd vastgesteld op één van de wijzen zoals bepaald in artikel 2, 3° tot 6°, van het koninklijk besluit plaatsing
  25. Beoordeling 7.
  26. Artikel 9, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “De overheidsopdrachten worden geplaatst op forfaitaire basis en zonder dat hieraan, bij de uitvoering ervan, wezenlijke wijzigingen kunnen worden aangebracht behoudens de door de Koning te bepalen uitzonderingen en overeenkomstig de door Hem te bepalen voorwaarden.” Artikel 81, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde wet luidt: “§
  27. De aanbestedende overheid baseert de gunning van overheidsopdrachten op de economisch meest voordelige offerte. §
  28. De economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de aanbestedende overheid wordt, naar keuze, vastgesteld: 1° op basis van de prijs; 2° op basis van de kosten, rekening houdend met de kosteneffectiviteit, zoals de levenscycluskosten, overeenkomstig artikel 82; 3° rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitsverhouding die bepaald wordt op basis van de prijs of de kosten alsook criteria waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. Het kan onder meer gaan om de volgende criteria: a) kwaliteit, waaronder technische verdienste, esthetische en functionele kenmerken, toegankelijkheid, geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, sociale, milieu- en innovatieve kenmerken, de handel en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt; b) de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht, wanneer de kwaliteit van dat personeel een aanzienlijke invloed kan hebben op het niveau van de uitvoering van de opdracht; XIV-39.474-11/16 c) klantenservice en technische bijstand, alsook leveringsvoorwaarden zoals de leveringsdatum, de leveringswijze en de leverings- of uitvoeringstermijn.” 7.
  29. De verzoekende partij kan op het eerste gezicht niet worden bijgevallen in de mate dat zij argumenteert dat de voormelde bepalingen zich ertegen zouden verzetten dat het gunningscriterium van de prijs wordt beoordeeld door (alleen) ereloonpercentages te vergelijken. Een percentage geeft de verhouding weer van een deel (variërend tussen 0 en 100) ten opzichte van een groter geheel

(100). Hoewel de inschrijvers op die manier niet een in een geldsom uitgedrukte prijs meedelen, brengen zij in hun offertes wel de verhouding van hun ereloon ten opzichte van het totale uitvoeringsbedrag tot uitdrukking. Die verhouding verschilt, zo lijkt, niet wezenlijk van een in geld uitgedrukte prijs. Indien die verhouding – versta: dat ereloonpercentage – wordt toegepast op het totale uitvoeringsbedrag, komt dit immers neer op – zoals de verzoekende partij het omschrijft – de “daadwerkelijke” of “effectieve” prijs. Door zo een percentage voor te stellen, is mogelijk het “effectieve” bedrag als dusdanig niet vastgesteld, maar lijken de inschrijvers wel degelijk vooraf en definitief de verhouding tot het gehele bedrag te hebben vastgelegd. Aldus is prima facie voldaan aan het beginsel dat de overheidsopdrachten op forfaitaire basis worden geplaatst. Bovendien blijft de door de inschrijvers voorgestelde verhouding (percentage) steeds dezelfde, ongeacht het totale uitvoeringsbedrag, zodat op het eerste gezicht een dergelijke manier van prijsvoorstelling de vergelijking van de verschillende offertes zonder meer toelaat. 7.
  1. In die mate is het eerste middelonderdeel niet ernstig. XIV-39.474-12/16 8.
  2. Artikel 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 bepaalt: “De aanbesteders behandelen de ondernemers op gelijke en niet- discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.” Artikel 81, § 3, derde lid, van dezelfde wet luidt als volgt: “Deze criteria [lees: de gunningscriteria] moeten in de aankondiging van een opdracht of in een ander opdrachtdocument worden vermeld.” 8.
  3. In de mate dat de verzoekende partij betoogt dat “alle elementen die rechtstreeks de voorbereiding van de offerte kunnen beïnvloeden” in het bestek moeten worden vermeld en dat in dit geval de verwerende partij heeft nagelaten om aan de inschrijvers duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de “grootteorde van het totaal uitvoeringsbedrag” waarop de ereloonpercentages per perceel moesten worden toegepast, merkt de Raad van State op dat zij zichzelf lijkt tegen te spreken. Immers, verderop in hetzelfde middelonderdeel geeft de verzoekende partij zelf aan dat “uit het Bestek wél kan afgeleid worden van welke geraamde waarde verwerende partij uitgegaan is voor wat betreft de totale uitgave voor elk perceel van de Opdracht” en dat “de borgtocht voor percelen 1 t.e.m. 3 [blijkt] vastgesteld te zijn op 3% van het geraamde bedrag van ieder perceel, afgerond naar het hogere tiental”. Vervolgens rekent zij na dat de “verwerende partij de waarde van deze percelen [lees: de percelen 2 en 3, waarvoor de verzoekende partij heeft ingeschreven] raamde op respectievelijk 125.000,00 EUR en 57.333,33 EUR”, waarna de verzoekende partij zelf besluit dat “[d]it wordt bevestigd in de Bestreden Beslissing”. Gewis kon de verwerende partij de geraamde bedragen meer uitdrukkelijk in het bestek of de aankondiging hebben opgenomen. Evenwel laat de verzoekende partij, in de concrete omstandigheden van de zaak zoals hiervóór ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 XIV-39.474-13/16 geschetst, niet verstaan waarom het feit dat dit niet is gebeurd, haar zou hebben benadeeld. Aangenomen mag worden, zo lijkt, dat de verzoekende partij als professionele speler binnen deze markt met de gegevens vermeld in het bestek, zoals zij zelf erkent, over voldoende informatie beschikte om met een eenvoudige rekenoefening aan de hand van de borgtochten, het totale geraamde uitvoeringsbedrag te berekenen. 8.
  4. Op het eerste gezicht kan overigens nog worden opgemerkt dat de verzoekende partij niet beweert dat zij bij het opstellen van haar offerte en het bepalen van het gevraagde ereloonpercentage, van andere bedragen zou zijn uitgegaan dan die welke zij thans voorrekent en die ook in de bestreden beslissing zijn opgenomen. 8.
  5. Aldus maakt de verzoekende partij een schending van de genoemde bepalingen en beginselen prima facie niet aannemelijk. Ook in die mate is het eerste middelonderdeel niet ernstig. 9.
  6. Artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “De prijs van de opdracht wordt bepaald volgens één van de prijsvaststellingen vermeld in artikel 2, 3° tot 6°.” Naar luid van het bestek betreft de voorliggende opdracht een ‘opdracht tegen prijslijst’. In artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 wordt het begrip ‘de opdracht tegen prijslijst’ als volgt gedefinieerd: “de opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de XIV-39.474-14/16 posten worden bepaald, worden vermoed of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden”. 9.
  7. Wat dit tweede middelonderdeel betreft, lijkt de verzoekende partij niet ervan te overtuigen dat de verwerende partij niet naar redelijkheid vermocht te besluiten dat de betrokken opdracht als een ‘opdracht tegen prijslijst’ in de voormelde zin kon worden beschouwd. Zoals hiervóór gezien bij de bespreking van het eerste middelonderdeel, verschilt een in een percentage uitgedrukte prijs op het eerste gezicht niet wezenlijk van een in geld uitgedrukte prijs. Het enkele feit dat aan de inschrijvers “geen eenheidsprijzen […] (maar slechts percentages)” werden gevraagd, lijkt bijgevolg niet van aard om te besluiten dat de betrokken opdracht geen ‘opdracht tegen prijslijst’ uitmaakt. Eveneens bij de bespreking van dat eerste middelonderdeel is vooralsnog geoordeeld dat de verzoekende partij op grond van het bestek over de nodige informatie leek te kunnen beschikken om “de vermoede hoeveelheden (in de vorm van een (geraamd) uitvoeringsbedrag)” te bepalen. 9.
  8. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. VII. Besluit
  9. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XIV-39.474-15/16 BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt de vordering.
  11. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jurgen Neuts XIV-39.474-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.