id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.521 Rolnummer: A. 242746/XII-9743 Zaak: Arrest 260521 - Dierenwelzijn - 22/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-27 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-17 05:40 Fiche Arrest nr 260.521 van 22 augustus 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.521 van 22 augustus 2024 in de zaak A. 242.746/XII-9743 In zake: U.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Carolus kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(967000010420896)eigendom is van hun moeder en dat dit dier gesteriliseerd is. Op het verhoor verklaart [verzoeker] dat het dier nog niet steriel is en op zijn naam geregistreerd stond (volgens hem een eigendomsbewijs), maar ondertussen op naam van zijn broer staat; o De spontane verklaring van [T.C.] en [M.D.] over het feit de [T.C.] in Koksijde verblijft, wordt door [verzoeker] tegengesproken tijdens het verhoor; o [Verzoeker] verklaart in het verhoor dat hij geen andere keuze had dan zijn katten in de kelder van zijn ouderlijke woning onder te brengen tijdens zijn afwezigheid. Dit betreft een zeer ruime woning, waarin meerdere kamers aanwezig zijn waarin de dieren tijdelijk gehuisvest konden worden en dit in veel betere omstandigheden dan in de kelder. Ook de verklaring van [verzoeker] dat hij door plaatsgebrek de kater niet kon scheiden van de kattinnen, houdt hierdoor geen steek; o In zijn verhoor verklaart [verzoeker] dat de tussendeur van de 2 afgesloten ruimtes in de kelder steeds openstond zodat de katten beide ruimtes konden benutten. Volgens hem was de deur op het moment van de controle door de Dienst toevallig gesloten door een vergetelheid van zijn kleine broer. Tijdens de controle ter plaatse verklaarde [M.D.] meermaals dat deze deur zeker dicht moest blijven. Alle aangetroffen kweekkatten (met uitzondering van het moederdier met kittens) bevonden zich in deze kleinste, afgesloten ruimte van de kelder; o De verklaring van [verzoeker] betreffende de krabsporen in de aangetroffen dozen, kan niet als waarheid beschouwd worden aangezien de krabsporen zich aan de binnenzijde van de dozen bevonden en deze dozen gesloten op en in elkaar gestapeld waren. De aangetroffen krabsporen konden dus enkel veroorzaakt worden XII-9743-6/13 door een kat die in de dozen geplaatst werd en niet langs de buitenzijde bij gebruik als krabmateriaal; o In een telefoongesprek tijdens de controle verklaarde [verzoeker] spontaan dat hij contact had gehad met. [D.] van de Brusselse dienst Leefmilieu en dat zij hem had geïnformeerd dat Dierenwelzijn Vlaanderen de katten niet zomaar in beslag mag nemen omdat hij een erkenning heeft in Brussel, enkel bij inbreuken op de dierenwelzijnswet. Tijdens het verhoor verklaart hij echter dat. [D.] op vakantie was tijdens onze controle en hij haar pas een week later heeft kunnen contacteren; o [Verzoeker] verklaart in zijn verhoor dat het onmogelijk is dat hij kittens heeft verkocht die niet correct werden geregistreerd in de databank CatID; [Verzoeker] wenst de katten terug, naar eigen zeggen omwille van de emotionele band die hij en zijn familie hebben met de dieren. Echter geven talrijke vaststellingen zoals bijvoorbeeld de dieren in een kelder onderbrengen, dieren in een ruimte houden zonder daglicht, intacte mannelijke en vrouwelijke dieren samen opsluiten waardoor ongecontroleerde kweek mogelijk is, geen geschikt nestmateriaal voorzien, enz. niet de indruk dat het welzijn van de dieren van groot belang is voor hem; De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen; De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.” Deze bestemmingsbeslissing is de bestreden beslissing. Deze wordt nog diezelfde dag, 9 augustus 2024, aan verzoeker bezorgd zowel per gewone en per aangetekende brief, als per e-mail. 3.
- Met een beschikking van 15 juli 2024 heeft de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding, verzoekers burgerlijke vorderingen ertoe strekkende de verwerende partij te verplichten hangende het geding geen bestemmingsbeslissing te nemen, de verwerende partij te verbieden om te beschouwen dat de beslagbeslissing van 19 juni 2024 ten uitvoer wordt gelegd en verzoeker in het bezit te stellen van de dieren, telkens op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per inbreuk per dag, ontvankelijk doch ongegrond bevonden en, derhalve, afgewezen. Tegen deze beschikking werd hoger beroep ingesteld. XII-9743-7/13 IV. Voorwaarden voor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Wat de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, stelt verzoeker in het verzoekschrift dat het niet kan worden betwist dat te dezen de uiterst dringend noodzakelijkheid voorhanden is. Hij meent dat gelet op de gemiddelde behandelingstermijn van een zaak ten gronde, het uitgesloten lijkt dat een beroep tot nietigverklaring, zelfs een gewone vordering tot schorsing, tijdig effect zou kunnen sorteren voor verzoeker. De gemiddelde duur voor de behandeling van een vordering tot schorsing kan volgens verzoeker geenszins worden afgewacht “om zich van zijn eigen persoonlijke gezelschapsdieren te verzekeren alvorens deze worden voortverkocht door het pension aan wie ze momenteel reeds zijn toegewezen bij de bestreden beslissing”. Verzoeker is dan ook “gelimiteerd in [zijn] aanvalsmogelijkheden van de bestreden beslissing, met oog op teruggave van dieren waarmee hij een affectieve band heeft, tot het instellen van een verzoekschrift met vordering tot schorsing in UDN”. Hij zet ter adstructie uiteen dat de schorsing immers enkel uitwerking heeft voor de toekomst, wat inhoudt dat aan een reeds gedane adoptie geen keer kan worden gebracht. Enig ander rechtsmiddel zal resulteren in een uitspraak na overdracht van de dieren aan private personen. Er dient aldus zo snel mogelijk te worden gehandeld om de dieren terug te kunnen krijgen, wat een vordering tot schorsing bij uiterst XII-9743-8/13 dringende noodzakelijkheid verantwoordt. Verzoeker stelt dat hij “enkel [is] geïnteresseerd in het terugkrijgen van [zijn] dieren die tevens zijn eigen persoonlijke gezelschapsdieren zijn” en niet louter vervangbare kweekdieren. Dit psychologisch aspect waarmee verzoeker in wezen verwijst naar een affectieve band die hij met deze dieren heeft en de, zo stelt hij, huiselijke sfeer waarin hij (beperkt) kweekt, maakt hen dan ook individueel afzonderlijk onvervangbaar. Verzoeker geeft nog aan dat uit therapie met verzoekers psycholoog is gebleken dat het houden van katten, alsook het intensief bezig zijn met deze dieren waaruit zijn bijberoep is geboren, een goede werking heeft op verzoekers gemoed die sedert corona last van depressie begon te krijgen. Voorts doet hij nog gelden dat dieren wezens met gevoelens zijn, wat bevestiging vindt in recente (grond)wettelijke initiatieven, evenals in artikel 3.39 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek alsook in de wet van 14 augustus
- Dieren hebben affectieve gevoelens naar hun baas toe en zijn ‘gebonden’ aldus is het ook in hun belang dat deze terug worden gegeven aan verzoeker die, zo stelt hij, “steeds de beste zorgen voor de dieren heeft gedragen”. Voorts, zou de loutere vervanging van kweekdieren (na het onmiddellijk doen van afstand) op een goedkoper bedrag uitkomen dan het voeren van een procedure om deze dieren terug te krijgen en gedurende deze periode de bewaringskosten van het beslag te dragen, wat volgens verzoeker “te meer de onvervangbaarheid van specifiek deze dieren voor verzoeker aantoont”. Tot slot benadrukt verzoeker dat hij de nodige diligentie aan de dag heeft gelegd bij het instellen van de voorliggende vordering. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. XII-9743-9/13 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een XII-9743-10/13 toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat verzoeker niet met gepaste spoed en diligentie zijn vordering heeft ingesteld eenmaal hij van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken, verzoeker te dezen nalaat te doen.
- Te dezen beroept verzoeker zich ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid op het gegeven dat zijn betrachting er “enkel” in is gelegen de dieren die inmiddels in volle eigendom zijn overgedragen aan de erkende asielcentra waar zij op dat ogenblik verbleven, terug te krijgen. Verzoeker stelt ter zake dat hij “enkel [is] geïnteresseerd in het terugkrijgen van [zijn] dieren die tevens zijn eigen persoonlijke gezelschapsdieren zijn” en niet “louter vervangbare kweekdieren”. Daarbij verwijst hij naar de affectieve band die hij met deze dieren heeft en de “huiselijke sfeer” waarin hij (beperkt) kweekt, wat deze XII-9743-11/13 dieren dan ook, zo stelt hij, individueel afzonderlijk onvervangbaar maakt. Aldus voert verzoeker in wezen een moreel nadeel aan dat hij zou lijden indien hij de dieren niet zou kunnen recupereren. Om de Raad van State te overtuigen over de aanwezigheid van een affectieve en emotionele band die verzoeker – erkend (weliswaar in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest) professionele beroepskweker – met de betrokken dieren claimt te hebben en die hij beschouwt als zijn persoonlijke katten, kan verzoeker er niet mee volstaan die beweerde affectieve band zonder meer te poneren. Verzoeker kan er geen genoegen mee nemen de affectieve band die hij met de dieren beweert te hebben, laat staan met elk van hen, met stelligheid te verklaren zonder zulks te illustreren of te concretiseren aan de hand van concrete, verifieerbare gegevens. Overigens maakt verzoeker, wat die affectieve band betreft, geen enkel onderscheid tussen eensdeels de inbeslaggenomen dieren (11 katten, 1 kater en (zeer) jonge kittens) en anderdeels de na de inbeslagname geboren kittens, waarvan hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard er geen weet van te hebben dat (één van de) moederkatten drachtig was. De Raad van State kan te dezen des te meer niet worden overtuigd nu verzoekers bewering ingaat tegen de duidelijke vaststellingen in de beslagbeslissing, in de bestreden beslissing, evenals in het met het administratief dossier bijgebrachte aanvankelijk proces-verbaal van 25 juni 2024 en het bijgebrachte fotodossier waaruit alvast niet blijkt dat de katten en kittens volgens hun welzijnsbehoeften worden gehouden zoals artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 dat vereist; wel integendeel. Het betreft nochtans een element dat in de voorliggende beoordeling dient te worden betrokken precies omdat – zoals verzoeker in zijn uiteenzetting terecht aangeeft –, dieren niet alleen (affectieve) gevoelens hebben, doch, naar ’s Raads oordeel, ook, en wel dagelijks, reële, zelfs primaire, noden inzake onder meer correcte huisvesting, welbevinden en verzorging waaraan volgens hun respectieve welzijnsbehoeften moet worden voldaan.
- In de mate verzoeker tot slot aangeeft dat hij het advies van zijn psycholoog om katten te houden heeft gevolgd en dat het intensief bezig zijn met XII-9743-12/13 die dieren een goede werking heeft op zijn gemoed, wat heeft geleid tot zijn activiteit als professioneel kweker, doet niet anders besluiten. Daarmee is in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden de affectieve band met specifiek deze dieren nog niet aannemelijk gemaakt noch aangetoond, evenmin als de onvervangbaarheid ervan voor verzoeker.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Kaat Leus XII-9743-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.521 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.158 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div