id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.556 Rolnummer: A. 242799/XII-9748 Zaak: Arrest 260556 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 02/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-03 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Fiche Arrest nr 260.556 van 2 september 2024 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 260.556 van 2 september 2024 in de zaak A. 242.799/XII-9748 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns, Dieter Torfs en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 9 augustus 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2024, om 9.30 uur. XII-9748-1/11 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 9 augustus 2024 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XII-9748-2/11 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Wat de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, onderscheidt verzoeker in het verzoekschrift twee gronden die aantonen dat de spoedeisendheid voorhanden is. Vooreest doet hij gelden dat het menswaardig bestaan in het gedrang komt wegens inkomstenverlies. Hij doet gelden dat hij eigenaar is van een woning en dat hij, zonder enige financiële hulp of bijstand, dient in te staan voor de kosten die gepaard gaan met het bezit van een woning. Tot op heden ontving hij nog een beperkt loon van de Federale politie, dat naar aanleiding van de voorliggende tuchtprocedure, reeds gemiddeld 1.000 euro per maand lager was dan voorheen omdat hij nu de “basisvergoeding” genoot zonder de bijkomende premies die hem normalerwijze worden toegekend en die hem werden ontnomen. Aldus is, op huidig ogenblik reeds een grote streep gegaan door zijn rekening door de reeds aangehaalde terugval in verdiensten. Daarnaast blijven de hoge maandelijkse kosten in hoofde van verzoeker zonder meer doorlopen. Dit betreft onder meer, doch niet exclusief een woonlening van 528,47 euro per maand. Voorts geeft verzoeker een indicatief overzicht van zijn vaste kosten. Daarenboven betoogt hij dat hij ook heel wat kosten heeft moeten maken voor psychologische hulp en medische kosten naar aanleiding van de stress die huidige tuchtprocedure met zich meebrengt. Bovendien heeft hij reeds een lening moeten aangaan bij een vriend zodat hij zijn zieke vader in Turkije kan gaan bezoeken en staat op huidig ogenblik zijn rekening reeds in het rood. Verzoeker concludeert dat de zware financiële druk onhoudbaar is zonder inkomen en dat hij geen andere tewerkstelling kan aanvatten, aangezien, volgens hem, de financiële gevolgen niet kunnen worden vermeden door het zoeken naar een nieuwe tewerkstelling vermits het beroep van politieambtenaar wettelijk onverenigbaar is met enig ander beroep. Ook gedurende een gewone schorsingsprocedure zou hij dus geen andere inkomsten kunnen ontvangen, daar hij geen andere tewerkstelling kan aanvatten. XII-9748-3/11 Het afwachten van een gewone schorsingsprocedure en/of vernietigingsprocedure zou dan ook ontegensprekelijk desastreuze gevolgen hebben voor zijn financiële toestand en hij zou in een dergelijke precaire financiële situatie terechtkomen dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt, dat de omvang van de schulden een zodanige impact heeft op zijn levensstandaard, dat hij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen. Ten tweede wijst verzoeker op de mentale en psychische gevolgen. Hij wijst erop dat hij reeds 23 jaren in dienst is bij de Federale politie en met veel passie en ambitie zijn loopbaan binnen de politie wil verder zetten. Hij wijst erop dat na jaren goede werking, er een heksenjacht tegen hem is begonnen met pesterijen en een boycotactie. De voorliggende tuchtprocedure weegt zwaar op hem en hij heeft reeds verschillende bezoeken gebracht aan artsen, psychiaters en psychologen om om te gaan met de situatie. De onzekerheid omtrent zijn toekomst weegt zwaar op hem. Een gewone schorsingsprocedure of nietigheidsprocedure zou de duurtijd van de procedure onnodig verlengen met bijkomende negatieve gevolgen voor hem. Wegens de lange lijdensweg moet volgens verzoeker de procedure voor de Raad van State zo snel als mogelijk worden afgehandeld en dat kan enkel middels een schorsing met dringende noodzakelijkheid. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en XII-9748-4/11 onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet XII-9748-5/11 op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken, verzoeker te dezen nalaat te doen.
- Verzoeker beroept zich in de eerste plaats op een onherstelbaar financieel nadeel. Dat de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor verzoeker ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak kan op zich bezwaarlijk worden betwist. In het raam van een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid volstaat die vaststelling evenwel op zich niet: verzoeker moet aannemelijk maken aan de hand van precieze en concrete gegevens dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoeker veilig te stellen. In wezen is het immers voor de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid, niet alleen de vraag of verzoeker zwaar wordt getroffen door de bestreden beslissing, maar ook of enkel een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om hieraan nog soelaas te bieden. Kortom, wanneer een verzoeker zich, zoals te dezen, beroept op het feit dat hij de duur die een gewone schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen doordat, samengevat, zijn maandelijks beroepsinkomen wegvalt doch de kosten blijven, om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in zijn bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Hij mag zich derhalve XII-9748-6/11 niet beperken tot het enkel overleggen van stukken die zijn vaste kosten staven, zonder hierbij een duidelijk en volledig inzicht te verlenen in zijn financiële toestand en reserves. Op dat punt komt verzoeker tekort aan zijn bewijsplicht. Verzoeker geeft in zijn uiteenzetting weliswaar enkele aspecten aan van bepaalde aspecten van zijn (vaste) maandelijkse kosten, maar inzake zijn financiële reserves op het tijdstip van de bestreden beslissing, is het enige dat ter zake relevant is dat hij geen financiële ondersteuning geniet van een partner en thans zijn rekening in het rood staat. Het stuk waaruit zou moeten blijken dat de rekening van verzoeker in het rood staat, is een niet-gedateerde snapshot van een app van een rekening “mastercard credit new”, met een negatief saldo van 219,58 euro om 01:18 hr. Ter terechtzitting wordt erkend dat dit het saldo betreft van verzoekers kredietkaart. Los van het feit dat de snapshot is beperkt tot een foto van dat saldo op een ongekende datum, zonder enig overzicht van de op die kredietkaartrekening verrichte bewegingen - wat de Raad van State in de onmogelijkheid plaatst om de financiële toestand op grond van dit aangegeven tekort te beoordelen - geeft verzoeker niet aan of dat dit tekort op een kredietkaartrekening al dan niet een tijdelijk karakter heeft in afwachting van de eerstvolgende aanzuivering ervan via een andere (zicht)rekening. Het overgelegde uittreksel inzake de stand van zaken van de uitgaven met de kredietkaart, is derhalve slechts een financiële momentopname (op een onbekende datum) die geen overtuigend inzicht verschaft in verzoekers financiële toestand. De overige overgelegde stukken vermelden geen rekeningnummer, maar ter terechtzitting bevestigt de raadsman van verzoeker dat het uittreksels van verzoekers zichtrekening zijn, waarop inzonderheid de Federale politie zijn loon stort. Uit de bijgebrachte stukken blijkt aldus dat verzoeker beschikt over twee onderscheiden rekeningen. De overgelegde onvolledige uittreksels van die zichtrekening geven details over een aantal (debet)verrichtingen XII-9748-7/11 die doen blijken van het feit dat verzoeker aan een aantal financiële verplichtingen moet voldoen, maar betreffen slechts bepaalde (willekeurige en onvolledige) data. Bovendien zijn ze onvolledig. Vastgesteld moet worden dat, op de storting na van het vakantiegeld door de politiezone op 16 mei 2024 en het ontvangen van een bedrag dat naar verzoeker in het verzoekschrift verklaart, een lening betreft aangegaan bij een vriend zodat verzoeker op familiebezoek in Turkije kon gaan, bevatten de overgelegde rekeninguittreksels geen enkel activa-element of verrichting. Dit klemt des te meer, nu ter terechtzitting wordt erkend dat het loon van verzoeker op die rekening werd gestort - in juli volgens de door de verwerende partij overgelegde loonberekening d.d. 7 juli 2024, 3045,72 euro - en op de overlegde uittreksels (op het vakantiegeld na) daarvan geen spoor is terug te vinden. Bovendien ontbreekt op de overgelegde stukken van die rekening enig tussentijds (positief of negatief) saldo, en een eindsaldo van de rekening op het ogenblik van toevoeging van die uittreksels bij de door verzoeker overgelegde overtuigingsstukken. De overgelegde stukken inzake die tweede rekening bieden bijgevolg geen, laat staan een afdoende, inzicht in nog andere (credit- en/of debet-)verrichtingen op die tweede rekening. Verzoeker geeft bovendien evenmin enig zicht op het (al dan niet beschikbare of positieve) saldo op die tweede rekening. Dit alles doet besluiten dat verzoeker verzuimt een voldoende volledig en betrouwbaar beeld te verlenen van zijn financiële reserves op het tijdstip van zijn ontslag. Wat ook de bewijs- en overtuigingswaarde betreft van de overgelegde stukken wat de “passiva”-kant van verzoeker betreft, tonen de (weinige lapidaire) stukken die verzoeker inzake beide rekeningen wel bijbrengt, niet aan dat hij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door hem ingeroepen nadeel een zodanige impact heeft op zijn levensstandaard, dat hij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen. XII-9748-8/11
- Verzoeker beroept zich ook op de mentale en psychische gevolgen van de bestreden beslissing. Dit betreft morele schade. Het bestreden ontslag van ambtswege schaadt verzoeker onmiskenbaar moreel. Het volstaat evenwel niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing. Los van de vraag of deze te dezen wel overtuigend zijn aangetoond - verzoeker verzuimt immers dit nadeel te onderbouwen door middel van concrete stukken betreffende zijn mentale toestand en beperkt zich tot niet door enig bewijs ondersteunde beweringen - en de vereiste ernst vertonen, moet tevens worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. Verzoeker tracht zulks aan te tonen door te betogen dat de gewone schorsingsprocedure of procedure tot nietigverklaring de reeds ondergane duur van de tuchtprocedure, die naar verzoeker stelt, mentaal zeer zwaar op hem weegt, onnodig zal verlengen met bijkomende negatieve mentale gevolgen voor hem en dat omwille van die lijdensweg die verzoeker reeds heeft afgelegd, de procedure voor de Raad van State zo snel als mogelijk dient te worden afgehandeld. In wezen stelt verzoeker met dit argument dat de versnelde behandeling via uiterst dringende noodzakelijkheid het morele nadeel versneld zal tenietdoen, c.q. niet onnodig zal verzwaren. Het is dus (enkel) verbonden aan het nuttig effect van een korte(re) looptijd. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een gewone schorsingsprocedure en de daarmede gepaard gaande onzekerheid over de wettigheid van de bestreden beslissing, maakt evenwel het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoeker die erop aandringt dat zijn zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op hem betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat hij het resultaat van de procedure tot schorsing niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te XII-9748-9/11 bevinden met ernstige schadelijke gevolgen, wat verzoeker met dat argument niet aannemelijk maakt.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-9748-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Geert Debersaques XII-9748-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.556 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div