id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.562 Rolnummer: A. 239784/XIV-39249 Zaak: Arrest 260562 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 03/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Fiche Arrest nr 260.562 van 3 september 2024 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 260.562 van 3 september 2024 in de zaak A. 239.784/XIV-39.249 In zake: de NV BELGISCH CENTRUM VOOR CERTIFICATIE (BCC) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Stéphanie Rondelez kantoor houdend te 3000 Leuven Quinten Metsysplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van: “- De beslissing van het Accreditatiebureau van BELAC […] van 19 januari 2023 tot een volledige intrekking van de accreditatiecertificaten 017-QMS en 017-EMS op naam van [de verzoekende partij]. […]. - De beslissing van de Raad van Beroep inzake Accreditatie van BELAC […] waarbij het beroep van [de verzoekende partij] van 27 februari 2023 tegen [de eerste] bestreden beslissing ongegrond verklaard werd, en die beslissing bevestigd werd.” XIV-39.249-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 25 oktober
- Op 17 januari 2024 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Roosens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-39.249-2/5 III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
- In de vraag om te worden gehoord en op de terechtzitting verklaart de raadsman van de verzoekende partij dat hij een fout heeft begaan bij de administratieve verwerking van de memorie van antwoord in het eigen beheerssysteem, zodat de antwoordtermijn niet correct werd ingegeven in het eigen beheerssysteem en deze fout pas werd vastgesteld na ontvangst van het verzoek van de griffie om te worden gehoord. Dit doet geen overmacht of een onoverwinnelijke dwaling aannemen.
- Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. XIV-39.249-3/5 IV. Rechtsplegingsvergoeding
- Ter terechtzitting vraagt de raadsman van de verzoekende partij om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro te beperken.
- Dit verzoek wordt niet ingewilligd, om de navolgende redenen. Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verlagen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. De procesvoering heeft voor de raadsman van de verwerende partij haar normaal verloop gehad, met het neerleggen van het administratief dossier, van de (omstandige) memorie van antwoord en een vertegenwoordiging van de verwerende partij op de terechtzitting. Voorts kent de rechtspleging vroegtijdig een einde door het eigen toedoen van de verzoekende partij. De verzoekende partij brengt geen enkel element bij waaruit blijkt dat het in dat kader niet gaat om een gecompliceerde procedure noch dat er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie. Er ligt derhalve geen bijzondere XIV-39.249-4/5 reden voor, gegrond op een van de wettelijke criteria, die een vermindering van het gevorderde forfaitair bedrag kan verantwoorden.
- Aan de verwerende partij wordt het basisbedrag van 770 euro toegekend. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.249-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div