← België

Arrest 260574 - Examens (onderwijs) - 06/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 Rolnummer: A. 242849/IX-10536 Zaak: Arrest 260574 - Examens (onderwijs) - 06/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-09 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Fiche Arrest nr 260.574 van 6 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 no lien 278533 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.574 van 6 september 2024 in de zaak A. 242.849/IX-10.536 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW INRICHTENDE MACHT MARIS STELLA INSTITUUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Liesbeth Peeters en Matthew Bonjean kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Inrichtende Macht Maris Stella Instituut van 27 augustus 2024 waarbij het aan verzoekster toegekende oriënteringsattest B met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september 2024, om 11.30 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. IX-10.536-1/32 Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthew Bonjean, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is in het schooljaar 2023-2024 tijdens het eerste semester leerling in het eerste leerjaar van de tweede graad natuurwetenschappen in het Maris Stella Instituut te Malle, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. In het tweede semester is zij leerling in de studierichting humane wetenschappen. 3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaartotaal van 57,2%, met jaartekorten voor Frans (43,2%) en geschiedenis (48,3%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs. De motivering luidt als volgt: “De delibererende klassenraad reikt een B-attest uit dat toegang geeft tot het volgende leerjaar, behalve in de geclausuleerde studierichtingen, onderwijsvorm(

  1. en)of finaliteit(en). Ze stelt immers vast dat de basis aan het einde van dit schooljaar te zwak is om voldoende slaagkansen te hebben in IX-10.536-2/32 deze studierichtingen, onderwijsvorm(
  2. en)of finaliteit(en). Ze baseert zich hierbij op volgende elementen: Voor een aantal vakken werden de leerplandoelen onvoldoende bereikt. Er is immers een eindresultaat van minder van 50% voor Frans en geschiedenis. Het gaat bovendien om vakken uit de basisvorming. Een resultaat van minder dan 50% op de grote overhoringen (examens) in december voor meerdere vakken Engels, Frans, Nederlands en geschiedenis. Een resultaat van minder dan 50% op de grote overhoringen (examens) in juni voor meerdere vakken fysica, Frans en Nederlands. Een resultaat van minder dan 50% op dagelijks werk voor de vakken wiskunde en Frans. Tekorten werden behaald tijdens zowel het eerste als het tweede semester. Je behaalde zwakke resultaten en onvoldoendes tijdens het eerste semester. We zien onvoldoende positieve evolutie in het tweede semester.” Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 10 juli 2024 handhaaft de beroepscommissie het B-attest met de gegeven clausulering. Die beslissing wordt door de Raad van State geschorst bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bij arrest nr. 260.464 van 29 juli 2024. 3.4. Na een nieuwe beoordeling beslist de beroepscommissie op 27 augustus 2024 om het B-attest met de gegeven clausulering te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “3° Ten gronde: De beroepscommissie beschikt weliswaar over de mogelijkheid om in de plaats van de klassenraad een ander attest uit te schrijven en beschikt in die zin over de volheid van beslissingsbevoegdheid. Dit betekent dat de beroepscommissie moet nagaan of de klassenraad in redelijkheid tot haar beslissing kon komen en dat haar motivering afdoende en zorgvuldig was. Dit betekent echter niet dat de beroepscommissie noodzakelijkerwijze het werk van de klassenraad volledig en geheel moet overdoen, omdat de beslissing van de klassenraad defectueus is. Verleden jaar nog bevestigde de minister van onderwijs dat erin hoofde van de klassenraad een vermoeden van deskundigheid geldt, en dat het aan beroepers toekomt te bewijzen dat de klassenraad zich vergistte. Het is aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-3/32 de ouders om aan te tonen dat de klassenraad een andere beslissing had moeten nemen, of dat zij geen rekening gehouden heeft met een aantal essentiële elementen. In antwoord op de argumenten van beroepers antwoordt de beroepscommissie: I. De motivering lijkt enkel op de tekorten te focussen. De klassenraad moet op het einde van het schooljaar vaststellen of de leerling de leerdoelstellingen voldoende bereikt heeft om met kansen op slagen een volgend jaar aan te vatten. Indien de leerling voor alle vakken geslaagd is (d.w.z. 50% van de punten voor alle vakken behaald heeft) wordt er een A-attest uitgereikt. Uiteraard worden enkel de tekorten in aanmerking genomen om een B- of een C-attest uit te reiken. Indien er geen tekorten zouden zijn, wordt er quasi automatisch een A-attest uitgesproken. Het zijn derhalve de tekorten die een ander dan een A-attest verantwoorden. Is dit niet het geval dan kan de klassenraad (en bij uitbreiding de beroepscommissie) een C-attest uitreiken. D.w.z. dat de leerling de doelstellingen onvoldoende behaald heeft en dat zij het jaar dient over te doen. De beroepscommissie kan echter ook rekening houden met de goede punten die een leerling behaalde voor bepaalde vakken en waarvoor zij de doelstellingen wel voldoende bereikte om daaruit [te] besluiten dat in een minder veeleisende studierichting mogelijkerwijze wel kansen op succes voorhanden zijn. Zij kan de leerlinge alsdan geslaagd achten en haar alsdan toelaten over te gaan naar het volgende jaar in deze minder veeleisende studierichting. Het speelt dan ook een rol wat de kwaliteit en de hoegrootheid van de tekorten is. 1° Onder kwaliteit moet verstaan worden: De aard van het vak (richtingspecifiek of niet); De belangrijkheid van een vak (zonder afbreuk te doen aan het belang van eender welk vak: een hoofdvak (zoals Frans of Wiskunde) of een bijvak (zoals LO, dat uiteraard ook belangrijk is maar minder doorslaggevend); Een éénmalig tekort of een herhaald tekort (een éénmalige misstap of gebrek aan inzet versus een gebrek aan basis); Wijst het tekort op een ander probleem (de capaciteit om grotere gehelen te verwerken of een gebrek aan dagelijkse inzet). 2° De hoegrootheid van het tekort, enkele tienden van een punt of enkele tientallen punten. II. [Verzoekster] behaalde slechts 2 tekorten en de motivering houdt geen rekening met de persoon van de leerlinge, die slechts voor 6 van de 30 studie-uren niet slaagde. Uit de rapporten blijkt dat [verzoekster] weliswaar slechts 2 jaartekorten behaalde doch dat zij van de 27 maal dat zij een examen aflegde 13 maal niet de helft van de punten behaalde op de grotere toetsingsmomenten examens. Ingevolge haar wijziging van studierichting werd dit aantal herleid naar 9 op 23 omdat er met een aantal onvoldoendes uit het eerste semester geen rekening gehouden werd (daar de lesinhoud niet overeenstemt in de beide richtingen). IX-10.536-4/32 Het reduceren van het tekort tot slechts 6 studie-uren op 30 lesuren is derhalve al te simplistisch, en houdt geen rekening met de ‘kwaliteit’ van de tekorten. Het is duidelijk dat Frans als een hoofdvak aanzien dient te worden. Ook geschiedenis kan niet zomaar als een bijvak beschouwd worden, nu dit vak meer en meer gericht is op vaardigheden als inzicht en het leggen van verbanden tussen verschillende feiten. III. De klassenraad argumenteerde niet waarom de twee tekorten een slaagkans in het 4° jaar Humane wetenschappen hoogst onwaarschijnlijk of onmogelijk maakt, zeker niet als men rekening houdt met het gegeven dat de leerlinge een voldoende behaalde voor 24 van de dertig studie-uren. Uit deze resultaten blijkt dat [verzoekster] in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken. De klassenraad verwees in haar beslissing ook expliciet naar dit tekort in vaardigheid. Naarmate de studies vorderen wordt het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds belangrijker. Ook de omvang van de alsdan te verwerken leerstof neemt dan toe. De klassenraad verwees uitdrukkelijk naar dit kwalitatieve tekort. Voor Frans blijkt bovendien dat de basisvaardigheid onvoldoende aanwezig is vermits noch op dagelijks werk, noch op de examens een voldoende gehaald werd. Uit de toetscommentaren bij alle rapporten blijkt dat zij zowel op grammaire als op vocabulaire zwak scoort. Dit soort hiaten is niet op te vullen in de periode van 1 à 1,5 maand(en). Zonder deze basisvaardigheden voor Frans is het quasi onmogelijk om in een navolgend jaar voldoende te behalen voor dit basisvak. De twee jaartekorten zijn o.m. symptomatisch voor het grotere gebrek dat [verzoekster] in het 4° jaar nog parten zal spelen als zij er niet eerst voor zorgt dat haar basiskennis, noodzakelijke voorkennis, voor een aantal vakken breder wordt zodat zij ook gemakkelijker de grotere gehelen kan verwerken en reproduceren. Dit is des te meer waar nu de leerlinge ook voor die andere vakken een extra tandje zal moeten bijsteken om de grotere gehelen verwerkt te krijgen. Uit de commentaren bij de periodieke rapporten blijkt ook dat [verzoekster] evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken. Dit gebrek aan vaardigheid werd vastgesteld bij geschiedenis en werd ook aangestipt in de toetscommentaren voor andere vakken waarvoor [verzoekster] (nipt) een voldoende scoorde. Inzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen zijn weliswaar geen aparte vakken waarop afzonderlijk punten gegeven worden, maar spelen wel degelijk een rol bij het bepalen van de slaagkansen in een volgend jaar. Er is wel een positieve evolutie ingezet, doch deze evolutie is nog niet groot genoeg een ernstige kans van slagen te hebben in het 4° jaar Humane. IV. De vraag of [verzoekster] op basis van de voorliggende cijfers volstrekt onbekwaam geacht moet worden om haar studies in de richting Humane wetenschappen verder te zetten wordt niet beantwoord. Er is immers wel een positieve evolutie merkbaar in de loop van het schooljaar, en niets belet haar deze positieve evolutie ook verder te zetten in een vierde jaar. IX-10.536-5/32 In de vorige onderdelen werd reeds aangestipt waarom een overgang naar een 4° jaar Humane op dit ogenblik een irrealistische verwachting is, en waarom haar onvoldoende slaagkansen toegemeten kunnen worden om haar thans reeds een A-attest uit te reiken. De beroepscommissie [verwijst] ook naar de toelichting: ‘De evolutie van het leerproces in het tweede semester’, welke de beroepscommissie enkel kan bijtreden, gelet op de vaststellingen die volgen uit de periodieke toetsencommentaren en de feedbackmomenten. V. Een attest regelmatige lesbijwoning wordt gevraagd, en de beslissing uitstellen tot het einde van de tweede graad. Bij het afleveren van een attest dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de leerlinge. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie niet in haar belang een quasi zekere mislukking op het einde van een graad te laten plaatsvinden. De leerlinge zal alsdan van studierichting moeten veranderen en de basis missen voor de verdieping die in een derde graad noodzakelijk is. De leerlinge zou zich dan niet alleen andere studie-inhoud moeten eigen maken, maar tevens de basisvaardigheden en de voorkennis voor deze nieuwe studierichtingen missen. Meer aangewezen is de leerlinge een faire kans te geven in een minder veeleisende maar daarom niet mindere studierichting, - opdat ze daar wel met een succeservaring verder kan studeren zonder een jaar achter te geraken t.o.v. haar leeftijdsgenoten, - en haar daarbij onmiddellijk toe te laten de nodige basis voor de andere studie-inhouden te verwerven. Dan wel haar het jaar te laten overzitten om een bredere basis op te bouwen die haar niet alleen volgend jaar, maar hopelijk ook de jaren nadien de mogelijkheid geven met meer zekerheid en comfort de leerstof te verwerken. De klassenraad kan niet alleen rekening houden met de beweerde of mogelijke capaciteiten, zij moet uitgaan van de behaalde resultaten. Enkel rekening houden met de (beweerde maar niet bewezen) potentialiteiten van een leerlinge is echter onvoldoende om een A-attest te verantwoorden. De klassenraad heeft in casu terecht niet alleen rekening gehouden met de punten an sich (de kwantiteit van de behaalde punten) maar ook met andere elementen zoals de vaardigheid om grotere gehelen te verwerven. De Raad van State meent dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is bij het uitsluiten van de onmiddellijke toegang tot een volgend jaar omdat zij de studiekeuze van de leerlinge gedeeltelijk beperkte. Vooreerst meent de beroepscommissie naar alle bescheidenheid dat zij door een B-attest met clausulering de vrije keuze van de leerlinge zo min mogelijk beperkte. De leerling kan in de door haar gekozen richting studeren indien zij besluit haar jaar over te doen. Deze mogelijkheid werd niet uitgesloten; niettegenstaande de klassenraad/beroepscommissie in een bindend advies deze mogelijkheid zou kunnen uitsluiten. Er werd desbetreffend een gunstig advies afgeleverd. Uit de punten blijkt echter dat de leerlingen niet alle doelstellingen bereikte. Een B-attest uitreiken zonder clausulering zou gelijk staan met een A-attest en is dus zinloos, en ontkent de realiteit dat er geen voldoende behaald werd voor 2 vakken. IX-10.536-6/32 Voor alle volledigheid herneemt de beroepscommissie alle commentaren op de feedbackrapporten van de leerlingen voor het vak Frans: Rapport 1 Je hebt de start echt wel gemist, [verzoekster]... Je geeft zelf aan dat je nog zoekende bent naar een studiemethode. Om een taal onder de knie te krijgen moet je vooral op regelmatige basis werken, de theorie goed studeren en superveel oefenen. Rapport 2 Bijna examentijd ... Het proefwerk zal gericht zijn op het versterken van je theoretische basis. Studeer dus goed alle theorie opnieuw in en vergeet ook niet om voldoende oefeningen opnieuw te maken. Veel succes! Rapport 3 Rapport 4 Rapport 5 Het was fijn om jou dit schooljaar in de klas te hebben, [verzoekster]. Het is een plezier om elke les opnieuw te mogen rekenen op jouw enthousiaste inzet. Je moet hard werken voor je resultaten, en dat lukt niet altijd even goed. Maar je bent een vechtertje en je geeft niet op. Die houding en dat doorzettingsvermogen sieren je! Voor Frans heb je nog wat goed te maken ... Zorg dat je goed voorbereid bent. Zet alles op alles en geloof in jezelf! Ik wens jou alvast héél veel succes! Tevens werd er genoteerd bij de toetscommentaren: […] Deze commentaren laten zich als volgt samenvatten: Periode 1: de vervoegingen van werkwoorden zijn onvoldoende gekend. De vocabulaire is zwak, de orthografie kan beter. Periode 2:de vervoeging van werkwoorden blijft zwak. Indien er hulp is of indien de test wegens afwezigheid thuis gemaakt kan worden lukt het wel. De thuistesten blijven echter niet voldoende indicatief om de kennis volledig te kunnen beoordelen (tijdslimiet versus onbeperkte tijd, hulpmiddelen gebruikt?, boeken, nazicht door derden tot het ± juist was?), vocabulaire blijft zwak. Periode 3 (en 4) scoorden behoorlijk. Periode 5: grammaire en werkwoorden blijven onvoldoende gekend; bij verbeteringen blijven er nog veel fouten. Uit deze commentaren bij het dagelijks werk (welke bevestigd worden door de onvoldoendes bij de examens) blijkt dat [verzoekster] de kennis voor Frans totaal niet beheerst. Bij de examens voor Frans blijkt bovendien dat zij bij het verwerken van grotere gehelen een nog groter tekort laat optekenen. DW 46% > proefwerk 40%; DW 45% > proefwerk 35%, en dat zij ingaat tegen de evolutie van de mediaan van de klas 55% > 59%. In een navolgend jaar worden deze kenniselementen niet meer in extenso herhaald. Zonder de kennis van werkwoorden, vocabulaire, bijwoorden en een voldoende basis voor grammatica, is het onmogelijk in een volgend jaar te slagen voor een vak als Frans. [Verzoekster] zal fouten blijven maken tegen de werkwoordvormen, zal bepaalde woorden niet kunnen gebruiken of verkeerd gebruiken. Bij de beoordeling van haar toetsen in een volgend jaar zullen deze fouten tegen de leerstof uit het derde jaar haar eveneens aangerekend worden. IX-10.536-7/32 Ongetwijfeld zal zij ook fouten maken tegen de leerstof die in het vierde jaar aangereikt wordt. Dit maakt het naar het oordeel van de beroepscommissie quasi onmogelijk om te slagen voor de leerdoelstellingen voor Frans in een 4° jaar met domein overschrijdende doorstroomfinaliteit. De lesinhoud voor Frans is bij alle doorstroomfinaliteiten minstens even omvangrijk en even veeleisend als in een 4° jaar humane Wetenschappen. In TSO/KSO studierichtingen in de domeingebonden doorstroomfinaliteit of in de dubbele finaliteit is de aangeboden leerstof echter minder omvangrijk, gaan de toetsen en de examens over een minder omvangrijk deel van de leerstof, wordt er meer belang gehecht aan de praktische beheersing van de taal (kan ik mij verstaanbaar maken, versta ik wat er gezegd wordt) en iets minder aan de theoretische kennis van de taal, de correcte schrijfwijzen en de juiste nuances bij de uitspraken. M.a.w. wat met één juist vervoegd werkwoord uitgedrukt moet worden in de doorstroomfinaliteit, kan in de niet geclausuleerde richtingen ook duidelijk gemaakt worden door een omschrijving waarvan de betekenis alsdan ook duidelijk is. (Je ne viendrai pas demain demain je ne viens pas.) Ook al verschillen de minimumdoelen niet tussen de ASO richtingen en de andere doorstroom richtingen, dan nog dient vastgesteld dat de leerplandoelen wel degelijk anders zijn. Het tekort voor Frans is derhalve wel degelijk zwaarwichtig en niet enkel symptomatisch. Ook voor geschiedenis blijkt dat de leerlinge [er] niet in slaagde een jaartotaal boven de helft te behalen. De leerstof en de vereiste vaardigheden voor het vak geschiedenis in de studierichtingen uit de domein overschrijdende doorstroomfinaliteit zijn ook groter en complexer dan in de niet geclausuleerde richtingen. Het verwerven van inzichten is eerder praktisch en minder abstract en theoretisch in de richtingen die niet geclausuleerd werden. De beroepscommissie wijst bovendien op het ‘ongewone’ in het leerjaar van [verzoekster]. Tot de kerstvakantie volgde zij het curriculum van de richting 3° jaar Natuurwetenschappen. Na de kerstvakantie schakelde [verzoekster] over naar de richting Humane. Enkel voor de vakken die in de richting Humane dezelfde inhoud hadden als in de richting Natuurwetenschappen werden de resultaten meegenomen naar het tweede semester. Omdat wiskunde, fysica biologie en chemie niet dezelfde lesinhoud hebben, werd met tekorten voor deze vakken geen rekening gehouden, net zoals [verzoekster] geen toetsen moest afleggen over de lesinhouden van het eerste semester, welke specifiek zijn voor de richting Humane filosofie kunstbeschouwing, sociologie en psychologie. De attestering geschiedde derhalve slechts op een gedeeltelijk curriculum. De leerstof in Natuurwetenschappen is voor fysica omvangrijker dan in humane. Niettegenstaande deze ‘voorsprong’ slaagde [verzoekster] niet in het enige proefwerk waarvoor zij beoordeeld zou worden (49%). Er was ook een terugval te zien tussen dagelijks werk 54% > 49%. Voor Nederlands blijkt ook dat er voor de proefwerken een ernstige terugval is in de resultaten tussen Dagelijks werk (kleine gehelen, andere voorbereiding, taken die al dan niet gezamenlijk uitgevoerd kunnen worden, 66% > 46%; 70% > 50% > 44%; IX-10.536-8/32 Geschiedenis: 62% > 27%; 58% > 50% Sociologie en psychologie 63% 61%. De beroepscommissie weerhoudt echter enkel de vakken waarvoor er een tekort behaald werd bij de examens. De beroepscommissie neemt kennis van het feit dat [verzoekster] bijkomende inspanningen leverde tijdens de vakantie. Het zal [verzoekster] ongetwijfeld dit schooljaar ten goede komen dat zij haar Frans herhaald heeft. Dit nieuw ‘gegeven’ weerlegt de vaststellingen op het einde van het jaar gemaakt niet. De beroepscommissie kan niet meegaan in het zelf organiseren van een bijkomende proef om nadien een A-attest of bijkomende proeven te vragen. Er bestaat geen zekerheid over de omstandigheden waarin deze proeven hermaakt werden, noch blijkt welke kennis en vaardigheden er getoetst werden. Prima facie staan er in de voorgelegde werkstukken nog heel wat fouten. Er bestaat geen objectieve vergelijkingsmogelijkheid tussen wat Mter. Vangeel voorlegt en wat normalerwijze van een leerlinge verwacht wordt op het einde van een schooljaar. (Was de inhoud dezelfde, was de vocabulaire dezelfde, ....) De beroepscommissie wordt niet overtuigd door de verbeterde toetsen. Thans nog een bijkomende proef opleggen heeft weinig zin. Op het einde van het schooljaar was alle informatie die noodzakelijk was, verzameld. Er waren geen hiaten in de informatie, wel in de resultaten. Nu nog een bijkomende proef opleggen zou het gelijkheidsbeginsel dat tussen de verschillende leerlingen toegepast moet worden in het gedrang brengen. Daarenboven gaat het pleidooi van beroepers voorbij aan het feit dat ook voor geschiedenis – een vak dat peilt naar inzicht – geen voldoende behaald werd. De basisvaardigheden voor dit vak werden evenmin verworven. Tot slot merkt de beroepscommissie op dat de wetgever elk jaar proeven laat afnemen en niet enkel per graad. Het is derhalve wel degelijk de bedoeling dat niet enkel per graad geëvalueerd wordt maar wel elk schooljaar.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.536-9/32 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. In haar nota met opmerkingen betoogt de verwerende partij dat de algemene uiteenzetting dat verzoekster “haar normale studieloopbaan niet kan vervolgen”, dat zij zonder een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid “een schooljaar verliest” en “gekraakt wordt in haar fragiliteit”, niet volstaat als bewijs voor “ernstige nadelen die een schorsing bij UDN verantwoorden”. De verwerende partij licht vervolgens toe wat volgt: “9. Om te beginnen lijkt verzoekende partij uit het oog te verliezen dat haar met de bestreden beslissing een B-attest werd toegekend (en geen C-attest). Een B-attest houdt in dat de betrokken leerling wel degelijk gewoon naar het volgend schooljaar mag overgaan, maar niet in alle studierichtingen. Dit staat ook expliciet zo verwoord in de bestreden beslissing waar het luidt ‘dit betekent dat zij [verzoekende partij, nvdr.] kan overgaan naar een volgend leerjaar in een richting in de domeingebonden doorstroomfinaliteit, de dubbele finaliteit of de finaliteit arbeidsmarkt.’ Er kan dan ook in weerwil van wat verzoekende partij voorhoudt, geen sprake zijn van een verlies van een schooljaar. De bestreden beslissing verhindert bijgevolg niet dat verzoekende partij zal kunnen overgaan, zij het niet in om het even welke richting. Dit had eventueel anders geweest bij een C-attest vermits in dat geval de leerling niet mag overgaan maar het jaar moet dubbelen. De bestreden beslissing heeft evenwel betrekking op een B-attest (en niet op een C-attest). Het feit dat verzoekende partij gebeurlijk een andere studierichting zal moeten aanvatten in plaats van de door haar geambieerde richting humane wetenschappen, betekent niet dat zij geen normale studieloopbaan zou hebben. Het gebeurt regelmatig dat leerlingen van studierichting veranderen, zelfs doorheen het jaar. Dit is geen abnormaal of aberrant gegeven dat ogenblikkelijk een halt moet worden toegeroepen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat zowat elk B-attest automatisch vatbaar zou zijn voor schorsing bij UDN. Zoals gezegd is de schorsing bij UDN echter een uitzonderingsprocedure waar met de nodige omzichtigheid mee moet worden omgesprongen. Het is eveneens onduidelijk wat verzoekende partij bedoelt met de door haar aangehaalde fragiliteit. Dit wordt niet verder uitgewerkt of aangetoond in het verzoekschrift en bovendien is het een raadsel in welke mate de gevorderde schorsing van de bestreden beslissing bij UDN hier een impact op zou kunnen hebben. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal dit niet wegnemen of verminderen. 10. IX-10.536-10/32 In de mate dat het verzoekende partij er om te doen is het beweerdelijk verlies van een schooljaar te voorkomen moet bovendien worden opgemerkt dat de gevorderde schorsing bij UDN hiertoe niet doelmatig is. De bestreden beslissing verhindert immers niet dat de betrokken leerling kan overgaan. Op basis van de bestreden beslissing kan verzoekende partij een nieuw schooljaar aanvatten zodat zij op haar volledige schoolloopbaan geen jaar hoeft te verliezen. 11. Tot slot verwijst verzoekende partij naar tijd die verloren aan het gaan zou zijn om nog een mogelijke positieve beslissing op een A-attest te kunnen hebben. Zoals verzoeker zelf reeds opmerkt leidt een schorsing niet automatisch tot het toekennen van een A-attest. De rechtspraak die verzoekende partij in haar verzoekschrift op dat punt citeert (arrest nr. 186.614 van 30 september 2008) doet niet anders besluiten. Nalezing van het integrale arrest waaruit verzoekende partij citeert leert immers dat de passus die verzoekende partij aanhaalt niet gaat over de beoordeling van de spoedeisendheid maar dat een overweging uit het arrest betreft waar door Uw Raad geoordeeld werd over de exceptie van gebrek aan belang in hoofde van de toenmalige verzoekende partij. De school had in die zaak namelijk aangevoerd dat de leerling geen belang had bij de vordering omdat een schorsing niet rechtstreeks leidt tot een A-attest waarbij Uw Raad overwoog dat daarin het belang (niet: de urgentie) van de verzoeker te vinden was. Opnieuw is dit illustratief voor de wijze waarop belang en hoogdringendheid langs de zijde van verzoekster door elkaar worden gebruikt, terwijl dit zoals gezegd twee onderscheiden vereisten zijn. Opnieuw wordt louter een belang aangetoond maar daarmee zijn de zwaarwichtige gevolgen niet bewezen waartoe enkel een schorsing bij UDN soelaas voor zou bieden.” Beoordeling 6. Verzoekster zet de uiterst dringende noodzakelijkheid op eenzelfde wijze uiteen als in haar verzoekschrift dat heeft geleid tot het schorsingsarrest nr. 260.464 van 29 juli 2024. De verwerende partij harerzijds, herneemt eveneens mutatis mutandis haar betwisting omtrent die schorsingsvoorwaarde zoals zij die in de voorgaande procedure deed gelden. In het meervermelde arrest nr. 260.464 heeft de Raad van State geoordeeld dat de bezwaren van de verwerende partij niet kunnen overtuigen en dat verzoekster de uiterst dringende noodzakelijkheid afdoende aantoont. IX-10.536-11/32 Aangezien partijen in de huidige procedure, in wezenlijk dezelfde omstandigheden en wezenlijk dezelfde bewoordingen, hun standpunten hernemen, dwingen zij de Raad van State ertoe eveneens in herhaling te vallen. 7. Gewis is het zo dat verzoekster in haar verzoekschrift de ontvankelijkheidsvoorwaarden en de schorsingsvoorwaarden door elkaar bespreekt onder – opnieuw – het al even veelzeggende kopje ‘III. Uiterst dringende noodzakelijkheid – spoedeisendheid – belang en nadeel’. Evenwel blijkt uit de nota dat de verwerende partij, ook in de huidige procedure, zéér wel heeft begrepen waarom verzoekster meent een beroep te mogen doen op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 8. Verzoekster heeft tijdens het georganiseerd administratief beroep – zowel tijdens het overleg met de directie als in het bezwaarschrift voor de beroepscommissie – erop gehamerd dat zij de kans vraagt om haar studies voort te zetten in de richting humane wetenschappen. Aangenomen wordt derhalve dat zij thans in haar verzoekschrift – opnieuw – geloofwaardig betoogt dat deze studierichting haar voorkeur wegdraagt – “[verzoekster] wenst de overgang te maken naar het vierde jaar Humane Wetenschappen”. Die richting kan zij op grond van het toegekende oriënteringsattest B slechts volgen door het jaar over te zitten. Verzoekster brengt dan ook met reden het dreigende verlies van een schooljaar als nadeel naar voor. Om een dergelijk nadeel af te wenden middels een procedure voor de Raad van State wordt voorts aangenomen dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de meest geëigende weg is. Verzoekster verwijst bijgevolg terecht naar dit dreigende verlies van een schooljaar ter verantwoording van de door haar ingeleide uitzonderingsprocedure. IX-10.536-12/32 9. Voor zover de verwerende partij met haar betoog dat “een schorsing niet automatisch tot het toekennen van een A-attest” leidt, zou bedoelen dat verzoekster ook om die reden de toegang tot deze uitzonderingsprocedure moet worden ontzegd, moet haar – nogmaals – het volgende worden tegengeworpen. Hoewel voorlopig van aard, moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep en om de onwettig lijkende beslissing van de beroepscommissie reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, in het licht van het ernstig bevonden middel te doen heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. 10. Aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. VI. Ernst van het enig middel Standpunt van de partijen 11.1. In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“het organisatiebesluit van 2022”), de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 11.2. Verzoekster brengt in herinnering dat artikel 61 van het organisatiebesluit 2022 onder meer bepaalt dat clausulering studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk mag verengen, zodat de beroepscommissie de clausulering die met een B-attest gepaard gaat zorgvuldig moet verantwoorden. Van een prospectieve benadering in die zin is volgens verzoekster geen sprake. IX-10.536-13/32 Zij stelt voorts dat de beroepscommissie geen rekening heeft gehouden met de overwegingen in arrest nr. 260.464 die tot de schorsing van de vorige evaluatiebeslissing hebben geleid, doordat de beroepscommissie nog steeds resultaten voor vakken met een slaagcijfer hanteert voor de beoordeling van verzoeksters kunde om grotere leerstofgehelen te verwerken. Bovendien, zo stelt verzoekster, komt de beroepscommissie er nog steeds niet toe om op overtuigende wijze uiteen ze zetten waarom de resultaten voor Frans en geschiedenis alleen reeds verzoeksters slaagkansen in een vierde jaar humane wetenschappen hypothekeren. Verzoekster betwist ook dat haar jaarrapport toelaat te stellen dat zij niet in staat is grotere leerstofgehelen te verwerken. Verzoekster stelt voorts nog: “Het lijkt er dus op dat de beroepscommissie zich vooral focust op het eerste semester (als zij het heeft over grotere gehelen), maar toen zat verzoekster in een andere richting. Indien de klassenraad en ook nu de beroepscommissie dermate belang hecht aan het eerste trimester, had zij bijkomende proeven kunnen opleggen om de ontbrekende informatie te bekomen en met zekerheid te kunnen bepalen of de leerplandoelen voor het gehele jaar niet werden behaald. Verzoekster deed dit niet, waardoor zij stilzwijgend het belang van het eerste semester zelf minimaliseert. In het tweede semester heeft verzoekster dus slechts 1 semestertekort, m.n. voor Frans. Daarbij moet opgemerkt worden dat het laatste examen Frans viel op de dag van de herdenking van haar overleden vader. Op welke manier deze opvallend positieve evolutie (die ook uitdrukkelijk als argument in het intern beroep werd uitgewerkt) – en het positieve resultaat – ingevolge de verandering van richting – zich volgend jaar niet opnieuw in een slagen voor het ganse jaar kan vertalen is onduidelijk en dergelijke stelling is dan ook kennelijk onredelijk gelet op het ene tekort voor Frans. Men lijkt in de motivering van de bestreden beslissing dus onterecht een groot belang [toe te kennen] aan het eerste trimester van het afgelopen schooljaar (cfr. verwijzing grotere gehelen), dit terwijl verzoekster toen in een richting zat die te zwaar was voor haar waardoor haar cijfers tijdens dit trimester niet representatief zijn. De bestreden beslissing hecht een onrechtmatig groot belang aan de vakken Frans (en Geschiedenis) in de richting Humane Wetenschappen. Bij aanvatting van de richting Humane Wetenschappen werd [verzoekster] duidelijk meegegeven dat Psychologie en Sociologie, Filosofie en Kunstbeschouwing de richtingspecifieke vakken zijn. Nu plots kent men een onrechtmatig groot gewicht toe aan de vakken Frans en Geschiedenis. IX-10.536-14/32 Het is dan ook maar zeer de vraag waarop de beroepscommissie zich steunt om te menen dat de – niet-behaalde – leerdoelstellingen voor Frans haar zouden verhinderen om volgend jaar te kunnen slagen. Zoals gesteld is dit vak immers geen richtingspecifiek vak en kent dit ook slechts een beperkt aantal uren ten opzichte van richtingspecifieke vakken in de richting die [verzoekster] wenst te volgen, zodat niet duidelijk is hoe dit verzoekster volgend jaar zou verhinderen om te slagen zoals zij dit jaar doet. Voor het overige verwijst men naar het tekort voor Geschiedenis. Hierbij gaat men voorbij aan het feit dat dit slechts een gering tekort van 48,3% betreft en opgebouwd is in het eerste semester toen verzoekster nog in een te zware richting zat. In het tweede semester vertoont zij geen tekort op dit vak, zodat ook niet kan worden ingezien waarom dit haar volgend jaar parten zou spelen. Wanneer we het lessenrooster bekijken, dienen we vast te stellen dat verzoekster voor alle richtingspecifieke vakken slaagt. Bovendien zijn de vakken Frans en Geschiedenis natuurlijk maar één (klein) aspect van de richting die verzoekster wil volgen en kan men moeilijk op basis hiervan besluiten dat de gehele richting volstrekt onhaalbaar zou zijn. De beroepscommissie negeert dit en steunt haar flinterdunne prospectieve blik enkel op Frans/geschiedenis en de grotere gehelen (cfr. De beroepscommissie weerhoudt echter enkel de vakken waarvoor er een tekort behaald werd bij de examens), waarvan dus hierboven is aangetoond dat dit niet klopt. De zeer overtuigende motieven die vereist zijn om aan te tonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen in het volgende leerjaar zo miniem zijn dat men de richting dient te clausuleren, worden op geen enkele wijze hard gemaakt of verduidelijkt. Er dient geen garantie op succes te zijn, maar wel een verregaande quasi zekerheid dat [verzoekster] geen slaagkansen heeft in het gewenste jaar om tot een clausulering te kunnen besluiten. Van het volstrekt ontbreken van enige redelijke slaagkansen in de richting die [verzoekster wenste] uit de clausulering te behouden, kan geen sprake zijn. Minstens zijn dergelijke motieven niet terug te vinden in de bestreden beslissing. Er ligt wel degelijk een redelijke slaagkans voor: er is sprake van relatief kleine tekorten voor vakken die niet doorslaggevend zijn in de geambieerde richting. Hoe deze vakken de redelijk[e] slaagkans dan zouden hypothekeren is voor [verzoekster] volstrekt onduidelijk en leert de bestreden beslissing ook niet. De beslissing van de beroepscommissie is dan ook niet met uitdrukkelijk tot uiting gebrachte, afdoende, pertinente en draagkrachtige motieven onderbouwd aangezien zij het door de rechtspraak van uw Raad opgelegde prospectieve aspect niet tot uiting brengt. Op deze wijze is de bestreden beslissing onzorgvuldig en kennelijk onredelijk, en schendt deze de motiveringsplicht.” 12.1. De verwerende partij werpt in hoofdorde een exceptio obscuri libelli op en stelt dat het middel onontvankelijk is. Ter zake betoogt zij: IX-10.536-15/32 “De verzoekende partij hekelt een aantal bepalingen, nl. artikel 60 en 61 van het Organisatiebesluit en de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verwerende partij kan niet afleiden op welke wijze de verzoekende partij deze artikelen en beginselen geschonden acht. Op basis van artikel 60, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 komt het aan de klassenraad toe om in het kader van de leerlingenevaluatie te beslissen over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang het geval: ‘Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval.’ Artikel 61 laat dan weer toe dat in een evaluatiebeslissing bij de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen kunnen worden opgelegd: ‘De evaluatiebeslissing dat de leerling een structuuronderdeel of een graad met vrucht heeft beëindigd kan gekoppeld worden aan clausulering, waarbij aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd. De volgende clausuleringen zijn mogelijk: 1° in het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B: de uitsluiting van een of meer basisopties of een of meer pakketten van basisopties van het tweede leerjaar A of B; 2° in het tweede leerjaar A, het tweede leerjaar B, het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad: de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen. 3° in het eerste leerjaar van de derde graad van de dubbele finaliteit – kso of tso: de uitsluiting van alle structuuronderdelen van de dubbele finaliteit – kso of tso. Bij clausulering houdt de klassenraad rekening met de volgende vereisten: 1° clausulering mag studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk verengen; 2° clausulering mag niet alleen met het oog op het studieaanbod van de school zijn; 3° clausulering moet rekening houden met de verplichte afspraken binnen de scholengemeenschap over een objectieve leerlingenoriëntering.’ Uit deze bepalingen volgt dat de inhoudelijke beoordeling van de opportuniteit om een bepaalde eindevaluatie toe te kennen al dan niet gekoppeld aan een bepaalde clausulering, aan de delibererende klassenraad toekomt dan wel aan de beroepscommissie in graad van beroep. Uit het verzoekschrift namens verzoekende partij blijkt echter niet waarom de bestreden beslissing een schending van artikel 60 van het Organisatiebesluit zou inhouden. Deze bepaling wordt eenmalig geciteerd zonder enige verdere toelichting in concreto. IX-10.536-16/32 In het verzoekschrift wordt ook niet afdoende geduid waarom een schending van artikel 61 van het Organisatiebesluit zou voorliggen. Ook de vermeende schendingen van ‘de motiveringsplicht’, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geenszins geconcretiseerd. Er wordt niet aangegeven wat deze beginselen volgens verzoekende partij zouden inhouden, laat staan op welke wijze de bestreden beslissing deze beginselen zou schenden. Verzoekende partij lijkt te hekelen dat de bestreden beslissing door de clausulering haar studiekeuze vroegtijdig wordt beperkt in strijd met artikel 61 van het Organisatiebesluit. Er zou niet afdoende worden gemotiveerd waarom de resultaten van verzoekende partij de clausulering rechtvaardigen. De verwerende partij zal zich ten opzichte van dit standpunt hieronder verweren. Het komt niet toe aan de verwerende partij om een middel te distilleren uit het verzoekschrift.” 12.2. In haar nota met opmerkingen betoogt de verwerende partij voorts, wat de ernst van het aangevoerde middel betreft, dat de klassenraad over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De Raad van State mag de inhoudelijke beoordeling van de klassenraad of de beroepscommissie niet overdoen en evenmin zijn oordeel in de plaats stellen van die van de klassenraad of de beroepscommissie. De Raad van State mag alleen nagaan of de bestreden beslissing zorgvuldig en correct is tot stand gekomen en of de beslissing niet kennelijk onredelijk is. De verwerende partij kan zich niet van de indruk ontdoen dat verzoekster met de door haar geformuleerde kritiek de Raad ertoe beweegt de inhoudelijke beoordeling over te doen en inhoudelijk uitspraak te doen over de opportuniteit van het aan verzoekster toegekende B-attest. Daarvoor is de Raad van State niet bevoegd. De redenen die verzoekster aanhaalt om het B-attest te betwisten, zijn van inhoudelijke aard en vallen buiten het bestek van een prima facie-beoordeling in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dat verzoekster het inhoudelijk niet eens is met de bestreden beslissing volstaat niet om deze onredelijk of onwettig te noemen. Vervolgens citeert de verwerende partij in extenso de bestreden beslissing. Zij besluit daarbij dat iedere grief van verzoekster uitvoerig wordt besproken en weerlegd. Er wordt ook omstandig toegelicht waarom een B-attest met clausulering ASO werd toegekend. IX-10.536-17/32 Zo wordt er gewezen op het tekort voor Frans. Verzoekster heeft voor dit vak nooit een voldoende behaald, niet voor dagelijks werk en ook niet voor de examens. De achterstand voor dit vak kan niet worden opgelost vóór de start van het nieuwe schooljaar. Verzoekster beheerst niet de nodige basisvaardigheden. De bestreden beslissing benadrukt ook dat Frans een “hoofdrol” speelt doorheen de opleiding humane wetenschappen en alle andere opleidingen in het ASO – het telt met vier lesuren evenveel lesuren als Nederlands en wiskunde en meer dan de richtingspecifieke vakken, waarvoor er drie worden voorzien. Frans is dus wel degelijk een doorslaggevend vak voor deze studierichting. Uit de gebrekkige beheersing van verschillende onderdelen zoals werkwoorden, vocabulaire, bijwoorden en grammatica kon de beroepscommissie besluiten dat het voor verzoekster nagenoeg onmogelijk zal zijn om voor dit vak te slagen in een volgend jaar. De verwerende partij stipt voorts nog aan dat verzoekster in het derde jaar humane wetenschappen een bijkomend lesuur Frans heeft genoten (differentiatie-uur) om de leerstof te verwerken en dat in een dergelijk vijfde uur in het vierde jaar normaliter niet meer is voorzien. Tot slot, wat dit vak betreft, stelt de verwerende partij dat de beroepscommissie uitdrukkelijk aangeeft waarom verzoekster “buiten ASO domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit” wel een kans heeft om voor Frans te slagen. Wat de grief betreft dat het examen Frans samenviel met de herdenking van het overlijden van verzoeksters vader, licht de verwerende partij toe dat de school heeft voorgesteld om dat examen uit te stellen. De moeder van verzoekster bevestigde echter dat verzoekster zou deelnemen aan het examen op de voorziene datum. Met betrekking tot geschiedenis, betoogt de verwerende partij dat de inhoud van het vak niet verschilt in de studierichtingen natuurwetenschappen en humane wetenschappen, zodat het niet onredelijk is om de resultaten van het eerste semester mee te nemen in de beoordeling van het jaartotaal. Bovendien neemt het vak in het leerplan een belangrijke plaats in. Voor zover verzoekster wijst op een “opvallend positieve evolutie”, werpt de verwerende partij tegen dat verzoekster voor Frans nooit een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-18/32 slaagcijfer heeft gehaald en dat zij er voor geschiedenis niet in slaagde om het tekort uit het eerste semester weg te werken. Daarom ook, zo stelt de verwerende partij, overweeg de beroepscommissie dat verzoekster niet álle doelstellingen van het derde jaar humane wetenschappen heeft bereikt. Daarenboven wordt benadrukt dat ook voor de andere vakken door de leerkrachten werd opgemerkt dat verzoekster specifieke moeilijkheden ondervindt bij inzichtelijke vraagstukken. Zij heeft tevens moeilijkheden bij het verwerken van grote gehelen. Het is niet onzorgvuldig om deze moeilijkheden bij andere vakken te betrekken in de bestreden beslissing, ook al liggen voor die vakken slaagcijfers voor. De kern van het B-attest ligt in de behaalde tekorten; zonder tekorten zou er “quasi automatisch” een A-attest zijn toegekend. De bestreden beslissing, zo besluit de verwerende partij, geeft blijk van een duidelijke prospectieve benadering waarbij formeel is gemotiveerd dat de vakken met jaartekorten belangrijk zijn voor de richting humane wetenschappen en ASO. De bestreden beslissing is aldus op zorgvuldige en omstandige wijze gemotiveerd. De motieven zijn “zorgvuldig uitgewerkt en draagkrachtig alsook pertinent om de bestreden beslissing te schragen”. Beoordeling 13. Uit het verzoekschrift blijkt voldoende duidelijk dat verzoekster in essentie aanvoert dat de beroepscommissie de studiekeuze vroegtijdig heeft verengd en dat er voor de uitreiking van een oriënteringsattest B met clausulering voor het ASO geen afdoende motieven worden aangereikt. Daarmee doelt verzoekster duidelijk op een schending van artikel 61 van het organisatiebesluit van 2022 – waarvan zij de tekst overigens aanhaalt – en op een schending van de formelemotiveringsplicht. Waar verzoekster met betrekking tot de grotere leerstofgehelen stelt dat de cijfers van de voorliggende rapporten de overwegingen van de beroepscommissie tegenspreken, doelt verzoekster op de materiëlemotiveringsplicht. In fine stelt verzoekster dat de beroepscommissie daardoor ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schendt. IX-10.536-19/32 De verwerende partij kon het aldus uiteengezette middel voldoende begrijpen om een verweer te kunnen voeren, wat zij overigens – al dan niet met verwijzing naar de aangehaalde rechtsgronden – omstandig heeft gedaan. In dat opzicht wordt de exceptie verworpen. 14. Artikel 60 van het organisatiebesluit van 2022 luidt: “Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval. In sommige structuuronderdelen impliceert het eerste lid dat: […]” Uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht dat de beroepscommissie is nagegaan of de verzoekster de doelstellingen heeft bereikt en daarover uitspraak heeft gedaan. Verzoekster maakt niet duidelijk welk belang zij heeft bij het aanvoeren van een schending van deze bepaling, zodat het enige middel in dat opzicht niet ontvankelijk is. 15. Verzoekster merkt op dat het laatste examen Frans viel op de dag van de herdenking van haar overleden vader. Ter zake heeft de Raad in nr. 260.464 van 29 juli 2024 het volgende overwogen: “In haar bezwaarschrift heeft verzoekster inderdaad doen gelden dat zij ‘nogmaals [wenste] te benadrukken: […] Haar examen Frans in juni was op dezelfde dag als de herdenking voor haar overleden vader’. Wat zij met die ‘vaststelling’ – het lijkt inderdaad niet méér dan dat te zijn – van de beroepscommissie verwacht, is op het eerste gezicht niet duidelijk. Zij hecht daaraan, zo lijkt, zelf geen enkele conclusie. Prima facie zelfs niet, bijvoorbeeld, dat het cijfer niet representatief is of dat precies om die reden een bijkomende proef op haar plaats zou zijn. Dat gebrek aan duidelijkheid lijkt de vereiste ernst van de grief te ondergraven. Bezwaarindieners kunnen, zoals gezien en op het eerste gezicht, slechts aanspraak maken op een uitdrukkelijk antwoord op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-20/32 wezenlijke grieven die voor hen een gunstiger resultaat mogelijk maken. Dat karakter moet, zo lijkt, aan de voormelde ‘vaststelling’ worden ontzegd. Een en ander klemt des te meer gelet op wat volgt. De pedagogisch directeur schreef in dat verband een drietal weken vóór het betrokken examen aan de moeder van verzoekster: ‘We willen [verzoekster] zeker de kans geven om deze herdenking bij te wonen. Gegeven dat de herdenking plaatsvindt tijdens de examenperiode, zullen we één of meerdere inhaalexamens moeten inrichten. Ik vermoed dat [verzoekster] al zeker geen examen zal kunnen afleggen op 13 juni, maar misschien ook op 14 juni? […] Kan u mij laten weten wat haalbaar is?’ Daarop liet de moeder van verzoekster aan de school het volgende weten: ‘Het examen Frans op donderdagvoormiddag 13 juni zal [verzoekster] gewoon meedoen, het probleem ligt bij de examens voor vrijdag 14 juni, daar zij in de namiddag onvoldoende zal kunnen studeren. Alsook weet ik van de voorbije jaren dat het mentaal toch ook steeds een impact heeft.’ In deze mate is het middel niet ernstig.” Daar verzoekster zich ertoe beperkt enkel ‘op te merken’ dat het laatste examen Frans viel op de dag van de herdenking van haar overleden vader, zonder daar verder enig gevolg uit te trekken, is er voor de Raad geen reden om er thans anders over te oordelen. In die mate is het middel niet ernstig. 16. Hierna wordt, binnen het kader van het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, onderzocht of de beroepscommissie, steunend op de resultaten van verzoekster en de overige elementen van het voorliggende leerlingendossier, haar beslissing om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen op een deugdelijke grondslag heeft gesteund. Evident oefent verzoekster aldus, zo lijkt, ook een wettigheidskritiek uit op de bestreden beslissing, en niet een loutere opportuniteitskritiek. Mocht die deugdelijke grondslag ontbreken, miskent de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht. 17.1. Aan verzoekster is een oriënteringsattest B toegekend. 17.2. Naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit 2022 betekent een B-attest dat – onder meer – de leerling het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-21/32 eerste leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”. Een clausulering betekent dan weer dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd” (artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit). De vaststelling dat een leerling het leerjaar “met vrucht” heeft beëindigd, doet vooralsnog aannemen dat de tekorten die zij heeft behaald géén reden waren om haar te beschouwen als niet-geslaagd voor het desbetreffende jaar. In dat geval zou zij immers een C-attest hebben gekregen. Het lijkt eveneens te doen aannemen dat de motivering van een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht haar studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot een welbepaalde onderwijsvorm of finaliteit moet worden ontzegd. Het aanvechten van een B-attest binnen het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden. 17.3. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit), en wordt geacht haar studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen of zelfs een gehele onderwijsvorm of finaliteit niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dát schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling – of van haar ouders. Een klassenraad of een beroepscommissie kan op basis van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of zij kunnen vakantietaken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-22/32 opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent, verkiest echter in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroepscommissie bij het uitreiken van een B-attest tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is immers geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. De vooruitblik van de beroepscommissie is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet zij deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. Artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit 2022 bepaalt nog dat de clausulering “studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk [mag] verengen”. 17.4. Uit wat voorafgaat volgt, samengevat, dat van een beroepscommissie die beslist een clausulering op te leggen, een sterk doorgedreven motivering mag worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt – de uitdrukkelijke en afdoende vermelding van de motieven in de beslissing – als vanuit materieel oogpunt – de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag van die beslissing in het dossier. De beroepscommissie zal met overtuigende motieven moeten aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn, dat haar zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting aan te vatten. IX-10.536-23/32 18. Toegepast op de voorliggende zaak, moet in de huidige stand van de procedure op het eerste gezicht worden vastgesteld wat volgt. 19. Verzoekster heeft voor alle vakken slaagcijfers behaald, behalve voor geschiedenis (48,3%) en Frans (43,2%). Voor vijf vakken behaalt zij een resultaat tussen 50% en 60%, voor zes vakken een resultaat tussen 60% en 70% en voor twee vakken scoort zij tussen 70% en 80%. Een en ander geeft, zoals gezien, een gewogen jaartotaal van 57,2%. Die punten moeten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Aangenomen moet worden dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die door het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer. Daaruit volgt, in beginsel, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt zij ook geslaagd verklaard. 20. Uit de motieven in de bestreden beslissing blijkt dat de beroepscommissie zich heeft gesteund op meerdere elementen om het oriënteringsattest B en de clausulering te rechtvaardigen. De beroepscommissie brengt in de bestreden beslissing immers niet enkel de jaartekorten voor Frans en geschiedenis ter sprake, maar duidt ook dat verzoekster “in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken”. De beroepscommissie overweegt eveneens dat “[u]it de commentaren bij de periodieke rapporten blijkt ook dat [verzoekster] evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken” en dat “[i]nzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen weliswaar geen aparte vakken [zijn] waarop afzonderlijk punten gegeven worden, maar een rol [spelen] bij het bepalen van de slaagkansen in een volgend jaar”. IX-10.536-24/32 Aan geen van die motieven kan op het eerste gezicht een determinerend karakter worden toegedacht. Integendeel, de beroepscommissie lijkt het geheel van de bovenstaande elementen noodzakelijk te achten om tot haar oordeel te komen. De beroepscommissie motiveert immers dat de klassenraad “terecht niet alleen [besloot] rekening [te houden] met de punten an sich (de kwantiteit van de behaalde punten) maar ook met andere elementen zoals de vaardigheid om grotere gehelen te verwerven”. Van die motieven moet dus worden nagegaan of ze afdoende en deugdelijk zijn, wil de beroepscommissie de formele– en materiële motiveringsplicht niet schenden. Vermits de beroepscommissie haar oordeel in de bestreden beslissing klaarblijkelijk steunt op het geheel van die motieven samengenomen, zal het onwettig bevinden van één van die elementen het geheel van het oordeel van de beroepscommissie in de bestreden beslissing treffen. Het is immers niet mogelijk om te oordelen of de beroepscommissie – in het geval één van de aangehaalde motieven niet afdoende of deugdelijk zou zijn – alsnog de conclusie in de bestreden beslissing zou handhaven. Het aan de Raad van State opgedragen wettigheidstoezicht verhindert in ieder geval dat hij zich op dit punt in de plaats zou stellen van de beroepscommissie. 21. Het motief dat verzoekster “in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken”, dat “[n]aarmate de studies vorderen het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds belangrijker [wordt]”, en dat “[o]ok de omvang van de alsdan te verwerken leerstof [toe]neemt”, is op het eerste gezicht niet deugdelijk. Waar de beroepscommissie in haar beslissing van 10 juli 2024 – zoals de Raad van State vaststelde in het meervermelde arrest nr. 260.464 – nog in gebreke bleef om te duiden op welke vakken ze doelde, doet de beroepscommissie op het eerste gezicht deze keer wel een poging om deze nader te omschrijven. De beroepscommissie motiveert immers dat “de attestering geschiedde (…) op een gedeeltelijk curriculum” en ze tevens “enkel de vakken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-25/32 [weerhoudt] waarvoor er een tekort behaald werd bij de examens”. In het kader van die motieven verwijst de beroepscommissie naar de vakken fysica, Nederlands, geschiedenis, en sociologie en psychologie. Telkens schetst de beroepscommissie ook het lagere cijfer voor bepaalde examenreeksen in vergelijking met het dagelijks werk. De motieven van de beroepscommissie zijn daartoe echter beperkt. Nochtans overwoog de Raad van State in zijn vóórmeld arrest dat verzoekster voor die vakken – met uitzondering van geschiedenis – slaagcijfers kan voorleggen, zodat de beroepscommissie noodzakelijkerwijs met grote omzichtigheid, omstandig en precies aan de hand van onderwijsdoelen en leerplannen, gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten, moest uiteenzetten waarom de voldoende resultaten toch de kansen van verzoekster determineren voor het verwerven van de volgend jaar in de door haar geambieerde studierichting vereiste kennis en kunde voor die vakken: “In dat verband moet echter mét verzoekster worden opgemerkt dat zij voor die andere vakken wel slaagcijfers kan voorleggen. De jaarcijfers per vak, zoals die op het rapport van verzoekster verschijnen, lijken voorts niet de eenvoudige som van de cijfers voor dagelijks werk en de examencijfers van december, Pasen en juni te zijn. Het jaartotaal per vak is, zo lijkt, een ‘gewogen’ cijfer. Over hoe dat jaarcijfer precies is samengesteld, verstrekt de verwerende partij prima facie niet de minste informatie, trouwens net zomin als de beroepscommissie. Er is nagelaten het schoolreglement in het administratief dossier op te nemen – mocht dit op dat vlak al enige opheldering bieden. Van de Raad van State mag dan weer niet worden verwacht dat hij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zelf poogt te achterhalen aan de hand van de deelcijfers voor elk vak op grond van welke wegingsfactoren de eindcijfers zijn tot stand gekomen. In het geval dat voor het eerste leerjaar van de tweede graad het belang van het dagelijks werk verhoudingsgewijs hoger is dan dat van de examens, laat de beroepscommissie niet verstaan, zo lijkt, hoe op grond van die cijfers en in het licht van dit specifieke motief van de beroepscommissie, een prospectieve benadering mogelijk is, minstens lijkt zij niet inzichtelijk te maken of er een wijziging in de verhouding dagelijks werk – examens bij de berekening van het jaartotaal per vak optreedt bij de overstap naar een tweede leerjaar van dezelfde graad, laat staan waarin die wijziging zou bestaan en in welke mate daaraan desgevallend welbepaalde conclusies kunnen worden verbonden in verband met de slaagkansen van verzoekster in dat volgende leerjaar. De algemene bewoordingen dat ‘[n]aarmate de studie[s] vorderen […] het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-26/32 belangrijker [wordt]’ en dat ‘de omvang van de alsdan te verwerken leerstof [toeneemt]’, lijken alvast niet de vereiste, op de zaak toegespitste verduidelijkingen te bieden. In het andere geval, namelijk dat in het eerste leerjaar van de tweede graad het aandeel van de examens méér doorweegt dan de cijfers voor dagelijks werk, lijkt de redeneerwijze van de beroepscommissie des te minder te kunnen worden bijgevallen. Immers, alsdan zou de bijzondere weging van beide onderdelen op het eerste gezicht precies impliceren dat het al dan niet in staat zijn om grotere hoeveelheden leerstof te verwerken, reeds per vak in het jaartotaal is verdisconteerd. Wie niet in staat is om grote hoeveelheden leerstof te verwerken, zal minder goed scoren op examens en dat moet leiden, door het gewicht dat aan die examens wordt toegekend, tot een lager gewogen jaartotaal per vak. Wanneer, in die omstandigheden, een leerling ‘voldoende’ gewogen jaarcijfers behaalt, dan volgt daaruit dat zij voor die vakken de leerplandoelstellingen heeft bereikt. (…) Een reden te meer, zo lijkt, waarom de beroepscommissie met grote omzichtigheid, omstandig en precies, aan de hand van onderwijsdoelen en leerplannen gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten, moest uiteenzetten waarom de voorhanden zijnde – voldoende – resultaten toch de kansen van verzoekster determineren voor het verwerven van de volgend jaar in de door haar geambieerde studierichting vereiste kennis en kunde voor die vakken.” Die overwegingen gelden op het eerste gezicht des te meer aangezien uit het schoolreglement blijkt dat verzoekster zich klaarblijkelijk in het door de Raad omgeschreven geval bevindt waarbij het aandeel van de examens meer doorweegt dan de cijfers voor dagelijks werk. Het schoolreglement overweegt onder randnummer 3.5.5.1 immers: “Het belang van dagelijks werk (in % uitgedrukt) neemt geleidelijk af in de 2de en 3de graad. Het belang van de grote overhoringen (in % uitgedrukt) vermeerdert geleidelijk in de 2de en 3de graad.” De beroepscommissie verantwoordt in de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet waarom de voldoende resultaten voor de vakken toch de kansen van verzoekster determineren voor het verwerven van de volgend jaar in de door haar geambieerde studierichting gestelde leerdoelen. Ze beperkt zich enkel en alleen tot het herhalen van de cijfers die verzoekster doorheen het schooljaar optekenden, zonder daarbij stil te staan dat alvast de gewogen jaarcijfers voor de vakken fysica, Nederlands, en sociologie en psychologie in beginsel betekenisvol IX-10.536-27/32 zijn om de slaagkansen van verzoekster in een daaropvolgend jaar positief in te schatten. 22. Daarnaast lijkt het motief dat “[verzoekster] evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken” evenmin deugdelijk. Dat motief heeft de Raad van State in de vorige schorsingsprocedure immers met de volgende overwegingen eveneens te licht bevonden: “Ook het motief dat verzoekster ‘evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken’ lijkt niet deugdelijk te zijn. Terecht wijst de beroepscommissie erop dat dit ook ter sprake werd gebracht bij de vakken waarvoor verzoekster ‘voldoende’ scoorde. Hoe de slaagcijfers voor die vakken evenwel ervan moeten overtuigen dat verzoeksters kans op slagen in een volgend leerjaar in de door haar gekozen studierichting dermate miniem moet worden ingeschat dat haar de toegang daartoe bij voorbaat moet worden ontzegd, is prima facie niet evident zichtbaar. De beroepscommissie laat na, zo lijkt, om precies uit te leggen welke ‘rol’ ‘[i]nzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen’ in deze concrete omstandigheden precies hebben gespeeld bij het bepalen van de slaagkansen van verzoekster in het volgende leerjaar.” In de bestreden beslissing laat de beroepscommissie, zo lijkt, wederom na om te duiden welke rol inzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen hebben gespeeld bij het bepalen van de slaagkansen van verzoekster in het volgende leerjaar van de tweede graad. De verwijzingen door de verwerende partij in de nota met opmerkingen naar de commentaren van de klassenraad en vakleerkrachten voor de vakken geschiedenis, wiskunde en Nederlands, doen geen afbreuk aan die vaststelling. Weliswaar kon de beroepscommissie, zoals de Raad reeds overwoog in het voorgaande arrest, deugdelijk tot de conclusie komen dat verzoekster niet sterk scoorde op inzichtelijke vraagstukken. Daarbij wordt er echter nog niet aan de hand van concrete en precieze motieven geduid welke rol die vaardigheid speelt bij het inschatten van de slaagkansen van verzoekster in een volgend leerjaar. 23. Een enkele poging daartoe lijkt op het eerste gezicht voorhanden te zijn bij de overwegingen over het tekort voor het vak geschiedenis. Daarbij overweegt de beroepscommissie immers dat “dit vak meer en meer gericht is op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 IX-10.536-28/32 vaardigheden als inzicht en het leggen van verbanden tussen verschillende feiten” en “[h]et verwerven van inzichten eerder praktisch en minder abstract en theoretisch [is] in de richtingen die niet geclausuleerd werden”. Voor de deugdelijke grondslag van dat motief zoekt de verwerende partij in haar nota met opmerkingen steun in het leerplan voor geschiedenis voor de domeinoverschrijdende studierichtingen in de doorstroomfinaliteit. In het bijzonder haalt de verwerende partij leerplandoelstelling 17 aan: “LPD 17 De leerlingen benoemen in historische beeldvorming historische redeneerwijzen Duiding: Historische redeneerwijzen worden gebruikt om historische fenomenen inzichtelijk te maken. Historische redeneerwijzen zijn onder meer: -structurele en incidentele oorzaak; -bedoelde en onbedoelde gevolgen; -aanleiding, toeval; -continuïteit, verandering; -evolutie, revolutie; -gelijktijdigheid, ongelijktijdigheid; -perspectief, historische inleving; -bedoelde en onbedoelde handelingen; -argument, bewijs; -menselijke en structurele factoren -analogie, verband, veralgemening, stereotypering.” Nog daargelaten dat die overweging pas in de nota met opmerkingen wordt aangevoerd en dus niet kan worden toegeschreven aan de beroepscommissie, moet worden opgemerkt dat een dergelijke leerplandoelstelling ook is opgenomen in het leerplan voor geschiedenis in de domeingebonden studierichtingen in de doorstroomfinaliteit (krachtens artikel 133/4, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs dus het technisch en het kunstsecundair onderwijs) dat echter geen deel uitmaakt van het administratief dossier. Leerplandoelstelling 15 in het leerplan voor geschiedenis in de domeingebonden doorstroomfinaliteit, dat publiek raadpleegbaar is, luidt immers als volgt: “II-Ges-d 15 De leerlingen benoemen in historische beeldvorming historische redeneerwijzen. Duiding IX-10.536-29/32 Historische redeneerwijzen worden gebruikt om historische fenomenen inzichtelijk te maken. Historische redeneerwijzen zijn onder meer: • structurele en incidentele oorzaak; • bedoelde en onbedoelde gevolgen; • aanleiding, toeval; • continuïteit, verandering; • evolutie, revolutie; • gelijktijdigheid, ongelijktijdigheid; • perspectief, historische inleving; • bedoelde en onbedoelde handelingen; • argument, bewijs; • menselijke en structurele factoren • analogie, verband, veralgemening, stereotypering.” Indien de beroepscommissie meent te kunnen voortgaan op de aangehaalde leerplandoelstelling 17 om te besluiten dat “[h]et verwerven van inzichten eerder praktisch en minder abstract en theoretisch [is] in de richtingen die niet geclausuleerd werden”, moet op het eerste gezicht worden besloten dat de verwerende partij de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Uit de motieven in de bestreden beslissing blijkt niet dat de beroepscommissie zich ervan heeft vergewist dat een dergelijke leerplandoelstelling eveneens is opgenomen in het leerplan voor de niet geclausuleerde studierichtingen. De motieven in de bestreden beslissing duiden, in het licht van de gelijkluidende leerplandoelstellingen voor het vak geschiedenis in respectievelijk de domeinoverschrijdende, dan wel domeingebonden studierichtingen, op het eerste gezicht niet waarom de slaagkansen van verzoekster in het volgende leerjaar in de studierichting humane wetenschappen minimaal worden ingeschat. Een concrete en precieze motivering hieromtrent lijkt in de bestreden beslissing achterwege te blijven. 24. Er dient, prima facie, dan ook te worden besloten dat verschillende motieven die de beroepscommissie in de bestreden beslissing hanteert om de slaagkansen van verzoekster partij in een volgend leerjaar in de studierichting humane wetenschappen in te schatten, niet draagkrachtig zijn of niet berusten op een deugdelijke grondslag. IX-10.536-30/32 25. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. IX-10.536-31/32 BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Inrichtende Macht Maris Stella Instituut van 27 augustus 2024 waarbij het aan XXXX toegekende oriënteringsattest B met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs wordt gehandhaafd. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.536-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.574 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.