id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.628 Rolnummer: A. 242895/IX-10539 Zaak: Arrest 260628 - Examens (onderwijs) - 16/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-17 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.628 van 16 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.628 van 16 september 2024 in de zaak A. 242.895/IX-10.539 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Simon De Paepestraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 Vlaamse Ardennen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(4u)scoort ze onvoldoende. Het aandeel van natuurwetenschappen in de derde graad ligt echter nog lager in het totale urenpakket (2u NW in het vijfde jaar, 1u NW in het zesde jaar). Het belang van deze tekorten voor de vervolgopleiding kan dus in twijfel worden getrokken. De lessen wiskunde kreeg ze samen met de humane wetenschappen, hoewel ook het aantal lesuren wiskunde in de derde graad welzijnswetenschappen lager ligt dan in de humane wetenschappen.” Tevens voerde verzoekster aan “een behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken” te hebben gescoord. 12.1. Met de eerste grief wil verzoekster duidelijk maken dat de leerplannen niet correct werden toegepast. Zij benadrukt in het bijzonder dat zij, ondanks verschillen in die leerplannen, toch aan dezelfde evaluaties werd onderworpen als leerlingen van een andere studierichting. In haar verzoekschrift voor de Raad van State geeft verzoekster aan dat dit “in het bijzonder voor het vak wiskunde [geldt]”. Daarmee stelt zij op het eerste gezicht de representativiteit van haar voor dat vak toegekende cijfers ter discussie. Verzoekster stelt zich immers vragen bij de wijze van evalueren in haar studierichting, meer bepaald voor het vak wiskunde. Mocht die grief terecht zijn, dan lijkt te moeten worden nagegaan of en in welke mate de toetsen en examens die verzoekster voor dat vak heeft afgelegd, passen binnen het leerplan dat gold voor de door haar in het voorbije schooljaar gevolgde studierichting. Van een dergelijke grief kan prima facie bezwaarlijk worden beweerd dat ze niet van wezenlijk belang is. IX-10.539-15/26 12.2. Op het eerste gezicht kan de verwerende partij evenmin worden bijgevallen waar zij betoogt dat deze grief “zo algemeen gesteld” is dat niet erop kan worden geantwoord of dat deze niet “steunt op verifieerbare gegevens”, maar slechts “losse beweringen” zijn. Voor een beroepscommissie, waarvan leden van de klassenraad deel uitmaken, lijkt het niet het minste probleem te mogen opleveren om een dergelijke grief over de leerplannen en de toepassing ervan in de concrete omstandigheden die verzoekster schetst – samen les krijgen, dezelfde evaluaties krijgen, geen differentiatie in functie van de gekozen studierichting – te onderzoeken en te beantwoorden. Hierbij mag erop worden gewezen dat de beroepscommissie in voorkomend geval de betrokken vakleerkracht(
- en)hierover om uitleg mag vragen. Dat verzoekster niet gespecificeerd heeft voor welk vak of welke vakken deze kritiek gold – of “in het bijzonder” gold – neemt, zo lijkt, nog steeds niet weg dat de beroepscommissie, gelet op haar samenstelling en deskundigheid, beter is geplaatst dan wie ook om een dergelijk onderzoek te voeren en die kritiek te beantwoorden. Hoewel de door verzoekster voorgebrachte kritiek prima facie wel degelijk voldoende concreet is om het voormelde vermoeden van deskundigheid in vraag te stellen, heeft de over verzoekster oordelende beroepscommissie op het eerste gezicht ervoor gekozen níet te antwoorden. 12.3. Ook anders dan de verwerende partij beweert, heeft verzoekster in haar bezwaarschrift prima facie wel degelijk aan de kaak gesteld dat haar evaluaties dezelfde waren als voor de andere studierichting en dat er geen differentiatie was, en bleef haar kritiek derhalve niet beperkt tot het “samenzitten met een andere studierichting voor bepaalde vakken”. IX-10.539-16/26 12.4. Vooralsnog neemt de Raad van State aan dat, zonder onderzoek en uitdrukkelijk antwoord van de beroepscommissie in dat verband, de cijfers voor het vak wiskunde niet boven iedere gerede twijfel staan. In die mate is het middel ernstig. 13.1. Met de tweede sub 11 aangehaalde grief, bedoelde verzoekster de jaartekorten voor de vakken chemie en fysica te relativeren in het licht van het volgende jaar. 13.2. Aangezien de beroepscommissie ook deze jaartekorten aangrijpt om haar beslissing op te steunen, vermag verzoekster een antwoord op deze grief te verwachten. Het valt de beroepscommissie toe om aan te geven in welke mate de onvoldoendes voor deze vakken de kansen van verzoekster in het volgende leerjaar in de studierichtingen van de uitgesloten finaliteit hypothekeren. Dat heeft de commissie evenwel niet gedaan. 13.3. Dat klemt des te meer, zo lijkt, nu de beroepscommissie voor het overige verwijst naar zeven tekorten op examens, terwijl dat vakken betreft waarvoor verzoekster geslaagd is. Zoals gezien, wordt zij bijgevolg geacht de leerplandoelen van die vakken in voldoende mate te hebben bereikt. In die jaarcijfers worden, zoals gezien, het belang van proefwerken en van het kunnen verwerken van grotere gehelen leerstof, geacht verdisconteerd te zijn. Hiermee wil de Raad van State niet gesteld hebben dat álle slaagcijfers onder álle omstandigheden een evaluatieproces door de klassenraad of de beroepscommissie uitsluit. Een slaagcijfer voor een vak kan wel degelijk deeltekorten verhullen, en alzo een gebrek aan welbepaalde specifieke kennis of IX-10.539-17/26 vaardigheden. Voor cijfers die de ondergrens van 50% benaderen, lijkt dat des te meer aannemelijk. Niet bij voorbaat lijkt te kunnen worden uitgesloten dat een klassenraad of beroepscommissie vaststellingen over de prestaties van de leerling bij deelaspecten van het bedoelde vak betrekt ter ondersteuning of aanvulling van elders vastgestelde tekorten. Is een beroepscommissie van oordeel dat zij dergelijke vaststellingen moet doen, dan lijkt zij die wel zeer concreet te moeten onderbouwen en de relevantie ervan te moeten aantonen. 13.4. Ook in die mate is het middel ernstig. 14. Ook de derde sub 11 aangevoerde grief, namelijk dat verzoekster een “behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken” kon voorleggen, lijkt geen antwoord te hebben gekregen in de bestreden beslissing. Daarmee heeft verzoekster de beroepscommissie er prima facie toe willen brengen álle elementen van het leerlingendossier in ogenschouw te nemen. Door alsdan geen verdere aandacht aan de cijfers voor die vakken te besteden, lijkt de beroepscommissie andermaal de formelemotiveringsplicht te hebben geschonden. 15. Verzoekster betoogt voorts voor de beroepscommissie te hebben aangevoerd dat “een aanzienlijk aantal lesuren zijn weggevallen”, wat volgens haar “een zeer relevante omstandigheid [is] voor de beoordeling van de competenties van de leerling”. Zij maakt voor de Raad van State op het eerste gezicht niet concreet om welke vakken het zou gaan. IX-10.539-18/26 IX-10.539-19/26 Aldus is de Raad niet bij machte om de relevantie van die grief te beoordelen. In die mate is het middel niet ernstig. 16. Verzoekster voert tevens aan dat, gelet op haar specifieke situatie, de beroepscommissie moest motiveren waarom “de resultaten van het halve schooljaar voldoende representatief zijn voor de toekomstige prestaties van [verzoekster] in de derde graad, hierbij rekening houdend met de invloed die deze recente ingrijpende veranderingen in schoolsituatie op de resultaten uit het voorbije tweede semester hebben gehad en de aanpassingstijd die daarbij redelijkerwijs in rekening moet worden gebracht”. Verzoekster lijkt zich op dat vlak te vergissen. Immers, een dergelijke omstandige en precieze vraag heeft zij op het eerste gezicht niet aan de beroepscommissie voorgelegd. Die grief kan, zo lijkt, niet worden gelezen in de enkele overweging dat verzoekster “in januari [overstapte] van humane wetenschappen (op een andere school) naar maatschappij- en welzijnswetenschappen” en dat zij “dus minder kans [kreeg] om zich te bewijzen”. Verzoekster wekt wel de indruk, maar laat na op aannemelijke wijze aan te tonen dat de commissie zo een onderzoek uit eigen beweging zou moeten voeren en over het resultaat van dat onderzoek in de beslissing rapporteren. In die mate is het middel niet ernstig. 17.1. Verzoekster doet voorts gelden dat zij aan de beroepscommissie “het gebrek aan evaluaties voor verschillende vakken” heeft voorgelegd. Vooreerst moet worden opgemerkt dat zij in haar IX-10.539-20/26 bezwaarschrift voor de beroepscommissie had aangevoerd dat “weinig [werd] geëvalueerd”. Van een afwezigheid van evaluatie maakt zij op het eerste gezicht geen gewag. Zij licht echter niet toe voor welke vakken weinig werd geëvalueerd. Nog minder lijkt zij te verduidelijken welke invloed zulks zou hebben op de representativiteit van de cijfers. Aldus lijkt zij van de beroepscommissie ook geen antwoord te mogen verwachten. 17.2. De opmerking dat de leerlingen, en dus ook verzoekster, daardoor “mogelijks” “niet voldoende [werden] aangespoord om de leerstof bij te houden”, mist op het eerste gezicht voldoende stelligheid om als ernstige wettigheidskritiek te kunnen worden opgevat. Bovendien bedenkt de Raad dat verzoekster met deze grief prima facie aan de school wil verwijten te hebben gefaald in de nodige begeleiding. Die kritiek faalt echter in rechte, zo lijkt. Zulks kan misschien aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstige resultaat van verzoekster, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Het is immers één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegenen zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent op het eerste gezicht hoogstens dat, indien een leerling de school terecht verwijt niet het nodige te hebben gedaan in de voorbereiding naar de examens, de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk, zo lijkt, hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden dat het uiteindelijke resultaat als beter moet worden IX-10.539-21/26 geëvalueerd dan wat er is geleverd. IX-10.539-22/26 Een dergelijke grief, die verzoekster geen stap dichter bij een meer gunstig resultaat brengt, lijkt geen uitdrukkelijk antwoord van de beroepscommissie te behoeven. Alleszins toont verzoekster op het eerste gezicht niet aan welk belang zij heeft bij deze kritiek. Ook in die mate is het middel niet ernstig. 18. Wat sub 17.2 voorlopig werd geoordeeld, lijkt ook op te gaan voor de kritiek van verzoekster dat haar ouders “tijdens het volledige semester geen enkele keer door de school werden gecontacteerd of gesignaleerd over [haar] schoolpresteren”. Om dezelfde reden is het middel in die mate evenmin ernstig. 19.1. De kritiek, tot slot, dat “de vermelding van het eindtotaal” en de resultaten voor lichamelijke opvoeding op het rapport ontbreken, lijkt evenmin van aard om de wettigheid van de evaluatiebeslissing in het gedrang te brengen. 19.2. Het niet-vermelden van een “eindtotaal” beïnvloedt de individuele resultaten per vak niet. Het zijn net die cijfers per vak, zo lijkt, die de evaluatiebeslissing determineren. De Raad ziet vooralsnog niet dadelijk in hoe, met zicht op die individuele resultaten, het ontbreken van de berekening van een “eindtotaal” verzoekster dichter bij een meer gunstig resultaat voor de beoordeling van alle andere vakken kan brengen. 19.3. Evenmin valt op het eerste gezicht in te zien hoe het cijfer voor lichamelijke opvoeding in dit concrete geval een determinerende rol zou kunnen spelen bij de beslissing over het al dan niet slagen van verzoekster. IX-10.539-23/26 Dat het “eindtotaal” daardoor wordt beïnvloed, mag dan wel juist zijn. Verzoekster laat op het eerste gezicht nogmaals na te duiden wat het precieze belang van dat jaartotaal in dit geval is. 19.4. Het middel is in die mate evenmin ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 20. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, “gekoppeld aan het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij vat het middel als volgt samen: “Verwerende partij heeft in strijd met artikel 5, § 5 van het Organisatiebesluit nagelaten om bij de beslissing over het administratief beroep rekening te houden met de concrete gegevens uit het dossier. Door deze elementen niet te betrekken bij de besluitvorming schendt zij bovendien ook op deze wijze de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Minstens schendt de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel gelet op de kennelijke wanverhouding tussen de motieven en de inhoud van de beslissing.” De niet-betrokken elementen zijn volgens verzoekster de toepasselijke leerplannen en de relativering van de nipte tekorten voor chemie en fysica omdat die vakken niet meer worden onderwezen in de derde graad. Zij wijst er tevens op dat zij de beroepscommissie met haar bezwaarschrift de relevante omstandigheden die haar schoolpresteren hebben beïnvloed en de elementen die de drie jaartekorten relativeren, ter kennis heeft gebracht. Daarmee had de commissie rekening moeten houden. IX-10.539-24/26 Beoordeling 21. Vooreerst lijkt verzoekster zich te vergissen waar zij de schending van “artikel 5, § 5 Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs” aanvoert. Het zogenaamde organisatiebesluit van 2002 – en dus ook de door verzoekster als geschonden aangevoerde bepaling – heeft voor de leerlingen van het tweede leerjaar van de tweede graad opgehouden uitwerking te hebben op 31 augustus 2022 (artikel 82, tweede lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’). In die mate is het middel niet ernstig. 22. Verzoekster lijkt trouwens in dit middel de kritiek uit het eerste middel te herkauwen. Dit middel behoeft bijgevolg op het eerste gezicht geen afzonderlijke beoordeling. 23. Daarnaast voert verzoekster ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Een beoordeling van die beginselen lijkt echter voorbarig, gelet op de vaststellingen die hiervóór bij de bespreking van het eerste middel in verband met de motivering van de bestreden beslissing zijn gedaan. IX-10.539-25/26 VII. Conclusie 24. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 21 Vlaamse Ardennen van het Gemeenschapsonderwijs van 27 augustus 2024 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit wordt toegekend. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.539-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.628 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div