← België

Arrest 260628 - Examens (onderwijs) - 16/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.628 Rolnummer: A. 242895/IX-10539 Zaak: Arrest 260628 - Examens (onderwijs) - 16/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-17 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.628 van 16 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.628 van 16 september 2024 in de zaak A. 242.895/IX-10.539 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Simon De Paepestraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 Vlaamse Ardennen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 21 Vlaamse Ardennen van het Gemeenschapsonderwijs van 27 augustus 2024 waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.539-1/26 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2024 om 11.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Opsommer en Thibo Houf, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Marc Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is bij aanvang van het schooljaar 2023-2024 leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad humane wetenschappen. Vanaf 1 januari 2024 maakt zij de overstap naar de studierichting maatschappij- en welzijnswetenschappen (doorstroomfinaliteit) in het GO! atheneum te Avelgem, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar laat verzoekster drie jaartekorten optekenen, namelijk voor chemie (49,3%), fysica (47,3%) en wiskunde (39,6%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor de doorstroomfinaliteit. De motivering luidt als volgt: IX-10.539-2/26 “Je hebt een jaaronvoldoende voor de volgende vakken: chemie (49.3%), fysica (47.3%), wiskunde (39.6%). Dit wil zeggen dat je de vooropgestelde doelen niet hebt behaald: je mist essentiële basiskennis voor die vakken. Die basiskennis is een belangrijk onderdeel in een aantal studierichtingen in het volgende jaar. Daarom oordeelt de klassenraad dat de vermelde studierichtingen uitgesloten worden en je die volgend schooljaar dan ook niet kan volgen. Op die manier heb je meer kans om je studies met succes verder te zetten.” Naar verluidt doet verzoekster pogingen om het overleg met de directeur op te starten, maar komt dat overleg er niet. Wel komt de klassenraad al op 28 juni 2024 opnieuw samen om over verzoekster te beraadslagen. De klassenraad blijft bij zijn eerdere beslissing. Het verslag van die klassenraadvergadering leest als volgt: “Argumenten voor de ouders om de klassenraad te herzien: [Verzoekster]: is tijdens de vorige rapporten niet gewaarschuwd geweest dat het niet goed liep, heel weinig evaluaties vooral op ex2 gebaseerd. In basisvorming alles zelfde als huwe gehad, maar volgens leerplan minder doen in MAWE, vragen om bij B-attest 5 DS WEWE open te houden. Argumenten klassenraad om bij de beslissing te blijven. [Verzoekster] is een zwakke leerlinge die het moeilijk heeft om een groter pakket leerstof te verwerken. De kleinere toetsen lukken vaak wel voor sommige vakken indien ze van buiten kan leren. Wanneer er naar verbanden en complexere zaken wordt gevraagd, lukt het niet meer. De examens tonen aan dat [verzoekster] niet in staat is om het leerstofpakket van de derde graad doorstroom te verwerken. De basisvorming van de richting maatschappij en welzijnswetenschappen is zo goed als dezelfde als die van humane wetenschappen in het leerplan van het vierde jaar voor schooljaar 23-
  6. Ook in de derde graad is er geen groot niveauverschil tussen de humane wetenschappen en welzijnswetenschappen die het zou rechtvaardigen de gevraagde richting (welzijnswetenschappen) niet uit te sluiten.” Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. IX-10.539-3/26 3.
  7. Op 27 augustus 2024 handhaaft de beroepscommissie het B- attest met clausulering voor de doorstroomfinaliteit. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “● De beroepscommissie vindt een B-attestering meer dan een correcte beslissing, gezien de 7 tekorten op examen 2 en de 3 jaartekorten. ● De beroepscommissie is van oordeel dat het verwerken van grote hoeveelheden leerstof niet gemakkelijk is voor [verzoekster] en dat haar algemene vorming onvoldoende is voor een derde graad in de doorstroomfinaliteit. ● De beroepscommissie stelt vast dat de school voldoende kansen heeft geboden voor extra studiebegeleiding en hulp voor wiskunde.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. Terecht wordt het vervuld zijn van deze schorsingsvoorwaarde niet betwist. IX-10.539-4/26 VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  10. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘houdende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet), “gekoppeld aan het zorgvuldigheids-, en de materiële en formele motiveringsbeginselen als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekster vat haar middel als volgt samen: “De verwerende partij heeft nagelaten om voorafgaand aan de besluitvorming de pertinente grieven en argumenten in het bezwaarschrift van de verzoekster te onderzoeken en deze te betrekken in de bestreden beslissing. Zodoende schendt verwerende partij de op haar rustende zorgvuldigheids- en materiële en formele motiveringsplichten uit de opgeworpen bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” Vervolgens licht verzoekster toe dat zij aan de beroepscommissie meerdere pertinente argumenten heeft voorgelegd, maar dat deze niet in de bestreden beslissing werden betrokken. Vooreerst merkte zij op dat de leerlingen uit de domeinoverschrijdende richting humane wetenschappen en de domeingebonden richting maatschappij- en welzijnswetenschappen tijdens het schooljaar vaak samen les kregen, voor een aanzienlijk aantal vakken dezelfde evaluaties aflegden en dat er zodoende niet werd gedifferentieerd in functie van de gekozen studierichting. Dit geldt, aldus verzoekster, in het bijzonder voor het vak wiskunde. Dit argument is zeer pertinent omwille van de inhoudelijke differentiatie en de niveauverschillen tussen de twee studierichtingen voor het vak wiskunde. Verzoekster illustreert een en ander aan de hand van het verschil IX-10.539-5/26 in het aantal lesuren voor wiskunde: verzoekster kreeg slechts drie lesuren wiskunde per week, terwijl het lesrooster voor de tweede graad humane wetenschappen vier lesuren wiskunde bevat. Verzoekster doet ook gelden dat het leerplan voor wiskunde in de opleiding maatschappij- en welzijnswetenschappen geen leerplandoelen vermeldt, maar in het leerplan voor humane wetenschappen is dat wel het geval. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie daarom moest onderzoeken welke invloed dit differentiatiegebrek heeft gehad op haar schoolresultaten voor wiskunde en in de beslissing zelf uitdrukkelijk had moeten motiveren hoe daarmee rekening werd gehouden. Verzoekster had ook als grief aangevoerd dat tijdens het schooljaar een aanzienlijk aantal lesuren waren weggevallen. Dat is een zeer relevante omstandigheid voor de beoordeling van de competenties van de leerling. De beroepscommissie moest dan ook uit eigen beweging, en zeker naar aanleiding van de grief van verzoekster, onderzoeken welke invloed dit kon hebben gehad op haar leerkansen. In de bestreden beslissing moest verzoekster kunnen vernemen waarom de commissie niet tot een andere beslissing was gekomen. In het bezwaarschrift werd tevens opgemerkt dat verzoekster pas in het tweede semester en uit een andere school en studierichting was overgekomen. Er waren daarom slechts cijfers voor de evaluaties en examens van het tweede semester. De beroepscommissie moest in de bestreden beslissing motiveren waarom de resultaten van dat halve schooljaar voldoende representatief zijn voor de toekomstige prestaties van verzoekster in de derde graad. Daarbij moest rekening worden gehouden met de invloed van die recente ingrijpende veranderingen in de schoolsituatie op de resultaten van het tweede semester en de aanpassingstijd die daarbij redelijkerwijze in rekening moest worden gebracht. IX-10.539-6/26 Tevens had verzoekster het gebrek aan evaluaties voor verschillende vakken aangevoerd. De beroepscommissie moest dan ook de representativiteit van de punten voor dagelijks werk nagaan, net als de mogelijke invloed hiervan op de examenresultaten. Door die beperkte evaluaties werden de leerlingen mogelijk niet voldoende aangespoord om de leerstof bij te houden. Leerlingen krijgen in het secundair onderwijs precies dagelijks werk omdat zij nog niet in staat zijn om zelfstandig de leerstof bij te houden met het oog op examens. Verzoekster had ook doen gelden dat haar ouders tijdens het volledige semester geen enkele keer door de school waren gecontacteerd. Nooit werd gesignaleerd over het schoolpresteren van verzoekster. De beroepscommissie moest in de bestreden beslissing daarom motiveren ofwel dat de ouders voldoende kansen hadden gekregen om bij te sturen, dan wel hoe het tegendeel in rekening was gebracht. Verzoekster stelt zich tegenover de beroepscommissie ook erover te hebben beklaagd dat het eindtotaal van het jaarrapport ontbrak, net als de resultaten voor het vak lichamelijk opvoeding. Het eindtotaal is een “uiterst relevante beoordelingsgrond” die in de bestreden beslissing uitdrukkelijk moest worden afgewogen. Het resultaat van lichamelijke opvoeding beïnvloedt dan weer dat eindresultaat, en wel “in positieve zin”. Ook over de nipte tekorten voor chemie en fysica had verzoekster een grief geformuleerd bij de beroepscommissie. Die vakken worden volgens haar niet meer onderwezen in de opleiding welzijnswetenschappen in de derde graad. In die graad is alleen sprake van natuurwetenschappen met twee lesuren in het vijfde jaar en één lesuur in het zesde jaar. Die tekorten moesten volgens verzoekster daarom worden gerelativeerd. Tot slot had verzoekster ook opgemerkt dat zij een behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken kon voorleggen. IX-10.539-7/26 Op al die bezwaren leest verzoekster in de bestreden beslissing niet het minste concrete antwoord. De beroepscommissie valt terug op de tekorten, maar houdt geen rekening met de elementen die in het bezwaarschrift werden aangevoerd. De motivering van de bestreden beslissing, laat niet toe te begrijpen waarom de beroepsargumenten de commissie niet hebben kunnen overtuigen.
  11. In haar nota met opmerkingen doet de verwerende partij gelden dat verzoekster bezwaarlijk kan ontkennen dat de dragende motieven van de bestreden beslissing bij haar bekend zijn. De beroepscommissie verwijst niet alleen naar de drie jaaronvoldoendes, maar ook naar de zeven tekorten op ‘examen 2’. Die gegevens doen besluiten dat het verwerken van grote hoeveelheden leerstof niet gemakkelijk is voor verzoekster. Vandaar dat de beroepscommissie spreekt van een onvoldoende algemene vorming voor de derde graad van de doorstroomfinaliteit. De verwerende partij noemt naast de drie vakken waarvoor verzoekster een jaartekort behaalde, ook de vakken Engels, Frans, geschiedenis en biologie. Dergelijke cijfers verantwoorden volgens haar ook een C-attest. Verzoekster vraagt dan weer geen bijkomende proeven. Zij krijgt met de bestreden beslissing de mogelijkheid om het volgende leerjaar aan te vatten in een voor haar meer geschikte studierichting. De verwerende partij erkent dat verzoekster terecht mag verwachten een antwoord te krijgen op de vragen die voor de leerling blijkens haar beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Het lijstje met opmerkingen dat verzoekster in haar beroepschrift heeft opgenomen betreft echter vooral argumenten die – voor zover ze voldoende onderbouwd zijn om als wezenlijk te worden beschouwd – niet tot een ander studieresultaat kunnen leiden en veelal tot de pedagogische vrijheid van de school en de vakleerkrachten behoren. IX-10.539-8/26 Met betrekking tot de grief dat, hoewel de leerplannen wiskunde verschillen voor de twee bedoelde studierichtingen, de leerlingen toch samen les hadden en dezelfde evaluaties moesten afleggen en er dus niet werd gedifferentieerd in functie van de gekozen studierichting, betoogt de verwerende partij wat volgt: “Dit is zo algemeen gesteld dat er zelfs niet op geantwoord kan worden. Over welke vakken gaat het? Indien een argument – zoals verzoekster beweert – van wezenlijk belang [is], dan dient het te gaan om een uitgewerkt argument dat steunt op verifieerbare gegevens eigen aan de zaak, niet om een opsomming van losse beweringen. Aangezien de opmerkingen betrekking lijken te hebben op specifieke vakken, moet [het] gaan om argumentatie én bewijsvoering die het vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten weerlegt: ‘Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot de weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht, wordt er voorts van uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. 9.
  12. Van een verzoekende partij die dit vermoeden van deskundigheid aan het wankelen wil brengen en aan de representativiteit van de toegekende punten wil doen twijfelen, mag op het eerste gezicht worden verwacht dat zij concrete gegevens en argumenten ter zake aanbrengt. … Daaruit volgt dan weer dat verzoekster voor die vakken waarvoor zij niet een voldoende jaarresultaat behaalt, de leerplandoelstellingen ook niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing door de beroepscommissie naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort lijkt dan ook in IX-10.539-9/26 de regel als motivering voor die vaststelling te volstaan.’ (R.v.St. arrest nr. 251.440 van 9 september 2021) Vage en onbewezen uitlatingen kunnen hierbij niet beschouwd worden als argumenten die van wezenlijk belang zijn. Bovendien blijven de argumenten ook nu niet bewezen. Specifiek wat wiskunde betreft, wordt zelfs niet de moeite gedaan om in concreto aan te tonen op welke wijze de evaluatie foutief was. Er wordt louter verwezen naar een beweerd gebrek aan ‘differentiatie’, zonder aan te tonen of zelfs maar op te werpen dat bepaalde specifieke vakinhouden niet tot de leerstof mochten behoren. In het beroepschrift is zelfs geen [spoor] te vinden van de uiteenzetting betreffende leerplannen wiskunde die nu in het verzoekschrift voor het eerst wordt opgeworpen. Er wordt enkel bezwaar gemaakt tegen samenzitten met een andere richting voor bepaalde vakken. Verzoekster kan dan ook geen antwoord verwachten op een niet opgeworpen argumentatie. Dit zijn dus opnieuw geen argumenten die op enige wijze tot een gunstiger resultaat kunnen leiden.” Wat betreft de argumenten van verzoekster dat de jaartekorten voor chemie en fysica moeten worden gerelativeerd en dat zij ook een behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken heeft gescoord, antwoordt de verwerende partij in haar nota als volgt: “Het gaat hier eenvoudigweg om het anders omschrijven van gegevens die de beroepscommissie gekend zijn aan de hand van het rapport. Bijkomend werkt de school ook niet met clusters in deze richting. Wat natuurwetenschappen betreft, maakt Biologie (37,1 op examen 2) in de derde graad bijvoorbeeld deel uit van de specifieke vorming, naast een vak Natuurwetenschappen. De attestering betreft geen kersenpluk uit de vakken die al dan niet aan bod komen in de volgende graad, het betreft een beoordeling van de mogelijkheid om een richting met doorstroomfinaliteit met succes aan te vatten in het volgende jaar en dit op basis van de vaststellingen tijdens het huidige jaar.” Beoordeling
  13. Verzoekster verwijt de beroepscommissie dat zij de grieven die in haar bezwaarschrift werden aangevoerd, niet in de bestreden beslissing heeft beantwoord en betrokken. IX-10.539-10/26 9.
  14. Noch het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een overheidsbeslissing op objectief aanneembare redenen gegrond moet zijn die hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier moeten blijken, noch de formelemotiveringswet leggen aan het bestuur de verplichting op alle grieven of middelen van verdediging opgeworpen door de betrokkene stuk voor stuk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen dat in de beslissing zelf de motieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen. 9.
  15. Waar, zoals te dezen, de regelgeving in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet de indiener van het beroep wel erop kunnen rekenen dat haar beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waartegen beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht, zo lijkt, dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij haar aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom haar beroep wordt verworpen. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereist dat de motivering van de beroepsbeslissing er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens haar beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. IX-10.539-11/26 9.
  16. Het doel van de formelemotiveringsplicht sluit in beginsel uit dat een leerling vrede zou moeten nemen met een mededeling van de motieven nádat hij zijn vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld. Bovendien moeten de motieven aan het ter zake bevoegde orgaan zijn toe te schrijven. Beide elementen maken dat de Raad van State, van zijn kant, enkel rekening mag houden met de in de beslissing geëxpliciteerde motieven. Hij mag geen acht slaan op argumenten die, hoe uitvoerig ook, door de verwerende partij eventueel worden bijgebracht in de nota maar die niet zijn toe te rekenen aan de beroepscommissie ten tijde van de bestreden beslissing. 10.
  17. De verwerende partij meent vooreerst dat de beroepscommissie te dezen kon volstaan met een verwijzing naar de behaalde punten, meer bepaald de drie jaartekorten en de zeven tekorten bij de examens van juni. 10.
  18. In beginsel ligt de motivering van het al dan niet slagen van een leerling inderdaad besloten in de behaalde punten. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht immers, wordt ervan uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de leerplandoelen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte IX-10.539-12/26 kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Aangenomen wordt bijgevolg dat het voor elk opleidingsonderdeel ordentelijk toegekende jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen – zowel tijdens dagelijks werk, tijdens een eventuele permanente evaluatie of tijdens de eventuele examenperiodes – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod zijn gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer. Daaruit volgt, in principe, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt zij ook geslaagd verklaard. Daaruit volgt, ook weer in principe, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstelling ook niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort volstaat dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling.
  19. Verzoekster heeft in haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie onder meer aangevoerd dat “hoewel de leerplannen verschillen tussen de domeinoverschrijdende richting humane wetenschappen en de domeingebonden richting maatschappij- en welzijnswetenschappen, […] leerlingen uit beide richtingen vaak samen les [kregen], […] voor een aanzienlijk aantal vakken dezelfde evaluaties [dienden] af te leggen en [dat] niet [werd] IX-10.539-13/26 gedifferentieerd i.f.v. de gekozen studierichting”. IX-10.539-14/26 Zij merkte onder meer ook op dat zij “in totaal voor het semester voldoende [scoort] voor 26 van de 32 lesuren. Enkel voor twee vakken binnen de cluster natuurwetenschappen (fysica-chemie – totaal 2u; voor biologie scoort ze voldoende) en wiskunde

(4u)scoort ze onvoldoende. Het aandeel van natuurwetenschappen in de derde graad ligt echter nog lager in het totale urenpakket (2u NW in het vijfde jaar, 1u NW in het zesde jaar). Het belang van deze tekorten voor de vervolgopleiding kan dus in twijfel worden getrokken. De lessen wiskunde kreeg ze samen met de humane wetenschappen, hoewel ook het aantal lesuren wiskunde in de derde graad welzijnswetenschappen lager ligt dan in de humane wetenschappen.” Tevens voerde verzoekster aan “een behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken” te hebben gescoord. 12.1. Met de eerste grief wil verzoekster duidelijk maken dat de leerplannen niet correct werden toegepast. Zij benadrukt in het bijzonder dat zij, ondanks verschillen in die leerplannen, toch aan dezelfde evaluaties werd onderworpen als leerlingen van een andere studierichting. In haar verzoekschrift voor de Raad van State geeft verzoekster aan dat dit “in het bijzonder voor het vak wiskunde [geldt]”. Daarmee stelt zij op het eerste gezicht de representativiteit van haar voor dat vak toegekende cijfers ter discussie. Verzoekster stelt zich immers vragen bij de wijze van evalueren in haar studierichting, meer bepaald voor het vak wiskunde. Mocht die grief terecht zijn, dan lijkt te moeten worden nagegaan of en in welke mate de toetsen en examens die verzoekster voor dat vak heeft afgelegd, passen binnen het leerplan dat gold voor de door haar in het voorbije schooljaar gevolgde studierichting. Van een dergelijke grief kan prima facie bezwaarlijk worden beweerd dat ze niet van wezenlijk belang is. IX-10.539-15/26 12.2. Op het eerste gezicht kan de verwerende partij evenmin worden bijgevallen waar zij betoogt dat deze grief “zo algemeen gesteld” is dat niet erop kan worden geantwoord of dat deze niet “steunt op verifieerbare gegevens”, maar slechts “losse beweringen” zijn. Voor een beroepscommissie, waarvan leden van de klassenraad deel uitmaken, lijkt het niet het minste probleem te mogen opleveren om een dergelijke grief over de leerplannen en de toepassing ervan in de concrete omstandigheden die verzoekster schetst – samen les krijgen, dezelfde evaluaties krijgen, geen differentiatie in functie van de gekozen studierichting – te onderzoeken en te beantwoorden. Hierbij mag erop worden gewezen dat de beroepscommissie in voorkomend geval de betrokken vakleerkracht(
  1. en)hierover om uitleg mag vragen. Dat verzoekster niet gespecificeerd heeft voor welk vak of welke vakken deze kritiek gold – of “in het bijzonder” gold – neemt, zo lijkt, nog steeds niet weg dat de beroepscommissie, gelet op haar samenstelling en deskundigheid, beter is geplaatst dan wie ook om een dergelijk onderzoek te voeren en die kritiek te beantwoorden. Hoewel de door verzoekster voorgebrachte kritiek prima facie wel degelijk voldoende concreet is om het voormelde vermoeden van deskundigheid in vraag te stellen, heeft de over verzoekster oordelende beroepscommissie op het eerste gezicht ervoor gekozen níet te antwoorden. 12.3. Ook anders dan de verwerende partij beweert, heeft verzoekster in haar bezwaarschrift prima facie wel degelijk aan de kaak gesteld dat haar evaluaties dezelfde waren als voor de andere studierichting en dat er geen differentiatie was, en bleef haar kritiek derhalve niet beperkt tot het “samenzitten met een andere studierichting voor bepaalde vakken”. IX-10.539-16/26 12.4. Vooralsnog neemt de Raad van State aan dat, zonder onderzoek en uitdrukkelijk antwoord van de beroepscommissie in dat verband, de cijfers voor het vak wiskunde niet boven iedere gerede twijfel staan. In die mate is het middel ernstig. 13.1. Met de tweede sub 11 aangehaalde grief, bedoelde verzoekster de jaartekorten voor de vakken chemie en fysica te relativeren in het licht van het volgende jaar. 13.2. Aangezien de beroepscommissie ook deze jaartekorten aangrijpt om haar beslissing op te steunen, vermag verzoekster een antwoord op deze grief te verwachten. Het valt de beroepscommissie toe om aan te geven in welke mate de onvoldoendes voor deze vakken de kansen van verzoekster in het volgende leerjaar in de studierichtingen van de uitgesloten finaliteit hypothekeren. Dat heeft de commissie evenwel niet gedaan. 13.3. Dat klemt des te meer, zo lijkt, nu de beroepscommissie voor het overige verwijst naar zeven tekorten op examens, terwijl dat vakken betreft waarvoor verzoekster geslaagd is. Zoals gezien, wordt zij bijgevolg geacht de leerplandoelen van die vakken in voldoende mate te hebben bereikt. In die jaarcijfers worden, zoals gezien, het belang van proefwerken en van het kunnen verwerken van grotere gehelen leerstof, geacht verdisconteerd te zijn. Hiermee wil de Raad van State niet gesteld hebben dat álle slaagcijfers onder álle omstandigheden een evaluatieproces door de klassenraad of de beroepscommissie uitsluit. Een slaagcijfer voor een vak kan wel degelijk deeltekorten verhullen, en alzo een gebrek aan welbepaalde specifieke kennis of IX-10.539-17/26 vaardigheden. Voor cijfers die de ondergrens van 50% benaderen, lijkt dat des te meer aannemelijk. Niet bij voorbaat lijkt te kunnen worden uitgesloten dat een klassenraad of beroepscommissie vaststellingen over de prestaties van de leerling bij deelaspecten van het bedoelde vak betrekt ter ondersteuning of aanvulling van elders vastgestelde tekorten. Is een beroepscommissie van oordeel dat zij dergelijke vaststellingen moet doen, dan lijkt zij die wel zeer concreet te moeten onderbouwen en de relevantie ervan te moeten aantonen. 13.4. Ook in die mate is het middel ernstig. 14. Ook de derde sub 11 aangevoerde grief, namelijk dat verzoekster een “behoorlijk eindresultaat voor de richtingspecifieke vakken” kon voorleggen, lijkt geen antwoord te hebben gekregen in de bestreden beslissing. Daarmee heeft verzoekster de beroepscommissie er prima facie toe willen brengen álle elementen van het leerlingendossier in ogenschouw te nemen. Door alsdan geen verdere aandacht aan de cijfers voor die vakken te besteden, lijkt de beroepscommissie andermaal de formelemotiveringsplicht te hebben geschonden. 15. Verzoekster betoogt voorts voor de beroepscommissie te hebben aangevoerd dat “een aanzienlijk aantal lesuren zijn weggevallen”, wat volgens haar “een zeer relevante omstandigheid [is] voor de beoordeling van de competenties van de leerling”. Zij maakt voor de Raad van State op het eerste gezicht niet concreet om welke vakken het zou gaan. IX-10.539-18/26 IX-10.539-19/26 Aldus is de Raad niet bij machte om de relevantie van die grief te beoordelen. In die mate is het middel niet ernstig. 16. Verzoekster voert tevens aan dat, gelet op haar specifieke situatie, de beroepscommissie moest motiveren waarom “de resultaten van het halve schooljaar voldoende representatief zijn voor de toekomstige prestaties van [verzoekster] in de derde graad, hierbij rekening houdend met de invloed die deze recente ingrijpende veranderingen in schoolsituatie op de resultaten uit het voorbije tweede semester hebben gehad en de aanpassingstijd die daarbij redelijkerwijs in rekening moet worden gebracht”. Verzoekster lijkt zich op dat vlak te vergissen. Immers, een dergelijke omstandige en precieze vraag heeft zij op het eerste gezicht niet aan de beroepscommissie voorgelegd. Die grief kan, zo lijkt, niet worden gelezen in de enkele overweging dat verzoekster “in januari [overstapte] van humane wetenschappen (op een andere school) naar maatschappij- en welzijnswetenschappen” en dat zij “dus minder kans [kreeg] om zich te bewijzen”. Verzoekster wekt wel de indruk, maar laat na op aannemelijke wijze aan te tonen dat de commissie zo een onderzoek uit eigen beweging zou moeten voeren en over het resultaat van dat onderzoek in de beslissing rapporteren. In die mate is het middel niet ernstig. 17.1. Verzoekster doet voorts gelden dat zij aan de beroepscommissie “het gebrek aan evaluaties voor verschillende vakken” heeft voorgelegd. Vooreerst moet worden opgemerkt dat zij in haar IX-10.539-20/26 bezwaarschrift voor de beroepscommissie had aangevoerd dat “weinig [werd] geëvalueerd”. Van een afwezigheid van evaluatie maakt zij op het eerste gezicht geen gewag. Zij licht echter niet toe voor welke vakken weinig werd geëvalueerd. Nog minder lijkt zij te verduidelijken welke invloed zulks zou hebben op de representativiteit van de cijfers. Aldus lijkt zij van de beroepscommissie ook geen antwoord te mogen verwachten. 17.2. De opmerking dat de leerlingen, en dus ook verzoekster, daardoor “mogelijks” “niet voldoende [werden] aangespoord om de leerstof bij te houden”, mist op het eerste gezicht voldoende stelligheid om als ernstige wettigheidskritiek te kunnen worden opgevat. Bovendien bedenkt de Raad dat verzoekster met deze grief prima facie aan de school wil verwijten te hebben gefaald in de nodige begeleiding. Die kritiek faalt echter in rechte, zo lijkt. Zulks kan misschien aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstige resultaat van verzoekster, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Het is immers één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegenen zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent op het eerste gezicht hoogstens dat, indien een leerling de school terecht verwijt niet het nodige te hebben gedaan in de voorbereiding naar de examens, de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk, zo lijkt, hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden dat het uiteindelijke resultaat als beter moet worden IX-10.539-21/26 geëvalueerd dan wat er is geleverd. IX-10.539-22/26 Een dergelijke grief, die verzoekster geen stap dichter bij een meer gunstig resultaat brengt, lijkt geen uitdrukkelijk antwoord van de beroepscommissie te behoeven. Alleszins toont verzoekster op het eerste gezicht niet aan welk belang zij heeft bij deze kritiek. Ook in die mate is het middel niet ernstig. 18. Wat sub 17.2 voorlopig werd geoordeeld, lijkt ook op te gaan voor de kritiek van verzoekster dat haar ouders “tijdens het volledige semester geen enkele keer door de school werden gecontacteerd of gesignaleerd over [haar] schoolpresteren”. Om dezelfde reden is het middel in die mate evenmin ernstig. 19.1. De kritiek, tot slot, dat “de vermelding van het eindtotaal” en de resultaten voor lichamelijke opvoeding op het rapport ontbreken, lijkt evenmin van aard om de wettigheid van de evaluatiebeslissing in het gedrang te brengen. 19.2. Het niet-vermelden van een “eindtotaal” beïnvloedt de individuele resultaten per vak niet. Het zijn net die cijfers per vak, zo lijkt, die de evaluatiebeslissing determineren. De Raad ziet vooralsnog niet dadelijk in hoe, met zicht op die individuele resultaten, het ontbreken van de berekening van een “eindtotaal” verzoekster dichter bij een meer gunstig resultaat voor de beoordeling van alle andere vakken kan brengen. 19.3. Evenmin valt op het eerste gezicht in te zien hoe het cijfer voor lichamelijke opvoeding in dit concrete geval een determinerende rol zou kunnen spelen bij de beslissing over het al dan niet slagen van verzoekster. IX-10.539-23/26 Dat het “eindtotaal” daardoor wordt beïnvloed, mag dan wel juist zijn. Verzoekster laat op het eerste gezicht nogmaals na te duiden wat het precieze belang van dat jaartotaal in dit geval is. 19.4. Het middel is in die mate evenmin ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 20. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, “gekoppeld aan het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij vat het middel als volgt samen: “Verwerende partij heeft in strijd met artikel 5, § 5 van het Organisatiebesluit nagelaten om bij de beslissing over het administratief beroep rekening te houden met de concrete gegevens uit het dossier. Door deze elementen niet te betrekken bij de besluitvorming schendt zij bovendien ook op deze wijze de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Minstens schendt de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel gelet op de kennelijke wanverhouding tussen de motieven en de inhoud van de beslissing.” De niet-betrokken elementen zijn volgens verzoekster de toepasselijke leerplannen en de relativering van de nipte tekorten voor chemie en fysica omdat die vakken niet meer worden onderwezen in de derde graad. Zij wijst er tevens op dat zij de beroepscommissie met haar bezwaarschrift de relevante omstandigheden die haar schoolpresteren hebben beïnvloed en de elementen die de drie jaartekorten relativeren, ter kennis heeft gebracht. Daarmee had de commissie rekening moeten houden. IX-10.539-24/26 Beoordeling 21. Vooreerst lijkt verzoekster zich te vergissen waar zij de schending van “artikel 5, § 5 Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs” aanvoert. Het zogenaamde organisatiebesluit van 2002 – en dus ook de door verzoekster als geschonden aangevoerde bepaling – heeft voor de leerlingen van het tweede leerjaar van de tweede graad opgehouden uitwerking te hebben op 31 augustus 2022 (artikel 82, tweede lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’). In die mate is het middel niet ernstig. 22. Verzoekster lijkt trouwens in dit middel de kritiek uit het eerste middel te herkauwen. Dit middel behoeft bijgevolg op het eerste gezicht geen afzonderlijke beoordeling. 23. Daarnaast voert verzoekster ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Een beoordeling van die beginselen lijkt echter voorbarig, gelet op de vaststellingen die hiervóór bij de bespreking van het eerste middel in verband met de motivering van de bestreden beslissing zijn gedaan. IX-10.539-25/26 VII. Conclusie 24. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 21 Vlaamse Ardennen van het Gemeenschapsonderwijs van 27 augustus 2024 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit wordt toegekend. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.539-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.628 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.