← België

Arrest 260654 - Examens (onderwijs) - 18/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.654 Rolnummer: A. 242939/IX-10543 Zaak: Arrest 260654 - Examens (onderwijs) - 18/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-19 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.654 van 18 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.654 no lien 278745 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.654 van 18 september 2024 in de zaak A. 242.939/IX-10.543 In zake: XXXX tegen: de VZW ATLAS COLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Forier kantoor houdend te 3740 Bilzen Laathof 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing met betrekking tot [verzoeksters] studiekeuze, genomen door de klassenraad van het Atlas College Genk op 26 augustus 2024”. Verzoekster vraagt eveneens aan de Raad van State “om elke andere voorlopige maatregel die [hij] passend acht” op te leggen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2024 om 12.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. IX-10.543-1/12 De verzoekende partij en advocaat An-Sofie Debersaques, die loco advocaat Luc Forier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2023-2024 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad bedrijfsorganisatie (dubbele finaliteit) in het Atlas College te Genk, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een algemeen totaal van 56,1%, met jaartekorten voor aardrijkskunde (48,3%) en bedrijfseconomie (49,4%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor de dubbele finaliteit. De motivering luidt als volgt: “‘De leerplandoelen zijn onvoldoende bereikt voor de volgende vakken: Aardrijkskunde Bedrijfseconomie Het behaalde resultaat wijst op te weinig basiskennis om het volgende schooljaar in dezelfde studierichting aan te vatten.’ Je behaalde een algemeen tekort voor de examens: de verwerking van grote hoeveelheden leerstof vormt een probleem. De klassenraad raadt je aan om je studies verder te zetten in 6OOS.” IX-10.543-2/12 Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
  6. Op 23 augustus 2024 handhaaft de beroepscommissie het B- attest met de gegeven clausulering. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “> De beroepscommissie wenst vooreerst op te merken dat er (geen) fundamentele nieuwe argumenten werden aangebracht. Er werd weliswaar wel verwezen naar het feit dat het CGG nogmaals gecontacteerd werd, doch nog geen concrete afspraak werd gemaakt, ze staat op de wachtlijst. > De beroepscommissie kan zich enkel baseren op voorgelegde stukken en gezegden voor zover ze als bewezen voorkomen. > De beroepscommissie heeft kennis van de cijfers (dagelijks werk, examens, totalen), de tekorten en het attest dat werd toegekend. Het jaartotaal geeft onvoldoendes voor Bedrijfseconomie (49,4%) en Aardrijkskunde (48,3%). Het jaartotaal is 56,1%. Op beide examenreeksen scoort [verzoekster] onvoldoende, namelijk Kerstmis 45,1% en juni 47,6%. Bedrijfseconomie is het richtingsvak van 12 uren per week. De onvoldoendes gaan in totaliteit over 13 uren van de 32 lesuren. [Verzoekster] is 60 halve dagen afwezig geweest waarvan 19 halve dagen onwettig. Dit maakt dat de basis om naar een 6de jaar dubbele finaliteit te gaan onvoldoende is. Een B-attest met clausulering dubbele finaliteit wordt toegekend. > De beroepscommissie kan begrip opbrengen voor het feit dat [verzoekster] een moeilijk schooljaar achter de rug heeft door overschakeling naar een nieuwe school, in combinatie met een moeilijke thuissituatie en psychologische problemen. Ook de school heeft trouwens steeds begrip opgebracht voor deze situatie. De schoolinstelling dient zich evenwel te baseren op objectieve schoolresultaten om te peilen of er een voldoende basiskennis is en of de leerplandoelstellingen bereikt werden. De beroepscommissie stelt vast dat het rapport doorslaggevend is met betrekking tot het al dan niet behalen van de leerplandoelstellingen. > De beroepscommissie is verder van mening dat het argument dat de onvoldoendes slechts gering zijn en dat de significante verbetering van de resultaten een sterke motivatie kunnen betekenen voor de toekomst, irrelevant is. De objectieve resultaten zijn in deze doorslaggevend en tonen, ondanks de verbetering waarvan sprake, nog een tekort, op de jaartotalen van beide vakken waaronder het richtingsvak bedrijfseconomie. De verklaring voor de positieve trend bedrijfseconomie: voor bedrijfseconomie 1 zat het moeilijke deel in het tweede semester, het omgekeerde voor bedrijfseconomie
  7. IX-10.543-3/12 > De beroepscommissie betreurt dat [verzoekster] kampt met mentale gezondheidsproblemen en met nare gevolgen daaraan verbonden, maar het is onaanvaardbaar de school daarvoor verantwoordelijk te stellen. > De beroepscommissie stelt vast dat [de] schoolinstelling onzorgvuldig te werk ging met het versturen van de briefwisseling, aangezien de leerling meerderjarig is. Door tijdig beroep in te stellen, geeft de leerling evenwel te kennen tijdig kennis te hebben genomen van de aangetekende briefwisseling. De belangen werden niet geschonden. > De beroepscommissie kan niet anders dan de mening van de delibererende klassenraad onderschrijven met name dat het algemeen tekort op de examens (48,8% - 40% bedrijfseconomie 1, 28,5% - 50,7% bedrijfseconomie 2) wijst op het probleem van de verwerking van grote hoeveelheden leerstof. > De beroepscommissie moet vaststellen dat [verzoekster] inderdaad 60 halve dagen afwezig was, veelal gewettigd door een doktersattest, maar ook 19 halve dagen niet gewettigd, en de school bijtreden die stelt dat, door veelvuldig afwezig te zijn, het voor [verzoekster] moeilijk werd om alles bijgebeend en gestudeerd te krijgen. Bovendien blijkt dat zij niet meer om hulp van de leerlingbegeleiding vroeg tijdens semester 2 en dat, bij de evaluatie van bedrijfseconomie 1, ook voor semester 2, geen vragen om uitleg werden gesteld.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  8. De verwerende partij werpt in haar nota de exceptie op dat uit de bewoordingen van het verzoekschrift volgt dat verzoekster met haar vordering niet de in laatste aanleg genomen beslissing viseert, maar wel de klassenraadbeslissing van 25 juni
  9. IX-10.543-4/12 Beoordeling
  10. Verzoekster vordert weliswaar de tussenkomst van de Raad van State met betrekking tot een beslissing “genomen door de klassenraad”, maar op het eerste gezicht is dat slechts een materiële vergissing. Immers, verzoekster verwijst duidelijk naar een beslissing van “26 [lees: 23] augustus 2024”. Bovendien betoogt zij verderop in haar verzoekschrift dat de beroepscommissie haar bezwaar heeft afgewezen “zonder rekening te houden met [haar] motivatie en de psychologische en familiale problemen waarmee [zij] nog steeds te kampen [heeft]”. Daarin herkent de verwerende partij, zoals zij zelf in haar nota aangeeft, een “schending van de motiveringsplicht”. Hieruit blijkt prima facie dat verzoekster wel degelijk de beslissing van de beroepscommissie viseert en tot voorwerp van haar vordering heeft gemaakt. De exceptie vertoont niet de vereiste ernst. V. Herinnering aan de grondvoorwaarden voor een schorsing of het bevelen van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel. IX-10.543-5/12 VI. Ernst van de middelen
  12. Naar luid van artikel 16, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, moet, in het geval dat nog geen annulatieberoep werd ingediend, een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onder meer een “uiteenzetting van de feiten en middelen [bevatten] die de nietigverklaring van de akte of het reglement kunnen rechtvaardigen”. Onder een ‘middel’ in de zin van de voormelde reglementaire bepaling, moet worden verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Een uiteenzetting die niet aan dit voorschrift voldoet, is onontvankelijk.
  13. De Raad van State vermag ook alleen acht te slaan op die middelen die in het verzoekschrift voorkomen. Nieuwe middelen of aanvullingen die een nieuwe wending aan een middel geven – zijn op het eerste gezicht en in beginsel uit den boze. Met wat verzoekster aan nieuwe middelen op de terechtzitting heeft aangeleverd, kan de Raad van State derhalve geen rekening houden. Die kritiek lijkt laattijdig en dus onontvankelijk.
  14. Wat wel mag en moet beoordeeld worden is wat verzoekster in haar verzoekschrift heeft uiteengezet. Dat verzoekschrift is in briefvorm opgesteld en bevat geen enkele indeling, ook niet wat de middelen betreft. De inhoud ervan is in extenso de volgende: IX-10.543-6/12 “Overeenkomstig artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (bijgevoegd), vraag ik hierbij een beroep in uiterst dringende noodzakelijkheid aan tegen de beslissing met betrekking tot mijn studiekeuze, genomen door de klassenraad van het Atlas College Genk op 26 augustus
  15. Deze beslissing brengt mij ernstige en moeilijk te herstellen schade toe. Daarom verzoek ik om de onmiddellijke schorsing van de uitvoering ervan, alsook om elke andere voorlopige maatregel die de Raad van State passend acht, in afwachting van een uitspraak ten gronde. Het verzoekschrift wordt ingediend binnen de termijnen bepaald in artikel 17 van dezelfde wetten. Ik, ondergetekende [verzoekster], leerling in het 5de jaar Bedrijfseconomie aan het Atlas College, heb de eer om uw hoge rechtscollege te verzoeken om tussen te komen met betrekking tot een recente beslissing over mijn studiekeuze. Op 28 juni 2024, bij het ophalen van de rapporten, heeft mijn moeder gevraagd om de mogelijkheid om herexamens af te leggen, omdat ik een attest van oriëntering B heb ontvangen. Dit verzoek werd afgewezen omdat de school geen herexamens of vakantieopdrachten aanbiedt. Naar aanleiding van deze afwijzing heeft mijn moeder een ontmoeting gehad met de directeur om mijn moeilijke thuissituatie uit te leggen en om alternatieve oplossingen te vragen. Helaas heeft dit overleg geen resultaat opgeleverd. Vervolgens hebben we op 2 juli 2024 per aangetekende brief opnieuw contact opgenomen met de directeur, maar het antwoord bleef ongewijzigd. In laatste instantie hebben we een advocaat […] ingeschakeld om op 8 juli 2024 een intern beroep in te dienen, dat werd aanvaard, maar opnieuw was de beslissing ongunstig. Ik verzoek daarom uw welwillendheid om mijn situatie te beoordelen en de beslissing van de klassenraad te heroverwegen. Daarna heb ik mij tot de beroepscommissie gewend, maar ook dit beroep werd afgewezen zonder rekening te houden met mijn motivatie en de psychologische en familiale problemen waarmee ik nog steeds te kampen heb. Ik begrijp dat het schooljaar al begonnen is, maar ik blijf ervan overtuigd dat, als men mij een kans geeft, ik in staat ben om met succes het 6de jaar af te ronden. Ik wil ook benadrukken dat een van mijn klasgenoten toestemming heeft gekregen om naar het 6de jaar te gaan ondanks een tekort in economie, wat aantoont dat enige flexibiliteit mogelijk is in specifieke situaties, vooral gezien het feit dat mijn tekort slechts 0,5 punten bedraagt in economie en 1,7 punten in [aardrijkskunde]. Daarnaast wil ik u op de hoogte brengen van mijn huidige persoonlijke situatie die bijzonder moeilijk is. Wij wonen bij mijn grootmoeder, die niet langer wenst dat wij bij haar blijven. Helaas hebben mijn ouders, die overbelast zijn met schulden, niet de financiële middelen om deze situatie te verlaten en een nieuwe woning te vinden. Deze gespannen familiesituatie heeft een aanzienlijke impact op mijn geestelijke gezondheid, waardoor ik een afspraak heb moeten maken met een andere ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.654 IX-10.543-7/12 psycholoog, omdat het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) mij heeft doorverwezen naar Jeugdhuis, een oplossing die ik liever niet volg. Ik heb ook contact opgenomen met het CLB Genk voor extra ondersteuning voor extra ondersteuning. Tenslotte heb ik contact opgenomen met psycholoog [X] per e-mail en wacht momenteel op een antwoord van hem. Ondanks deze persoonlijke uitdagingen wil ik mijn diepe motivatie en vastberadenheid om te slagen benadrukken. Ik ben bereid alle nodige inspanningen te leveren om deze moeilijkheden te overwinnen en mijn academische capaciteiten te bewijzen. In dit verband verzoek ik de Raad van State om tussenkomst, zodat de instelling mijn situatie kan heroverwegen en een passende oplossing kan overwegen die mij in staat stelt om over te gaan naar het 6de jaar.”
  16. Met de eerste vier alinea’s van dit relaas duidt verzoekster het voorwerp van haar vordering aan – de bestreden beslissing en een voorlopige maatregel – legt zij uit waarom zij de “onmiddellijke schorsing” vraagt en wijst zij op de toepasselijke regelgeving. In die alinea’s kan de Raad van State op het eerste gezicht geen middel in de zin van de voormelde bepaling ontwaren.
  17. In de drie daaropvolgende alinea’s geeft verzoekster een uiteenzetting van de feiten: het ophalen van het rapport, het overleg met de directeur en de bezwaarprocedure bij de beroepscommissie. Ook daarin onderkent de Raad prima facie geen middel.
  18. In de achtste alinea van het verzoekschrift vraagt verzoekster aan de Raad van State om “de beslissing van de [beroepscommissie] te heroverwegen”. Op dat vlak lijkt verzoekster zich te vergissen. De Raad van State is als wettigheidsrechter geen beroepsinstantie die in de plaats van de klassenraad of de beroepscommissie over het al dan niet slagen van een leerling vermag te oordelen. Hij oordeelt, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk IX-10.543-8/12 voorgelegde geschil, of de bestreden rechtshandeling – te dezen: de beslissing van de beroepscommissie van 23 augustus 2024 – wettig is of niet. In de mate dat verzoekster beoogt aan de Raad van State een eigen oordeel over verzoeksters schoolresultaten te ontlokken, moet haar op het eerste gezicht worden tegengeworpen dat zulks niet tot de rechtsmacht van de Raad behoort. Verzoekster lijkt zich daarvan overigens bewust te zijn, nu zij in de dertiende (en laatste) alinea van haar verzoekschrift zelf aangeeft dat haar vraag om “tussenkomst” van de Raad van State tot doel heeft “de instelling” – versta: de onderwijsinstelling – haar zaak te doen heroverwegen.
  19. In de negende alinea van het verzoekschrift geeft verzoekster aan dat haar bezwaar door de beroepscommissie werd afgewezen “zonder rekening te houden met [haar] motivatie en de psychologische en familiale problemen waarmee [zij] nog steeds te kampen [heeft]”. Daarin kan, op het eerste gezicht en overigens mét de verwerende partij, een schending van de motiveringsplicht worden gelezen. Verzoekster verwijt de beroepscommissie dat die haar motivatie en de psychologische en familiale problemen die zij in de elfde alinea van het verzoekschrift schetst, niet in haar beslissing heeft betrokken. Op dat vlak kan verzoekster, zo lijkt, niet worden bijgevallen. In de bestreden beslissing wordt wel degelijk gerefereerd aan het schooljaar dat voor haar “moeilijk” was. De commissie stelt daarvoor “begrip” op te brengen. Zij wijst daarbij uitdrukkelijk op de overstap naar een nieuwe school, een “moeilijke thuissituatie” en “psychologische problemen”. Verderop in de bestreden beslissing “betreurt” de beroepscommissie ook dat verzoekster “met mentale gezondheidsproblemen en met nare gevolgen daaraan verbonden” kampt. IX-10.543-9/12 Dat neemt niet weg, aldus de beroepscommissie, dat de klassenraad en nadien zijzelf zich, voor hun oordeel over het al dan niet slagen van verzoekster, moeten laten leiden door “objectieve schoolresultaten om te peilen of er een voldoende basiskennis is en of de leerplandoelstellingen bereikt werden”. De beroepscommissie vindt het rapport van de leerling “doorslaggevend […] met betrekking tot het al dan niet behalen van de leerplandoelstellingen”. Verzoekster zet prima facie niet uiteen waarom die conclusie van de beroepscommissie onjuist zou zijn. Zoals de Raad van State reeds meermaals heeft geoordeeld, ligt de motivering van het al dan niet slagen van een leerling in de eerste plaats besloten in de behaalde punten. Dat middel is bijgevolg niet ernstig.
  20. In de tiende alinea van het verzoekschrift benadrukt verzoekster dat “een van [haar] klasgenoten toestemming heeft gekregen om naar het 6de jaar te gaan ondanks een tekort in economie, wat aantoont dat enige flexibiliteit mogelijk is in specifieke situaties, vooral gezien het feit dat [haar] tekort slechts 0,5 punten bedraagt in economie en 1,7 punten in [aardrijkskunde]”. Net als de verwerende partij leest de Raad van State deze alinea als een schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat haar klasgenoot het rapport niet wilde meedelen en dat zij derhalve “niets kan bewijzen”, reden waarom zij afstand doet van dit middel. Dat middel behoeft derhalve niet langer een beoordeling.
  21. Tot slot voert verzoekster in de eerste zin van de tiende alinea en in de twaalfde alinea nog aan dat zij “ervan overtuigd [blijft] dat, als men [haar] een kans geeft, [zij] in staat [is] om met succes het 6de jaar af te ronden”, IX-10.543-10/12 in dat verband haar “diepe motivatie en vastberadenheid om te slagen” benadrukt en “alle nodige inspanningen” wil leveren om “deze moeilijkheden te overwinnen en [haar] academische capaciteiten te bewijzen”. Op het eerste gezicht drukt verzoekster – hoe lovenswaardig ook – daarmee alleen haar wil uit om in het volgende leerjaar te slagen. Enige wettigheidskritiek lijkt de Raad van State daarin niet te kunnen bespeuren. Ook dat is in de huidige stand van de procedure bijgevolg niet als een middel in de zin van de voormelde bepaling te beschouwen.
  22. De vordering tot schorsing kan niet worden ingewilligd. VII. Vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel
  23. Verzoekster vraagt, zoals gezien, dat de Raad van State “elke andere voorlopige maatregel die [hij] passend acht” zou opleggen.
  24. Daargelaten dat deze vordering van verzoekster iedere precisie lijkt te missen, moet ze, wegens het hiervóór vastgestelde gebrek aan een ernstig middel, hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt de vordering.
  26. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.543-11/12
  27. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.543-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.654 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.438 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.