← België

Arrest 260659 - Examens (onderwijs) - 18/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.659 Rolnummer: A. 242936/IX-10542 Zaak: Arrest 260659 - Examens (onderwijs) - 18/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-20 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.659 van 18 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.659 van 18 september 2024 in de zaak A. 242.936/IX-10.542 In zake : N.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Akkerstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW KAREL DE GOEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 10 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Andreaslyceum van 22 augustus 2024 waarbij het aan verzoekster toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2024, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. IX-10.542-1/25 Advocaat Yüksel Samet Gündogan, die loco advocaat Sabien Lust verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad economie-wiskunde in het Sint-Andreaslyceum te Assebroek, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaartotaal van 57%, met een jaartekort voor wiskunde (36%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Hij overweegt daarbij wat volgt: “Motivering: op basis van - een jaarresultaat van (57%) - het diepe tekort voor het poolvak Wiskunde (36%) - de globaal zwakke resultaten Frans (50%) Geschiedenis (52%) Godsdienst (53%) Natuurwetenschappen (51%) - de achterstand in basiskennis en vaardigheden voor heel wat vakken, - de moeite met grote pakketten leerstof, - de examenresultaten doorheen het jaar (51%) en de vele tekorten in de examenreeks juni (totaal 49%) kunnen wij, na grondig overleg, [verzoekster] niet geslaagd verklaren voor het 1e jaar van de 3e graad aso.” IX-10.542-2/25 Overleg met de directeur op 27 juni 2024 leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. 3.3. Verzoekster stelt daarop het volgende beroep in bij het schoolbestuur: “Ons bezwaar is gebaseerd op de volgende feiten: - Het jaartotaal is geslaagd - Slechts voor 1 vak heeft [verzoekster] minder dan 50 - De andere vakken heeft [verzoekster] wel behaald - Het is niet aan te raden dat [verzoekster]een heel jaar overdoet voor slechts 1 vak, dit betekent dat [verzoekster] moet studeren en examen moet doen in alle andere vakken waarvoor ze wel geslaagd is. Zijn er andere studenten met dezelfde situatie als [verzoekster] die de school wel naar het 6e jaar heeft laten gaan? Ons voorstel is - de school laat [verzoekster] overgaan naar het 6e jaar en wij zorgen voor extra hulp bij wiskunde met privélessen. OF - [Verzoekster] toestaan om begin volgend jaar een herexamen wiskunde van het 5e jaar te maken. N.B. Wij zijn 100% zeker van de capaciteiten van [verzoekster]. Zij kan slagen in het herexamen. We hebben de ervaring dat ze het vijfde en zesde jaar van het basisonderwijs in één schooljaar heeft vervolledigd. Voldoende bewijzen van de capaciteiten van [verzoekster] kunnen op verzoek worden getoond.” 3.4. Op de hoorzitting van de beroepscommissie op 22 augustus 2024 legt de raadsman van verzoekster de volgende nota neer: “Zoals u weet is [verzoekster] leerling in het vijfde jaar economie-wiskunde. Ze kreeg op het einde van het schooljaar een C-attest omwille van een tekort voor wiskunde. Namens de ouders van [verzoekster], verzoekers, maak ik vooreerst een voorbehoud. Verzoekers vroegen inzage in het verslag van de delibererende klassenraad om op die wijze te weten wat de klassenraad ertoe heeft gebracht om [verzoekster] ondanks één enkel jaartekort toch een C-attest te geven. Ze hebben tot op heden dit verslag niet ontvangen, en kunnen zich dan ook niet verdedigen op dat punt en hun beroep op dat punt niet nuttig uitputten. Dit kan uiteraard niet. Verzoekers vroegen ook inzage in de examens van juni 2024. Ze kregen inzage van een deel van de examens maar niet van alle examens. Het examen Frans kregen verzoekers niet te zien zodat ze zich er niet van konden IX-10.542-3/25 vergewissen of dat examen correct werd verbeterd. Van het examen wiskunde ontbrak het deel ruimtemeetkunde. Verzoekers vragen alsnog inzage van beide genoemde examens zodat ze zich ervan kunnen vergewissen dat deze correct waren verbeterd en de score voor deze vakken correct was berekend. Verzoekers stellen vast dat [verzoekster] eindigt met slechts één onvoldoende, met name een onvoldoende voor wiskunde. Ze beseffen zeer goed dat wiskunde een richtingspecifiek vak is, en dus een belangrijke plaats inneemt in de opleiding, maar het blijft één enkel tekort. Andere tekorten wist ze weg te werken door goede prestaties op dagelijks werk of, voor geschiedenis, door een goed examen in het tweede semester. Het ontbreekt [verzoekster] nochtans niet aan intelligentie, integendeel. [verzoekster] is een zeer begaafde leerling, wat blijkt uit haar resultaten in het basisonderwijs, waar ze het vijfde en zesde leerjaar in één enkel schooljaar wist af te werken. Ze nam ook deel aan de kangoeroewedstrijd, een wiskundewedstrijd met vragen die niet van de poes zijn, en behoorde met haar resultaat tot de top 100 van West-Vlaanderen. In het eerste middelbaar werd ze, zoals iedereen, geconfronteerd met Corona en de beperkende maatregelen die werden genomen om de verspreiding van de ziekte in te dijken. Ondanks het vele thuisonderwijs behaalde ze nog steeds 76% als jaarresultaat voor wiskunde. Verzoekers stellen vast dat haar cijfers voor wiskunde in de daaropvolgende jaren gestaag zijn gedaald. Na het volgen van privé-bijlessen gingen de cijfers weer omhoog. Dit schooljaar waren haar cijfers voor wiskunde niet goed. Ze beëindigde het vierde middelbaar nochtans nog met 60% voor wiskunde en enkel een onvoldoende voor DW3. Verzoekers stellen vast dat er dit jaar bitter weinig begeleiding is geweest voor leerlingen die het moeilijk hadden met wiskunde. De remediëring bestond niet uit extra uitleg, er kwamen ook geen extra oefeningen of extra lessen, maar er werd enkel gevraagd om studieblaadjes in te dienen. Daar leert een leerling natuurlijk niets mee bij. [Verzoekster] heeft wel zelf inspanningen gedaan om aan haar studiemethode voor wiskunde te werken, wat alvast heeft geleid tot een positieve evolutie naar het einde van het jaar toe op vlak van dagelijks werk. Voor het examen heeft de stress en faalangst haar echter danig parten gespeeld dat ze die positieve evolutie niet ook daar heeft kunnen tonen. Verzoekers hebben ook contact genomen met de school over [verzoeksters] prestaties. Nog in januari stuurde [verzoeksters] moeder per mail de vraag om op de hoogte te worden gehouden van de remediëring. De mail werd nooit beantwoord. Verzoekers hebben ook een vermoeden van dyslexie bij [verzoekster] en [verzoeksters] moeder heeft daarover al in september 2023 een concrete hulpvraag gesteld aan de school bij mail. Ook daar werd geen gevolg aan gegeven. IX-10.542-4/25 Opvallend is ook dat aan andere leerlingen wel studiebegeleiding werd aangeboden. Een vriendin van [verzoekster] werd alvast verplicht om na de kerstvakantie studiebegeleiding te volgen op school in de vorm van avondles. Waarom kon dat niet voor [verzoekster]? Waarom werd haar enkel voorgesteld om van richting te veranderen en niet om haar te helpen om haar schooljaar in de gekozen richting tot een goed einde te brengen ? Extra begeleiding had [verzoekster] nochtans kunnen helpen om haar resultaten weer omhoog te brengen. Ze is zeker intelligent genoeg maar die intelligentie uit zich jammer genoeg niet in goede cijfers, wat een typisch fenomeen is bij een groep van intelligente leerlingen, met name die leerlingen die te maken hebben met een zogenaamde ‘vaste mindset’ in plaats van een ‘groeimindset’. Leerlingen met een vaste mindset zien hun gebrekkige progressie of falen (bv. een minder goede toets) gemakkelijker als een teken van ontoereikende intelligentie. Hierdoor blijven ze na falen gemakkelijker bij de pakken neerzitten. Als intelligentie vastgebakken is, dan is het immers hopeloos om het falen recht te zetten. Deze leerlingen creëren ook vaak faalangst, waardoor ze studeren ook gaan uitstellen en in de moeilijkheden komen op grotere toetsen. Dit is ook wat we bij [verzoekster] zien gebeuren. Ze is een zeer intelligente leerlinge die goede cijfers behaalt zolang de leerstof van die aard is dat ze weinig bijkomende studie vergt om er te geraken. Dergelijke leerling leert ook niet hoe je moet studeren, want studeren is niet nodig om goede cijfers te behalen. Maar op het moment dat het moeilijker wordt, en studeren wel nodig wordt, slagen die leerlingen er niet meer in een goede studiemethode te ontwikkelen. Ze hebben ook nooit geleerd om te studeren, en ze wijten hun falen aan een ontoereikende intelligentie. De resultaten gaan naar beneden, de faalangst neemt toe waardoor het studeren ook niet meer lukt zoals het zou moeten, en alles eindigt uiteindelijk bij barslechte resultaten die absoluut niet representatief zijn voor het kunnen van de leerling. Dergelijke leerlingen zijn niet geholpen met een wijziging van studierichting en een ‘afzakken’ naar minder moeilijke richtingen. Dergelijke leerlingen hebben integendeel stimulans en begeleiding nodig, zodat ze een goede studiemethode aanleren en kunnen ondervinden dat dergelijke methode wel tot goede resultaten leidt en dat intelligentie geen eindig gegeven is, maar kennis en vaardigheden kunnen groeien door studie en oefening. Daar hebben verzoekers afgelopen zomervakantie met [verzoekster] ook hard aan gewerkt, onder begeleiding van een dame die [verzoekster] bijlessen gaf in Wiskunde. Dat verandert uiteraard niets aan de resultaten die [verzoekster] het afgelopen jaar heeft behaald, maar het opent wel perspectieven voor de toekomst: geef [verzoekster] de juiste begeleiding en haar resultaten zullen volgen. IX-10.542-5/25 Gelet op dit alles vragen verzoekers dat [verzoekster] de kans zou krijgen om toch over te gaan naar het zesde middelbaar, hetzij door haar alsnog een A-attest te geven (wat bij andere leerlingen met één tekort overigens wél is gebeurd), hetzij door gebruik te maken van de mogelijkheid voorzien in punt 3.9.2. van het schoolreglement: ‘In uitzonderlijke gevallen kan de delibererende klassenraad op het einde van het 1ste leerjaar van een graad beslissen dat je ondanks enkele tekorten toch al mag starten in dat 2de leerjaar. Je moet dan wel in de loop van dat 2de leerjaar die tekorten wegwerken. De school zal je hierbij ondersteunen. Op het einde van het 1ste leerjaar krijg je dan geen oriënteringsattest, maar enkel een attest van lesbijwoning als regelmatige leerling.” Van die mogelijkheid kan gebruik gemaakt worden nu [verzoekster] in de derde graad gewijzigd is van studierichting. En het geeft [verzoekster] de mogelijkheid om haar middelbare studies toch volgend schooljaar te beëindigen en belet dat ze een volledig jaar moet overzitten voor slechts één onvoldoende. Verzoekers van hun kant engageren zich ertoe om te zorgen voor de nodige extra begeleiding voor [verzoekster], zowel wat specifiek wiskunde betreft als, meer in het algemeen, op het vlak van studiemethode en omgaan met stress bij examens. Er zal verder ingezet worden op bijles, en [verzoeksters] moeder zal het volgende schooljaar maar 80% werken zodat ze op woensdag thuis is om haar dochter te helpen. Ze heeft ook drie maanden tijdskrediet genomen in de periode vanaf mei 2025 tot en met juli om er te zijn tijdens de zwaarste maanden van het jaar en haar kinderen dan extra te kunnen ondersteunen waar nodig. Subsidiair vragen verzoekers om [verzoekster] de mogelijkheid te geven om via een uitgestelde proef aan te tonen dat ze de eindtermen van wiskunde wel voldoende beheerst. [verzoekster] heeft de afgelopen weken heel wat inspanningen geleverd om, onder begeleiding, haar achterstand in wiskunde bij te benen. Verzoekers zouden het ten zeerste waarderen als ze de kans kreeg om ook te tonen wat ze in haar mars heeft.” De beroepscommissie beslist om het C-attest te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “2. Onderzoek van het beroep ten gronde […] De beroepscommissie motiveert haar beslissing als volgt: - De betrokken leerling heeft in onvoldoende mate de doelstellingen bereikt die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen: o Eerste semester: DW 34% - EX 35% o Tweede semester: DW 47% - EX 31% IX-10.542-6/25 o Jaartotaal wiskunde: 36% o Algemeen jaartotaal: 57% o De beroepscommissie stelt vast dat de leerdoelstellingen voor het vak wiskunde ten belope van 6 lesuren in de week niet zijn behaald. - De Beroepscommissie stelt vast dat via een breed opgezette evaluatie en rapportering de delibererende klassenraad voldoende inzicht heeft verworven in de vorderingen in de leerstof om een oordeel te kunnen vormen. - De Beroepscommissie is van oordeel dat de school geen fouten verweten kan worden, hetzij procedureel, hetzij inzake begeleiding. - De argumenten die de ouders aanhalen (zie ook het schrijven van advocaat dr. Sabien Lust), zijn niet van die aard dat de Beroepscommissie vindt dat de beslissing van de delibererende klassenraad moet gewijzigd worden. De hele schoolloopbaan mag niet verward worden met de specificiteit en de evaluatie van de derde graad. - De Beroepscommissie volgt de beslissing van de klassenraad om een C-attest te geven. - De Beroepscommissie heeft vastgesteld dat [verzoekster] tijdens de zomervakantie extra inspanningen heeft geleverd voor het vak wiskunde, maar vindt dit niet gegrond om een herexamen wiskunde te rechtvaardigen. Daarom sluit de Beroepscommissie zich aan bij de beoordeling van de delibererende klassenraad en besluit de Beroepscommissie om het oriënteringsattest C te handhaven.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.542-7/25 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 5. Verzoekster stelt dat de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht via een gewone brief zonder leesbare postdatum, die op 30 augustus 2024 werd ontvangen. 6. De verwerende partij voert in haar nota met opmerkingen aan dat verzoekster niet met de vereiste diligentie is opgetreden. Zij betoogt dat de bestreden beslissing met een aangetekend schrijven aan verzoekster is betekend op 26 augustus 2024 en dat verzoekster vijftien dagen heeft laten verstrijken alvorens het schorsingsverzoek in te dienen. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, werd verzoekster op 22 augustus 2024 telefonisch van de bestreden beslissing op de hoogte gesteld, zodat er eigenlijk negentien dagen overheen zijn gegaan. Een dergelijke termijn acht de verwerende partij, verwijzend naar ’s Raads arrest nr. 232.580 van 15 oktober 2015, niet te verzoenen met een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Tot slot haalt de verwerende partij een verklaring van de directeur aan waaruit moet blijken dat er op 26 augustus 2024 een gesprek plaatsvond met de vader van verzoekster, naar aanleiding van diens vraag tot inschrijving van verzoekster als vrije leerling. Ook daaruit blijkt volgens de verwerende partij dat verzoekster toen reeds op de hoogte was van de beslissing van de beroepscommissie, maar eerst heeft gepoogd om “andere wegen te bewandelen”. 7. Op de terechtzitting doet verzoekster nog gelden dat zij op 26 augustus 2024 geen aangetekende zending heeft ontvangen. Haar raadsman betoogt dat noch hijzelf, noch verzoekster bij bpost een antwoord heeft ontvangen IX-10.542-8/25 op de vraag om een bewijs van de uitreiking van dat aangetekend schrijven voor te leggen. Verzoekster vraagt dat de Raad dit bewijs bij bpost zou opvragen. Beoordeling 8. Overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vangt de beroepstermijn slechts aan indien de betekening van de akte of van de beslissing met individuele strekking de beroepsmogelijkheid, de vormvoorschriften en termijn vermeldt. Bovendien bepaalt artikel 3.9.4.3, vierde lid, van het schoolreglement: “De beroepscommissie zal ofwel de betwiste beslissing bevestigen, ofwel een andere beslissing nemen. De voorzitter van de beroepscommissie zal de gemotiveerde beslissing binnen een redelijke termijn en ten laatste op 15 september van het daaropvolgende schooljaar met een aangetekende brief aan je ouders meedelen.” Verzoekster mocht derhalve erop rekenen dat de beslissing van de beroepscommissie haar met een aangetekend schrijven ter kennis zou worden gebracht. Dat lijkt, voortgaande op de webtrackter van bpost die de verwerende partij voorlegt, te dezen te zijn gebeurd op 26 augustus 2024. Dat de strekking van de beslissing mogelijk eerder telefonisch aan verzoekster is meegedeeld, betekent nog niet dat zij alsdan van de motieven van de beslissing kennis had of dat zij op de beroepsmogelijkheden werd geattendeerd. Een telefonische mededeling van het deliberatieresultaat lijkt in die omstandigheden de beroepstermijn niet te doen ingaan. Zelfs indien wordt uitgegaan van een betekening van de bestreden beslissing bij aangetekend schrijven op 26 augustus 2024 – en niet van een kennisname via de gewone post op 30 augustus 2024 zoals verzoekster aanvoert – moet uit het voorgaande worden besloten dat verzoekster inderdaad, zoals de verwerende partij voorrekent, vijftien dagen na de betekening van de IX-10.542-9/25 bestreden beslissing haar verzoekschrift heeft neergelegd. Een dergelijk tijdsverloop heeft de Raad van State eerder reeds als aanvaardbaar beschouwd (arrest nr. 242.351 van 17 september 2018) en de Raad ziet geen reden om er hier anders over te oordelen. Het door de verwerende partij aangehaalde arrest nr. 232.580, waarin de Raad vaststelt dat de verzoekende partij drie weken had gewacht alvorens haar vordering in te stellen, is te dezen op het eerste gezicht niet dienend. 9. Aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 10. Verzoekster steunt een eerste middel op een schending van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en zoals neergelegd in artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° van de Codex Secundair Onderwijs en in artikel 3.9.4.3 van het schoolreglement. Verzoekster vat haar middel zelf samen als volgt: “De hoorplicht houdt in dat een partij nuttig voor haar belangen moet kunnen opkomen. Dat kan maar indien die partij ook beschikt over alle voor de bestreden beslissing relevante stukken. Ondanks herhaaldelijke vragen daartoe heeft verzoekster geen inzage gekregen in haar examen(

  1. s)Frans en Wiskunde hoewel de resultaten voor die vakken doorslaggevend waren voor de bestreden beslissing. Verzoekster heeft ook geen inzage gekregen in het verslag van de klassenraad / het syntheseformulier van de klassenraad, waardoor ze niet op de hoogte was van de exacte motivering door de klassenraad. Daardoor heeft ze haar hoorrecht niet ten volle kunnen uitoefenen in het raam van het intern beroep, en is de hoorplicht geschonden.” IX-10.542-10/25 11. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat op 5 juli 2024 door de directeur inzage werd verleend in een aantal stukken en dat daarbij het mondeling examen Frans en het examen ruimtemeetkunde ontbraken, maar dat in de aanloop naar de beroepscommissie van 22 augustus 2024 daaromtrent geen verdere vragen werden gesteld. De verwerende partij ziet niet in waartoe inzage van het examen Frans nog zou kunnen leiden en ook het examen ruimtemeetkunde is volgens haar niet relevant, aangezien de zwakke score voor wiskunde niet wordt betwist. Wat het syntheseblad ten slotte betreft, stelt de verwerende partij dat dit deel uitmaakt van het rapport en dat dit, omwille van de afwezigheid van verzoeksters ouders op het oudercontact, werd overhandigd tijdens het overleg op 27 juni 2024. De verwerende partij besluit dat in zoverre verzoeksters grieven daadwerkelijk op de hoorplicht kunnen worden betrokken, aan dat voorschrift alleszins is voldaan. Beoordeling 12.1. In zoverre verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de ‘hoorplicht’, dient te worden opgemerkt dat naar luid van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, op de beroepscommissie de verplichting rust om “de betrokken personen” en de leerling in kwestie te horen. Zoals de Raad van State immers al in verschillende arresten heeft overwogen, lijkt, bij gebrek aan nadere regeling in de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs en in het schoolreglement van de betrokken school, aan deze hoorplicht dezelfde invulling te moeten worden gegeven als aan het beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen. IX-10.542-11/25 Voor de leerling die een beroepsprocedure voert tegen een ongunstige evaluatiebeslissing betekent dit op het eerste gezicht, bijvoorbeeld, dat hij – en eventueel de “betrokken personen”, indien de leerling minderjarig is – behoorlijk moet worden uitgenodigd om zijn standpunt kenbaar te maken en dat hij, zeker wanneer hij daarom verzoekt, op een nuttig tijdstip inzage in of een kopie moet krijgen van het volledige dossier waarop de beroepscommissie haar oordeel zal steunen. 12.2. Dat dossier bevat, zo leren de artikelen 3.9.1 en 3.9.2 van het schoolreglement, “het resultaat van [de] globale evaluatie” en de “prestaties in het voorbije schooljaar”, en dus ook de door de leerling afgelegde examens. 13. Ter adstructie van de aangevoerde schending betoogt verzoekster dat niet aan de hoorplicht is voldaan omdat zij haar beslissing heeft genomen zonder dat is ingegaan op verzoeksters vraag tot het overmaken van de verbeterde examenkopijen van haar examens Frans en ruimtemeetkunde, terwijl zij hiertoe herhaaldelijk de vraag heeft gesteld, alleszins in een e-mail van verzoeksters vader van 4 juli 2024 en middels het uitdrukkelijk voorbehoud in de nota die op de hoorzitting werd neergelegd. De verwerende partij overtuigt dan ook vooralsnog niet met haar betoog dat de vraag tot inzake enkel “begin vakantie” is te situeren en dat er later niet meer op teruggekomen zou zijn. 14. De examenkopijen van de vakken Frans en wiskunde maken onbetwistbaar deel uit van het dossier van verzoekster. In dat geval moest, vanwege het voornoemde recht om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen, aan verzoekster de gelegenheid worden geboden om de (verbeterde) examenkopijen van de voornoemde vakken op een nuttig tijdstip in te zien of er zelfs een afschrift van te krijgen. IX-10.542-12/25 Er anders over oordelen, zou het voor de leerling immers onmogelijk maken bezwaren te uiten tegen de hem toegekende cijfers en dus de materiële motivering van de evaluatiebeslissing te bekritiseren. De stelling van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen dat het examen ruimtemeetkunde geen relevantie heeft omdat niet zou zijn betwist dat verzoekster voor het vak wiskunde heel zwak scoort, kan op het eerste gezicht niet worden bijvallen. Met die stelling lijkt de verwerende partij immers te betogen dat de materiële motivering van de bestreden beslissing niet wordt betwist, terwijl verzoeksters eerste middel er precies op is gericht de haar ontzegde mogelijkheid om de materiële motieven te bekritiseren. Om dezelfde reden kan de verwerende partij in de huidige stand van de procedure evenmin worden bijgetreden in haar betoog dat verzoekster “zelf perfect [wist] dat ze niet voldeed” en “ootmoedig toegaf dat het niet goed was”. Dat de voorzitter van de beroepscommissie “licentiaat wiskunde [is], met decennialange ervaring als leraar wiskunde”, zoals de verwerende partij aanvoert, lijkt van elke pertinentie ontdaan in het licht van de materiëlemotiveringsplicht en de hoorplicht. 15. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat aan verzoekster hoe dan ook en ondanks haar vraag daartoe, de mogelijkheid is ontzegd om de betrokken (verbeterde) examenkopijen van de vakken Frans en wiskunde aan een nader onderzoek te onderwerpen en daarover desgevallend haar bezwaren aan de beroepscommissie voor te leggen. Dat lijkt overigens te dezen des te meer relevant, nu de verwerende partij geen inzicht verschaft over het relatieve gewicht van de opgevraagde examens bij de berekening van de uiteindelijke resultaten. Alvast voor het examen ruimtemeetkunde binnen het vak wiskunde is dit op het eerste gezicht van belang, aangezien dat het enige vak is waarvoor verzoekster een jaartekort behaalde en de beroepscommissie zich in de bestreden beslissing prima facie op doorslaggevende wijze op dat jaartekort steunt. IX-10.542-13/25 Gelet op het gegeven dat de beroepscommissie nog steeds van oordeel is dat verzoekster sommige leerplandoelen van het eerste jaar van de derde graad niet heeft behaald, diende aan verzoekster de gelegenheid te worden geboden om inhoudelijke bezwaren te formuleren tegen de toegekende cijfers en dus de materiële motivering van de evaluatiebeslissing te bekritiseren. De beroepscommissie houdt dan ook ten onrechte – in een stijlformule – voor dat “de school geen fouten verweten kan worden, hetzij procedureel, hetzij inzake begeleiding”. 16. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. B. Tweede middel 17. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de formelemotiveringsplicht, de artikelen 5, § 5, en 37 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (het organisatiebesluit 2002) en artikel 3.9.2 van het schoolreglement. a. eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen 18. In een eerste middelonderdeel doet verzoekster gelden dat de bestreden beslissing bijzonder karig is gemotiveerd, namelijk door enkel te verwijzen naar één jaartekort (wiskunde) en een algemeen jaartotaal van 57%. Daarmee geeft de beroepscommissie volgens verzoekster geen blijk ervan acht te hebben geslagen op álle gegevens uit het leerlingendossier, zoals is voorgeschreven in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit 2002. Die plicht rust volgens verzoekster des te meer op de beroepscommissie wanneer het gaat om een leerling met slechts één tekort, zelfs al is dat een tekort voor een hoofdvak en gaat het om een relatief groot tekort. IX-10.542-14/25 Verzoekster stipt voorts aan dat haar cijfers voor wiskunde abnormaal zijn gedaald en dat een vraag van haar ouders om van de opgelegde remediëring op de hoogte te worden gehouden, niet werd beantwoord. De begeleiding was volgens verzoekster zo goed als onbestaande en alleszins niet aangepast aan haar behoeften. Ook daarop antwoordt de beroepscommissie onvoldoende. Tot slot stelt verzoekster dat uit de overweging van de beroepscommissie dat zij de beslissing van de klassenraad om een C-attest te geven volgt, met enige goede wil weliswaar kan worden afgeleid dat de beroepscommissie zich ook de motieven van de delibererende klassenraad eigen maakt, maar dat zulks het motiveringsgebrek niet kan verhelpen omdat verzoekster de motieven van de klassenraad – op het syntheseblad – nooit heeft ontvangen. 19. In de nota met opmerkingen weerspreekt de verwerende partij dat de beroepscommissie niet het gehele dossier in rekening zou hebben gebracht. Zij wijst erop dat niet enkel wordt verwezen naar de resultaten voor wiskunde, maar dat de beroepscommissie daarnaast ook overweegt dat de delibererende klassenraad de evaluatie en rapportering zeer breed heeft opgezet en dat voldoende begeleiding aanwezig was. Aldus is, volgens de verwerende partij, geantwoord op de argumenten die verzoekster heeft aangehaald. Daaraan voegt de verwerende partij nog toe: “De beroepscommissie motiveerde niet louter op basis van de resultaten voor wiskunde, maar stelde letterlijk dat de evaluatie door de klassenraad terecht en uitvoerig werd verricht en aldus onderschreven werd; uit deze motivering kan natuurlijk worden afgeleid dat de Beroepscommissie zich achter de motivering (uitvoerige motivering) van de klassenraad schaart. En de klassenraad hield natuurlijk met veel meer rekening dan louter het (grote) tekort voor het vak wiskunde.” Zij betoogt voorts dat de beroepscommissie ook de motivering van de directeur bij het overleg herneemt en bijtreedt, en dat wat de begeleiding IX-10.542-15/25 betreft kan worden volstaan met de motivering dat ter zake aan de school niets te verwijten valt. Beoordeling 20. Met artikel 100 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (het organisatiebesluit 2022) – een besluit dat weliswaar voortbouwt op, maar op termijn volledig in de plaats komt van onder meer het organisatiebesluit 2002 – werd aan artikel 82 van het organisatiebesluit 2002 een tweede lid toegevoegd, dat luidt: “Dit besluit houdt op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data: […] 3° 31 augustus 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad.” Verzoekster was het voorbije schooljaar leerling van het eerste leerjaar van de derde graad. Bijgevolg moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit 2002, in haar geval, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet meer van kracht was. In het organisatiebesluit 2022 lijkt een woordelijk identieke bepaling als die van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit 2002, niet te zijn opgenomen. In de huidige stand van de rechtspleging, waar de Raad van State wordt gevraagd “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” op te treden en waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij zeer beperkt zijn, valt het de Raad niet toe om eigener beweging na te gaan of er enigszins gelijkaardige bepalingen voorkomen in het nieuwe organisatiebesluit en om vervolgens – na een vergelijking tussen beide – zelf en dus in de plaats van verzoekster na te gaan welke invloed dat heeft op het aangevoerde middel. Voor zover het steun zoekt in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit 2002, is het middel niet ontvankelijk. IX-10.542-16/25 21. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet de beroepscommissie haar beslissing uitdrukkelijk motiveren. Krachtens artikel 3 van de voormelde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn. De formele motivering moet de leerling redelijkerwijze in staat te stellen te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en aldus met kennis van zaken eventueel tegen deze beslissing in rechte op te treden. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs bieden aan een leerling om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad. Wanneer de leerling aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, moet deze commissie kennis nemen van zijn grieven, ze beoordelen en ze beantwoorden. De formele motiveringsplicht vereist in dat geval dat de bestreden beslissing doet blijken dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. 22. In haar beroepschrift heeft verzoekster – samengevat – uiteengezet dat haar bezwaar steunt op het feit dat het jaartotaal een slaagcijfer is en dat zij voor slechts één vak een jaartekort behaalde. In de nota die op de hoorzitting van de beroepscommissie is neergelegd, brengt verzoekster opnieuw dat ene jaartekort onder de aandacht. 23. Het oordeel over het al dan niet slagen van een leerling is geen louter mathematische optelling van cijfers per vak, maar vereist een alomvattende IX-10.542-17/25 appreciatie over de vraag of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en op voldoende mate heeft bereikt. Dit betekent dat een tekort voor één vak, zelfs al is het tekort ondermaats en zelfs al betreft het een ‘hoofdvak’, slechts één element is van een dossier. Het ontslaat niet van de verplichting om bij de beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier en van de leerling af te wegen tegenover dit ene tekort. Het gaat dan in het bijzonder over studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of de globale jaarresultaten van de leerling. De resultaten behaald voor andere vakken mogen dus niet buiten beschouwing blijven. Een reden om een leerling met één jaartekort niet geslaagd te verklaren, kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bij voorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten. 24. De verwerende partij lijkt aan de bestreden beslissing motieven toe te dichten die in de tekst ervan niet terug te vinden zijn. Waar zij aanvoert dat de beroepscommissie “letterlijk [stelt] dat de evaluatie door de klassenraad terecht en uitvoerig werd verricht”, moet prima facie worden vastgesteld dat een dergelijke overweging door de beroepscommissie niet is neergeschreven. Evenmin lijkt de beroepscommissie zelfs maar impliciet te verwijzen naar de overwegingen van de directeur bij zijn beslissing om na het overleg de klassenraad niet opnieuw samen te roepen – zij heeft zich die motieven op het eerste gezicht dus ook niet eigen gemaakt. 25. Voorshands gaat de Raad van State ervan uit dat onder het kopje “[d]e beroepscommissie motiveert haar beslissing als volgt:” te lezen is welke overwegingen de beroepscommissie tot haar beslissing hebben gebracht. Dat zijn, voor zover ze betrekking hebben op verzoeksters resultaten, de volgende: IX-10.542-18/25 - “De betrokken leerling heeft in onvoldoende mate de doelstellingen bereikt die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen: o Eerste semester: DW 34% - EX 35% o Tweede semester: DW 47% - EX 31% o Jaartotaal wiskunde: 36% o Algemeen jaartotaal: 57% o De beroepscommissie stelt vast dat de leerdoelstellingen voor het vak wiskunde ten belope van 6 lesuren in de week niet zijn behaald.” Waar de beroepscommissie, na de uiteenzetting van die motivering van haar beslissing, op het einde van haar beslissing samenvattend stelt dat zij zich “daarom” bij de beoordeling van de delibererende klassenraad aansluit en besluit om het oriënteringsattest C te handhaven, dan lijkt daaruit te moeten worden begrepen dat zij ‘om die redenen’ tot deliberatieresultaat komt, en niet dat zij de motivering van de delibererende klassenraad ook tot de hare maakt. Overigens lijkt ook het alsnog in rekening brengen van de overwegingen van de delibererende klassenraad het prima facie vastgestelde motiveringsgebrek niet te kunnen verhelpen. Die klassenraadbeslissing steunt de toekenning van een C-attest op het eerste gezicht immers op “globaal zwakke” resultaten voor vakken waarvoor verzoekster geen jaartekort laat optekenen. Die slaagcijfers moeten, zoals de Raad van State al meermaals heeft overwogen, worden geacht op een deskundige wijze te zijn toegekend. Ze worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. 26. De verwijzing naar een algemeen jaartotaal van 57% kan prima facie de toekenning van een C-attest niet verantwoorden. Wat rest, is de vaststelling dat verzoekster voor één vak – wiskunde – een tekort behaalt (36%) en zij de leerdoelstellingen voor dat vak niet heeft behaald. Enig ander element uit het leerlingendossier heeft de beroepscommissie op het eerste gezicht niet bij haar beslissing over het deliberatieresultaat betrokken. Daarmee lijkt de motivering van de IX-10.542-19/25 beroepscommissie ruimschoots tekort te schieten in het licht van de principes die hiervóór in herinnering zijn gebracht, temeer nu verzoekster ten overstaan van de beroepscommissie uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij voor alle andere vakken slaagcijfers kan voorleggen. De loutere stijlformule dat de argumenten van verzoekster “niet van aard [zijn] dat de Beroepscommissie vindt dat de beslissing van de delibererende klassenraad moet worden gewijzigd”, kan dat motiveringsgebrek niet verhelpen. 27. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ernstig. b. tweede middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 28. In een tweede middelonderdeel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing artikel 37 van het organisatiebesluit 2002 en artikel 3.9.2 van het schoolreglement schendt, alsook de formelemotiveringsplicht. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie een bijkomende proef kon opleggen teneinde te onderzoeken of verzoekster al dan niet de leerdoelen van het vak wiskunde heeft behaald. In het licht van de in het overleg met de directeur en ten overstaan van de beroepscommissie geuite grieven dat de school niet de nodige begeleiding heeft gegeven toen verzoekster moeilijkheden kreeg met wiskunde en dat niet is ingegaan op de vraag naar hulp of informatie over aangeboden hulp en remediëring, kon de beroepscommissie volgens verzoekster niet volstaan met de stelling dat zij over voldoende informatie beschikte, te meer nu verzoekster in de zomervakantie met de hulp van een begeleider verder aan wiskunde heeft gewerkt. Had de beroepscommissie de door verzoekster aangevoerde argumenten wél in rekening gebracht, dan had zij redelijkerwijze moeten besluiten IX-10.542-20/25 tot het toekennen van een bijkomende proef voor wiskunde. Thans evenwel, zo stelt verzoekster, heeft zij er het raden naar waarom de beroepscommissie de inspanningen tijdens de zomervakantie “niet gegrond” vindt. Beoordeling 29. Zoals sub 20 reeds prima facie is vastgesteld, zijn de bepalingen van het organisatiebesluit 2002, wat het eerste jaar van de derde graad betreft, sinds 31 augustus 2023 niet meer van toepassing. Voor zover het steun zoekt in artikel 37 van het organisatiebesluit 2002 is het middelonderdeel derhalve onontvankelijk. 30. De beroepscommissie wijst het verzoek tot het organiseren van een “herexamen” of “uitgestelde proef” voor het vak wiskunde op het eerste gezicht van de hand met onder meer de overweging dat “via een breed opgezette evaluatie en rapportering de delibererende klassenraad voldoende inzicht heeft verworven in de vorderingen in de leerstof om een oordeel te kunnen vormen” en dat zij “heeft vastgesteld dat [verzoekster] tijdens de zomervakantie extra inspanningen heeft geleverd voor het vak wiskunde, maar dit niet gegrond [vindt] om een herexamen wiskunde te rechtvaardigen”. In tegenstelling tot hetgeen verzoekster aanneemt in haar bestuurlijk beroep en de verwerende partij klaarblijkelijk motiveert, is een bijkomende proef – anders dan in het hoger onderwijs – geen ‘herexamen’. Artikel 123/15, § 3, 2° van de Codex Secundair Onderwijs biedt de beroepscommissie de mogelijkheid om desgevallend bijkomende proeven of opdrachten te organiseren. Dat kan zijn omdat bepaalde evaluatiegegevens ontbreken of omdat aan de representativiteit van gegevens die wél voorliggen, kan worden getwijfeld. Het toestaan van bijkomende proeven is dan ook de uitzondering en niet de regel. In de regel beschikt een beroepscommissie, zoals de IX-10.542-21/25 klassenraad vóór haar, integendeel over voldoende inzicht om zich over de prestaties van een leerling te buigen en om zelfs tegenvallende resultaten te duiden. Daarbij lijkt aan te sluiten, artikel 3.9.2 van het schoolreglement dat, voor zover hier relevant, luidt: “In een beperkt aantal gevallen kan het gebeuren dat de delibererende klassenraad eind juni over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen beslissen of je het leerjaar met vrucht hebt beëindigd. Hij kan je dan bijkomende proeven opleggen in de loop van de zomervakantie om zo de nodige gegevens te verzamelen.” 31. Het ligt dan op de weg van de leerling om op voldoende concrete wijze uitzonderlijke omstandigheden aan de beroepscommissie voor te leggen die bijkomende proeven kunnen verantwoorden. Dat lijkt verzoekster niet te hebben gedaan. Weliswaar vermeldt zij dat zij voor het examen wiskunde stress en faalangst heeft ervaren, maar verzoekster komt op het eerste gezicht niet verder dan een loutere bewering. Voor zover zij verwijst naar de bijkomende inspanningen die zij tijdens de zomervakantie heeft gedaan, kon de beroepscommissie prima facie terecht overwegen dat er op het einde van de normale evaluatieperiode – 30 juni – voldoende inzicht was verworven aan de hand van de evaluatie en rapportering en dat inspanningen daarna, tijdens de zomervakantie, haar niet tot een andere beslissing brengen. 32. Voorts maakt verzoekster niet aannemelijk dat de vermeende “te beperkte begeleiding doorheen het jaar” de beroepscommissie tot een andersluidende conclusie of meer omstandige motivering moest nopen. Het mag immers vaste rechtspraak heten dat een gebrek aan begeleiding doorheen het jaar, daargelaten of zo’n argument in feite klopt, in rechte faalt. Het is, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Zelfs indien aangenomen wordt IX-10.542-22/25 dat een gebrek aan begeleiding heeft bijgedragen aan het minder gunstige eindresultaat voor het vak wiskunde, brengt dit niet met zich mee dat dat resultaat gunstiger wordt. De vaststelling van de oorzaak van het minder presteren laat niet toe het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is gepresteerd. Verzoekster overtuigt er op het eerste gezicht niet van dat de verwerende partij daadwerkelijk tekort is geschoten in de remediëring of begeleiding. Waar verzoekster argumenteert dat er geen begeleiding of remediëring werd aangeboden, lijkt dit op gespannen voet te staan met de toelichting die door de vakleerkracht wiskunde werd gegeven tijdens de hoorzitting (“Het leerlingenremediëringstraject werd opgestart in het 2de trimester en werd in LVS genoteerd: studieblaadjes afgeven bij elke toets, oefeningen maken en verbeteren. De voorbereiding werd niet altijd ingediend door [verzoekster]”), wat door verzoekster op het eerste gezicht niet overtuigend wordt weerlegd. In het licht van die gegevens van het administratief dossier mist de wettigheidskritiek van verzoekster prima facie feitelijke grondslag. 33. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. c. derde middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 34. In een derde middelonderdeel beroept verzoekster zich op een schending van de formelemotiveringsplicht. Zij wijst op artikel 3.9.2 van het schoolreglement, dat luidt: “In uitzonderlijke gevallen kan de delibererende klassenraad op het einde van het 1ste leerjaar van een graad beslissen dat je ondanks enkele tekorten toch al mag starten in dat 2de leerjaar. Je moet dan wel in de loop van dat 2de leerjaar die tekorten wegwerken. De school zal je hierbij ondersteunen. Op het einde van het 1ste leerjaar krijg je dan geen oriënteringsattest, maar enkel een attest van lesbijwoning als regelmatige leerling.” IX-10.542-23/25 Verzoekster stelt dat zij heeft gevraagd om van die bepaling toepassing te maken zodat zij haar middelbare studies kan afronden zonder het verlies van een schooljaar, waarbij zij zich engageert voor extra begeleiding omtrent haar studiemethode in het algemeen en voor wiskunde in het bijzonder. Zij verwijst ook naar het tijdskrediet dat haar moeder heeft opgenomen. Verzoekster stipt aan dat zij deze vraag terecht kon stellen, aangezien zij van de studierichting Latijn naar de studierichting economie-wiskunde was overgestapt. Op dit argument, zo stelt verzoekster, heeft de beroepscommissie niet geantwoord. Beoordeling 35. Hiervóór is gebleken dat het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel ernstig zijn bevonden en dat de bestreden beslissing bijgevolg prima facie niet kan standhouden. Het komt dan aan de beroepscommissie toe om opnieuw te oordelen over de strekking van het aan verzoekster toe te kennen oriënteringsattest. In die omstandigheden is de vraag die verzoekster in het derde onderdeel van het tweede middel aanvoert voorbarig en behoeft ze derhalve vooralsnog geen antwoord. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Andreaslyceum van 22 augustus 2024 waarbij het aan N.M. toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd. IX-10.542-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.542-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.659 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.