← België

Arrest 260676 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.676 Rolnummer: A. 238968/VII-42009 Zaak: Arrest 260676 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-24 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.676 van 19 september 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.676 van 19 september 2024 in de zaak A. 238.968/VII-42.009 In zake : P.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chantal Janssen kantoor houdend te 3070 Kortenberg Stationstraat 58 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de NV CASTEL JALOU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Peeters kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 506 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean-Baptiste Nowélei 13 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 26 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0668 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 maart 2023 in de zaak 2223 RvVb-0185-A. VII-42.009-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 15 juni
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 augustus
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 10 november 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Arne Van Audenhove, die loco advocaat Chantal Janssen verschijnt voor verzoeker en advocaat John Toury, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.009-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. Verzoeker heeft een “verzoek tot voortzetting van de procedure en tevens laatste memorie” ingediend waarin hij repliceert op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure en tevens laatste memorie” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de verbouwing van een woning tot meergezinswoning met bijhorende parkaanleg. 4.
  9. Verzoeker tekent bestuurlijk beroep aan tegen deze beslissing. Op 22 november 2022 ontvangt hij van de provinciale omgevingsambtenaar het bericht dat de verwerende partij geen beslissing heeft genomen zodat het bestuurlijk beroep geacht wordt te zijn afgewezen en de vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen als definitief wordt aangezien. VII-42.009-3/15 4.
  10. Op 30 november 2022 vordert verzoeker bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en de nietigverklaring, van de stilzwijgende beslissing van de verwerende partij, en van de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen met een arrest van 12 december
  11. 4.
  12. Per brief van 21 december 2022 meldt de griffier van de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan verzoeker dat hij heeft vastgesteld dat het rolrecht voor het verzoek tot nietigverklaring nog niet werd betaald, en dat verzoeker daarvoor nog beschikt over een vervaltermijn van acht dagen. 4.
  13. Op 12 januari 2023 dient verzoeker een verzoek tot voortzetting van de procedure in. Hij betaalt op 13 januari 2023 het rolrecht. 4.
  14. Bij beschikking van 9 februari 2023 stelt de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast dat verzoeker verzuimd heeft het voor het vernietigingsberoep verschuldigde rolrecht tijdig te betalen, en beslist hij dat het beroep op het eerste gezicht klaarblijkelijk onontvankelijk is en wordt behandeld volgens de vereenvoudigde procedure. Op 22 februari 2023 dient verzoeker een verantwoordingsnota in. 4.
  15. Met het bestreden arrest van 23 maart 2023 verklaart de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep tot nietigverklaring van verzoeker klaarblijkelijk onontvankelijk. VII-42.009-4/15 V. Onderzoek van de cassatiemiddelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker voert de schending aan van artikel 21, § 5, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). Verzoeker zet uiteen dat hij de laattijdige betaling van het rolrecht al had geregulariseerd vóór de beschikking van 9 februari 2023 waarin het verzuim werd vastgesteld. Artikel 21, § 5, DBRC zou volgens verzoeker dergelijke regularisatie niet uitsluiten, wat blijkt uit de omstandigheid dat die uitsluiting uitdrukkelijk werd voorzien in artikel 21, § 6, zesde lid, en niet werd voorzien in artikel 21, §
  17. Hij wijst vervolgens erop dat die uitsluiting ook voorzien is in de vorige versie van artikel 21, § 5, zodat de decreetgever met de schrapping ervan duidelijk zou hebben aangegeven dat de laattijdige betaling van het rolrecht voor het vernietigingsberoep wel kan worden geregulariseerd. Nu verzoeker tijdig tot regularisatie is overgegaan, kon de Raad voor Vergunningsbetwistingen volgens verzoeker niet op rechtsgeldige wijze beslissen dat zijn beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is. Beoordeling
  18. Artikel 21, § 5, DBRC bepaalt: “§
  19. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht. VII-42.009-5/15 Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk.”
  20. Deze bepaling schrijft voor dat de verzoekende partij gelijktijdig met het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging het rolrecht moet voldoen. Wanneer een partij dit verzuimt, krijgt zij de gelegenheid dit recht te zetten binnen een termijn van acht dagen na de dag van de betekening van de beveiligde zending waarin de griffier haar uitnodigt om tot betaling over te gaan. Een andere mogelijkheid tot regularisatie van het verzuim wordt niet voorzien.
  21. In de vorige versie van artikel 21, § 5, DBRC (vóór de vervanging ervan bij decreet van 21 mei 2021) werd bepaald dat het rolrecht slechts moest betaald worden na de uitnodiging daartoe door de griffier. Daarbij werd uitdrukkelijk voorzien dat de niet-tijdige betaling niet kon worden geregulariseerd. Met de vervanging van deze bepaling door de huidige tekst van 21, § 5, DBRC heeft de decreetgever de rechtspleging willen versnellen zonder te raken aan de vereiste mechanismen om het recht op toegang tot de rechter te waarborgen. De partijen moeten het rolrecht voortaan reeds betalen gelijktijdig met het indienen van het verzoekschrift, maar krijgen de mogelijkheid om het gebrek aan betaling te remediëren. (Parl. St. Vl. Parl. 2020-2021, 699/1, 15 en 24-25) Artikel 21, § 5, DBRC bevat aldus voor de verzoekende partij de mogelijkheid om het verzuim om het rolrecht tijdig (dit is samen met de indiening van het verzoekschrift) te betalen, te “regulariseren”, namelijk door het bedrag te storten binnen een termijn van acht dagen na de dag van de betekening van de VII-42.009-6/15 beveiligde zending waarin de griffier haar uitnodigt om tot betaling over te gaan. Nu er op die wijze wordt voorzien in een “regularisatiemogelijkheid” (Parl. St. Vl. Parl. 2020-2021, 699/1, 25), wordt in de huidige tekst van artikel 21, § 5, DBRC niet meer bepaald dat “de niet-tijdige betaling niet kan worden geregulariseerd”.
  22. Artikel 21, § 6, DBRC bevat de regeling over de betaling van het rolrecht bij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Anders dan voor de vordering tot vernietiging en de gewone vordering tot schorsing, schrijft deze bepaling niet voor dat het rolrecht gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift moet worden betaald. Het rolrecht wordt opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag. Gelet op deze afwijkende regeling voor de betaling van het rolrecht bij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, kan uit de omstandigheid dat in artikel 21, § 5, in tegenstelling tot artikel 21, § 6, niet wordt bepaald dat “de niet-tijdige betaling niet kan worden geregulariseerd”, niet worden afgeleid dat de decreetgever nog de mogelijkheid tot regularisatie heeft toegelaten in het geval dat de verzoekende partij heeft verzuimd het rolrecht te storten binnen een termijn van acht dagen na de dag van de betekening van de beveiligde zending waarin de griffier haar uitnodigt om tot betaling over te gaan.
  23. Het middel gaat ten onrechte ervan uit dat artikel 21, § 5, DBRC toelaat om het verzuim om het rolrecht tijdig te betalen, nog te regulariseren na het verstrijken van de termijn van acht dagen na de dag van de betekening van de beveiligde zending waarin de griffier de verzoekende partij uitnodigt om tot betaling over te gaan, en is bijgevolg ongegrond. VII-42.009-7/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  24. Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 21, § 5, DBRC “in combinatie met de schending van het algemene rechtsbeginsel van de mildering van de strengheid van de wet door overmacht en van het recht op een eerlijke rechtsbedeling op grond van artikel 6.1 [van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM)]”. Verzoeker zet uiteen dat artikel 21, § 5, DBRC niet afwijkt van het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd. De omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verzoeker het rolrecht niet tijdig heeft betaald, werden volgens verzoeker door de Raad voor Vergunningsbetwistingen ten onrechte niet gekwalificeerd als een geval van overmacht. Hij wijst erop dat het kantoor van zijn advocaat tijdens de kerstvakantie was gesloten, en dat de beweerde nalatigheid van zijn advocaat als overmacht kwalificeert. Ook laakt hij de omstandigheid dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet van alle brieven gebruik maakt om de rolrechten op te vorderen en op die wijze zelf een vormgebrek uitlokt. Dergelijke handelwijze zou een ongeoorloofde inperking inhouden van het recht op toegang tot de rechter. Beoordeling
  25. Artikel 6.1 EVRM waarborgt eenieder het recht op een eerlijk proces, wat het recht omvat op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Het recht op toegang tot een rechter is echter niet absoluut en kan worden onderworpen aan procedureregels, voor zover zij niet van aard zijn de toegang tot de rechter onmogelijk te maken, een legitiem doel nastreven, en er een VII-42.009-8/15 redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het nagestreefde doel en de gebruikte middelen. Bij de toepassing van zulke procedureregels moet de rechter zowel overdreven formalisme, dat afbreuk zou doen aan de eerlijkheid van het proces, als overdreven flexibiliteit, die de procedureregels waardeloos zou maken, vermijden. Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de strengheid van de wet kan worden gematigd in geval van overmacht, verplicht de rechter om de sanctie die gesteld wordt op de overtreding van een procedureregel te matigen wanneer de overtreding het gevolg is van een geval van overmacht. De Raad voor Vergunningsbetwistingen miskent noch de draagwijdte van artikel 6.1 EVRM, noch van voormeld algemeen rechtsbeginsel wanneer hij in het bestreden arrest oordeelt dat de sanctie van de onontvankelijkheid van het beroep zoals voorzien in artikel 21, § 5, derde lid, DBRC zich opdringt aangezien verzoeker heeft verzuimd het verschuldigde rolrecht te betalen op de twee daartoe in de regelgeving voorziene momenten, en zich niet met goed gevolg kan beroepen op een omstandigheid van overmacht of onoverwinnelijke dwaling.
  26. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treden. De Raad van State kan dan ook niet opnieuw beoordelen of de door verzoeker in het middel aangehaalde feitelijke gegevens als overmacht kwalificeren. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. VII-42.009-9/15 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  27. Verzoeker voert de schending aan van artikel 21, § 5, DBRC in combinatie met de schending op een eerlijke rechtsbedeling op grond van artikel 6.1 EVRM. Hij zet uiteen dat de brief van de griffie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 21 december 2022 een foute postcode vermeldde, en dat niet achterhaald kon worden wanneer die brief op het adres van zijn advocaat werd aangeboden. Nu de postdiensten een aangetekende zending slechts acht dagen na aanbieding bewaren op het postkantoor, en de advocaat van verzoeker de zending op 9 januari 2023 kon ophalen, moet volgens verzoeker worden aangenomen dat de brief laattijdig werd aangeboden zodat de betaling op 13 januari 2023 wel degelijk tijdig is gebeurd. Ook laakt verzoeker in dit middel de omstandigheid dat de brief van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 12 december 2022 niet vermeldde dat rolrechten moeten betaald worden voor het verzoek tot vernietiging. Ten slotte voert verzoeker in dit middel ook kritiek op de omstandigheid dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen slechts zijn advocaat heeft aangeschreven, en niet hem persoonlijk op zijn gekozen woonplaats. Beoordeling
  28. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treden. Het middel nodigt de Raad van State uit om te beoordelen of de door verzoeker aangehaalde feitelijke omstandigheden zouden kunnen verantwoorden dat de sanctie van artikel 21, § 5, DBRC moet gemilderd worden op grond van artikel 6.1 EVRM, en is bijgevolg niet ontvankelijk. VII-42.009-10/15 Dit geldt hier des te meer nu niet blijkt dat verzoeker de in het middel vermelde feitelijke argumenten heeft opgeworpen voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, hoewel hij daartoe de gelegenheid had. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  29. Verzoeker voert aan dat het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: Procedurebesluit) artikel 21, § 5, DBRC schendt, in de mate dat het niet voorziet in een systeem om de rolrechten onmiddellijk bij de indiening van het verzoekschrift te kunnen voldoen. Beoordeling
  30. Het middel wordt niet gericht tegen het bestreden arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Verzoeker voert aan dat de termijn van acht dagen bedoeld in artikel 21, § 5, DBRC, artikel 6 EVRM schendt in combinatie met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het recht op een eerlijke rechtsbedeling, met in het bijzonder het recht op een toegang tot de rechter. Verzoeker laakt vooreerst de omstandigheid dat het de rechtzoekende feitelijk onmogelijk wordt gemaakt om het rolrecht te voldoen bij het indienen van het verzoekschrift, bij gebreke aan vermelding van een VII-42.009-11/15 bankrekeningnummer in de regelgeving of op de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De termijn van acht dagen waarbinnen het rolrecht moet worden betaald na ontvangst van de brief van de griffier van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, zou vervolgens volgens verzoeker te kort zijn omdat de verzoekende partij enerzijds geen vat heeft op de verzendingsdatum van een schrijven waarvan de ontvangst bepaalt op welk tijdstip de termijn ingaat, en anderzijds geen controle heeft over de tijd die zijn bankinstelling erover doet om zijn betalingsopdracht uit te voeren en het vereiste bedrag op de rekening van de begunstigde over te schrijven. Artikel 21, § 5, DBRC zou bijgevolg ongrondwettig zijn “in de huidige stand van de uitvoeringsbesluiten”, zodat de sanctie van de niet-ontvankelijkheid volgens verzoeker niet mocht worden toegepast door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. In zoverre de Raad van State zou beslissen dat de schending van artikel 6 EVRM (in combinatie met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) geen betrekking heeft op het Procedurebesluit maar op artikel 21, § 5, DBRC, vraagt verzoeker de Raad van State om volgende prejudiciële vraag te richten aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 21 [DBRC] artikel 6 EVRM, [samen gelezen] met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat die bepaling voorziet in een regularisatietermijn van [acht] dagen in het geval dat de rolrechten niet betaald werden bij indiening van het verzoekschrift in vernietiging bij de [Raad voor Vergunningsbetwistingen], daar waar noch de decreetgever, noch de Vlaamse regering, noch de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] zelf enige mogelijkheid heeft voorzien om de rolrechten bij het indienen van het verzoekschrift te voldoen ?” VII-42.009-12/15 Beoordeling
  32. De termijn van acht dagen, vermeld in artikel 21, § 5, tweede lid, DBRC, gaat in na de dag van betekening van de beveiligde zending aan de verzoekende of tussenkomende partij. Binnen die termijn moet de overschrijvingsopdracht zijn gegeven of de storting zijn uitgevoerd. In zoverre verzoeker aanvoert dat deze bepaling artikel 6 EVRM, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt doordat de verzoekende partij enerzijds geen vat heeft op de verzendingsdatum van een schrijven waarvan de ontvangst bepaalt op welk tijdstip de termijn ingaat, en anderzijds geen controle heeft over de tijd die zijn bankinstelling erover doet om zijn betalingsopdracht uit te voeren en het vereiste bedrag op de rekening van de begunstigde over te schrijven, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. De termijn gaat immers maar in nadat de zending werd betekend, en het volstaat dat de betalingsopdracht aan de bank wordt gegeven binnen de termijn. Aan het Grondwettelijk Hof kunnen slechts de prejudiciële vragen gesteld worden omtrent de schending door een wettelijke bepaling van bepaalde grondwettelijke regels. Het is maar wanneer een vraag “te dien aanzien” wordt opgeworpen, dat de Raad van State ertoe gehouden is om de prejudiciële vraag te stellen (artikel 26, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’). De door verzoeker opgeworpen vraag berust op een verkeerd begrip van artikel 21, § 5, tweede lid, DBRC, zodat de vraag niet moet gesteld worden.
  33. In zoverre verzoeker aanvoert dat de schending van artikel 6 EVRM, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, erin gelegen is dat noch in het Procedurebesluit, noch in enige andere reglementaire bepaling, het rekeningnummer zou zijn bepaald waarop het rolrecht VII-42.009-13/15 op grond van artikel 21, § 5, DBRC “gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift” moet worden gestort, heeft hij geen belang bij zijn kritiek. Zijn beroep werd immers niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet tijdig het rolrecht heeft betaald waartoe hij werd uitgenodigd in een brief waarin het rekeningnummer werd vermeld. Verzoeker heeft bovendien voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet aangevoerd dat hij het rolrecht niet gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift heeft gestort omdat hij niet op de hoogte was van het bankrekeningnummer, zodat hij dat argument niet voor het eerst in cassatie kan aanvoeren.
  34. Het middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  36. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.009-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.009-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.