id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.693 Rolnummer: A. 239765/X-18447 Zaak: Arrest 260693 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 20/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-17 05:19 Fiche Arrest nr 260.693 van 20 september 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.693 van 20 september 2024 in de zaak A. 239.765/X-18.447 In zake : F.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Leenders kantoor houdend te 3700 Tongeren Elfde Novemberwal 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 juni 2023 waarbij het beroep van verzoeker tegen de door de gemeente Oudsbergen op 23 januari 2023 opgelegde bestuurlijke maatregel ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-18.447-1/13 Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2024. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Andy Beelen, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 25 mei 2021 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening (RO) vast dat op een perceel waarvan verzoeker eigenaar is (hierna: het betrokken perceel) allerlei (afval)materialen en een afgedankt voertuig zijn opgeslagen. 3.2. Op 19 juli 2021 wordt verzoeker aangemaand om zich uiterlijk tegen 29 oktober 2021 in regel te stellen (sanering perceel of vergunningsaanvraag). Deze aanmaning wordt herhaald op 8 november 2021, met termijnverlenging tot 7 februari 2022. 3.3. Op 2 maart 2022 stelt een verbalisant RO, na een plaatsbezoek, een aanvankelijk proces-verbaal op, waarin het volgende wordt gesteld: “Op 07 februari 2022 ging de verbalisant RO opnieuw ter plaatse. Er werd definitief vastgesteld dat er niet aan de aanmaning en rappel van aanmaning X-18.447-2/13 werd tegemoet gekomen. Integendeel, via het aangrenzende perceel, links gelegen van het betrokken [perceel], kon de verbalisant RO het volgende bijkomend vaststellen (alle feiten spelen zich af in de achtertuin). • er lag een groene gastank, deze had sporen van roest, • er stond een grijze auto geparkeerd zonder nummerplaat; • er lag een badkuip tussen de struiken, • dichter naar het huis toe stond een ander voertuig geparkeerd, deze is in slechte staat (geen deuren, geen nummerplaat,...); • verder stond er een moto zonder nummerplaat, • er lagen verschillende propaangastanken/cilinders, • er waren verschillende aanhangwagens op het terrein; • her en der lag materiaal, materieel, hout en ijzer verspreid over het terrein, Tijdsverloop Op basis van luchtfoto’s (toegevoegd als bijlagen) kan het volgende worden vastgesteld (het jaar 2016 werd als startmoment genomen gezien stedenbouwkundige handelingen van voor deze datum strafrechtelijk verjaard zijn), • luchtfoto van 2016: o er lag in de achtertuin al her en der materieel en materiaal; o er zijn verschillende voertuigen op het perceel geparkeerd/gestockeerd. • luchtfoto van 2017: o er is weinig gewijzigd. • luchtfoto van 2018: o het opslaan van materiaal en materieel is vermeerderd; o de voertuigen zijn verplaatst en er is een voertuig bijgekomen (vlak aan het huls in de achtertuin). • luchtfoto van 2019: o het materiaal en materieel, gelegen tegen huis in de achtertuin, lijkt te minderen; o op het achterste gedeelte is er wat materiaal/materieel bijgekomen. • luchtfoto van 2020: o het materiaal en materieel, gelegen tegen huis in de achtertuin, is terug vermeerderd. • luchtfoto van 2021: o er is weinig gewijzigd. Uit dit onderzoek kunnen we concluderen dat de meeste feiten al sinds 2016 uitgevoerd zijn, maar dat de hoeveelheid van het materiaal, materieel en voertuigen steeds in hoeveelheid wijzigt. ook na 1 maart 2018. We kunnen hier dan spreken van een wederkerend voortdurend misdrijf. Prioriteitenkader Deze overtreding valt niet onder de gewestelijke prioriteiten van het Vlaamse gewest d.d. 01 januari 2017. De irreguliere handelingen vallen wel onder prior 2 van het handhavingsplan RO van de gemeente Oudsbergen van 28 september 2020 meer bepaald: rubriek 4.17 ‘gewoonlijk gebruik van grond voor opslag van materiaal en materieel’ meer bepaald ‘opslag van meer dan 40m³ materiaal en materieel in de niet-prioritaire gebieden’ X-18.447-3/13 De vaststellingen werden volledig uitgevoerd vanop het openbaar domein en op het naastliggend terrein (links) dat onbewoond is.” 3.4. Het aanvankelijk proces-verbaal van 2 maart 2022 wordt op dezelfde dag betekend aan verzoeker, het parket van de procureur des Konings Limburg en het departement Omgeving – afdeling Handhaving van het Vlaamse Gewest. Verzoeker haalt het aangetekend verstuurd schrijven evenwel niet af. 3.5. Op 18 maart 2022 beslist de procureur des Konings verzoeker niet strafrechtelijk te vervolgen. 3.6. Op 5 april 2022 verstuurt het departement Omgeving – afdeling Handhaving aan verzoeker de kennisgeving van de opstart van de boeteprocedure, waarbij erop wordt gewezen dat de vastgestelde feiten in aanmerking komen voor een bestuurlijke transactie, overeenkomstig artikel 6.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Daar verzoeker de stedenbouwkundige overtreding betwist, gaat hij niet in op de voorgestelde bestuurlijke transactie. 3.7. Met een schrijven van 25 april 2022 maakt de gemeente Oudsbergen kenbaar dat zij het voornemen heeft om voor dit stedenbouwkundig misdrijf een last onder dwangsom op te leggen op basis van artikel 6.4.14 VCRO. 3.8. Op 19 mei 2022 reageert verzoeker op het laatstgenoemde schrijven, waarbij hij eveneens stelt een beroep bij de minister in te dienen. De gemeente Oudsbergen reageert hierop met een brief van 24 mei 2022, waarin zij er op wijst dat nog geen bestuurlijke maatregel werd opgelegd. Omdat er waarschijnlijk sprake is van een misverstand, wordt een extra termijn gegeven zodat verzoeker de mogelijkheid krijgt een hoorzitting aan te vragen of een schriftelijk verweer in te dienen. X-18.447-4/13 Verzoeker maakt geen gebruik van deze mogelijkheid. 3.9. Bij een controle op 30 mei 2022 blijkt het betrokken perceel nog steeds vol allerhande goederen te liggen. 3.10. Op 23 januari 2023 beslist de burgemeester van de gemeente Oudsbergen aan verzoeker een bestuurlijke maatregel op te leggen om over te gaan tot het verwijderen van het materiaal en de wagens op het betrokken perceel. Bij gebrek aan uitvoering van deze maatregel binnen de zes maanden na de oplegging ervan wordt hieraan een dwangsom verbonden van 100 euro per dag. 3.11. Op 24 februari 2023 gaat verzoeker tegen de door de gemeente opgelegde bestuurlijke maatregel in beroep bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.12. Op 24 maart 2023 adviseert de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (hierna: de HRH) om verzoekers beroep in te willigen. In dit advies wordt onder meer het volgende overwogen: “[H]et onderscheidend criterium om te bepalen of een stedenbouwkundig misdrijf in aanmerking komt voor de toepassing van een bestuurlijke maatregel inzake bestuursdwang of een last onder dwangsom, is of het recht om een herstelvordering in te stellen, is ontstaan voor 1 maart 2018. Dit moet worden begrepen in die zin dat het stedenbouwkundig misdrijf dat aan de grondslag van de herstelvordering [ligt], is ontstaan voor 1 maart 2018. Wanneer de voorliggende gegevens van de zaak aantonen dat het misdrijf reeds bestaat voor 1 maart 2018, dan volgt hieruit dat overeenkomstig artikel 7.7.7 VCRO geen bestuurlijke maatregel inzake bestuursdwang of een last onder dwangsom kan worden opgelegd.” 3.13. De cluster Sanctionering en Advisering van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving adviseert verzoekers beroep te verwerpen en de maatregel te bevestigen. 3.14. Nadat verzoeker is gehoord, neemt de verwerende partij op 9 juni 2023 de bestreden beslissing, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: X-18.447-5/13 “Zoals aangehaald is de omgeving gelegen binnen woongebied met landelijk karakter en liggen de achterliggende delen in agrarisch gebied. Op de foto’s op geopunt is te zien dat het hier gaat om een residentiële woonwijk met ruime tuinen achter de woningen. Deze tuinen zijn allemaal ingericht om hierin te genieten van de openlucht en het landelijke karakter van de omgeving en kennen geen stockage van wat dan ook en hebben een groen karakter. Het agrarisch gedeelte van het perceel kent een zekere mate van bebossing die het groene en landelijke karakter van de omgeving verder versterkt. Wanneer de bestaande toestand wordt vergeleken op basis van de beschikbare stukken en gegevens met de voorheen bestaande toestand, kunnen de geviseerde handelingen niet worden aanvaard omwille van: […] visueel-vormelijke hinder die onaanvaardbaar is binnen de onmiddellijke omgeving en een ruimtegebruik dat niet inpasbaar is binnen de onmiddellijke omgeving. Het gestelde gebruik is op zichzelf bekeken in visueel en esthetisch opzicht storend binnen het in de niet-wederrechtelijke toestand van een woongebied met landelijk karakter en de aanwezige tuinen. Het fotomateriaal toont aan dat het gaat om een amalgaam aan materiaal, materieel, afval en voertuigen die her en der over het perceel verspreid liggen. Ze passen in esthetisch opzicht niet binnen het omliggende landschap en leiden tot een rommelige en onordentelijke invulling van percelen die deel uitmaken van een groene tuinzone met achterliggende bebossingen. Het gaat om uit zijn aard een landschappelijk ontsierend gebruik. Er is aanwijsbare, visuele en landschappelijke schade veroorzaakt binnen de onmiddellijke omgeving. Vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening is het onwenselijk dat in de kwestieuze groene tuinzone en achterliggende bebossing een dergelijke ontsiering wordt ontwikkeld, verdergezet en bestendigd. Dit gebruik is dan ook niet in overeenstemming met de omgeving en de agrarische functie van de achterliggende zone. De geviseerde stockage in open lucht draagt bij tot het rommelig en ongeordend voorkomen van de site. Daarnaast moet niet alleen de huidige maar ook de toekomstige goede ruimtelijke ordening worden veilig gesteld. De omstandigheid dat de herstelmaatregel als bijzondere vorm van teruggave in de zin van artikel 44 Strafwetboek en de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering beoogt een einde te maken aan de door het stedenbouwkundig misdrijf veroorzaakte en met de wet strijdige toestand, belet niet dat bij de beoordeling van de wettigheid van de beoogde herstelmaatregel mee in aanmerking mag worden genomen dat deze maatregel het plegen van nieuwe bouwmisdrijven zal voorkomen. Dat aan de stockage in de open lucht naar de beroepsindiener stelt, momenteel deels een einde is gekomen, neemt niet weg dat intussen ter plaatse een storend gewoonlijk gebruik is opgestart, uitgebreid en bestendigd. Dit gewoonlijk gebruik is eveneens storend voor de omliggende buren en verstoord het genot van de omliggende tuinen en het landelijke karakter in zijn geheel. Omwille van de hiervoor behandelde redenen, is de weerslag op de plaatselijke ordening en de rechten van derden van die aard dat de bestreden X-18.447-6/13 maatregel noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening. De bestreden maatregel strekt aanwijsbaar tot het behoud van de goede ruimtelijke ordening, wat het ongedaan maken van de concrete en aanwijsbare landschappelijke, visuele en overige, hiervoor behandelde omgevingshinder aangaat. Het voordeel voor de goede ruimtelijke ordening vloeit voort uit de noodzakelijke sanering van de site die de bestreden maatregel tot gevolg heeft, het ongedaan maken van het huidige, ruimtelijk storende gewoonlijk gebruik en het vermijden van een verdere toename. Als enige beroepsmiddel roept beroepsindiener in dat er geen stedenbouwkundig misdrijf is, waarop de bestuurlijke maatregel kan worden geënt. Beroepsindiener stelt dat het volume kleiner is dan 40 m³ of 40 m² (beroepsindiener haalt beide door elkaar). De eventuele vrijstelling van de principiële vergunningsplicht wordt geregeld in het Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is van 16 juli 2010 (hierna het Vrijstellingsbesluit). Artikel 2.1, 12° Vrijstellingsbesluit bepaalt: ‘het opslaan van allerhande bij de woning horende materialen en materieel met een totaal maximaal volume van 10 kubieke meter, niet zichtbaar vanaf de openbare weg’. In tegenstelling tot wat beroepsindiener voorhoudt gaat het dus niet om 40 m³ of 40 m² maar enkel om 10 m³. Beroepsindiener baseert zich op een prioriteitenbepaling binnen de gemeente Oudsbergen. Deze is een houvast voor de gemeente om haar beleid te bepalen, maar heeft geen impact ten aanzien van het Vrijstellingsbesluit dat bepalend is om na te gaan of er al dan niet een vrijstelling geldt ten aanzien van de principiële vergunningsplicht. Dat er weldegelijk sprake is van een vergunningsplicht. Artikel 4.2.1, 5°,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.