id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.723 Rolnummer: A. 242915/IX-10541 Zaak: Arrest 260723 - Examens (onderwijs) - 23/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-24 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-17 05:13 Fiche Arrest nr 260.723 van 23 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.723 van 23 september 2024 in de zaak A. 242.915/IX-10.541 In zake: E.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ann Dierickx en Charlotte Plottier kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 27 augustus 2024 waarbij het beroep van verzoeker ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat hij op het examen 127 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. Verzoeker vraagt eveneens aan de Raad van State om aan de verwerende partij “de verplichting op te leggen […] om op zeer korte termijn, en uiterlijk binnen de 7 kalenderdagen vanaf het tussen te komen arrest, een nieuwe beslissing te nemen”. IX-10.541-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2024, om 11.30 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Charlotte Plottier, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Fiers, die tevens loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een IX-10.541-2/25 gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het IX-10.541-3/25 ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2024’ (“WER”). Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
- Verzoeker neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Hij behaalt een score van 69 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 58 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 127 op 240 punten in het totaal. Bij de kennisgeving van deze punten wordt de volgende “[b]elangrijke toelichting” gegeven: IX-10.541-4/25 “De examencommissie heeft beslist om vraag 4 van chemie uit het examenonderdeel Kennis en inzicht in de wetenschappen en vragen 3, 6 en 10 van VAARDIG uit het examenonderdeel Generieke competenties te neutraliseren voor alle deelnemers. Na beraadslaging heeft de examencommissie beslist om aan alle deelnemers 26 bijkomende punten toe te kennen, die gelijk verdeeld zijn over KIW (+13) en GC (+13).” Aangezien verzoeker ook na deze aanpassing van de scores van de deelnemers een onvoldoende behaalt voor het examenonderdeel GC, waardoor hij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt hij niet in aanmerking voor rangschikking. Verzoeker stelt op 31 juli 2024 een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts (hierna: beroepsinstantie). 3.
- Op 27 augustus 2024 beslist de beroepsinstantie om het beroep van verzoeker ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de grondvoorwaarden voor een schorsing of het bevelen van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel. IX-10.541-5/25 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de voorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6.
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 27, vierde lid, 1°, van het organisatiebesluit, van artikel 52 WER, van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), van de materiëlemotiveringsplicht, en “minstens van het redelijkheidsbeginsel met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker stelt zijn beroep te richten tegen één vraag van het onderdeel CLEAR van het examenonderdeel GC, namelijk vraag
- Hij geeft aan de beroepsinstantie te hebben gevraagd om die vraag te neutraliseren en citeert dan in extenso zijn bezwaarschrift. 6.
- In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing strijdig is met artikel 27, vierde lid, 1°, van het organisatiebesluit, met artikel 52 WER en met het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Uit de voormelde bepalingen volgt dat voor iedere vraag slechts één correct antwoord bestaat. Dat is volgens verzoeker niet het geval voor vraag 4 van de CLEAR-toets. In alle redelijkheid kan niet worden gesteld dat het door verzoeker gegeven antwoord niet als de “meest passende antwoordmogelijkheid” IX-10.541-6/25 kan worden beschouwd. Zulks wordt ook niet duidelijk gemaakt in de bestreden beslissing. De vraagstelling in het onderdeel CLEAR moet “voldoende doordacht” zijn, in die zin dat meerdere antwoordmogelijkheden uitgesloten moeten zijn. Door de aard van de materie is dat in het geval van het onderdeel CLEAR moeilijker. Daarom moeten de examencommissie en de beroepsinstantie zeer zorgvuldig en bedachtzaam omgaan met hun discretionaire bevoegdheid en het vermoeden van deskundigheid. De deskundigen moeten erover waken dat niet wordt uitgegaan van persoonlijke premissen en opvattingen die zij laten doorsijpelen in de vraagstelling. Dat is precies gebeurd bij vraag 4 van de CLEAR-toets. In die vraag liggen subjectieve premissen vervat. De beroepsinstantie kon daarom niet in alle redelijkheid bevestigen dat op die vraag slechts één antwoord, “op uitsluitende wijze”, als juist kan worden beschouwd. 6.
- In een tweede middelonderdeel acht verzoeker de bestreden beslissing strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij argumenteert dat die beslissing niet steunt op een zorgvuldig onderzoek van de examenvraag en de antwoorden. Verzoeker meent dat in alle redelijkheid niet kon worden besloten tot het afwijzen van het door hem gegeven antwoord op de betrokken vraag. De beroepsinstantie heeft “op algemene wijze” het onderdeel CLEAR van het toelatingsexamen toegelicht en verwezen naar “een aantal motieven, die niet ter zake doen”. De beroepsinstantie heeft ook erop gewezen dat verzoeker nog andere vragen van het onderdeel CLEAR fout had of onbeantwoord had gelaten. Dat doet echter evenmin ter zake. 6.
- In een derde middelonderdeel doet verzoeker gelden dat de bestreden beslissing strijdig is met de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker betoogt dat hij in de bestreden beslissing niet verneemt waarom het in de verbetersleutel aangeduide juiste antwoord als enige in overeenstemming is met een objectieve grondslag, namelijk de CLEAR- IX-10.541-7/25 principes. Verzoeker noemt de motivering op dat vlak “niet inhoudelijk noch geconcretiseerd”, zodat ze niet toelaat de beslissing te begrijpen. De experten zouden die antwoordkeuze hebben bepaald, maar een toelichting van die experten wordt niet toegevoegd. De beroepsinstantie heeft voorts aangegeven dat het antwoord van verzoeker fout is omdat daarmee in iemand anders zijn of haar naam wordt gesproken. Dat betwist verzoeker. Met zijn antwoord – “Ik vind het goed dat je meedenkt over hoe we de verdeling van de rollen zien, maar Leila zal zelf wel beslissen of ze die rol wil.” – wordt precies aangegeven dat het niet passend is om in iemand anders zijn of haar naam te spreken. De beroepsinstantie stelt dat de betrokken vraag peilt naar het vermogen tot respect in een professionele context. Ook dat motief overtuigt verzoeker niet. Hij wijst op de schoolse context van de vraag, die over medestudenten gaat. Volgens hem mag redelijkerwijze worden verondersteld dat deze personen mekaar kennen of zelfs “heel goed” kennen. De setting is dus amicaal en er is geen sprake van een hiërarchische context of onderlinge machtsverhoudingen. Het antwoord van verzoeker is niet alleen niet minder respectvol dan het “juiste” antwoord, het is zelfs méér respectvol, vindt verzoeker, “omdat er uitgegaan wordt van de autonomie van de persoon, hetgeen een absoluut relevante en dragende waarde is in de zorgcontext”. De beroepsinstantie verwijst ook naar “Groepsdynamieken handhaven volgens het Calgary Cambridge model”. Daarbij wordt geen nadere toelichting gegeven. Bijgevolg ziet verzoeker niet in op welke manier de betrokken vraag daarvan een toepassing uitmaakt. Het genoemde model is een methode om medische interviews te structureren. Het richt zich op het geven van een duidelijke structuur. De verwijzing naar dat model is volgens verzoeker geen aanvaardbaar motief. IX-10.541-8/25 In de bestreden beslissing wordt voorts aangegeven dat bepaalde bezwaren van verzoeker irrelevant zijn. De beroepsinstantie verliest daarbij uit het oog dat de examencommissie die elementen zelf in de betrokken vraag heeft ingebouwd. De beroepsinstantie heeft niet voldoende in overweging genomen wat de formulering van de vraag bij de kandidaten heeft teweeggebracht. Tot slot verwijst de beroepsinstantie ook naar de andere vragen van het examenonderdeel GC. Verzoeker leidt daaruit af dat hij, volgens de beroepsinstantie, vraag 4 van het onderdeel CLEAR niet kan betwisten omdat hij ook andere vragen fout had of openliet. 6.
- In een vierde middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de bestreden beslissing strijdig is met het redelijkheidsbeginsel, “met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur”. Hij betoogt dat, gelet op de subjectiviteit van de vraag, zijn antwoord in alle redelijkheid niet als foutief kan worden beschouwd. Het als foutief aanmerken van zijn antwoord heeft voor verzoeker het verlies van een academiejaar tot gevolg. Dat kan ook schade met zich brengen voor zijn toekomstige beroepsactiviteit of loopbaan. Dit onredelijke effect moet volgens verzoeker ook betrokken worden op het acute tekort aan artsen in ons land. Het is dan des te meer onredelijk dat de beroepsinstantie vasthoudt aan de objectiviteit van de betrokken vraag en het juiste antwoord. Het kan niet de bedoeling zijn dat de beroepsinstantie zich verschuilt achter het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie om onzorgvuldig opgestelde examenvragen overeind te houden. Het is de bedoeling van het toelatingsexamen om de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden, te toetsen. Het toelatingsexamen wordt ook gekoppeld aan een startquotum, dat in het recente verleden meermaals werd verhoogd. Door een potentiële arts uit te sluiten van het starten van de studie geneeskunde op grond van een arbitraire vraag, IX-10.541-9/25 wordt bijgedragen aan het acuter wordende tekort aan artsen. De bestreden beslissing is daarom zelfs in strijd met het doel van het toelatingsexamen. Beoordeling a. algemeen
- Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
- Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en het WER, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Vragen die ingevolge de frequentie van de IX-10.541-10/25 antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kunnen worden als “mogelijke probleemvragen”, worden bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
- Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
- De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord: IX-10.541-11/25 “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de CLEAR-toets een “specifiek format” volgt: “Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling.” De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie [er] niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele IX-10.541-12/25 activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.”
- Met betrekking tot de CLEAR-toets mag nogmaals worden onderstreept dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het toelatingsexamen, het enige “juiste” antwoord.
- Vraag 4 van de CLEAR-toets luidt: “Je zit samen met zes medestudenten voor een groepsopdracht. Jullie moeten een scenario schrijven voor een sketch, die dan opnemen en presenteren in de les Nederlands. Een van de personages in het scenario is een jonge vrouw die deelneemt aan een schoonheidswedstrijd. Wanneer dit personage ter sprake komt, zegt een van de medestudenten: ‘De rol van de jonge vrouw is op het lijf geschreven van Leila. Als er iemand een dom blondje kan spelen, dan is zij het wel!’ Op welke manier reageer je op deze uitspraak zodat de groepsdynamiek niet verstoord wordt?
- (Met ironie in de stem) ‘Leila heeft zwart haar, zij kan dan toch geen dom blondje spelen.’
- ‘Ik vind het goed dat je meedenkt over hoe we de verdeling van de rollen zien, maar Leila zal zelf wel beslissen of ze die rol wil.’
- ‘Ik vind het goed dat je meedenkt over hoe we de verdeling van de rollen zien, maar ik vind die uitspraak over domme blondjes niet gepast.’
- ‘Waarom ga je ervan uit dat iemand die deelneemt aan een schoonheidswedstrijd een dom blondje moet zijn? Dat is niet respectvol.’” Verzoeker heeft op zijn examen reactie 2 ingevuld als het juiste antwoord. IX-10.541-13/25 De examencommissie heeft antwoord 3 als het enige juiste antwoord aangemerkt. IX-10.541-14/25 b. derde middelonderdeel
- De beroepsinstantie zet in de bestreden beslissing uiteen waarom reactie 3 het enige juiste antwoord is. Die reactie “[g]eeft duidelijk aan dat de uitspraak niet gepast is” en “[d]oor te benoemen wat de medestudent goed doet, wordt ook de groepsdynamiek bewaard”. Met betrekking tot het door verzoeker gegeven antwoord – reactie 2 – stelt de beroepsinstantie dat hiermee “iemand [wordt] aangeduid/benoemd en in diens naam [wordt] gesproken”. Waarom de twee andere reacties niet aangewezen zijn, wordt eveneens toegelicht: reactie 1 omdat “[h]ier […] een belediging in het voorstel [zit], door de ironische connotatie maar ook door iemand aan te duiden” en reactie 4 omdat “[d]it antwoord [voorbijgaat] aan de groepsdynamiek door iemand terecht te wijzen.”
- Anders dan verzoeker het voorstelt, wordt op het eerste gezicht dus wel degelijk aangegeven waarom net dat ene antwoord als het meest passende binnen de vraagstelling moet worden beschouwd. Door daarenboven een uitdrukkelijke verwijzing naar welbepaalde CLEAR-principes te vereisen, lijkt verzoeker op zoek naar de motieven van de motieven. Dat levert vooralsnog geen schending van de formelemotiveringswet op, noch van de materiëlemotiveringsplicht. In die mate is het middelonderdeel niet ernstig.
- In de mate dat verzoeker betoogt dat het door hem ingevulde antwoord precies aangeeft “dat het niet passend is om in iemand anders zijn/haar IX-10.541-15/25 naam te spreken”, maakt hij prima facie nog steeds niet aannemelijk dat dit in de voorliggende vraagstelling méér passend is dan het door de examencommissie – en na haar, de beroepsinstantie – als “juist” aangemerkte antwoord. Immers, het lijkt niet van iedere redelijkheid ontdaan – en het is op het eerste gezicht dus een “aanvaardbaar” motief – om in de zinsnede dat “Leila […] zelf wel [zal] beslissen of ze die rol wil” te lezen dat wel degelijk in de plaats van de betrokkene stelling wordt genomen. Ook in die mate mist het middelonderdeel de vereiste ernst.
- In een volgende kritiek probeert verzoeker duidelijk te maken waarom zijn antwoord ook “respectvol” is – zelfs “meer respectvol” dan het “juiste” antwoord, vindt hij. Hij doet gelden dat zijn antwoord uitgaat van “de autonomie van de persoon”. Om dezelfde reden als sub 15 is overwogen, lijkt het niet onredelijk om dat anders te zien. Waarom de aanname van verzoeker dat er te dezen geen sprake is van een “hiërarchische context of onderlinge machtsverhoudingen” tot een ander oordeel moet leiden, verduidelijkt verzoeker op het eerste gezicht niet en is evenmin evident zichtbaar. Ook in die mate is het middelonderdeel niet ernstig.
- De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoeker bekritiseerde vraag van de CLEAR-toets naar het Calgary Cambridge model lijkt niet méér te zijn dan een referentie; de aan die verwijzing voorafgaande afkorting “[r]ef” getuigt daarvan op het eerste gezicht. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve IX-10.541-16/25 grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt. Met de enkele kritiek dat het voormelde model een “methode [is] om medische interviews te structureren”, maakt verzoeker, zo lijkt, hoe dan ook niet inzichtelijk waarom dit model niet bruikbaar is als leidraad voor de CLEAR-toets en in het bijzonder voor de door hem betwiste vraag. In die mate is het middelonderdeel evenmin ernstig. 18.
- Verzoeker neemt ook aanstoot aan de volgende overweging in de bestreden beslissing: “In het aanvullend schrijven formuleert u een aantal bedenkingen in verband met de vraag: of een schoonheidswedstrijd anno 2024 wel of niet OK is; het associëren van de naam Leila met [de] Arabische cultuur; de persoonlijke bedenkingen in verband met blonde vriendinnen; de verwijzing naar de sketch als een niet-reële situatie. Deze bedenkingen zijn evenwel niet relevant en doen er niet toe. Het is niet aan de deelnemer om aan een vraag allerlei elementen toe te voegen, om dan te besluiten dat de vraag hierdoor niet eenduidig zou zijn. Integendeel, het gaat erom de vraag te beantwoorden op basis van de geschetste situatie en niet meer.” Volgens verzoeker verliest de beroepsinstantie uit het oog dat de examencommissie “deze elementen zelf heeft ingebouwd in de bestreden vraag” en neemt zij onvoldoende “in overweging […] wat de formulering van de vraag teweeg bracht bij kandidaten, op basis waarvan ze de vraag beantwoord hebben”. 18.
- De hiervóór aangehaalde overweging wil een antwoord bieden op een brief die verzoeker ná zijn oorspronkelijke bezwaar aan de beroepsinstantie heeft bezorgd. Daarin heeft hij het volgende aangevoerd: “Vraag 4 zegt letterlijk dat het om een sketch – een niet reële situatie – gaat. Meer nog, het gaat over een schoonheidswedstrijd wat eigenlijk ook IX-10.541-17/25 niet echt OK is anno
- Er is geen enkele indicatie dat Leila blond is. Ik associeer persoonlijk Leila eerder met de Arabische cultuur want ik ken ook een Leila met een Turkse achtergrond maar in de vraagstelling is dat helemaal niet duidelijk. Ik vond het gewoon ongepast om zelf hieraan invulling te geven. Als de vermelde Leila inderdaad een Arabische achtergrond heeft, zal ze waarschijnlijk meer geschoffeerd zijn door de schoonheidswedstrijd én het feit dat ze eraan moet deelnemen dan door de opmerking van dom blondje, wat een Westers stereotype is. Dan slaat de medestudent de bal helemaal verkeerd en dan is het toch absoluut verkeerd dat je daarin meegaat. Ik vind het niet OK om te snel mensen te beoordelen omdat ik vind dat iedereen zijn eigen ding moet kunnen doen en zijn wie zij/hij wil zijn. Daarom blijf ik liever neutraal als ik niet alle elementen ken. Daarom vind ik antwoord c van de mogelijke antwoorden veel gepaster dan b want er is echt geen indicatie of insinuatie dat de opmerking van dom blondje door Leila als discriminerend wordt ervaren of dat ze het een prima idee vindt of dat ze niet wil meespelen in een schoonheidswedstrijd omdat zij dat ongepast vindt. Bij antwoord c blijf je niet aan zijlijn staan maar creëer je de ruimte voor Leila om zelf een standpunt in te nemen. Ook als Leila geen [religieuze] bezwaren zou hebben om in een schoonheidswedstrijd te spelen, ook als Leila blond zou zijn, weet je toch dat het niet voor echt is maar dat het maar een humoristische sketch is. Er wordt door de medestudent gezegd dat Leila die rol goed zou kunnen spelen én er wordt dus niet gezegd dat Leila een dom blondje is, erop gelijkt of er geen moeite moet voor doen. Misschien voelde Leila de uitspraak niet discriminerend aan maar worden zij (en andere studenten) juist [getriggerd] als antwoord b zou plaatsvinden. Daarnaast heb ik ook heel wat ‘blonde’ vriendinnen die het OK en leuk vinden om in de context van een sketch een dom blondje te spelen. Waarom moet je dan om de [groepsdynamiek] niet te verstoren een algemene opmerking maken dat ‘een uitspraak over domme blondjes niet gepast is’. Misschien haal je dan juist de dynamiek eruit? Voor de groepsdynamiek is het misschien beter dat je vanuit concrete elementen, wie is Leila echt, uitgaat om een reactie te voorzien ipv te riskeren dat je met een algemene waarheid gewoon negeert hoe Leila zich echt voelt. Is het dan niet voorzichtiger om niet te reageren tegen iets dan er misschien niet is en gewoon de ruimte te creëren voor Leila zodat ze zelf een beslissing kan maken.” 18.
- In tegenstelling tot wat verzoeker in deze brief suggereert, geeft hij op het eerste gezicht net wél een eigen invulling aan de casus. Hoe uit de vraagstelling volgt dat het voor de deelnemers bij hun antwoord van belang was of het organiseren van een schoonheidswedstrijd wel of niet laakbaar is, of ‘Leila’ een bepaalde etnische achtergrond heeft, of ‘Leila’ nu blond of zwart haar heeft, of zij wel of niet religieuze bezwaren heeft bij een schoonheidswedstrijd, IX-10.541-18/25 laat verzoeker op het eerste gezicht niet verstaan. Verzoeker lijkt niet aannemelijk te maken dat de vraag tot de door hem gedane veronderstellingen heeft uitgenodigd. Nog minder laat hij verstaan waarom die veronderstellingen de door de beroepsinstantie gegeven verklaring waarom reactie 3 als “juist” wordt beschouwd en de andere reacties “fout” zijn, volstrekt onjuist zouden maken of van iedere redelijkheid zouden ontdoen. De Raad van State kan in de huidige stand van de procedure bijgevolg geen onwettigheid bespeuren in het motief dat “[d]eze bedenkingen […] niet relevant [zijn] en […] er niet toe [doen]”, dat het “niet aan de deelnemer [is] om aan een vraag allerlei elementen toe te voegen” en dat het “erom [gaat] de vraag te beantwoorden op basis van de geschetste situatie en niet meer”. Ook in die mate kan het middelonderdeel niet als ernstig worden beschouwd.
- De kritiek, tot slot, op het vermeende motief dat verzoeker de betrokken vraag niet zou kunnen betwisten omdat hij ook nog andere vragen fout had of openliet, lijkt evenmin te kunnen worden bijgevallen. De overweging in de bestreden beslissing waarop verzoeker doelt, luidt als volgt: “Vervolgens moet ook in rekening gebracht worden dat CLEAR geen afzonderlijk onderdeel van het toelatingsexamen is. CLEAR (15 vragen) vormt samen met VAARDIG (25 vragen) het onderdeel Generieke Competenties. Met 40 vragen die peilen naar communicatieve competenties, redeneervermogen, analytisch en synthetisch denken vormt GC een robuust onderdeel dat verschillende algemene dimensies aftoetst conform de decretale bepaling. Er weze ook vermeld dat de slaagvoorwaarde voor het toelatingsexamen op het niveau van het ganse onderdeel Generieke Competenties ligt. Deelnemers dienen hiervoor minstens de helft van de punten te behalen. In de praktijk wil dit ook zeggen dat een mindere score in CLEAR gecompenseerd kan worden door een betere score in VAARDIG. Zo had de deelnemer voor VAARDIG acht vragen fout en vier vragen niet beantwoord. Mocht hij hiervan een […] vraag juist beantwoord hebben, IX-10.541-19/25 dan was hij wel geslaagd voor het toelatingsexamen en kwam [hij] in aanmerking voor gunstige rangschikking. Het is dus niet correct om het niet slagen voor Generieke Competenties louter en alleen toe te schrijven aan de minder goede prestatie op de CLEAR-toets.” Uit deze overweging kan, zo lijkt, allerminst worden afgeleid dat de beroepsinstantie verzoeker zou verwijten alleen die ene vraag 4 van de CLEAR-toets te hebben betwist. De verwerende partij wijst er op het eerste gezicht terecht op dat dit een repliek vormt op verzoekers betoog dat hij “door deze vraag een jaar moet wachten om opnieuw te kunnen deelnemen aan het ingangsexamen”. De beroepsinstantie lijkt voorts niet onterecht te verwijzen naar de zes andere vragen van het onderdeel CLEAR en de acht vragen van het onderdeel VAARDIG die verzoeker fout heeft beantwoord en de vijf vragen die hij, beide onderdelen samengenomen, heeft opengelaten. Op die vragen heeft verzoeker geen enkele kritiek geuit. In het licht van die gegevens lijkt zijn opmerking dat precies en alléén vraag 4 van het onderdeel CLEAR hem verhindert de opleiding tot arts aan te vatten, geen steek te houden. Dat de beroepsinstantie zulks onder woorden heeft gebracht, kan haar op het eerste gezicht niet ten kwade worden geduid. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig.
- Het derde middelonderdeel is in zijn geheel niet ernstig. c. eerste middelonderdeel
- In het eerste middelonderdeel gaat verzoeker ervan uit dat “in alle redelijkheid niet [kan] worden gezegd waarom het antwoord, zoals [hij] het gaf, niet als meest passende antwoordmogelijkheid kan worden beschouwd”, dat de beroepsinstantie “er evenmin in [slaagt] om dit duidelijk te maken in de bestreden beslissing”, dat “moet worden vastgesteld dat subjectieve premissen in IX-10.541-20/25 de vraagstelling vervat liggen, hetgeen niet mag” en dat de beroepsinstantie daarom “niet in alle redelijkheid [kon] bevestigen dat er op vraag 4 van het onderdeel CLEAR slechts één antwoord, op uitsluitende wijze, als juist kan worden beschouwd”. Daarmee lijkt verzoeker aansluiting te zoeken bij de kritiek die hij ook in het hiervóór besproken derde middelonderdeel heeft aangevoerd. Op het eerste gezicht kan verzoeker, om dezelfde redenen, evenmin overtuigen van een schending van de in dit middelonderdeel aangevoerde bepalingen en het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
- Het middelonderdeel is niet ernstig. d. tweede middelonderdeel
- Verzoeker kan niet worden bijgevallen waar hij de beroepsinstantie verwijt zijn bezwaren niet “daadwerkelijk en zorgvuldig” te hebben onderzocht. Zoals gezien bij de bespreking van het derde middelonderdeel, slaagt verzoeker prima facie niet erin om te overtuigen van een motiveringsgebrek in de bestreden beslissing. Op dezelfde kritieken voortbordurend, lijkt verzoeker dan evenmin aannemelijk te maken dat de beroepsinstantie haar beslissing onzorgvuldig heeft voorbereid en genomen.
- Ook het tweede middelonderdeel mist ernst. IX-10.541-21/25 e. vierde middelonderdeel
- Met betrekking tot de schending van het redelijkheidsbeginsel verwijst verzoeker vooreerst andermaal naar, wat hij noemt, de “subjectiviteit van de vraag”. Bij de bespreking van het derde middelonderdeel is daarentegen voorlopig vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de betrokken vraag uitnodigt tot de door hem gemaakte aanvullingen en bedenkingen. Bijgevolg kan er, zo lijkt, op die enkele grond evenmin sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel.
- Waar verzoeker stelt dat “[h]et effect van het foutief beschouwen van zijn antwoord” voor hem het verlies van een academiejaar inhoudt, kan op het eerste gezicht vooreerst worden verwezen naar hetgeen de beroepsinstantie verzoeker al heeft proberen duidelijk te maken, namelijk dat hij vele andere vragen van de beide onderdelen van het examenonderdeel GC fout heeft beantwoord of heeft opengelaten en dat het dus geenszins de thans door hem betwiste vraag is die verzoeker de toegang tot de door hem geambieerde studierichting ontzegt. Voorts valt niet in te zien hoe een vraag, waarvan verzoeker in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze niet- valide zou zijn, vervolgens op grond van het redelijkheidsbeginsel zou moeten worden geneutraliseerd, alléén omdat verzoeker niet aan de studies geneeskunde kan beginnen.
- Het “acute tekort aan artsen” waaraan verzoeker refereert, doet op het eerste gezicht niet anders besluiten. Verzoeker verwijst daarvoor naar een advies van de Nationale Raad van de Orde der artsen van 10 juni 2023, waarin de overheid wordt aangespoord om “bij de berekening van de toekomstige quota en IX-10.541-22/25 subquota rekening te houden met een brede marge om onvoorspelbare factoren die de werkomstandigheden verzwaren […] op te vangen”. Waarom de overheid aan die wens niet in redelijkheid zou zijn tegemoetgekomen door met het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 het startquotum van 1600 naar 1723 te verhogen – een besluit dat dateert van ná het betrokken advies van de Nationale Raad – verduidelijkt verzoeker niet, zo lijkt. Integendeel, verzoeker erkent zelf dat het startquotum “de laatste jaren telkens werd verhoogd” en dat “[d]e Vlaamse regering wil […] voorkomen dat de patiënten steeds langer moeten wachten op een afspraak bij een arts”. Verzoeker verliest prima facie uit het oog dat de examencommissie precies 1723 deelnemers van het toelatingsexamen gunstig heeft gerangschikt. Waarom net de beslissing om hém niet-geslaagd te verklaren in het licht van het door hem geschetste “acute tekort” onredelijk zou zijn en zou “bijdragen aan het steeds acuter wordende tekort aan artsen”, lijkt verzoeker niet te verduidelijken en is evenmin evident zichtbaar.
- Voor zover, tot slot, verzoeker nog kritiek uit op de vraagstelling – hij noemt ze hier “arbitrair” – lijkt hij andermaal aansluiting te zoeken bij de grieven die hij in zijn derde middelonderdeel heeft aangevoerd. Hij geeft er, zo lijkt, alvast híer geen andere invulling aan. Om dezelfde redenen als aangehaald bij de bespreking van het derde middelonderdeel, faalt die kritiek ook hier.
- Het vierde middelonderdeel is niet ernstig.
- Het enige middel is in zijn geheel niet ernstig. IX-10.541-23/25 De vordering tot schorsing kan niet worden ingewilligd. VII. Vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel
- Verzoeker vraagt, zoals gezien, dat de Raad van State aan de verwerende partij zou opleggen “om op zeer korte termijn, en uiterlijk binnen de 7 kalenderdagen vanaf het tussen te komen arrest, een nieuwe beslissing te nemen”.
- Daargelaten dat verzoeker die vraag in zijn verzoekschrift prima facie niet onderbouwt met enige redengeving waarom hij die maatregel nodig acht om zijn belangen te vrijwaren, moet ze, wegens het hiervóór vastgestelde gebrek aan een ernstig middel, hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. IX-10.541-24/25 De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.541-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.