id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 Rolnummer: A. 242942/IX-10544 Zaak: Arrest 260727 - Examens (onderwijs) - 23/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-24 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-17 05:13 Fiche Arrest nr 260.727 van 23 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 no lien 278869 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.727 van 23 september 2024 in de zaak A. 242.942/IX-10.544 In zake : A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW EDUGO SCHOLENGROEP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van Edugo campus De Toren van 28 augustus 2024 waarbij het aan verzoekster toegekende oriënteringsattest B “met clausulering voor alle ASO-richtingen” wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024, om 10.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. IX-10.544-1/31 Advocaat Joost Van Damme, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het tweede jaar van de tweede graad economische wetenschappen in Edugo campus De Toren te Gent, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
- Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een algemeen jaartotaal van 57%, met jaartekorten voor wiskunde (46%) en Frans (42%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor alle studierichtingen algemeen secundair onderwijs en een positief advies voor overzitten. Hij overweegt daarbij wat volgt: “Advies: De klassenraad adviseert je om over te stappen naar een studierichting in een andere onderwijsvorm die beter aansluit bij je talenten. Motivering: 1.Beschrijving van de beginsituatie [Verzoekster] startte in januari 2024 op EDUGO campus De Toren in de studierichting 4 Economische Wetenschappen. 2.Evolutie tijdens het schooljaar Trimester 2 [Verzoekster] behaalde 6 tekorten voor het dagelijks werk. Ze behaalde tekorten voor de vakken Nederlands (49%), biologie (48%), chemie (42%), wiskunde (48%), economie (49%) en Frans (46%). Tijdens de examenperiode behaalde ze 3 tekorten: met name voor de vakken geschiedenis (46%), wiskunde (36%) en economie (39%). Trimester 3 IX-10.544-2/31 Op het dagelijks werk behaalde [verzoekster] 3 tekorten: voor de vakken wiskunde (43%), Frans (38%) en artistieke vorming (40%). Tijdens de examenperiode behaalde ze 1 tekort: voor het vak biologie (47%). Jaartotaal [Verzoekster] behaalde 2 tekorten voor de vakken wiskunde (46%) en Frans (42%). 3.Wat is de oorzaak van het slechte presteren? [Verzoekster] had onvoldoende basis en te weinig inzicht om dit schooljaar tot een goed einde te brengen. De klassenraad beschouwt een degelijke basiskennis én een degelijk inzicht in de leerstof als essentieel om te kunnen slagen in een vijfde jaar ASO. 4.Wat heeft de school gedaan om dit falen te voorkomen? Wekelijks zijn er tijdens de middagspeeltijd remediëringslessen voor de vakken wiskunde, Frans (eerste trimester) en economie. [Verzoekster] ging eenmaal naar de remediëringsles economie op 19/02/
- Daarnaast kon [verzoekster] beroep doen op de studiecoaching. [Verzoekster] maakte hier geen gebruik van. Iedere maandag-, dinsdag- en donderdagavond was er begeleide avondstudie voorzien. Ook hier maakte [verzoekster] geen gebruik van. De leerkrachten hebben [verzoekster] op de maandrapporten altijd positief aangemoedigd om het beste van zichzelf te geven.” Overleg met de directeur op 2 juli 2024 leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. 3.
- Verzoekster stelt daarop het volgende beroep in bij het schoolbestuur (de verwijzingen naar de klassenraad van 30 juni ‘2023’ moeten worden gelezen als ‘2024’, de brief van 5 juli ‘2023’ is te lezen als ‘2024’): “
- Preliminiair - kennisname van de deliberatiebeslissing d.d 30 juni 2024
- Cliënten wensen kennis te nemen van de notulen van de beraadslaging van de op 30 juni 2023 samengekomen delibererende klassenraad. Cliënten beschikken enkel over het syntheseblad (stuk 3), doch niet over het relevante (uittreksel van het) proces-verbaal en de notulen van de delibe[re]rende klassenraad d.d. 30 juni 2023 zoals bedoeld in art. 63 van het Besluit van de Vlaamse Regering over de organisatie van het secundair onderwijs, wat de leerlingen betreft d.d. 15 juli 2022 (B.S. 18 november 2022), hierna Organisatiebesluit Secundair Onderwijs. Cliënten wensen meerbepaald kennis te nemen van de samenstelling van de klassenraad en haar motieven die deden besluiten tot het uitreiken van een oriënteringsattest B, alsook van de wijze waarop de evaluatie aan het bevoegde orgaan werd voorgelegd en in welke mate de studievoortgang én de medische conditie van hun dochter in het beraad werd ontmoet en hoe deze door de klassenraad werd afgewogen.
- De juridische grondslag daarvoor is terug te vinden in art. 123/7 Codex Secundair Onderwijs en art. II.31 van het Bestuursdecreet. IX-10.544-3/31
- Cliënten formuleren voorbehoud om na kennisname van de notulen van de delibererende klassenraad d.d. 30 juni 2023 (en de daarin gebeurlijk vervatte motieven) verder standpunt in te nemen en daaromtrent aanvullende middelen te ontwikkelen. Art. 10.1.
- van Omzendbrief SO64 (het voormalige art. 10.1.8) schrijft immers voor: ‘De school moet t.a.v. de betrokken personen volgende verplichtingen nakomen in volgende gevallen: - bij toekenning van een attest B of C; - bij toekenning van een attest A in het eerste leerjaar A of B met uitsluiting voor een of meer basisopties/pakketten in het tweede leerjaar A en/of B; - bij ongunstig advies m.b.t. overzitten.
- De beslissing moet schriftelijk worden gemotiveerd. Dit kan onder uiteenlopende vorm maar moet wel strikt individueel-gericht zijn (...)’
- Hetgeen appellanten hieronder uiteenzetten, geschiedt dan ook onder het grootste voorbehoud, op het gevaar af alvorens kennis te hebben van de eigenlijke beslissing van de delibererende klassenraad standpunt in te nemen omtrent de inhoud van een nog niet meegedeeld evaluatiedocument en aldus een bewijslast op zich te nemen die niet rechtens op hen rust.
- Eerste grief: miskenning van de formele motiveringsplicht
- De brief van 5 juli 2023 vermeldt (stuk 1): ‘Tijdens het overleg op dinsdag 2 juli tussen de ouders van [verzoekster] en ondergetekende, heeft u de redenen van de betwisting van de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad in verband met [verzoekster] kenbaar gemaakt. Ik ben van mening dat de elementen die tijdens dit overleg zijn aangebracht geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen omdat deze elementen geen afbreuk doen aan de door de klassenraad geformuleerde motivatie.’ In de afwijzende beslissing is geen enkel draagkrachtig motief te ontwaren. Daarmee voldoet de school – als orgaan van actief bestuur – niet aan de op haar rustende formele motiveringsplicht.
- Het voorschrift van (het hoger besproken) art. 10.1.
- (het voormalige art. 10.1.8) van Omzendbrief SO 64 m.b.t. de motivering van de beslissing (cf. supra), dringt zich ook op aan de directeur. Appellanten stellen vast dat de beslissing van de directeur geen antwoord biedt op de door appellanten ingeroepen middelen en aangebrachte argumentatie (stuk 2) die hen sterkte[n] in de overtuiging dat de eerder genomen beslissing om een oriënteringsattest B uit te reiken diende te worden hervormd. Alleen al daarom ligt de hierbij bestreden beslissing voor hervorming gereed.
- Ook de assumptie vervat in de beslissing d.d. 5 juli 2024 als zouden tijdens het gesprek van 2 juli 2024 geen elementen zijn aangebracht die een nieuw licht op de zaak zouden kunnen werpen noch afbreuk doen aan de door de klassenraad geformuleerde ‘motivatie’ (er wordt bedoeld: motivering), mist feitelijke grondslag, zoals appellanten verder zullen toelichten. Tijdens het onderhoud d.d. 2 juli 2024 werd immers aan de hand van stukken de medische conditie van [verzoekster] toegelicht, alsook de vele afwezigheden ingevolge ziekte, dewelke maken dat de klassenraad niet over voldoende informatie beschikte om een weloverwogen keuze te maken (stuk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-4/31 2): ‘ (…) de ouders vragen aandacht voor de gezondheidssituatie van [verzoekster] (en staven dat met een document van de dokter), ... (....)’. Anders dan de bestreden beslissing aanneemt, heeft de klassenraad daarmee geen rekening gehouden, minstens blijkt dat niet uit de voor appellanten beschikbare stukken (cf. de preleminaire grief, cf. supra), zodat de aanname dat de medische conditie geen nieuw element is dan wel een element betreft dat al in rekening zou zijn genomen door de klassenraad bij het nemen van haar beslissing om aan [verzoekster] een B-attest toe te kennen, manifest feitelijke en juridische grondslag mist. Op het syntheseblad is immers niets (!) terug te vinden omtrent de medische toestand van [verzoekster], zodat moet worden aangenomen dat daarmee geen rekening is gehouden. In dat opzicht miskent de afwijzende beslissing eveneens de materiële motiveringsplicht, waarover verder meer (cf. infra).
- Tweede grief: miskenning van de materiële motiveringsplicht
- Hoe dan ook is de motivering die het rapport (de puntenlijst) en het syntheseblad (stuk 3) in zich dragen niet draagkrachtig voor de genomen beslissing om aan [verzoekster] een oriënteringsattest B uit te reiken. De delibererende klassenraad motiveerde als volgt (stuk 3): ‘Trimester
- [Verzoekster] behaalde 6 tekorten voor het dagelijks werk (...). Tijdens de examenperiode behaalde ze 3 tekorten (...). Trimester
- Op het dagelijks werk behaalde [verzoekster] 3 tekorten (...). Tijdens de examenperiode behaalde ze 1 tekort (...). Jaartotaal. [verzoekster] behaalde 2 tekorten (...) (...) Wat is de oorzaak van het slechte presteren? [Verzoekster] had onvoldoende basis en te weinig inzicht om dit schooljaar tot een goed einde te brengen. De klassenraad beschouwt een degelijke basiskennis én degelijk inzicht in de leerstof als essentieel om te kunnen slagen in een vijfde jaar ASO.’ De beslissing maakt verder ook gewag van aangeboden remediëringslessen, coaching en avondstudie. Die overweging is niet deugdelijk. Overeenkomstig art. 38, 1° van het Organisatiebesluit secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 19 juni 2002 – B.S. 4 december 2022) beëindigde een leerling met vrucht: ‘(…) 1° het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar (...).’ Overeenkomstig art. 60 van het Organisatiebesluit secundair onderwijs d.d. 15 juli 2022 (B.S. 18 november 2022) strekt leerlingenevaluatie ertoe om: ‘rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met IX-10.544-5/31 vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval.’ Overeenkomstig art. 10.2.1.
- Omzendbrief S064 wordt de leerling die met vrucht het jaar heeft beëindigd toegelaten tot het volgende leerjaar.
- De vraag is dus niet of er een beter resultaat zou kunnen behaald zijn, indien er gevolg zou gegeven zijn aan de remediëring (die er overigens omzeggens niet is geweest, cf. infra), noch of een bepaalde leerattitude al dan niet bij het studieprofiel past, doch wel of de leerdoelstellingen van de opleiding voldoende zijn bereikt en de leerling bekwaam wordt geacht om zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar. Op 23 april 2024 werd de recent gestelde diagnose van dyslexie (stuk 4) aan de school overgemaakt. Er werden door de school geen remediërende maatregelen en/of redelijke aanpassingen voorgesteld. Aan remediëringslessen kon [verzoekster] hoe dan ook niet deelnemen omdat zij tijdens de middagpauze (korter dan een regulier lesuur) gemiste toetsen moest inhalen.
- Anders dan de puntenlijst vermeldt, is er geen jaartekort voor Chemie. [Alsdan] zijn er slechts twee jaartekorten.
- Er is een pertinente reden voor deze tekorten. [Verzoekster] werd geëvalueerd op basis van onvolledige informatie, met name op basis van proeven en examens dewelke niet werden afge[le]gd in omstandigheden die nuttige studievoortgang mogelijk maken. Dergelijke wijze van evalueren mist manifest juridische grondslag.Sedert medio mei 2024 wordt [verzoekster] gesteisterd door een bijzonder ernstige vorm van migraine. Tegen beter weten in, werd [verzoekster] gedwongen aan de bijna volledige examenreeks deel te nemen, ook na haar hospitalisatie van 3 t.e.m. 5 juni 2024 omwille van ondraaglijk stekende hoofdpijnen (stuk 6), i.e. vlak voor de examens. De neuroloog had nochtans begin juni 2024 geadviseerd [verzoekster] niet aan de volledige examen reeks deel te laten nemen (stuk 5): ‘Ondergetekende, dokter in de geneeskunde, verklaart dat bovenstaande patiënte om medische redenen voor de komende schoolexamenperiode niet het voltallig aantal examens kan afleggen, geldend voor de examenperiode van 06-2024 (...).’ Met die medische opinie werd geen rekening gehouden, behoudens voor de opleidingsonderdelen Nederlands, Chemie en Geschiedenis, waarvoor [verzoekster] werd vrijgesteld. De andere examens heeft zij afgelegd, niettegenstaande de voorbereiding daarvan nagenoeg onmogelijk was, nu [verzoekster] elke namiddag in de maand juni (!), na het afleggen van de examens, doorbracht in een donkere kamer (stuk 8). Ook de behandelend geneesheer-specialist vraagt (terecht) daarmee rekening te houden (stuk 8). Het kan immers in die omstandigheden – volledig vreemd aan de wil van de leerling – niet geredelijk mogelijk worden geacht enige nuttige studievoortgang te maken. De beslissing van de klassenraad gaat in haar motivering (stuk 3) dit heikele onderwerp ook volledig uit de weg. Geen woord daarover, alsof de problematiek de school niet was gekend. IX-10.544-6/31 Na haar ontslag uit het hospitaal, hield [verzoekster] een hoofdpijndagboek bij, waaruit chronische migraine en hoofdpijn gedurende de maand juni 2024 blijkt (stuk 7). Ondanks dit alles slaagde [verzoekster] er nog in voor tal van vakken meer dan behoorlijke resultaten neer te zetten, hetgeen aantoont dat zij in staat is, indien haar medische conditie het toelaat, de leerdoelstellingen van opleidingsonderdelen te behalen, puur op wilskracht.
- Met die stukken en medische opinies werd – in weerwil van hetgeen in de brief d.d. 5 juli 2024 wordt gesteld (stuk 1) – door de klassenraad geen rekening gehouden. Uw beroepscommissie kan dit, zoals de redelijkheid vereist, hangende de beroepsprocedure rechtzetten en, hetzij een A-attest uitreiken, of, vaststellende over onvoldoende informatie te beschikken, uitgestelde proeven op te leggen (cf. infra), teneinde een correct beeld van de studievoortgang van [verzoekster] te bekomen.
- De opgetekende tekorten zijn niet de resultante van een gedegen evaluatie doch geven enerzijds op grond van onvolledige informatie en anderzijds op grond van een onwettig gehanteerd criterium een vertekend beeld omtrent het behalen van de leerdoelstellingen in het voorbije schooljaar alsook omtrent de verwachtingen omtrent het slagen in het volgende leerjaar. Het staat vast dat de eindcijfers geen representatieve weergave zijn van de capaciteiten van [verzoekster].
- De studievoortgangsbeslissing die op dergelijke niet relevante en niet draagkrachtige motieven is gesteund, is niet naar recht verantwoord en ligt voor vernietiging gereed.
- Derde grief: miskenning van het subsidiariteitsbeginsel – uiterst ondergeschikt: uitgestelde proeven
- Uiterst ondergeschikt: In diezelfde mate strijdt de bestreden beslissing met het subsidiariteitsbeginsel, nu in het belang van de leerling en het pedagogisch project van de school ook een andere meer geschikte beslissing had kunnen worden genomen. Deze nieuwe beslissing kan alsnog door de beroepscommissie in de schoot van de inrichtende macht worden genomen, daarbij de onvolkomenheid van de beslissing van de klassenraad rechtzettend, met name door een waarschuwing naar volgend jaar toe te geven óf een uitgestelde evaluatiebeslissing te nemen. Bijkomende proeven organiseren voor de opleidingsonderdelen Frans en wiskunde is alsdan de aangewezen manier om de nodige gegevens te verzamelen teneinde een waarheidsgetrouw beeld te bekomen van het kunnen van [verzoekster]. Het zal toelaten om op objectieve wijze een correct oordeel te vormen over de capaciteiten van [verzoekster], of zij al dan niet de leerplandoelstellingen behaalt en of zij wordt geacht te zullen slagen in het volgende jaar.” 3.
- Na verzoekster te hebben gehoord, beslist de beroepscommissie op 28 augustus 2024 beslist om het B-attest “met uitsluiting voor alle ASO- richtingen” te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: IX-10.544-7/31 “De motivatie van de klassenraad wordt niet ontkracht door de argumentatie op de zitting door de ouders en meeste Van Damme, en de beroepscommissie beslist unaniem om het oriënteringsattest B met uitsluiting van alle aso richtingen, te handhaven. Daarbij bespreken zij tijdens de zitting gestelde vragen. - Samenstelling van de delibererende klassenraad: o Zie bijlage 1 - Wijze waarop de evaluatie aan het bevoegde orgaan werd voorgelegd. o Het werd voorgelegd aan de hand van het jaarrapport en alle evaluatiemomenten sinds januari
- Via het leerlingvolgsysteem en de vak commentaren. De leerplandoelstellingen werden onvoldoende bereikt. Hierdoor was de klassenraad van oordeel dat de leerling niet bekwaam wordt geacht om haar studies voort te zetten in de derde graad aso. - In welke mate de studievoortgang en medische conditie werd afgewogen. o De studievoortgang blijkt uit de vak commentaren en de studiecijfers. o De beroepscommissie heeft de leerlingbegeleider uitgebreid bevraagd en vastgesteld dat de klassenraad op de hoogte was van de medische situatie en de zorgen van [verzoekster] en daarmee ook rekening heeft gehouden. Dit voor zowel de neurologische aandoening als voor de dyslexie. - Zoals onder andere gevraagd door de ouders en de specialist, een spreiding van een gereduceerd aantal examens met minstens één rustdag hiertussen. - Toepassing van de reguliere maatregelen voor dyslexie zoals onder andere meer tijd en het gebruik van aangepaste software. De beroepscommissie oordeelt om geen bijkomende proeven in te richten omdat de delibererende klassenraad heeft dat zij over voldoende informatie beschikt die bovendien eenduidig was. De mening van de klassenraad ligt in de lijn van het neurologisch verslag waarin gewag wordt gemaakt van de verschillende problematieken van [verzoekster]. Een A-attest met waarschuwing strookt niet met het opzet van een waarschuwing. De stukken 10 en 11 die werden aangereikt tijdens de zitting werden mee opgenomen tijdens de bespreking van de beroepscommissie.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op IX-10.544-8/31 de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van het eerste en het tweede middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert verzoekster een schending aan van de formelemotiveringsplicht en van artikel 10.1.10 van omzendbrief SO 64, alsook, blijkens de uiteenzetting van het middel, van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster betoogt dat haar een oriënteringsattest B werd toegekend, dat zij derhalve het voorbije jaar met vrucht heeft beëindigd en dat zulks een duidelijke veruitwendiging vereist van de motieven die de beroepscommissie er niettemin toe brengt om finaliteiten, onderwijsvormen of structuuronderdelen te clausuleren. Een zeer ruime clausulering, zoals het ontzeggen van de toegang tot alle ASO-richtingen, vergt volgens verzoekster des te meer een omzichtige, omstandige en precieze motivering, waaruit tevens moet blijken dat de vrije studiekeuze van de leerling niet méér wordt ingeperkt dan nodig is. Wat de clausulering betreft, verwijt verzoekster aan de bestreden beslissing dat zij oordeelt dat de beslissing van de klassenraad dient te worden bevestigd, terwijl die niet meer bestaat en de beroepscommissie zelf geen enkele poging onderneemt om aan de hand van een gedetailleerde en juridisch ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-9/31 onderbouwde argumentatie inzichtelijk te maken waarom de twee jaartekorten tot een B-attest met clausulering voor alle ASO-richtingen moet leiden. De beroepscommissie miskent de formelemotiveringsplicht voorts, volgens verzoekster, doordat de grieven die zij in het georganiseerd beroep heeft doen gelden, onbeantwoord blijven. In de bestreden beslissing wordt immers enkel verwezen naar “de argumentatie aangebracht op de zitting”, waarbij de grieven uit het beroepschrift onvermeld blijven. Bovendien blijkt niet dat de beroepscommissie rekening heeft gehouden met alle beschikbare elementen van het leerlingendossier. Verzoekster verwijst “exemplarisch” naar de resultaten van het laatste trimester, die in stijgende lijn gaan, waaruit blijk dat zij niettegenstaande haar medische toestand toch vooruitgang boekte. Daarnaast doet verzoekster gelden dat de overwegingen waarmee de beroepscommissie zich uitspreekt over de wijze waarop zij met verzoeksters neurologische aandoening en dyslexie rekening heeft gehouden, feitelijke grondslag missen. De in ondergeschikte orde gestelde vraag naar een bijkomende proef wordt volgens verzoekster dan weer niet afdoende beantwoord omdat de beroepscommissie niet aantoont dat zij, buiten de verwijzing naar de beoordeling door de klassenraad, zelf het dossier heeft onderzocht. Verzoekster herhaalt dat zij sinds medio mei 2024 kampt met ernstige migraine en dat zij, tegen beter weten en tegen het advies van de neuroloog in, toch werd gedwongen om aan een groot deel van de examens deel te nemen. Zij herneemt wat zij ter zake in de interne beroepsprocedure heeft uiteengezet en stelt nog dat de beroepscommissie heeft verzuimd te antwoorden op het bijgebrachte verslag van de neuroloog, waarin wordt aangegeven dat verzoekster ongeschikt was om deel te nemen aan de examens van het derde trimester. Tot slot voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing evenmin afdoende is gemotiveerd wat de weigering van een A-attest met waarschuwing betreft. IX-10.544-10/31
- De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen wat volgt: “
- Dit eerste middel focust op de formele motiveringsplicht. De zgz. schending van de materiële motiveringsplicht betreft het tweede middel. In de repliek op dit eerste middel toont verwerende partij aan dat de toekenning van het B-attest met clausulering voor alle ASO-richtingen, ongeacht de al dan niet juistheid van de motieven, wel degelijk formeel gemotiveerd is.
- […]
- De motivering van de bestreden beslissing van de beroepscommissie vat inderdaad aan met de beoordeling dat de motivatie van de klassenraad niet ontkracht wordt door de argumentatie van de ouders en hun raadsman: ‘De motivatie van de klassenraad wordt niet ontkracht door de argumentatie aangebracht op de zitting door de ouders en meester Van Damme, en de beroepscommissie beslist unaniem om het oriënteringsattest B met uitsluiting van alle aso richtingen, te handhaven.’ De beroepscommissie handhaaft ook uitdrukkelijk de motivatie van de klassenraad, hetgeen betekent dat ze eigen maakt. Immers blijkt duidelijk uit deze motivering dat de beroepscommissie wel degelijk de motivatie van de klassenraad op haar waarde beoordeeld heeft. De beroepscommissie neemt ook duidelijk een beslissing, en zelfs unaniem, met name om het oriënteringsattest B met uitsluiting van alle aso richtingen, te handhaven. Inderdaad wordt het oriënteringsattest B zelf gehandhaafd, niet de beslissing van de klassenraad zelf, zoals verzoekende partij verkeerdelijk lijkt te interpreteren. De beroepscommissie heeft wel degelijk het oriënteringsattest B met clausulering zélf beoordeeld, op basis van alle voorliggende gegevens van het dossier van verzoekende partij (puntenlijsten, commentaren leerkrachten, …), maar ook tijdens de interne beroepsprocedure zelf heeft de beroepscommissie zich de moeite getroost om te peilen in welke mate het B-attest met clausulering al dan niet terecht is. Zo bijvoorbeeld heeft zij de leerlingenbegeleider gecontacteerd en zijn nog commentaren van de leerkrachten wiskunde en Frans opgevraagd geworden (zie stukken …). Deze stukken kijken in detail naar de niet behaalde leerplandoelen. Wat er ook van zij, het zegt in ieder geval iets over de ernst waarmee de beroepscommissie de zaak heeft onderzocht en welke inspanningen ze leverde om een eigen oordeel te funderen. Het is dus duidelijk dat de beroepscommissie autonoom tot de bevestiging van het oriënteringsattest B met uitsluiting van alle aso richtingen beslist heeft. Welnu, dit is geheel in overeenstemming met hetgeen in de wetgeving ook bepaald is. Artikel 123/15, § 3 Codex Secundair Onderwijs bepaalt dat ‘het beroep [wordt] behandeld door een beroepscommissie en leidt tot 1° hetzij de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-11/31 gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid (…), 2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat.’ Het is duidelijk dat in dit geval de beroepscommissie het oorspronkelijk evaluatieresultaat bevestigd heeft. Het is inderdaad correct dat de beslissing van de beroepscommissie in de plaats treedt van de beslissing van de klassenraad, maar dit neemt niet weg dat dit nog steeds om een ‘bevestiging’ van de beslissing van klassenraad gaat. In het ander geval zou het gaan om een ‘vervanging’. Artikel 123/15, § 3 Codex Secundair Onderwijs spreekt evenwel enkel van ‘vervanging door een ander evaluatieresultaat’, niet van ‘vervanging door hetzelfde evaluatieresultaat’. Indien elke beslissing van de beroepscommissie ‘vervangend’ zou zijn, dan zou de alternerende mogelijkheid opgenomen in artikel 123/15, § 3 Codex Secundair Onderwijs weinig zin hebben. Idem wat betreft de toevoeging ‘door een ander evaluatieresultaat’ aan het begrip ‘vervanging’.
- In de mate dat verzoekende partij stelt dat enkel en alleen met de door [de] beroepscommissie in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven rekening kan worden gehouden, gaat dit té kort door de bocht. Evident kan nog steeds verwezen worden naar het verslag van de klassenraad en kan de volledige motivering aldaar opgenomen door verwerende partij gehandhaafd worden. Dit wilt niet zeggen dat de beroepscommissie daar geen eigen oordeel over zou hebben geveld. Zoals reeds hoger toegelicht, is de formele motivering van een beslissing bedoeld voor de ‘bestemmeling’ van de beslissing, met name zodat deze ‘bestemmeling’ weet waarom een bepaalde beslissing genomen is. Welnu, de beslissing stelt dat de argumentatie van verzoekende partij geen afbreuk doen aan de beslissing van de klassenraad. Tevens wordt het B-attest bevestigd. Verzoekende partij kent de motivering van de klassenraad, en weet dus overduidelijk waarom haar een B-attest werd toegekend.
- Ook het feit dat in de geciteerde motivering gesteld wordt dat de motivatie van de klassenraad niet ontkracht wordt door hetgeen ter zitting door de ouders en hun raadsman werd aangehaald, maakt de bestreden beslissing niet onwettig. Het gaat immers om een beroep, hetgeen dus betekent dat de beroepsindiener effectief een beroepschrift moet indienen en zijn argumenten moet aanhalen waarom de aangevochten beslissing onwettig is. Op pg. 36 van het schoolreglement staat eveneens te lezen dat ‘het gaat om een onafhankelijke commissie die jullie klacht grondig zal onderzoeken. Ze zal steeds jou en je ouders uitnodigen voor een gesprek.’ In overeenstemming met artikel 123/15 van de Codex Secundair Onderwijs staat op deze zelfde pagina van het schoolreglement ook te lezen dat ‘de beroepscommissie ofwel de beslissing zal bevestigen, ofwel een andere beslissing nemen.’ Welnu, dit is dus hetgeen de beroepscommissie gedaan heeft, met name de beslissing gehandhaafd of bevestigd. IX-10.544-12/31 Dat de beroepscommissie vertrekt van de bezwaren van de leerling is niet meer dan logisch en ook inherent aan een beroep. Ook § 2 van artikel 123/15 Codex Secundair Onderwijs vermeldt uitdrukkelijk dat in het interne beroep de leerlingen zijn of haar bezwaren moet vermelden: […] Indien de beroepscommissie niet zou moeten vertrekken van de ‘bezwaren’ van de leerling, dan zou het nutteloos en overbodig [zijn] om te eisen dat deze ‘bezwaren’ in het interne beroep door de leerling worden vermeld.
- […] Bijgevolg is de beroepscommissie niet gehouden om een expliciet antwoord te formuleren op elk aangevoerd middel, maar moet nagegaan worden of het beroep van verzoekende partij weldegelijk in overweging werd genomen door de beroepscommissie. Dit blijkt ook duidelijk uit de volgende rechtspraak van Uw Raad: […] Welnu, verwerende partij heeft onbetwistbaar rekening gehouden met de bezwaren van verzoekende partij, hetgeen overigens […] geformaliseerd werd in de bestreden beslissing. Voormelde passage uit de bestreden beslissing stelt vooreerst reeds expliciet dat ‘de motivatie van de klassenraad niet ontkracht wordt door de argumentatie aangebracht op de zitting door de ouders en meester Van Damme’, om vervolgens te stellen: […] Verzoekende partij kan dus moeilijk beweren dat de beroepscommissie haar beroepsgrieven niet beantwoord zou hebben, minstens niet de meest essentiële beroepsgrieven. Zij tracht Uw Raad te misleiden door in randnr. 11 van het verzoekschrift bewust enkel de eerste alinea van de motivering van de bestreden beslissing te citeren (‘de motivatie van de klassenraad wordt niet ontkracht (…)’), om vervolgens op basis hiervan boutweg zonder verdere toelichting te stellen ‘Daarmee voldoet de beroepscommissie niet aan de op haar rustende formele motiveringsplicht.’, om dan toch te beseffen dat er tóch nog motivering is, maar dan opnieuw kort door de bocht te stellen dat uit het bovenstaande blijkt dat de bestreden beslissing dat ‘de grieven die [verzoeksters] in de loop van het intern georganiseerd beroep hebben aangevoerd, onbeantwoord worden gelaten door de interne beroepscommissie’.
- Wat de beantwoording van de beroepsgrieven in concreto betreft. • De studievoortgang blijkt uit het leerlingvolgsysteem en vak commentaren. Tevens wordt bevestigd dat de studievoortgang ook blijkt uit de vak commentaren en de studiecijfers. De beroepscommissie heeft deze wel degelijk bekeken en beoordeeld. Verzoekende partij verwijst enkel naar het feit dat er nog maar 1 examentekort meer is in het derde trimester, maar vergeet hierbij te vermelden dat uit de voorliggende studiecijfers blijkt dat er voor het dagelijks werk in het derde tremester voor drie andere vakken een tekort is, met name wiskunde (43%), Frans (38%) en artistieke vorming (40%), los van het feit dat ze 6 tekorten op het dagelijks werk behaalde in het tweede trimester en 3 op het examen. Uit deze cijfers blijkt dat het om een IX-10.544-13/31 zeer uiteenlopende vakken gaat (Nederlands, biologie, chemie, wiskunde, economie, Frans, geschiedenis en artistieke vorming). De beslissing van de klassenraad gaat hier uitgebreid op in. Tevens wordt opgemerkt : ‘Wekelijks zijn er tijdens de middagspeeltijd remediëringslessen voor de vakken wiskunde, Frans (eerste trimester) en economie. [Verzoekster] ging eenmaal naar de remediëringsles economie op 19/02/
- Daarnaast kon [verzoekster] beroep doen op de studiecoaching. [Verzoekster] maakte hier geen gebruik van.’ Vastgesteld moet worden dat verzoekende partij tegen deze uitgebreide motivering van de klassenraad geen concreet verweer biedt in het interne beroep. Verzoekende partij kan aldus moeilijk ernstig spreken van een ‘significante vooruitgang’ in het derde trimester, nu ze er gelet op het bovenstaande wel een heel selectieve lezing van de studiecijfers op na houdt. Immers zijn niet enkel de examencijfers van belang, maar ook de punten op het dagelijks werk. Daarenboven heeft verzoekende partij op aanraden van haar behandelende arts maar een deel van de examens van het derde trimester mee gemaakt, met name 5 van de 8 vakken. De examens voor de vakken geschiedenis, Nederlands en chemie heeft zij niet afgelegd. • In de mate dat verzoekende partij in randnr. 12 van haar verzoekschrift stelt dat de bestreden beslissing geen rekening zou houden met de uitzonderlijke omstandigheden (neurologische problemen), geattesteerd door een neuroloog (stuk 3.8, 3.10 en 3.11), moet vastgesteld worden dat de beroepscommissie dit wel degelijk beoordeeld heeft, en zelfs de leerlingbegeleider hieromtrent bevraagd heeft maar tot de (eigen) vaststelling gekomen is dat de klassenraad, en dit voor zowel de neurologische aandoening als voor de dyslexie: […] Inderdaad heeft de klassenraad wel degelijk rekening gehouden met advies van de neurologie. Deze adviseerde – anders dan verzoekende partij lijkt te insinueren – géénszins dat zij hélemaal niet aan de examens mocht deelnemen, maar wel enkel niet aan de volledige examenreeks. Welnu, verzoekende partij heeft helemaal niet aan de volledige examenreeks van het derde trimester deelgenomen. Zoals gezegd, heeft zij op advies van de specialist én de ouders zélf slechts 5 van de 8 vakken afgelegd (waarbij dus telkens afwisselend een examen werd afgelegd en een examen niet werd afgelegd). Verzoekende partij zwijgt inderdaad in alle talen over dit ‘stuk’ motivering, én over het feit dat de ouders, noch de neuroloog, ooit aan de school gevraagd hebben om helemaal geen examens mee te doen. Zowel ouders als neuroloog vroegen een spreiding van een gereduceerd aantal examens met minstens één rustdag tussen. Welnu, dit is ook hetgeen verwerende partij georganiseerd heeft en hetgeen verzoekende partij ook effectief aan examens heeft afgelegd. Niets meer. Daarnaast stelt de bestreden beslissing ook uitdrukkelijk dat ‘de stukken 10 en 11 [zijnde de attesten van de neuroloog] die werden aangereikt tijdens de zitting werden mee opgenomen tijdens de bespreking van de beroepscommissie’. IX-10.544-14/31 De ontslagbrief van Dr. [G.] en Dr. [S.] dat vóór de examens werd voorgelegd aan de school, spreekt inderdaad van het ‘dienen te maken’ van examens, weliswaar een gereduceerd aantal: […] En zo ook het attest van 5 juni 2024: […] Het is pas ná de examens dat de arts, dr. [G.] het geweer van schouder verandert en er plots a posteriori sprake is van het ‘zoveel mogelijke examens vrij te stellen’ en dit nadat vastgesteld werd dat ‘de examens blijkbaar geen goede resultaten opleverden’. Gelet op deze laatste zinssnede meent verwerende partij te mogen afleiden dat verzoekende partij zélf van oordeel is dat haar examens in het derde trimester niet zo goed gingen en dit ook zo meedeelde aan haar behandelende arts. Welnu, op basis van dit alles stelt de beroepscommissie vast dat anders dan hetgeen verzoekende partij beweert, de klassenraad wel degelijk rekening gehouden heeft met de medische toestand van verzoekende partij, enerzijds door zoals gevraagd, niet alle examens te laten afleggen in het derde trimester. De klassenraad handelde met andere woorden correct, en dit werd onderschreven door de beroepscommissie. Van een ‘gedwongen zijn’ is helemaal geen sprake. Verzoekende partij bewijst dit ook niet en de voorgelegde ontslagbrief en medische attesten spreken wel degelijk van het afleggen van examens. Verzoekende partij stelt dus kennelijk geheel foutief en met opzet dat ‘met die medische opinie geen rekening werd gehouden, behoudens voor de opleidingsonderdelen Nederlands, Chemie en Geschiedenis, waarvoor verzoekster werd vrijgesteld’. De neuroloog heeft in tempore non suspectu helemaal niet verklaard dat verzoekende partij ‘niet in staat was om aan de examens deel te nemen’, wel integendeel … • In de mate dat verzoekende partij stelt dat de beroepscommissie geen rekening zou hebben gehouden met de vraag naar uitgestelde proeven, strijdt ook dit met een letterlijke lezing van de bestreden beslissing, alwaar uitdrukkelijk op de vraag naar bijkomende proeven wordt ingegaan: ‘De beroepscommissie oordeelt om geen bijkomende proeven in te richten omdat de delibererende klassenraad geoordeeld heeft dat zij over voldoende informatie beschikt die bovendien eenduidig was. De mening van de klassenraad ligt in de lijn van het neurologisch verslag waarin gewag wordt gemaakt van de verschillende problematieken van [verzoekster].’ Er kan dus ook hier, net als alle overige hierboven vermelde beroepsgrieven, evenmin sprake zijn van een formeel motiveringsgebrek. • Ook het feit dat verzoekende partij zélf de bestreden beslissing citeert op het vlak van het verzoek om een A-attest met waarschuwing toe te kennen, toont aan dát er wel degelijk een motivering is: ‘Het verzoek om toekenning van een A-attest met waarschuwing wordt evenmin naar behoren gemotiveerd; de beroepscommissie stelt slechts: ‘Een A-attest met waarschuwing is niet in overeenstemming met het doel van een waarschuwing’. Die overweging gaat overigens uit van een verkeerde rechtsopvatting (cf. infra)’. Verwerende partij kan dus enkel maar vaststellen dat verzoekende partij beseft dát er wel degelijk hieromtrent een motivering is opgenomen in de bestreden beslissing, maar dat zij het niet eens is met de door de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-15/31 beroepscommissie gemaakte evaluatie van het verzoek. Dit betreft hoogstens een schending van de materiële, en niet van de formele, motiveringsplicht, ten zeerste quod non (zie de repliek van verwerende partij op het tweede middel).
- In de mate dat verzoekende partij stelt dat enkel zou zijn rekening gehouden met ‘de argumentatie aangebracht op de zitting’ kan zij niet gevolgd worden in dergelijk formalistisch standpunt. Evident betekent deze zinssnede geenszins dat de beroepscommissie het beroep zelf niet in rekening zou hebben gebracht. De kwestieuze passage uit de bestreden beslissing luidt vooreerst niet dat het enkel zou gaan om de mondeling ter zitting aangebrachte argumentatie. Opnieuw tracht verzoekende partij Uw Raad te misleiden. Verzoekende partij heeft overigens op de hoorzitting in essentie haar schriftelijke interne beroep overlopen en verduidelijkt, evenals nog bijkomend de stukken 10 en 11 voorgelegd. De bewering van verzoekende partij dat ‘de grieven uit het beroepschrift onvermeld worden gelaten’ strijdt dan ook kennelijk met de inhoud van het beroepschrift tegenover de inhoud van de bestreden beslissing. Dat verzoekende partij mogelijks op bepaalde grieven een meer uitgeschreven, gedetailleerde motivering verwacht, is niet gelijk te stellen met het feit dat de bestreden beslissing niet op haar beroepsgrieven zou geantwoord hebben. Overigens licht verzoekende partij geenszins toe op welke concrete beroepsgrieven die dermate essentieel zijn, de beroepscommissie in de bestreden beslissing niet zou hebben geantwoord. Zoals reeds hoger opgemerkt, reikt de motiveringsplicht in geen geval in een administratieve fase zo ver dat op élke beroepsgrief geantwoord moet geantwoord worden, noch dat de ‘motieven van de motieven’ beantwoord zouden moeten worden. En tot slot, komt het evident noch aan verwerende partij, noch aan Uw Raad toe om zélf te moeten gissen op welke concrete beroepsgrieven er geen antwoord zou zijn geboden. Het behoort niet tot de opdracht van Uw Raad als wettigheidsrechter om de beoordeling van het slagen of falen van verzoekende partij over te doen.
- Verzoekende partij blijft hoe dan ook in gebreke om toe te lichten in welke mate de bestreden beslissing artikel 10.1.10 van de Omzendbrief schendt. Er is in die mate niet voldaan aan de stelplicht, zodat het middel wat deze zgz. schending betreft, niet ontvankelijk is.”
- In een tweede middel voert verzoekster een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 60 en 70, eerste lid, 2° van het “Organisatiebesluit secundair onderwijs d.d. 15 juli 2022”. Verzoekster betoogt dat de beslissing om haar een oriënteringsattest B toe te kennen niet wordt gedragen door de elementen van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-16/31 dossier. Aan het motief dat “de leerplandoelstellingen […] onvoldoende [werden] bereikt” werpt verzoekster tegen dat een B-attest krachtens artikel 70, eerste lid, 2° van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (het organisatiebesluit 2022) integendeel inhoudt dat de leerling het schooljaar wél “met vrucht en met clausulering” heeft beëindigd. Dat impliceert volgens verzoekster dat de doelstellingen van het leerplan in voldoende mate werden bereikt. Verzoekster noemt de motivering van de bestreden beslissing op dit punt “tegenstrijdig”, minstens wordt niet uitgegaan van een wettig evaluatiecriterium. Zij acht de materiëlemotiveringsplicht ook geschonden doordat wordt aangenomen dat zij de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt en om die reden een clausulering voor alle ASO-richtingen op te leggen. Voorts argumenteert verzoekster dat zij sinds medio mei 2024 kampt met een bijzonder ernstige vorm van migraine en dat zij, tegen beter weten én tegen doktersadvies in, werd gedwongen om aan bijna alle examens deel te nemen, ook na haar hospitalisatie begin mei. Met uitzondering van de vakken Nederlands, chemie en geschiedenis werd met dat medisch advies geen rekening gehouden, terwijl het voorbereiden van de examens nagenoeg onmogelijk was doordat verzoekster elke namiddag in de maand juni, na het afleggen van de examens, in een donkere kamer doorbracht. De behandelend geneesheer-specialist had nochtans gevraagd om daarmee rekening te houden. Verzoekster voert daarnaast nog aan wat volgt: “Ondanks dit alles slaagde [verzoekster] er nog in voor tal van vakken meer dan behoorlijke resultaten neer te zetten, hetgeen aantoont dat zij in staat is, indien haar medische conditie het toelaat, de leerdoelstellingen van opleidingsonderdelen te behalen. Ondanks de ernst van de situatie, waarbij de neuroloog nadrukkelijk heeft verklaard dat [verzoekster] niet in staat was om aan de examens deel te nemen, heeft de interne beroepscommissie geoordeeld dat geen noodzaak bestond om verzoekster alsnog aanvullende proeven toe te staan, daar de delibererende klassenraad volgens de commissie zou beschikken over voldoende en ondubbelzinnige informatie. Daarbij verzuimt de beroepscommissie richting te geven aan [de] in het kader van het intern beroep bijgebrachte nieuwe medische stukken (stuk 3.10 IX-10.544-17/31 en 3.11) waaruit blijkt [dat] [verzoekster] ongeschikt was om deel te nemen aan de examens in het derde trimester. Die stukken waren niet bekend aan de klassenraad (stuk 3.10 en 3.11) en werden in het kader van de behandeling van het intern georganiseerd beroep bijgebracht. Bovendien is tijdens de behandeling van het intern beroep de onvolledige informatie ingevolgd de onbeschikbaarheid van evaluatiegegevens voor het eerste trimester uitgebreid ter sprake gekomen ([verzoekster] liep toen elders school). Waar de interne beroepscommissie deze stukken en argumenten niet bespreekt en meent te kunnen volstaan in een verwijzing naar ‘de delibererende klassenraad’ die ‘over voldoende informatie beschikte” om de afwijzing van het opleggen van bijkomende proeven te verantwoorden, miskent zij manifest de op haar rustende motiveringsplicht. Bovendien is die afwijzing kennelijk onredelijk (cf. infra).” Verzoekster acht ook het redelijkheidsbeginsel geschonden. Wat dat betreft, voert zij aan dat de beroepscommissie ten onrechte overweegt dat de resultaten van het laatste trimester representatief en afdoende zijn om tot een eindebeoordeling te komen. Aan die overweging werpt zij eensdeels tegen dat de evaluatiegegevens van het eerste semester ontbreken – een argument dat volgens verzoekster onbeantwoord is gebleven – en anderdeels dat de beperkte periode tijdens dewelke zij bij de verwerende partij schoolliep, werd verstoord door haar medische problematiek. Wat dit laatste betreft, grieft het verzoekster in het bijzonder dat de meest recente medische stukken die zij aan de beroepscommissie heeft voorgelegd, zonder enig motief werden afgewezen. Voorts stelt verzoekster dat het motief dat de reguliere maateregelen voor dyslexie zoals onder andere meer tijd en het gebruik van aangepaste software werden toegepast, manifest feitelijke grondslag mist. De overweging dat verzoeksters studievoortgang blijkt uit de vakcommentaren en de studiecijfers toont volgens verzoekster niet aan dat de beroepscommissie een eigen onderzoek naar de merites van het dossier heeft gevoerd. Het toekennen van een B-attest met clausulering voor alle ASO-richtingen, zo stelt verzoekster, strijdt met de op de beroepscommissie rustende motiveringsplicht. De weigering om een A-attest met waarschuwing te geven ten slotte, wordt volgens verzoekster afgedaan met een overweging die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting. IX-10.544-18/31
- In haar nota met opmerkingen verwijst de verwerende partij vooreerst naar het vermoeden van deskundigheid dat aan een deliberatiebeslissing kleeft. Voorts doet zij gelden wat volgt: “Wat betreft de zgz. interne tegenstrijdigheid.
- Het belang van verzoekende partij bij het opwerpen van de zgz. interne tegenstrijdigheid valt moeilijk te ontwaren. Indien geoordeeld wordt dat verzoekende partij het jaar niet met vrucht beëindigde, dan diende haar een C-attest toegekend te worden. Zij heeft evenwel een B-attest gekregen, hetgeen betekent dat zij naar het volgende jaar mag overgaan. Het onderscheid tussen een A en B-attest zit in het al dan niet bestaan van een clausulering, niet in het al dan niet met vrucht beëindigen van het jaar. Zij heeft aldus geen belang bij het ontwikkelen van dergelijke kritiek. Wat betreft de medische situatie van verzoekende partij en tekorten als gevolg daarvan.
- Vastgesteld moet worden dat verzoekende partij op zich niet betwist dat haar resultaten niet goed zijn. Het enige argument [dat] ze aanhaalt tegen het B-attest met clausulering, is dat geen rekening gehouden zou zijn met haar medische situatie in het derde trimester. Welnu, verzoekende partij kan moeilijk beweren dat de slechte resultaten louter en alleen het gevolg zijn van haar migraine die medio midden mei opkwam, en dat zij voor het overige ‘meer dan behoorlijke’ resultaten zou hebben behaald. De klassenraad en de interne beroepsinstantie zien dit toch anders. Op haar jaarrapport valt voor de examens een algemeen totaal van 57 te lezen en voor haar dagelijks werk
- Echter, ook voor dagelijks werk in het tweede semester had verzoekende partij een tekort voor Biologie, Chemie, Wiskunde, economie, Nederlands en Frans. In dat verband kan niet genoeg benadrukt worden dat verzoekende partij de richting ‘Economische Wetenschappen’ volgt. Uw Raad zal willen vaststellen dat verzoekende partij doorheen zowel het tweede trimester als het derde trimester tekorten opstapelde voor zowel haar dagelijks werk (Nederlands, biologie, chemie, wiskunde, economie, frans en artistieke vorming), als voor examens (geschiedenis, wiskunde, economie, biologie). Dit resulteerde in jaartekorten voor [Frans] en wiskunde. Tevens stelt de klassenraad: ‘Wekelijks zijn er tijdens de middagspeeltijd remediëringslessen voor de vakken wiskunde, Frans (eerste trimester) en economie. [Verzoekster] ging eenmaal naar de remediëringsles economie op 19/02/
- Daarnaast kon [verzoekster] beroep doen op de studiecoaching. [Verzoekster] maakte hier geen gebruik van.’ Het komt toe aan de klassenraad resp. de interne beroepscommissie om te oordelen of een welbepaald tekort al dan niet aanzienlijk is. Uw Raad heeft ter zake slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. IX-10.544-19/31 Zoals reeds hoger toegelicht, en ook zélf bevestigd door verzoekende partij in haar verzoekschrift, kwamen de migraineproblemen pas medio mei 2024, terwijl haar resultaten ook reeds in het tweede trimester (evenals dagelijks werk in het derde trimester) niet goed waren, zij blijkbaar ook geen inspanningen leverde om gebruik te maken van remediëringslessen en studiecoaching, en zij zélf van oordeel is dat haar examens in het derde trimester beter waren, dit dus ondanks haar medische problematiek. De resultaten van verzoekende partij waren al niet goed vóór haar medische klachten. Er kan dus moeilijk gesteld worden dat de resultaten ‘meer dan behoorlijk’ waren, zoals verzoekende partij dit doet. De leerkrachten zijn unaniem van oordeel, ook op basis van de vaststellingen tijdens de lessen, dat verzoekende partij intrinsiek niet in staat is om naar 5 ASO te gaan (zie commentaren van de leerkrachten in stuk 4, waaruit blijkt dat ook in het tweede trimester de resultaten van verzoekende partij niet goed waren). Dat wordt trouwens door de medisch specialist ook onderschreven. Als een neuroloog schrijft dat het geheugen zwak/flauw is, dat de leesstrategieën, … niet ok zijn, dat de automatisatie van leerstof een probleem is, … (zie haar eigen stuk 4 – onderzoeksverslag), dan moet men toch durven onderkennen dat die leerlinge niet in staat is om naar 5 ASO te gaan. De interne beroepscommissie heeft van al deze bevindingen zorgvuldig kennis genomen en op basis hiervan zorgvuldig en redelijk besloten dat het B-attest met clausulering voor alle ASO-richtingen bevestigd wordt. Verzoekende partij brengt geen kritiek in ten aanzien van de concrete resultaten (ook niet deze van het tweede trimester of van het dagelijks werk derde trimester). Zij stelt m.a.w. niet dat deze niet correct of niet waarachtig zouden zijn. De medische problematiek was op dat moment evenmin aan de orde.
- Verzoekende partij heeft het ook bij het verkeerde eind waar zij stelt dat de beroepscommissie geen acht slaat op de in het intern beroep nieuw aangevoerde medische stukken. De bestreden beslissing luidt nochtans duidelijk: ‘De stukken 10 en 11 die werden aangereikt tijdens de zitting werden mee opgenomen tijdens de bespreking van de beroepscommissie.’
- Verzoekende partij stelt dat ‘er geen aangepaste software werd aangeboden en evenmin extra tijd werd toegekend.’ Ook dit is manifest niet correct. Uw Raad zal dit willen verifiëren in het dossier van verzoekende partij (stuk 4 – pagina 59, 60, 66 en 76, zo bijvoorbeeld kreeg ze duidelijk extra tijd voor het afleggen van het examen geschiedenis). Er waren wel degelijk compenserende maatregelen, maar klaarblijkelijk wilde verzoekende partij a posteriori méér maatregelen.
- In de mate dat verzoekende partij aan verwerende partij verwijt dat zij – tegen het advies van haar behandelende arts in – examens in het derde trimester moest afleggen, is reeds uit de repliek met betrekking tot het eerste middel gebleken dat dit uitgangspunt niet correct is en niet strookt met de voorliggende stukken van het dossier. IX-10.544-20/31 De attesten spraken immers enkel van een gereduceerd aantal examens, met examens om de dag. Welnu, verwerende partij heeft zich op vraag van de ouders ook hieraan gehouden. Vóór de examens was er vanuit verzoekende partij geen vraag om helemaal geen examens af te leggen. Ook uit de mail van 9 juni 2024 blijkt impliciet het akkoord van de ouders met het examenplan (zie stuk 4, pg. 68): ‘Geachte mevrouw [P.] Hartelijk dank voor uw bericht en begrip. Mijn man heeft mij laten weten dat u hem heeft gebeld en dat er is besloten dat [verzoekster] haar examens om de dag zal afleggen, namelijk op donderdag 13/6, maandag 17/6, woensdag 19/6 en vrijdag 21/
- Kunt u bevestigen dat dit correct is? (…) Heel erg bedankt voor jullie begrip en ondersteuning Wij waarderen dit enorm.’ Daarenboven kan dit het ongunstige examenresultaat van verzoekende partij niet meer beïnvloeden.[…] Hoe dan ook diende verzoekende partij, indien zij van oordeel was dat zij op medisch advies hélemaal geen of minder examens mocht afleggen, dan had zij verwerende partij hierover uiterlijk bij aanvang van de examens of tijdens de examens zelf moeten aanspreken, in ieder geval op een nuttig tijdstip. Zij heeft dit nagelaten, minstens legt zij geen bewijs van het tegendeel aan Uw Raad voor. […] Wat betreft het verzoek tot het opleggen van bijkomende proeven.
- Verzoekende partij kan ook geenszins gevolgd worden wanneer zij stelt dat de gegevens van het dossier bijkomende proeven rechtvaardigen. Een leerling in het secundair onderwijs heeft géén recht op bijkomende proeven. Artikel 123/17 van de Codex Hoger Onderwijs bepaalt immers: […] Welnu, Uw Raad zal samen met verwerende partij vaststellen dat haar schoolreglement het volgende bepaalt omtrent bijkomende proeven (stuk 1): […] Bijgevolg heeft een leerling géén recht op bijkomende proeven én besluit de delibererende klassenraad enkel over te gaan tot bijkomende proeven wanneer zij over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen beslissen of het leerjaar met vrucht is beëindigd. Het toestaan van bijkomende proeven dient de uitzondering, en geen regel, te zijn. Klassenraden worden immers geacht voldoende zicht te hebben op hun leerlingen om een weloverwogen beslissing te nemen. Het is dus maar uitzonderlijk, wanneer een klassenraad om welbepaalde redenen meent niét over alle nuttige gegevens te beschikken, dat hij een leerling zal vragen om bijkomende proeven af te leggen en dat hij zijn beslissing tot dan zal uitstellen. Het resultaat van die bijkomende proeven komt vervolgens niet in de plaats van de eerdere resultaten, maar voegt zich er aan toe als bijkomend concreet gegeven van het leerlingendossier. Het is evident zo dat de klassenraad niet beschikt over evenveel evaluaties van verzoekende partij als bij de andere leerlingen, (dat is ook logisch daar zij pas in het tweede trimester toekwam in deze school; de cijfers van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-21/31 vorige school werden opgevraagd bij de ouders van verzoekende partij (zie aantekening in het dossier van verzoekende partij – mail van 28 februari 2024 (stuk 4, pg. 58), maar niet ontvangen[…]), doch beschikte de klassenraad over veel (minstens voldoende) evaluaties, die bovendien allemaal in dezelfde lijn lagen (zie de talrijke commentaren van de leerkrachten in het leerlingendossier – stuk 4). Deze resultaten waren dan ook, volgens het deskundig oordeel van de klassenraad, niet goed genoeg om zonder meer te starten komend schooljaar in een ASO-richting, hetgeen voldoende is om geen bijkomende proeven te geven. Zoals verzoekende partij zélf aangeeft, zijn de migraine-aanvallen begonnen in mei 2024, zijnde pas in het derde trimester. Verzoekende partij is zélf van oordeel dat haar examenresultaten in het derde trimester beter waren dan deze van het tweede trimester. Het is duidelijk dat verwerende partij voldoende zicht had op de kunde van verzoekende partij en dat er geen nood is om tot het opleggen van bijkomende proeven over te gaan. Zelfs rekening houdende met de medische toestand van verzoekende partij in het derde trimester, leidt het geen twijfel dat er, zeker rekening houdende met het tweede trimester en ondanks het feit dat verwerende partij ondanks uitdrukkelijk verzoek hiertoe niet haar eerdere in een andere school behaalde cijfers bekwam, voldoende representatieve cijfers voorliggen.[…] Ook de bestreden beslissing is hierover duidelijk: ‘De beroepscommissie oordeelt om geen bijkomende proeven in te richten omdat de delibererende klassenraad geoordeeld heeft dat zij over voldoende informatie beschikt die bovendien eenduidig was. De mening van de klassenraad ligt in lijn van het neurologische verslag waarin gewag wordt gemaakt van de verschillende problematieken van [verzoekster].’ Louter ten overvloede kan worden opgemerkt dat het toch wel enigszins tegenstrijdig te noemen is dat verzoekende partij tracht te bepleiten dat er niet voldoende representatief cijfermateriaal voorhanden zou zijn om een B attest te verantwoorden en dus bijkomende proeven vraagt, maar eveneens stelt dat zij weldegelijk recht zou hebben op een A attest (terwijl ze voordien stelt dat er geen voldoende representatief materiaal aanwezig zou zijn). In hoofdorde is verzoekende partij immers van oordeel dat er wél voldoende gegevens zijn, zonder bijkomende proeven, om tot een A attest te besluiten.
- Ondergeschikt moet worden opgemerkt dat, indien verzoekende partij kost wat kost in een ASO richting haar secundair onderwijs traject wilt verderzetten, dit wel degelijk mogelijk is, met name wanneer zij haar jaar overzit, hetgeen verwerende partij eveneens heeft toegestaan.
- Het is ook niet omdat verzoekende partij het B-attest met clausulering voor alle ASO-richtingen mogelijks als een streng oordeel ervaart dat dit oordeel per definitie onredelijk of onwettig is. Uw Raad kan zich niet in de plaats stellen van de interne beroepscommissie en kan als wettigheidsrechter verzoekende partij niet behoeden voor strenge, enkel voor onwettige beoordelingen. De delibererende klassenraad beschikt over een ruime discretionaire beoordelingsvrijheid.[…] Los hiervan, is de bestreden beslissing niet streng en/of onredelijk. IX-10.544-22/31 Er moet inderdaad uitgegaan worden van het vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten, klassenraad en de beroepscommissie, ook bij de toekenning van een welbepaald oriënteringsattest. Het komt aan de verzoekende partij toe om dit vermoeden met voldoende concrete en onderbouwde gegevens aan het wankelen te brengen. Gelet op het bovenstaande is het duidelijk dat verzoekende partij hier niet in slaagt. Haar hoofdstelling bestaat erin dat er onvoldoende rekening gehouden werd met haar medische toestand bij het afleggen van de examens in het derde trimester, terwijl ze juist van oordeel is dat zij betere examens aflegde in het derde trimester dan in het tweede trimester. Een dergelijk – tegenstrijdig – standpunt is niet van die aard om voormeld vermoeden van deskundigheid aan het wankelen te brengen.” Beoordeling
- Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat verzoekster de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, al dan niet impliciet, zowel in het eerste als in het tweede middel ter sprake brengt. Ook de feiten die verzoekster aanvoert, lopen in grote mate parallel. Het komt dan ook gepast voor om de beide middelen samen te bespreken.
- Op het eerste gezicht wordt de schending van artikel 60 van het organisatiebesluit 2022 in de toelichting bij het tweede middel niet nader uitgewerkt en toegepast op de bestreden beslissing. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk en is het niet ernstig.
- Verzoekster heeft aan de beroepscommissie in hoofdorde gevraagd om haar een A-attest toe te kennen. De weigering daartoe in de bestreden beslissing bekritiseert verzoekster enkel met de argumenten dat eensdeels de beroepscommissie zich niet kan beroepen op een norm die bepaalt dat een leerling voor alle of voor welbepaalde vakken moet slagen en anderdeels de weigering van een A-attest met waarschuwing niet behoorlijk is gemotiveerd en bovendien uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting. De beroepscommissie beroept zich niet, expliciet of impliciet, op een bepaalde deliberatienorm; in dat opzicht missen de middelen ernst. IX-10.544-23/31 Waaruit de door verzoekster vermelde “verkeerde rechtsopvatting” precies bestaat, kan op het eerste gezicht uit de uiteenzetting van de middelen niet worden afgeleid. Ook in dat opzicht zijn ze niet ernstig. Voorts wordt vooralsnog aangenomen dat de beroepscommissie op grond van de resultaten zoals zij thans voorliggen – onder meer twee jaartekorten – samen met de delibererende klassenraad kon oordelen dat geen A-attest kan worden toegekend. Gewis had het niet verkeerd geweest indien de beroepscommissie zich meer moeite had getroost door, bijvoorbeeld, de door de klassenraad vastgestelde tekorten te uitdrukkelijk te hernemen in de eigen beslissing. In de huidige stand van zaken is de Raad evenwel van oordeel dat verzoekster er niet van overtuigt dat de beroepscommissie haar een A-attest had moeten toekennen. Bij die beoordeling is niet buiten beschouwing gebleven, de vaststelling dat verzoekster zowel ten overstaan van de beroepscommissie als in de huidige procedure, haar pijlen voornamelijk richt op de “onvolledige informatie” op basis waarvan zij stelt te zijn beoordeeld. 13.
- Aan verzoekster is een oriënteringsattest B toegekend. 13.
- Naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit 2022 betekent een B-attest dat – onder meer – de leerling het eerste leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”. Een clausulering betekent dan weer dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd” (artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit). De vaststelling dat een leerling het leerjaar “met vrucht” heeft beëindigd, doet vooralsnog aannemen dat de tekorten die zij heeft behaald géén reden waren om haar te beschouwen als niet-geslaagd voor het desbetreffende jaar. In dat geval zou zij immers een C-attest hebben gekregen. Het lijkt eveneens te doen aannemen dat de motivering van een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht haar studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot een welbepaalde onderwijsvorm of finaliteit moet worden ontzegd. Het aanvechten van een B-attest binnen het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere woorden de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-24/31 beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden. 13.
- Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit), en wordt geacht haar studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen of zelfs een gehele onderwijsvorm of finaliteit niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dát schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling – of van haar ouders. Een klassenraad of een beroepscommissie kan op basis van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of zij kunnen vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent, verkiest echter in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroepscommissie bij het uitreiken van een B-attest tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is immers geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. De vooruitblik van de beroepscommissie is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet zij deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-25/31 slaagkansen van een leerling in een volgend jaar relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
- Verzoekster maakt in januari 2024 de overstap van een school in Melle naar EDUGO campus De Toren. Om die reden zijn er geen rapportcijfer van EDUGO voor het eerste trimester beschikbaar. Voor zover verzoekster aan de bestreden beslissing een miskenning van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel verwijt doordat de resultaten voor de periode september-december uit verzoeksters vorige school niet bij de beoordeling werden betrokken, lijkt aan de hand van het administratief dossier (bericht van de graadcoördinator aan haar collega’s van 28 februari 2024) te moeten worden vastgesteld dat de rapporten van de vorige school bij de ouders zijn opgevraagd. Verzoekster beweert niet dat zij die rapporten aan de school heeft overhandigd en evenmin dat zij ze, in voorkomend geval, zelf aan de beroepscommissie heeft voorgelegd. In die omstandigheden moet het ontbreken van die gegevens prima facie aan verzoekster worden toegeschreven, zodat de middelen in dat opzicht niet ernstig zijn.
- Dat de resultaten van het tweede en derde trimester niet zouden volstaan om tot een gedragen deliberatiebeslissing te komen, lijkt verzoekster dan weer zelf tegen te spreken met haar vraag aan de beroepscommissie om – op basis van die resultaten – een A-attest toe te kennen. Voor zover verzoekster van het tegendeel uitgaat, zijn de middelen evenmin ernstig.
- Waar de beroepscommissie overweegt dat de reguliere maatregelen voor dyslexie zoals onder andere meer tijd en het gebruik van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 IX-10.544-26/31 aangepaste software, werden toegepast, stelt verzoekster dat dit motief feitelijke grondslag mist. Nog daargelaten dat een dergelijke blote bewering niet volstaat om enige overtuigingskracht te hebben, blijkt op het eerste gezicht uit het administratief dossier dat verzoeksters ouders het diagnostisch attest op 23 april 2024 aan de school hebben overgemaakt, dat de graadcoördinator diezelfde dag heeft geantwoord dat de klassenraad wordt geïnformeerd en dat verzoekster kan langskomen zodat de hulpmiddelen kunnen worden uitgelegd, dat daags nadien de graadcoördinator de mededeling van de diagnose heeft gemaild en dat de bijzondere maatregelen in een bericht van 29 mei 2024 aan verzoeksters ouders zijn bevestigd. In het licht van deze berichten, die verzoekster ter terechtzitting niet ontkent of tegenspreekt, mist de grief ernst.
- Uit verzoeksters jaarrapport kan worden afgeleid dat zij in het derde trimester normaliter voor acht vakken een examen zou moeten afleggen. In een medisch attest van 5 juni 2024 verklaart verzoeksters neuroloog dat zij: “[…] om medische redenen voor de komende schoolexamenperiode niet het voltallige aantal examens kan afleggen, geldend voor de examenperiode van 06-2024.” In de bijhorende ‘verpleegkundige ontslagbrief’ is daaromtrent te lezen: “In tussentijd schrijven wij een medisch attest zodat zij een gereduceerd aantal schoolexamens dient te maken.” Van een medisch attest dat een vrijstelling van alle examens bepleit, is – anders dan verzoekster beweert – op het eerste gezicht dan ook geen sprake. IX-10.544-27/31 Zoals verzoekster zelf aangeeft en ook blijkt uit haar rapport, werd zij vrijgesteld van de examens voor Nederlands, chemie en geschiedenis, zijnde drie van de acht vakken. Daarmee heeft de school op het eerste gezicht de hiervóór aangehaalde medische adviezen niet veronachtzaamd. Bovendien overweegt de beroepscommissie dat ook bij de spreiding van de resterende examens met verzoeksters medische situatie rekening werd gehouden, namelijk door telkens minstens één rustdag in te lassen. Verzoekster toont niet aan, en beweert zelfs niet, dat zij tegen een dergelijk examenrooster bezwaar heeft geuit. Wel integendeel: in een bericht van 9 juni 2024 bevestigen haar ouders de vooropgestelde examendata en danken zij de school voor het getoonde begrip. De stelling dat verzoekster tegen medisch advies in of tegen haar wil gedwongen werd aan de examens deel te nemen, mist ernst.
- Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag te dezen worden verwacht dat zij uitdrukkelijk veruitwendigt waarom zij een B-attest met clausulering voor ASO toekent en dat die motieven, zoals ze te lezen zijn in de beslissing, tevens steun vinden in de feitelijke elementen van het leerlingendossier. Van dat leerlingendossier maken ook deel uit, de stukken die door de leerling slechts in de procedure voor de beroepscommissie voor het eerst in het debat worden gebracht, a fortiori wanneer de leerling over die stukken niet kon beschikken in een eerdere stand van de procedure. In een attest van 27 augustus 2024 verklaart verzoeksters behandeld neuroloog het volgende: “Ondergetekende, dokter in de geneeskunde, bevestigt hierbij dat [verzoekster], gedurende de maand mei 2024 en de examenperiode in juni 2024 door aanhoudende migraine en neurologische symptomen niet in staat was om naar behoren te presteren. Aangezien haar medische toestand tijdens deze periode haar functioneren aanzienlijk beïnvloedde, dring ik erop aan om de resultaten niet als representatief voor haar academische capaciteiten te beschouwen. Tijdens de zomermaanden hebben we de symptomen onder controle kunnen brengen, en patiënte heeft geleerd om beter om te gaan met zowel de IX-10.544-28/31 migraine als de neurologische klachten. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ze haar studies zonder verdere problemen zal kunnen verderzetten.” Dit attest sluit aan bij een eerder verslag van 25 juni 2024, waarin verzoeksters symptomen en de impact ervan op de noodzakelijk te nemen rust (met hevige migraine enkele uren in een donkere kamer) nader worden geduid. Deze beide stukken zijn aan de beroepscommissie voorgelegd en uit het verslag van de hoorzitting van de beroepscommissie blijkt dat verzoekster deze elementen ook uitdrukkelijk ter sprake heeft gebracht. Net zoals de school eerder, bij het inplannen van de examens, met de aanbevelingen van de neuroloog rekening heeft gehouden, lijken er vooralsnog geen aanwijzingen dat de beroepscommissie de twee meest recente verslagen in twijfel trekt. Over deze stukken zegt de beroepscommissie enkel dat zij “mee [werden] opgenomen tijdens de bespreking van de beroepscommissie”. Anders dan de verwerende partij betoogt, lijkt die overweging geen enkele inhoudelijke appreciatie van die stukken in te houden. Welke beoordeling of gewicht de beroepscommissie aan die verslagen heeft gegeven en hoe ze naar oordeel van de beroepscommissie in te passen zijn in de overweging “dat zij over voldoende informatie beschikt die bovendien eenduidig was”, blijft prima facie volstrekt onduidelijk. Nochtans is er op het eerste gezicht geen reden om aan die stukken elke relevantie te ontzeggen. De neuroloog stelt immers eensdeels – op basis van een bijgestelde diagnose of minstens van de door verzoekster ondervonden hinder, zo lijkt – dat de representativiteit van alle juni-examens in vraag wordt gesteld en dat anderdeels dat ondertussen de symptomen beter onder controle zijn, waaruit dan weer zou kunnen worden afgeleid dat de door verzoekster gevraagde bijkomende proeven niet bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn. Alleszins komt het aan de beroepscommissie toe om te beoordelen in welke mate de bijkomende medische attesten haar deliberatiebeslissing beïnvloeden. IX-10.544-29/31
- In die omstandigheden lijkt de bestreden beslissing niet op deugdelijke wijze tot stand te zijn gekomen.
- De middelen zijn in de besproken mate ernstig. IX-10.544-30/31 BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van Edugo campus De Toren van 28 augustus 2024 waarbij het aan A.D. toegekende oriënteringsattest B met uitsluiting van alle ASO-richtingen wordt gehandhaafd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.544-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.727 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.