← België

Arrest 260774 - Examens (onderwijs) - 24/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.774 Rolnummer: A. 242946/IX-10545 Zaak: Arrest 260774 - Examens (onderwijs) - 24/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-17 05:14 Fiche Arrest nr 260.774 van 24 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.774 no lien 278909 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.774 van 24 september 2024 in de zaak A. 242.946/IX-10.545 In zake: XXXX die woonplaats kiest te 9470 Denderleeuw Rodestraat 37 tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS DENDERLEEUW EN WELLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Özgur Balci en Margot De Vos kantoor houdend te 9040 Gent Antwerpsesteenweg 576 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 11 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen tegen […] XXXX, door de school Het Landuiterke” te Denderleeuw. Verzoeker vraagt tevens aan de Raad van State om “[d]e directie van bovengenoemde school te gelasten om de schoolresultaten van [verzoeker] te produceren en [hem] zijn diploma te overhandigen” met het oog op inschrijving in “de door hem gewenste studierichting, namelijk ASO” en “[d]eze school te veroordelen om [zijn] diploma […] te overhandigen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.545-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024, om 11.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De vader van de verzoekende partij en advocaten Özgur Balci en Margot De Vos, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2023-2024 ingeschreven in het zesde leerjaar basisonderwijs in de vrije basisschool ’t Landuiterke te Denderleeuw. 3.
  5. Op 26 juni 2024 ontvangt verzoeker een ‘[a]ttest en soort gevolgde leerjaren lager onderwijs’. Het getuigschrift basisonderwijs wordt hem niet toegekend. Op 4 juli 2024 vraagt de vader van verzoeker om een overleg met de directie. Dat overleg vindt plaats op 5 juli 2024, maar leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. IX-10.545-2/13 3.
  6. Op 4 september 2024 deelt de voorzitter van het schoolbestuur aan verzoeker mee wat volgt: “In antwoord op uw aangetekend schrijven dd 08/08/2024, poststempel 12/08/2024, en in aansluiting aan onze mail dd 27/08/2024, kan ik u meedelen dat de Raad van Bestuur van de VZW KODW in [zijn] vergadering van 03/09/2024 het dossier [van verzoeker] heeft behandeld. De Raad van Bestuur heeft rekening houdend met alle data en feiten van het dossier en in toepassing van de in de Vlaamse regelgeving voorziene procedures inzake het initiëren van een beroepsprocedure, inclusief de samenstelling van een beroepscommissie, beslist dat in voorliggende dossier niet op een geldige wijze een beroep of een beroepsprocedure is ingeleid tegen de beslissing van de klassenraad geen getuigschrift toe te kennen aan [verzoeker]. De Raad van Bestuur beslist dan ook in deze geen beroepscommissie samen te stellen. Uit het dossier blijkt immers dat de ouders (in casu de vader) een bundel samen met het attest in ontvangst genomen hebben op 26/06/
  7. Op 4/07/2024 heeft de papa telefonisch een gesprek gevraagd aan de directie. Een gesprek vond plaats tussen de ouders en de directie op 05/07/
  8. Ter plaatse overhandigde de papa een brief gedateerd 04/07/2024 waarin hij bezwaar maakte tegen de door de klassenraad genomen beslissing in zake zijn zoon. Het schoolreglement stelt ter zake. Indien je als ouder niet akkoord zou gaan met het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs kan je beroep instellen. Je vraagt binnen 3 dagen na ontvangst van de beslissing een overleg aan bij de directeur. Je moet dit gesprek uitdrukkelijk schriftelijk aanvragen. Bijvoorbeeld via email… Uit de gegevens van het dossier blijkt duidelijk dat noch de termijn van 3 dagen, noch een schriftelijke aanvraag tot overleg in deze zijn gerespecteerd. Het gesprek van 05/07/2024 waarnaar u in [uw] schrijven van 08/08/2024 verwijst, kan in deze niet beschouwd worden als het overlegmoment zoals voorzien in de regelgeving inzake de beroepsprocedure.” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering
  9. In haar nota merkt de verwerende partij op dat zij “twee mogelijke beslissingen” als het voorwerp van de vordering identificeert: “enerzijds die van de Raad van Bestuur om geen beroepscommissie in te richten, anderzijds die van de klassenraad om geen getuigschrift basisonderwijs uit te reiken”. IX-10.545-3/13
  10. Verzoeker benoemt op het eerste gezicht formeel niet het voorwerp van zijn vordering, maar hij verduidelijkt wel dat de beslissing die hij bestrijdt inhoudt dat niet “op een geldige wijze een beroep of een beroepsprocedure is ingeleid tegen de beslissing van de klassenraad [om] geen [getuigschrift] toe te kennen aan [verzoeker]”. Alsdan lijkt niets anders dan de hiervóór aangehaalde beslissing van de raad van bestuur van de verwerende partij van 4 september 2024 te kunnen zijn bedoeld. Zo ook heeft de verwerende partij het – minstens ten dele – begrepen.
  11. Wanneer hierna wordt gerefereerd aan “de bestreden beslissing”, wordt bijgevolg de voormelde beslissing van de raad van bestuur van 4 september 2024 bedoeld. V. Herinnering aan de grondvoorwaarden voor een schorsing of het bevelen van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  12. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel. IX-10.545-4/13 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  13. Verzoeker voert aan dat “het schooljaar reeds is begonnen” en dat hij “nog steeds niet naar school gaat” omdat “[h]ij […] niet naar de school van zijn keuze [kan]”.
  14. De verwerende partij brengt daartegen in dat verzoeker “geen schooljaar [verliest] aangezien hij zonder het getuigschrift nog steeds kan inschrijven in het eerste middelbaar, maar weliswaar in de B-stroom”. Zij betoogt tevens dat dit zijn mogelijkheden om naar de A-stroom over te gaan, niet beperkt. Immers, wanneer hij slaagt in het eerste leerjaar B, kan hij naar de A-stroom. Beoordeling
  15. De bestreden beslissing verhindert verzoeker om zijn studieloopbaan aan te vatten in de A-stroom van het eerste leerjaar van het secundair onderwijs, wat nochtans de uitdrukkelijke wens is van verzoeker. De suggestie van de verwerende partij dat verzoeker na het eerste leerjaar B naar het tweede leerjaar A kan overgaan, maakt niet ongedaan dat aan verzoekers wens om zijn schoolloopbaan in het secundair onderwijs te starten in het eerste leerjaar A wordt voorbijgegaan. Bovendien loopt de verwerende partij op die manier vooruit op een nog te nemen beslissing. Immers, wat de verwerende partij opvallend niet vermeldt is dat de overgang van het eerste leerjaar B naar het tweede leerjaar A naar luid van artikel 17, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’, afhankelijk is van “een gunstige beslissing van de klassenraad”. Het is precies de overtuiging van verzoeker dat hij aan een dergelijke beslissing niet onderworpen kan worden. IX-10.545-5/13 De beperking van de keuze in opleiding – of ze nu in de feiten het verlies van een schooljaar betekent of niet – maakt een nadeel uit waarvan kan worden aangenomen dat het zelfs binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden gekeerd, laat staan dat verzoeker zou kunnen verdragen de uitkomst van een annulatieprocedure af te wachten. Aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. VII. Ernst van de middelen
  16. In haar nota werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift “geen enkel middel” aanvoert ter ondersteuning van zijn vordering.
  17. De bestreden beslissing kan op het eerste gezicht niet anders worden begrepen dan dat ze het beroep van verzoeker onontvankelijk verklaart. Immers, daarin wordt gesteld dat verzoeker “niet op een geldige wijze een beroep of een beroepsprocedure [heeft] ingeleid tegen de beslissing van de klassenraad [om] geen getuigschrift [basisonderwijs]” aan hem toe te kennen. Als reden daartoe wordt aangegeven dat verzoeker “noch de termijn van 3 dagen, noch een schriftelijke aanvraag tot overleg” heeft nageleefd. Wil verzoeker die beslissing geschorst zien, lijkt hij alleen middelen te kunnen aanvoeren die ervan overtuigen dat zijn beroep ten onrechte als onontvankelijk werd afgedaan.
  18. In zijn verzoekschrift voert verzoeker onder meer aan dat hij “nooit een officiële beslissing [heeft] ontvangen over de weigering van [zijn] diploma [lees: getuigschrift]”. Een dergelijk middel is op het eerste gezicht duidelijk en zéér wel te betrekken op de bestreden beslissing. Als aan verzoeker de beslissing om ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.774 IX-10.545-6/13 hem het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, niet werd bezorgd, dan is hem op het eerste gezicht ook geen beroepsmogelijkheid meegedeeld. Dat laatste lijkt dan weer gevolgen te hebben voor het ingaan van de beroepstermijn. De verwerende partij biedt in dat verband ook weerwerk in haar nota onder de noemer “C.II. Tweede middel: uitputting georganiseerd administratief beroep”. Zij lijkt derhalve het middel ook te hebben herkend en in die zin te hebben begrepen.
  19. Naar luid van artikel 54bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 ontvangt onder meer een leerling in het gewoon lager onderwijs die het getuigschrift basisonderwijs niet behaalt, een verklaring met het aantal en soort gevolgde jaren lager onderwijs, een schriftelijke motivering waarom het getuigschrift basisonderwijs niet werd uitgereikt, alsook aandachtspunten voor de toekomst.
  20. Verzoeker lijkt in zijn verzoekschrift en de bijlagen bij dat verzoekschrift aan te geven van de onderwijsinstelling op het einde van het schooljaar alléén een “[a]ttest en soort gevolgde leerjaren lager onderwijs” te hebben ontvangen. Daarin wordt uitsluitend vermeld dat “[d]eze onderwijs- activiteiten werden gevolgd in de leerjaren 1, 2, 3, 4, 5, 6”. Daarnaast brengt de verwerende partij in het administratief dossier een “[m]odel motivering niet-uitreiken getuigschrift en aandachtspunten” bij. Ter terechtzitting daarover ondervraagd, verklaart verzoeker dat document nooit te hebben ontvangen. De stukken van het administratief dossier tonen op het eerste gezicht het tegendeel niet aan. Van dat “model” valt prima facie trouwens op dat het niet is ondertekend en evenmin gedagtekend. Uit niets kan worden IX-10.545-7/13 opgemaakt, zo lijkt, dat het stuk van het enige bevoegde orgaan – de klassenraad – uitgaat.
  21. Naar luid van artikel II.21 van het bestuursdecreet van 7 december 2018 moet bij de kennisgeving van een beslissing of een administratieve handeling van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft voor een gebruiker, worden vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn. Als de kennisgeving niet voldoet aan de bepalingen van het eerste lid, start de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving. Deze bepaling strekt ertoe op het vlak van de bestuurlijke rechtsbescherming tegen beslissingen met individuele strekking aan de bestuurde een gewaarborgde informatieplicht te bieden. De bestreden beslissing lijkt onder het materiële toepassingsgebied van deze bepaling te vallen. Hoewel die bepaling door de decreetgever formeel (nog steeds) niet van toepassing is gemaakt op de onderwijsinstellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, is de Raad van State in de huidige stand van de procedure van oordeel dat de in arrest nr. 158/2022 van het Grondwettelijk Hof van 1 december 2022 vastgestelde ongrondwettigheid ook op het voorliggende geval afkleurt. Het in dat arrest onderzocht verschil in behandeling tussen studenten van een instelling van het hoger onderwijs en leerlingen in het gesubsidieerd officieel basis- en secundair onderwijs – voor wie deze bepaling wél van toepassing is – lijkt immers des te meer relevant in de vergelijking tussen de leerlingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs en de leerlingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs – onder wie verzoeker. Zonder kennisgeving van de “schriftelijke motivering waarom het getuigschrift basisonderwijs niet werd uitgereikt” lijken aan verzoeker evenmin de beroepsmogelijkheid en beroepstermijn waaraan de raad van bestuur ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.774 IX-10.545-8/13 van de verwerende partij in de bestreden beslissing vasthoudt, te zijn aangezegd. Alsdan heeft, zo lijkt, de beroepstermijn nog geen aanvang genomen.
  22. In het geval dat ervan wordt uitgegaan dat het voormelde “model” toch aan verzoeker werd ter kennis gebracht, lijkt dat de Raad niet tot een ander besluit te kunnen brengen. Dat “model”, dat blijkbaar werd verstrekt door de koepelorganisatie waarvan de verwerende partij lid zou zijn, bevat onderaan – letterlijk – de volgende boodschap: “De beslissing die de klassenraad neemt, is steeds het resultaat van een breed evaluatieproces in het belang van je kind. Het is uitzonderlijk dat dergelijke beslissing worden aangevochten. Ga je toch niet akkoord met deze beslissing, dan kun je uiterlijk op de … (vul hier in op de hoeveelste dag het overleg kan worden aangevraagd zoals in je schoolreglement vermeld) dag (zaterdagen, zondagen, wettelijke feestdagen en 11 juli niet meegerekend) na ontvangst van de beslissing een overleg aanvragen met de directeur. Dit doe je schriftelijk, bv. via e-mail (…). Voor het verdere verloop van de procedure verwijzen we naar punt (…) van ons schoolreglement.” Deze mededeling blijft – in het licht van de voormelde bepaling van het bestuursdecreet en op het eerste gezicht – problematisch, aangezien géén beroepstermijn wordt vermeld waarbinnen verzoeker zijn overleg moest aanvragen – de concrete termijn moet nog door de onderwijsinstelling worden ingevuld, in overeenstemming met het schoolreglement.
  23. Anders dan de verwerende partij het ziet, doet de voormelde bepaling van het bestuursdecreet prima facie ervan blijken dat het zonder belang is of de bestuurde het bestaan van de beroepsmogelijkheid anderszins geacht wordt reeds te kennen, bijvoorbeeld omdat ze in een reglementaire tekst in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt of, meer specifiek in deze zaak, omdat ze in het schoolreglement is opgenomen en de ouders bij aanvang van het schooljaar hebben verklaard met dat reglement in te stemmen. IX-10.545-9/13
  24. Wat voorafgaat doet op het eerste gezicht besluiten dat aan verzoeker niet kan worden tegengeworpen dat hij de beroepstermijn niet zou hebben gerespecteerd. Ten overvloede neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat de beslissing om een beroep tegen een weigering van het getuigschrift basisonderwijs onontvankelijk te verklaren op grond van artikel 37/2, eerste lid, 1°, van het decreet basisonderwijs, uitsluitend aan de beroepscommissie toevalt, en derhalve niet aan de raad van bestuur.
  25. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel
  26. Verzoeker vraagt, zoals gezien, aan de Raad van State om “[d]e directie van bovengenoemde school te gelasten om de schoolresultaten van [verzoeker] te produceren en [hem] zijn diploma te overhandigen” met het oog op inschrijving in “de door hem gewenste studierichting, namelijk ASO” en “[d]eze school te veroordelen om [zijn] diploma […] te overhandigen”. Beoordeling
  27. De voorlopige maatregelen die de Raad van State vermag te bevelen, zijn maatregelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak.
  28. Voor zover verzoeker van de Raad verwacht dat hij de school beveelt om zijn “schoolresultaten […] te produceren”, is zijn vraag op het eerste gezicht zonder voorwerp. Verzoeker voegt immers zelf bij het verzoekschrift zijn jaarrapport voor het schooljaar 2023-
  29. Welke andere “schoolresultaten” verzoeker bedoelt, verduidelijkt hij niet en is evenmin evident zichtbaar. IX-10.545-10/13 In die mate faalt zijn vordering.
  30. Verzoeker vraagt tevens dat de Raad van State zou bevelen aan de school om hem “zijn diploma te overhandigen”. Een dergelijke maatregel overstijgt het enkele veiligstellen van de belangen van de partijen. Daarmee zou de Raad van State zich immers in de plaats stellen van de klassenraad, die ter zake over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Het ernstig bevonden middel spoort de verwerende partij enkel ertoe aan de beslissing om aan verzoeker het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, te overhandigen, hem daarbij de beroepsmogelijkheid en de beroeps- termijn mee te delen en in voorkomend geval over dat beroep uitspraak te doen. Ook in die mate kan de vordering niet worden aangenomen.
  31. De vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel kan niet worden ingewilligd. BESLISSING
  32. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de raad van bestuur van de vzw Katholiek Onderwijs Denderleeuw en Welle van 4 september 2024 waarbij wordt beslist om geen beroepscommissie samen te stellen.
  33. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige.
  34. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.545-11/13 IX-10.545-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.545-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.774 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.