← België

Arrest 260788 - Examens (onderwijs) - 25/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.788 Rolnummer: A. 242953/IX-10547 Zaak: Arrest 260788 - Examens (onderwijs) - 25/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-26 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-17 05:15 Fiche Arrest nr 260.788 van 25 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.788 no lien 278919 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.788 van 25 september 2024 in de zaak A. 242.953/IX-10.547 In zake: R.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 30 (versta: 27) augustus 2024, waarbij het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan hij niet gunstig werd gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.547-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Regelgeving en feiten 3.
  4. De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger On-derwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.547-2/20 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wis-kunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat, waardoor het startquotum overschreden kan worden (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
  5. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en die-renarts 2024’ (“WER”). IX-10.547-3/20 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. 3.
  6. Verzoeker neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Hij behaalt 100 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 51 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 151 op 240 punten in het totaal. Aangezien verzoeker een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor hij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt hij niet in aanmerking voor rangschikking. Verzoeker stelt een verzoek tot heroverweging in bij de beroepsinstantie. 3.
  7. Op 27 augustus 2024 beslist de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoeker ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden IX-10.547-4/20
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. Terecht wordt door de verwerende partij het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), “dan wel” een schending van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betwist de geldigheid van vijf vragen van het examenonderdeel GC van het toelatingsexamen arts van 2 juli 2024, namelijk de vragen 1, 2, 6, 8 en 14 van de CLEAR-toets. Verzoeker meent dat de beroepsinstantie niet in concreto antwoordt op zijn bezwaren en in de mate dat de beroepsinstantie wel een algemene motivering geeft waarom een bepaald antwoord als enig juist antwoord dient te worden bestempeld, is deze motivering, IX-10.547-5/20 althans volgens verzoeker, niet correct en onzorgvuldig. De vage verwijzing naar een bepaald model maakt verzoeker niets wijzer. Het antwoord dat hij op vraag 1 heeft gegeven, getuigt van empathie, zo stelt verzoeker. Het lijkt erop dat de examencommissie geen expliciete reactie heeft gegeven op het argument dat verzoeker zich dankzij zijn eigen ervaring goed kan inleven in de situatie, noch op de rol van het woord ‘hopelijk’ in zijn antwoord. Verzoeker stelt voorts dat empathie op verschillende manieren kan worden uitgedrukt, zodat het onredelijk en onzorgvuldig is om slechts één uiting van empathie als correct te beschouwen. Zo zet verzoeker ook uiteen waarom hij meent dat zijn antwoord op vraag 2 meer verbindend, minder confronterend en effectiever communiceert dan het beweerd juiste antwoord. De commissie had meer expliciet moeten ingaan op zijn concrete argumenten. Verzoeker betwist dat slechts één benadering van geweldloze communicatie de juiste is. Zijn antwoord past beter bij de context van de vraagstelling. Ook bij vraag 6 betoogt verzoeker dat zijn gekozen antwoord beter inspeelt op de situatie die in de vraagstelling is geschetst. De beroepsinstantie geeft geen gedetailleerde reactie op zijn redenering. Zij hanteert een te enge interpretatie van empathie door alleen het antwoord dat het Calgary Cambridge model volgt, als correct te beschouwen. Empathie kan echter op verschillende manieren worden uitgedrukt, afhankelijk van de context en de betrokken personen. Verzoekers antwoord kan in bepaalde contexten geschikter zijn dan het door de beroepsinstantie gekozen antwoord. Vraag 8 peilt naar de meest effectieve interventie om een gegeven situatie te de-escaleren. Verzoeker betoogt dat hij het juiste antwoord heeft gegeven. Hij gaat in op het mogelijk “averechts effect” van het fysiek contact dat in de beweerd juiste respons is verwerkt. Hij argumenteert dat zijn antwoord meer evenwichtig is en daarom even effectief. IX-10.547-6/20 Ook met betrekking tot vraag 14 beperkt de beroepsinstantie zich volgens verzoeker tot een oppervlakkige uitleg, zonder zijn specifieke grieven te weerleggen. De commissie steunt op het MENS en het CLEMENS model. Hoewel deze modellen nuttig kunnen zijn, is het gebruik van dergelijke theoretische kaders volgens verzoeker omstreden, vooral omdat empathie een subjectief concept is dat niet volledig door één model kan worden beschreven. Het gebruik van één enkel model om empathie te definiëren kan leiden tot een te beperkte beoordeling van menselijke reacties en is derhalve onzorgvuldig. Het model laat niet voldoende ruimte voor andere legitieme interpretaties van empathie. Verzoeker betoogt dat zijn antwoord ook correct kan zijn, maar dat de examencommissie geen ruimte laat voor interpretatie. Aangezien empathie en communicatie afhankelijk zijn van contextuele factoren, zou het redelijker zijn om te erkennen dat er meerdere juiste antwoorden mogelijk zijn. Beoordeling a. algemeen
  11. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime IX-10.547-7/20 discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
  12. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof of relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en in het werkings- en examenreglement, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
  13. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” IX-10.547-8/20 Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
  14. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord: “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” De beroepsinstantie stelt vervolgens dat “[v]oor elke vraag […] dus specifiek [wordt] aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz.”: “Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling. In toetstechnische termen en methodieken kunnen zulke antwoordopties als ‘confounders’ fungeren, dit wil zeggen antwoordopties die plausibel lijken maar niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.788 IX-10.547-9/20 correct zijn in de gegeven context. Deze confounders dragen bij aan het discriminatieve vermogen van een toets.” IX-10.547-10/20 De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie er niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in hun dagelijks leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.” Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de meeste vragen in CLEAR “een specifiek format” hebben: “In de stam van de vraag wordt eerst een welbepaalde situatie geschetst, bv. een voorval in familie- of vriendenkring. Dan volgt de specifieke vraagstelling die peilt naar de meest geschikte uitspraak of reactie om een bepaalde uitkomst binnen de eerder geschetste context te bereiken. Tot slot worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Het juiste antwoord wordt gedefinieerd als de uitspraak of reactie die het best beantwoordt aan de specifieke vraagstelling binnen de context (stam) van de vraag. Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden, (nagenoeg) dezelfde zijn. Zo is het dus mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam, maar met een andere vraagstelling, een verschillend juist antwoord hebben omdat de vraagstelling peilt naar een andere uitkomst (bv. bereiken van een consensus beslissing versus duidelijk maken van eigen gevoelens) in de geschetste context of omdat de reactie betrekking heeft op een andere persoon die in de beschreven situatie betrokken is. Evenzeer is het mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam en eenzelfde vraagstelling, maar met (deels) andere antwoordmogelijkheden, een ander juist antwoord hebben omdat één van de andere antwoordmogelijkheden nu beter aan de vraagstelling beantwoordt.” IX-10.547-11/20 De beroepsinstantie wijst er voorts nog op dat “[e]en mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid [van de vragen en antwoorden van de voorbije toelatingsexamens] is dat deelnemers aan ‘scenarioherkenning’ doen, d.w.z. dat zij scenario’s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn”. b. het MENS, het CLEMENS en het Calgary Cambridge model
  15. De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoeker bekritiseerde vragen van de CLEAR-toets naar het MENS, het CLEMENS of het Calgary Cambridge model of naar een welbepaald thema uit zo een model lijkt niet méér te zijn dan een “referentie”. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt. In de mate dat verzoeker ook ten gronde betwist dat deze modellen hanteerbaar zijn om de decretaal opgelegde doelstellingen te toetsen en hij ze te rigide acht, stelt de Raad van State vast dat verzoeker in de huidige stand van de rechtspleging niet verder komt dan persoonlijke beschouwingen en veronderstellingen die onvoldoende onderbouwd zijn om al tot de aanstelling van een deskundige te besluiten, laat staan het middel ernstig te bevinden. In die mate is het middel niet ernstig. c. mogelijkheid van meerdere correcte antwoorden
  16. Verzoeker betoogt dat meerdere antwoorden correct kunnen zijn, afhankelijk van context of interpretatie. Hij gaat hiermee eraan voorbij dat het de IX-10.547-12/20 kandidaat niet toevalt om zelf context te creëren en dat de vraagstelling louter mag worden beantwoord vanuit de situatie zoals die in de vraagstelling is geschetst. Voorts mag nogmaals worden onderstreept dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst en dus bijvoorbeeld “ook” empathisch is, of “ook” conflict oplossend kan zijn. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord. Voor zover verzoeker het anders ziet, overtuigt hij niet van de ernst van het middel. d. de vragen 1, 2 en 6
  17. Verzoeker geeft aan de formelemotiveringswet een verkeerde draagwijdte, zo lijkt, als hij van de beroepsinstantie in het algemeen een “expliciete reactie” verwacht op élk van zijn argumenten. De opgelegde formelemotiverings- plicht lijkt niet zo ver te strekken dat uitdrukkelijk moet worden geantwoord op elke grief. Het volstaat, zo lijkt, dat de beroepsinstantie aangeeft waarom zij een bepaalde keuzemogelijkheid als de juiste beschouwt. Welnu, bij elke vraag zet de beroepsinstantie uiteen waarom één antwoord het meest geschikte antwoord is in de context van de vraagstelling en waarom de drie andere antwoorden – waaronder dus ook het antwoord van verzoeker – mogelijk ook geschikt, maar niet het méést geschikt zijn. Ook kan van de beroepsinstantie niet worden verwacht dat zij antwoordt op kritiek die verzoeker haar niet heeft voorgelegd en pas voor het eerst verwoordt in voorliggend verzoekschrift. IX-10.547-13/20 In die mate is het middel niet ernstig.
  18. Op het eerste gezicht komt verzoeker niet verder, wat zijn kritiek op de beoordeling van de vragen 1, 2 en 6 betreft, dan het stellen van een eigen overtuiging tegenover het oordeel van de beroepsinstantie. Hierbij mag worden herhaald dat de Raad van State geen beroepsinstantie is, die zelf mag oordelen wat het juiste antwoord op een vraagstelling moet zijn. De opmerkingen van verzoeker tonen aan dat hij het niet eens is met de beoordeling door de beroepsinstantie, maar daarmee ontkracht hij niet het vermoeden van deskundigheid van deze beroepsinstantie. De kritiek steunt op persoonlijke ervaringen die niet in de vraagstelling voorkomen, op loutere beweringen en op veronderstellingen die bovendien niet wetenschappelijk worden onderbouwd. Verzoeker voegt in zijn redeneringen aan de vraagstelling soms context toe die uit de vraagstelling niet afgeleid kan – en volgens de opzet van de toets dus niet afgeleid mág – worden. Hij legt uit op grond van welke gedachtegang hij tot zijn keuze is gekomen, maar toont op die manier vooralsnog niet aan dat het “juiste antwoord” foutief of minstens minder geschikt is en dat de gedachtegang van de beroepsinstantie om dat “juiste antwoord” als het meest geschikte te verkiezen dus verkeerd is. Ten overvloede kan worden vastgesteld dat voor deze vragen geen afwijkende antwoordpatronen werden gevonden in de itemresponsanalyse. Verzoeker slaagt er in de huidige stand van de procedure dan ook niet in om het vermoeden van deskundigheid van de beroepsinstantie en bijgevolg haar verantwoording van de validiteit van deze vraagstellingen en van wat telkens het juiste antwoord is, te keren. In zoverre is het middel evenmin ernstig. IX-10.547-14/20 e. de vragen 8 en 14
  19. Verzoeker is er voorshands niet in geslaagd om het vermoeden van deskundigheid van de beroepsinstantie met betrekking tot de vragen 1, 2 en 6 van de CLEAR-toets in twijfel te trekken. De door verzoeker in het kader van voorliggende vordering aangebrachte argumentatie is immers niet van aard om de deugdelijkheid van voormelde vragen van de CLEAR-toets te ontkrachten. Aangezien verzoeker, rekening houdend met zijn tekort van 9 punten op het examenonderdeel GC, minstens 3 vragen uit de CLEAR-toets met succes moet betwisten alvorens hij voor het examenonderdeel GC geslaagd kan worden bevonden, heeft hij er prima facie geen belang meer bij dat zijn kritiek omtrent de vragen 8 en 14 van de CLEAR-toets wordt onderzocht. Deze kritiek lijkt dan ook onontvankelijk. Ook in zoverre is het middel niet ernstig. f. conclusie
  20. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoeker voert in een tweede middel “schending materiële motivering” aan. Niettegenstaande het antwoord dat de beroepsinstantie gaf op zijn kritiek op het CLEAR-gedeelte, blijven er volgens verzoeker “nog uiterst problematische elementen” in dit antwoord. IX-10.547-15/20 De vraag blijft of vijftien CLEAR-vragen voldoende zijn om alle beoogde competenties te meten, ongeacht het succespercentage van de opleiding. De bewering dat er altijd één juist antwoord is dat het beste voldoet aan de vraagstelling is te simplistisch. De bestreden beslissing negeert de mogelijkheid dat de beschikbare vragen en antwoorden op de website deelnemers kunnen aanzetten tot strategisch leren zonder de vraagcontext te begrijpen, wat een invloed kan hebben op de validiteit van de toetsresultaten. Het argument dat de frequentie van foutieve antwoorden niet de wetenschappelijke basis van de toets invalideert, houdt geen rekening met het feit dat frequente foutieve antwoorden kunnen wijzen op problemen met de vraag of de interpretatie ervan. Het argument dat culturele en contextuele variaties niet leiden tot verschillende correcte antwoorden is te vaag en algemeen. Zonder onderbouwing of onderzoek naar hoe culturele variaties daadwerkelijk invloed hebben gehad op communicatie in de praktijk en hoe dit in de toets is geïntegreerd of niet, is de stelling van de beroepsinstantie slechts een hypothese. Verzoeker onderstreept dat hij vorig jaar wel geslaagd was op het onderdeel CLEAR en dat de test dus blijkbaar niet betrouwbaar is, als men een intrinsieke niet-cognitieve competentie beoogt te meten, waarop men het ene jaar wel en het andere jaar niet kan slagen. Ten slotte overloopt verzoeker de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing en formuleert hij opmerkingen bij vijf overwegingen van de beroepsinstantie. Hij merkt op, vooral, dat de tijdsgeest is veranderd, dat zijn generatie de eerste “geglobaliseerde generatie” is, waardoor de gehanteerde handboeken of modellen of uitgangspunten van de examencommissie achterhaald IX-10.547-16/20 zijn. Met gender of culturele achtergrond wordt volgens verzoeker niet afdoende rekening gehouden. Beoordeling
  22. Wat de verkeerde opvatting van verzoeker betreft over de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, mag worden verwezen naar hetgeen hiervóór is overwogen. De verwerende partij heeft op de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing in genere geantwoord op de algemene opmerkingen van verzoeker over de validiteit van de CLEAR-toets en de plaats van die toets in het geheel van het toelatingsexamen. Zij heeft vervolgens vraag per vraag de kritiek van verzoeker ontmoet. Zij is niet verplicht, zo lijkt, om nóg uitvoeriger de wetenschappelijke onderbouwing van het toelatingsexamen aan te tonen aan verzoeker om de enkele reden dat hij er enkele vraagtekens bij plaatst en minder nog om de zogenaamde “motieven van de motieven” neer te schrijven. Vooralsnog lijkt het antwoord van de beroepsinstantie te volstaan.
  23. Dat ontzegt verzoeker niet het recht om te pogen het wetenschappelijke karakter van de CLEAR-toets als zodanig te ontkrachten. De bewijslast lijkt evenwel bij verzoeker te liggen: het volstaat niet om iets louter in vraag te stellen of louter te wijzen op de veranderde tijdsgeest of grotere aandacht voor gender en culturele verscheidenheid, om vervolgens van de Raad van State een antwoord te mogen verwachten. De (nog overblijvende) kritieken die verzoeker in de voorliggende vordering herhaalt omdat ze zogezegd door de beroepsinstantie niet zouden zijn behandeld of niet afdoende beantwoord zouden zijn, hangen deels samen met zijn uiteenzetting van het eerste middel of kunnen deels worden beschouwd als loutere eigen beweringen en veronderstellingen die geenszins afdoende concreet onderbouwd zijn, waardoor ze dan ook op het eerste gezicht geen aanleiding kunnen geven tot het schorsen van de bestreden beslissing. In dat verband is het nog nuttig op te merken dat de motivering in zijn geheel moet IX-10.547-17/20 worden bekeken; het gaat immers niet op dat verzoeker onderdelen van deze motivering apart bespreekt en zodoende volledig uit hun context haalt.
  24. Verzoeker gaat eraan voorbij, zo lijkt, dat de verwerende partij wel degelijk rekening houdt met de mogelijkheid dat vragen dubbelzinnig, subjectief of anderszins niet valide kunnen zijn. Net daarom wordt de voorbereiding van de vragen niet overgelaten aan één enkele specialist en wordt naderhand door middel van de itemresponsanalyse nog een controle doorgevoerd, waarbij ook de eventuele opmerkingen van kandidaten tijdens of na het examen worden onderzocht. Voor zover verzoeker nogmaals kritiek geeft op vraag 8 en het erin opgenomen fysieke contact, zij eraan herinnerd dat hij geen belang heeft bij een beoordeling van zijn kritiek op deze vraag. Voor het overige lijkt de beweerd onbeantwoord gebleven algemene kritiek onvoldoende draagkrachtig om thans de validiteit van het examen te ontkrachten. Overigens rijst de vraag naar het belang dat verzoeker heeft bij dit middel in de schorsingsprocedure. Deze procedure is er voor verzoeker op gericht hem een kans te geven zijn studies arts zo spoedig mogelijk te kunnen aanvangen. Mocht hij kunnen aantonen dat de CLEAR-toets niét de goede methode is om de in de Codex Hoger Onderwijs opgenomen doelstelling ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ te beoordelen, dan zou het examen fundamenteel anders moeten worden uitgewerkt en het werkings- en examenreglement moeten worden aangepast. De vraag rijst of dit mogelijk is op de korte termijn die het met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid nagestreefde rechtsherstel impliceert.
  25. In het inleidend verzoekschrift beweert verzoeker dat hij vorig jaar geslaagd was voor het onderdeel CLEAR, maar hij refereert daarbij aan zijn score voor het onderdeel GC dat zowel CLEAR als VAARDIG bevat. Voorts lijken meerdere scenario’s denkbaar waarom een kandidaat van het ene jaar naar IX-10.547-18/20 het andere verschillend presteert op een vergelijkbaar examen. Verzoeker toont alleszins niet aan dat het eenmalig slagen op CLEAR noodzakelijk aantoont dat de kandidaat intrinsiek en permanent verworven competenties heeft. In dat geval overigens zou de decreetgever in een systeem van vrijstellingen of overdracht van punten moeten voorzien, hetgeen hij niet heeft gedaan.
  26. Het tweede middel is niet ernstig. C. Besluit
  27. Geen van beide middelen is ernstig bevonden, zodat de vordering moet worden afgewezen. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt de vordering.
  29. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.547-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.547-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.788 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.