← België

Arrest 260792 - Wegverkeer van goederen - 25/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.792 Rolnummer: A. 238836/IX-10455 Zaak: Arrest 260792 - Wegverkeer van goederen - 25/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-03 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-17 05:15 Fiche Arrest nr 260.792 van 25 september 2024 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.792 van 25 september 2024 in de zaak A. 238.836/IX-10.455 In zake : de BV VANCATRANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Fien Vanoverbeke en Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8830 Hooglede Bruggesteenweg 315 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 9 februari 2023 waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2400 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. IX-10.455-1/17 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni
  3. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fien Vanoverbeke, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Anke Meskens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 9 december 2021 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd do meer dan 5% overschrijdt en dat de massa van het voertuig in beladen toestand de maximaal toegestane maxima overschrijdt. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘decreet Bijzonder Wegtransport’) en op artikel 18, §§ 1 en 2, en artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. 3.
  6. Op 7 april 2022 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2400 euro op te leggen, overeenkomstig artikel 19, § 1, van het decreet Bijzonder Wegtransport. IX-10.455-2/17 3.
  7. Na bezwaar van de verzoekende partij beslist de wegeninspecteur-controleur op 3 oktober 2022 om een administratieve geldboete van 2400 euro op te leggen, waarvan 1400 euro met uitstel. De keuze om een deel van de administratieve geldboete met uitstel op te leggen, wordt in deze beslissing als volgt gemotiveerd: “Verzoekers stellen dat indien hun voorgaande argumentatie ongegrond wordt bevonden, artikel 18 van het decreet 3 mei 2013 dient te worden toegepast. Opdat de gunst van het uitstel kan worden toegestaan, dienen daartoe grondige en geldige elementen aanwezig te zijn of te worden aangereikt door verzoekers. Verzoekers verwijzen naar bovenstaande middelen voor de rechtvaardiging van deze gunst van het uitstel. Verzoekers stellen dat indien dit niet als rechtvaardigingsgrond kan worden aangenomen, er minstens verzachtende omstandigheden moeten worden aangenomen. Verzoekers maken het aannemelijk dat ten tijde van de weging een weegbon werd voorgelegd die een lager totaalgewicht aangaf dan werkelijk het geval was. De boete wordt vastgesteld op 2400 euro, waarvan 1400 euro met uitstel.” 3.
  8. Op 18 oktober 2022 stelt de verzoekende partij tegen de voormelde beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering. Op 9 februari 2023 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2400 euro op te leggen. De beslissing luidt als volgt: “Wettelijke basis Decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport; Besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2021, over de handhaving bij de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport; In feite Bij proces-verbaal met kenmerk KO 93 OE 405005 21 werd op 9 december 2021 te A17 - Brugge, een inbreuk vastgesteld in hoofde van [WL], hierna de chauffeur, op het verbod het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig of een sleep op de openbare weg te begeven waarvan de massa IX-10.455-3/17 onder één van de assen het bij goedkeuring vastgesteld maximum met meer dan vijf procent overschrijdt, zoals ingeschreven in artikel 3, tweede lid, van het decreet; Daarnaast werd er een inbreuk vastgesteld op het verbod zich met een voertuig of een sleep op de openbare weg te bevinden waarvan de massa in beladen toestand het toegestane maximum overschrijdt zoals ingeschreven in artikel 3, eerste lid van het decreet; Het toegestane maximum van de tweede as van de trekker was op het ogenblik van de vaststellingen overschreden met 1.610 kg; Het toegestane maximum van de totale massa van de sleep was op het ogenblik van de vaststellingen overschreden met 1.140 kg; De chauffeur reed, op het ogenblik van de feiten, voor rekening van [de verzoekende partij], hierna de onderneming genoemd; De weging geschiedde aan de hand van een daartoe voorziene asweger, geïnstalleerd door de Vlaamse Overheid, gelegen te A17 - Brugge; De asweger werd door de sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, afdeling Verkeer, Wegsystemen en Telematica op zijn juistheid getest op zie ijkingsdatum PV. Op 24 maart 2022 heeft de procureur des Konings besloten geen strafvervolging in te stellen en het proces-verbaal voor verder gevolg overgemaakt aan de wegeninspecteur-controleur; Op 7 april 2022 heeft de wegeninspecteur-controleur, overeenkomstig artikel 19, § 1 van het decreet de overtreder in kennis gesteld van zijn beslissing om ten gevolge van de inbreuk een administratieve geldboete ten bedrage van 2.400,00 euro op te leggen; Op 11 april 2022 heeft [GG] namens [de verzoekende partij] bezwaar aangetekend tegen deze beslissing; Op 11 april 2022 heeft de wegeninspecteur-controleur de overtreder uitgenodigd op de hoorzitting van 8 september 2022; [FV] en [MW] waren aanwezig op de hoorzitting na bezwaar; Er werd een conclusie en stukken neergelegd; Van de hoorzitting werd een verslag opgesteld. Op 3 oktober 2022 heeft de wegeninspecteur-controleur, overeenkomstig artikel 19, § 2 van het decreet de overtreder in kennis gesteld van zijn beslissing om ten gevolge van de inbreuk een administratieve geldboete ten bedrage van 2.400,00 euro, waarvan 1.400,00 euro met uitstel voor een periode van drie jaar op te leggen; De onderneming werd, overeenkomstig artikel 17, § 5 van het decreet burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete; Op 18 oktober 2022 heeft [FV] beroep aangetekend tegen deze beslissing; Op 18 oktober 2022 werden de chauffeur en de onderneming uitgenodigd op de hoorzitting van 15 december 2022; [FV] was aanwezig op de hoorzitting na beroep; Er werd een conclusie en stukken neergelegd; Van de hoorzitting werd een verslag opgesteld. Tenlastelegging IX-10.455-4/17 De feiten vormen een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet. ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt’; De feiten vormen een inbreuk op artikel 3, eerste lid, van het decreet. ‘Het is verboden zich met een voertuig of een sleep op de openbare weg te bevinden waarvan de massa in beladen toestand het toegestane maximum overschrijdt’; Overeenkomstig artikel 17, § 1 van het decreet is het opleggen van een administratieve geldboete mogelijk; Artikel 17, § 2, gelezen in samenhang met artikel 14 van het decreet bepaalt de minimale administratieve boete op 2.400,00 euro; Ten gronde Nopens de geldigheid van de weging Appellanten betwisten het materieel element van het misdrijf in de zin dat zij van oordeel zijn dat de vaststellingen, die het resultaat zijn van een weging door middel van een asweger, reden geven tot twijfel omtrent de nauwkeurigheid. Appellanten geven aan dat voorafgaand aan het uitgevoerde transport, de transporteenheid werd gewogen op de laadplaats. Het resultaat van de uitgevoerde meting zou geen overlading hebben aangetoond. Het middel is ongegrond om onderstaande redenen: Het aangevoerde attest van de op de laadplek uitgevoerde meting vermeldt een andere nummerplaat dan de gecontroleerde transporteenheid. Uit niets blijkt dus dat het door appellanten voorgelegde meetresultaat verband houdt met het door appellanten uitgevoerde transport. In het proces-verbaal wordt vermeld dat de door de politiediensten gebruikte asdrukweger door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid werd getest. Bovendien werden bij de weging de correctiepercentages toegepast die zijn bepaald door het ministerie van Economische Zaken, Bestuur Kwaliteit en Veiligheid, Afdeling Metrologie, Centrale Ijkdienst. De gebruikte asweger, gelegen langs de E403 te Rumbeke, werd voor het laatst op zijn juistheid getest op 17 november 2021; Het kwaliteitscertificaat en de bijgaande proeven maken deel uit van het dossier en worden in bijlage aan de beslissing na bezwaar gevoegd; De metrologische controle gebeurde minder dan één jaar vóór de vaststelling van de overlading, meer zelfs, ze gebeurde binnen een maand voor de vaststellingen; Dit valt ruim binnen de termijn van één jaar, waarbinnen de metrologische dienst aanraadt om nieuwe proeven uit te voeren; Er werd reeds op 3 oktober 2022 aan appellanten een brevet overgemaakt van de door verbalisant gevolgde opleiding voor het gebruik van de asweger. Ter volledigheid zal dit bewijs ook bij deze beslissing worden gevoegd; Het is bijgevolg niet onredelijk de overlading van het voertuig als bewezen te beschouwen. (cfr. RvS 28 oktober 2010, nr. 208.518, 22 e.v.). Moreel element IX-10.455-5/17 Artikel 2 van het decreet definieert de overtreder als volgt: ‘natuurlijke of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan’; Uit voormeld artikel blijkt dat het de wil van de decreetgever is om een regeling uit te werken waarbij, naast natuurlijke personen, ook rechtspersonen gesanctioneerd kunnen worden wegens het overtreden van de bepalingen van het decreet van 3 mei
  9. (RvS 3 oktober 2011, nr. 215.515 […]; Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor het door zijn aangestelde op zijn bevel of met zijn toelating begane misdrijf (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.); Een rechtspersoon kan evenwel enkel strafrechtelijk verantwoordelijk geacht worden voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd (Art. 5, lid 1 Sw.); In casu bestaat er geen twijfel over het feit dat de chauffeur handelde in naam en voor rekening van de rechtspersoon en het misdrijf aldus voor rekening van de rechtspersoon is gepleegd; Opdat het misdrijf kan worden aangerekend aan de rechtspersoon, moet er niet enkel een intrinsieke band zijn tussen het misdrijf en de rechtspersoon, er moet in hoofde van rechtspersonen ook een moreel element aanwezig zijn (Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1217/1, 5.); Wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals in casu het geval is, bestaat de schuld uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij in casu niet deed (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be). Op de rechtspersoon rust de wettelijke plicht om de nodige en gepaste maatregelen te nemen opdat de chauffeur in zijn dienst, geen hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg bezigt dat overladen is (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.). Het moreel element bestaat in casu dan ook uit het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa’s van voertuigen mogelijk maken (Cass. 17 februari 1997, www.cass.be; Cass. 28 september 1999, www.cass.be.). Gelet op het rechtstreeks verband tussen beschadiging van het wegdek enerzijds en de overlading anderzijds kan worden gesteld dat het nalaten om maatregelen te nemen die de naleving van de geldende regelgeving inzake toegelaten massa’s van voertuigen mogelijk maken, eveneens voor gevolg heeft dat er een inbreuk wordt gepleegd op artikel 3 van het decreet; IX-10.455-6/17 Behoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding (Cass. 8 oktober 2002, www.cass.be.); Appellanten zijn van oordeel dat het moreel element ontbreekt, dit doordat de lading werd verricht door een derde onderneming. Hierbij wordt er verwezen naar ‘eigen richtlijnen van het Agentschap Wegen en Verkeer zelf’. Het middel is ongegrond; Zoals in voorgaand middel reeds werd aangehaald, vermeldt de door appellanten voorgelegde weegbon een ander kentekenbewijs dan de onderschepte transporteenheid. Er wordt geen enkel bewijs voorgelegd waaruit zou blijken dat er vertrouwen kon bestaan over het correcte gewicht van het uitgevoerde transport voorafgaand aan de uitvoering ervan; Appellant verwijst naar artikel 45bis van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Appellant haalt aan dat de lading niet verricht werd door de chauffeur, noch door de transportonderneming. Zij is van mening dat de chauffeur aan alle voorwaarden van voorvernoemd artikel heeft voldaan. Anders dan appellant voorhoudt, houdt het Besluit niet de exclusieve verplichting in in hoofde van de verlader betreffende het respecteren van de MTM en de massa’s onder de assen. Daarnaast handelt het Besluit over de verplichtingen en verantwoordelijkheden inzake ladingzekering. De transporteur blijft verantwoordelijk voor een door hem op de openbare weg in het verkeer gebracht voertuig. Appellant bracht een overladen voertuig in het verkeer en beging daardoor een inbreuk op het decreet. De aangehaalde regelgeving doet immers geen afbreuk aan het gegeven dat ‘het verboden is het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt.’ (Artikel 3, 2e lid van het decreet 3 mei 2013) of dat ‘het verboden is zich op de openbare weg te bevinden met een ander voertuig of een andere sleep dan het vervoer, vermeld in artikel 4 en 7, waarvan de massa in beladen toestand de toegestane maxima overschrijden’ (artikel 3, 1e lid van het decreet 3 mei 2013). Appellant slaagt er niet in om het gegeven dat de lading gebeurde door een derde op een adequate wijze tot de zaak te betrekken. In deze beslissing wordt de beoordeling gemaakt over het handelen en nalaten van de transportonderneming. Zij had maatregelen moeten nemen, waardoor haar chauffeur de transporten in regel kon uitvoeren en er zich geen asoverladingen zouden voordoen. Het feit dat de chauffeur of de onderneming geen inspraak hadden in de manier van laden, doet hieraan geen enkele afbreuk. Wanneer een transport niet door de chauffeur of de eigen firma wordt geladen, dient dit de transporteur tot extra voorzichtigheid aan te manen. IX-10.455-7/17 Gelet op het feit dat de overtreder niet aantoont dat er desondanks toch afdoende maatregelen genomen waren om overladingen te vermijden, moet worden geoordeeld dat verzoekers geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk; De schuld van de overtreder vloeit voort uit zijn kennis van de opdracht van zijn chauffeur om een hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg te brengen (Cass. 12 september 2006, www.cass.be.); Het opzet in hoofde van de overtreder is bewezen; Verzachtende omstandigheden en uitstel Appellanten stellen dat indien hun voorgaande argumentatie ongegrond wordt bevonden, artikel 18 van het decreet 3 mei 2013 dient te worden toegepast. Opdat de gunst van het uitstel kan worden toegestaan, dienen daartoe grondige en geldige elementen aanwezig te zijn of te worden aangereikt door appellant. Appellanten verwijzen naar de hierboven behandelde middelen ter staving voor de rechtvaardiging van deze gunst van het uitstel. Appellanten stellen dat indien dit niet als rechtvaardigingsgrond kan worden aangenomen, er minstens verzachtende omstandigheden moeten worden aangenomen. Appellanten reiken geen elementen aan die verzachtende omstandigheden uitmaken, noch reiken zij elementen aan die de gunst van het uitstel rechtvaardigen. De administratieve geldboete wordt bepaald op het decretaal vastgestelde minimumbedrag, 2400 euro. Beslissing Art.
  10. Het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur d.d. 3 oktober 2022 is ontvankelijk. Art.
  11. [De verzoekende partij] krijgt een administratieve geldboete van 2.400,00 euro opgelegd.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.455-8/17 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  12. Krachtens artikel 6, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: ‘algemeen procedurereglement’) beschikt de verwerende partij, indien het administratief dossier in haar bezit is, over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledige administratief dossier toe te zenden. Artikel 84, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat de termijn waarover de partijen beschikken, ingaat met de dag van ontvangst van het schrijven. Uit artikel 84, § 1, vijfde lid, van hetzelfde reglement volgt dat de datum van het postmerk bewijskracht heeft zowel voor de verzending als voor de ontvangst. 4.
  13. De verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord dat het inleidende verzoekschrift dateert van 6 april 2023 en aan haar betekend werd op 16 mei
  14. Uit de gegevens van het systeem “e-tracker” van bpost blijkt evenwel dat de ter post aangetekende brief van 11 mei 2023 waarmee de verwerende partij in kennis werd gesteld van het verzoekschrift, werd aangeboden aan én in ontvangst genomen door de verwerende partij op 12 mei 2023 om 9.10 uur. De eerste dag van de termijn waarover de verwerende partij beschikte om het administratief dossier en de memorie van antwoord aan de griffie van de Raad van State toe te zenden, was derhalve 13 mei
  15. De zestigste en laatste dag van deze termijn was 11 juli
  16. Uit de poststempel op de omslag waarmee de verwerende partij de memorie van antwoord en het administratief dossier aan de griffie van de Raad IX-10.455-9/17 van State heeft toegezonden, blijkt dat zij de memorie van antwoord en het administratief dossier pas op 13 juli 2023 heeft verzonden. 4.
  17. De verwerende partij diende haar memorie van antwoord en het administratief dossier zodoende niet binnen de gestelde termijn in. Gelet op artikel 21, derde en zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, worden de door de verzoekende partij aangehaalde feiten bijgevolg als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn, en wordt de memorie van antwoord uit het gebat geweerd. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  18. Het enige middel wordt genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht. De verzoekende partij stelt dat de verwerende partij oordeelt dat het moreel element van de inbreuk aanwezig is. Om hiertoe te besluiten moet de verwerende partij nagaan of de nodige maatregelen genomen werden opdat de chauffeur in dienst kan ontdekken dat het bestuurde voertuig overladen is. De verzoekende partij betoogt dat zij in haar beroepschrift aangehaald heeft dat zij afdoende maatregelen neemt om haar bestuurders in staat te stellen te ontdekken dat het bestuurde voertuig overladen is. Zij verwijst hiervoor naar een resem opleidingen die zij voor haar bestuurders organiseert. Deze opleidingen roept de verzoekende partij daarnaast, in ondergeschikte orde, ook in als verzachtende omstandigheid opdat op basis hiervan uitstel van de administratieve boete zou worden toegekend. IX-10.455-10/17 In de bestreden beslissing waarin de argumenten van de verzoekende partij, zowel inzake het moreel bestanddeel als inzake de verzachtende omstandigheden, worden verworpen, wordt volgens de verzoekende partij nergens het door haar aangevoerde gegeven omtrent de opleidingen vernoemd. De verwerende partij had, teneinde aan haar formelemotiveringsplicht te voldoen, het principe moeten toepassen dat de beoordeling van het bestaan van onachtzaamheid gebeurt op basis van de maatregelen die een vervoerder-rechtspersoon neemt om zijn bestuurders in staat te stellen overladingen te ontdekken. De opleidingen die de verzoekende partij haar bestuurders aanbiedt, zijn volgens haar onmiskenbaar zulke maatregelen. Deze opleidingen vormen evenzeer een verzachtende omstandigheid, die een uitstel van de geldboete rechtvaardigt. Hoewel er aldus feitelijke elementen worden aangereikt die een rol spelen in de juridische overweging omtrent het moreel element én die ook onmiskenbaar verzachtend van aard zijn, rept de verwerende partij met geen woord over deze opleidingen in haar beslissing. Het is dus onduidelijk of de verwerende partij deze opleidingen in rekening heeft gebracht bij haar beoordeling. Voor de verzoekende partij is het naar eigen zeggen evenwel van uiterst belang om te weten of deze opleidingen als rechtvaardigend, schulduitsluitend, minstens verzachtend kunnen worden aangemerkt. Een antwoord op de vraag waarom deze opleidingen niet volstaan, zou haar immers op weg kunnen helpen om bijkomende maatregelen te nemen indien deze noodzakelijk zouden zijn. In de bestreden beslissing ontbreekt de noodzakelijke concretisering. Ze is aldus in strijd met de formelemotiveringsplicht. Beoordeling
  19. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplicht het bestuur ertoe in de beslissing zelf de juridische en de feitelijke overwegingen op te nemen die aan een beslissing ten grondslag liggen. Krachtens artikel 3 van deze wet moet die motivering afdoende zijn, dit wil zeggen dat ze de betrokkene in staat moet stellen IX-10.455-11/17 uit te maken op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de beslissing genomen is. De formelemotiveringsplicht moet de beroepsindiener toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot een beslissing hebben geleid. Ze veronderstelt dat de beroepsinstantie in de beslissing na het instellen van het georganiseerd administratief beroep ingaat op de argumenten die dermate wezenlijk zijn dat ze de motieven waarop de beroepen beslissing steunt, ontkrachten of minstens in een ander perspectief plaatsen. De formelemotiveringsplicht reikt evenwel niet zover dat de overheid uitdrukkelijk en puntsgewijze moet antwoorden op élk bezwaar of argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd. Wel is vereist dat uit de motivering van de beslissing blijkt dat deze argumenten daadwerkelijk bij de besluitvorming werden betrokken en waarom de beroepsargumenten in globo niet werden aanvaard. 7.
  20. Wat betreft het moreel bestanddeel van de overladingsinbreuk heeft de verzoekende partij in haar beroepschrift bij het agentschap Wegen en Verkeer de volgende argumenten aangebracht: “De vraag stelt zich of het moreel element der inbreuken, gelet op voormelde inbreuk, voldoende is gekarakteriseerd in hoofde van concluante als rechtspersoon. Concluante kan als rechtspersoon vanzelfsprekend niet bij iedere individuele lading aanwezig zijn. Daarom laat zij haar bestuurders opleidingen, o.a. inzake overlading en hoe deze te vermijden, volgen. (stuk 2) Verder werkt zij samen met verladers die over een weegbrug beschikken en verplicht zij haar bestuurders na lading bij het verlaten van de site om hiervan gebruik te maken. (stuk 1) Zoals [in dit geval] ook is geschied. Dat de overlading [in dit geval] niet werd ontdekt is niet het gevolg van een gebrek aan middelen die de bestuurder ter beschikking stonden, maar vééléér [van] de weegbon die zij van de verlader ontving. In elk geval blijkt dat concluante afdoende maatregelen genomen heeft om overladingsinbreuken te vermijden. IX-10.455-12/17 In dergelijke omstandigheden dient vastgesteld te worden dat het moreel element in hoofde van concluante niet weerhouden kan worden, en dat er met andere woorden er geen administratieve geldboete kon worden opgelegd, zodoende dat de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt.” 7.
  21. Het uitgangspunt van de grief van de verzoekende partij in beroep is gelegen in de omstandigheid dat zij als rechtspersoon niet bij ieder individueel transport aanwezig kan zijn, maar zij niettemin passende maatregelen neemt opdat de chauffeur transporten op een correcte wijze kan uitvoeren en er zich geen asoverladingen kunnen voordoen. Hierbij vermeldt zij het organiseren van opleidingen voor haar chauffeurs, maar legt zij vooral de nadruk op het samenwerken met verladers die beschikken over een weegbrug. Meer bepaald verklaart de verzoekende partij de inbreuk door het gebruik door de bestuurder van de weegbrug en van de weegbon die door de verlader werd afgegeven.
  22. Om aan de formelemotiveringsplicht te voldoen, moet in voorliggend geval uit de motivering blijken dat deze grieven in overweging werden genomen en waarom de door de beroepsindiener verdedigde stelling dat het moreel bestanddeel van het misdrijf ontbreekt in globo niet kan overtuigen. Het volstaat daarbij dat de motivering in haar geheel afdoende is, zonder dat op ieder aspect van de grieven afzonderlijk moet worden geantwoord. Zonder de door de verzoekende partij aangeboden opleidingen uitdrukkelijk te vermelden, wordt in de motivering van de bestreden beslissing verwezen naar de elementen op grond waarvan de beroepsinstantie meent te kunnen besluiten dat het moreel element voorhanden was. Meer bepaald blijkt uit de motivering dat het morele element aanwezig wordt geacht omdat de verzoekende partij onvoldoende maatregelen heeft genomen om de asoverladingsinbreuk te voorkomen. Daarbij wordt verwezen naar het feit dat de door de verzoekende partij voorgelegde weegbon een ander kentekenbewijs vermeldt dan dat van de onderschepte transporteenheid. Daarnaast stelt de bestreden beslissing dat de transporteur verantwoordelijk blijft voor een door hem op de openbare weg in het verkeer gebracht voertuig en dat de verzoekende partij IX-10.455-13/17 er niet in slaagt om het gegeven dat de lading gebeurde door een derde op een adequate wijze tot de zaak te betrekken. De bestreden beslissing maakt duidelijk dat wanneer een transport niet door de chauffeur of de eigen firma wordt geladen, dit de transporteur tot extra voorzichtigheid moet aanmanen, en dat de transportonderneming maatregelen had moeten nemen waardoor haar chauffeur de transporten conform de regels kon uitvoeren en er zich geen asoverladingen zouden voordoen. Dat is niet gebeurd. Met deze motieven verantwoordt de verwerende partij genoegzaam waarom zij meent dat het moreel element van het misdrijf vervuld was. De verwerende partij kon op grond van die overwegingen in de bestreden beslissing wettig tot het besluit komen dat het moreel bestanddeel van de inbreuk in hoofde van de verzoekende partij bewezen is. Zo de verzoekende partij niettemin meent dat aan de geboden opleidingen niet de vereiste aandacht is gegeven, ligt het op haar weg om concreet aannemelijk te maken waarom dat argument dermate zwaarwichtig was dat van de administrateur-generaal verwacht mocht worden dat er een afzonderlijke repliek op zou komen. Dat doet de verzoekende partij alvast niet. Veeleer moet worden vastgesteld dat de aangeboden en gevolgde opleidingen niet eens de kern uitmaken van het argument van de verzoekende partij over het moreel bestanddeel in het beroepschrift, laat staan dat zij in haar beroepschrift aannemelijk maakt dat een dergelijke maatregel zou volstaan om te besluiten dat zij als rechtspersoon alle nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig niet overladen op de openbare weg wordt gebracht.
  23. Wat betreft de verzachtende omstandigheden, heeft de verzoekende partij in haar beroepschrift het volgende aangevoerd: IX-10.455-14/17 “Zelfs indien de administratie voorgaande argumenten ongegrond verklaart, dan nog dient zij een beroep te doen op artikel 18, § 1 van het Decreet Bijzonder Wegtransport: De wegeninspecteur-controleur kan geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Concluante verzoekt dan ook dat de administratieve geldboete ondergeschikt volledig met uitstel wordt opgelegd, waarbij kan verwezen worden naar hetgeen hierboven werd uiteengezet. Zij mocht er namelijk van uitgaan dat de informatie die haar chauffeur van de verlader ontving correct en volledig was en dat haar voertuig dus niet overladen was. (stuk 2) In de mate dat dit niet geldt als rechtvaardigingsgrond, moet het minstens als verzachtende omstandigheid worden aangenomen. Concluante verzoekt dan ook om de administratieve geldboete ondergeschikt vast te stellen op de minimale geldboete waarbij deze volledig met uitstel dient te worden opgelegd, rekening houdend met hetgeen hierboven al werd uiteengezet.”
  24. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in haar verzoekschrift betoogt, blijkt uit dit beroepschrift niet dat zij ten aanzien van de verwerende partij het laten volgen van opleidingen door haar bestuurders als verzachtende omstandigheid heeft ingeroepen. Zelfs indien de verwijzing in het beroepschrift naar “hetgeen hierboven werd uiteengezet” begrepen zou moeten worden als een verwijzing naar de kennis en ervaring van de chauffeurs, blijkt uit de daaropvolgende zin en het gebruik van het woord “namelijk” dat ook hier het centrale argument van de verzoekende partij bestond in het feit dat zij, rekening houdend met de weegbon, ervan mocht uitgaan dat de informatie die haar chauffeur van de verlader ontving correct en volledig was. Daargelaten het feit dat, zoals in herinnering gebracht sub 6, de verwerende partij niet op elk element van de grief afzonderlijk moet antwoorden, maar dat moet blijken dat zij deze elementen bij haar beoordeling in globo heeft betrokken, kan de verwerende partij bijgevolg niet verweten worden dat zij haar beslissing over de verzachtende omstandigheden niet uitdrukkelijk heeft betrokken op het feit dat de chauffeurs van de verzoekende partij opleidingen hebben gevolgd. IX-10.455-15/17
  25. Om aanspraak te kunnen maken op de toepassing van verzachtende omstandigheden – en aldus geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling te verkrijgen – moet de betrokkene overigens in ieder geval voldoende specifieke redenen daartoe aanvoeren. Het uitgangspunt van de regelgeving is niet dat een overtreder hoe dan ook recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden, doch daarentegen dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden toegepast. Het is immers niet de bedoeling geweest van de decreetgever dat de verwerende partij de zware administratieve geldboetes systematisch zou verlagen onder het minimumbedrag bepaald in het decreet. Wanneer de betrokkene verzachtende omstandigheden inroept of erom verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, dient wel uit de motivering te blijken waarom op het verzoek van de betrokkene niet werd ingegaan.
  26. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij vast dat de weegbon, die door de wegeninspecteur wel in aanmerking werd genomen als verzachtende omstandigheid, een ander kentekenbewijs vermeldt dan de onderschepte transporteenheid. Bijgevolg, zo wordt in de bestreden beslissing geoordeeld, ligt er geen bewijs voor dat de chauffeur van de onderschepte vrachtwagen een weegbon kreeg van de verlader met betrekking tot zíjn vrachtwagen die een reglementair gewicht weergaf en op basis waarvan er vertrouwen kon bestaan over het correcte gewicht van het uitgevoerde transport. Er blijkt in die omstandigheden niet dat de verwerende partij niet afdoende acht geslagen zou hebben op het betoog van de verzoekende partij of niet afdoende duidelijk gemaakt zou hebben om welke reden zij aangenomen heeft dat er geen voldoende overtuigende elementen voorlagen als ‘verzachtende omstandigheden’. IX-10.455-16/17
  27. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep.
  29. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.455-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.792 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.