id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.830 Rolnummer: A. 242976/IX-10551 Zaak: Arrest 260830 - Examens (onderwijs) - 27/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-17 05:13 Fiche Arrest nr 260.830 van 27 september 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.830 no lien 278953 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 260.830 van 27 september 2024 in de zaak A. 242.976/IX-10.551 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emily Greenaway kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpensesteenweg 166 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Scoop bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 17 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Scoop van het Gemeenschapsonderwijs van 26 augustus 2024 waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest C wordt toegekend. Verzoekster vraagt tevens aan de Raad van State om met toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een bevel te richten aan “de Beroepscommissie […] om binnen een termijn van vijf dagen na de kennisgeving van het tussen te komen vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het verzoek van [verzoekster] van 4 juli IX-10.551-1/17 2024 tot herziening van de beslissing van de delibererende klassenraad […] van 24 juni 2024”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2024 om 11.30 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, de vader van de verzoekende partij, advocaat Emily Greenaway, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is vanaf het tweede semester van het schooljaar 2023-2024 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad wetenschappen- wiskunde (ASO, doorstroomfinaliteit) in het GO! atheneum te Tervuren, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. IX-10.551-2/17 3.2. Op het einde van het schooljaar laat verzoekster jaartekorten optekenen voor Frans (41%), biologie (41%) en wiskunde (45%). De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De motivering luidt als volgt: “De delibererende klassenraad van 24/06/2024 heeft de studieresultaten, de vaardigheden, de vak -en leerattitudes en alle gekende elementen uit het leerlingendossier van [verzoekster] van klas 5WEWI besproken en stelt vast: 1) Analyse van de studieresultaten: Voor de effectieve resultaten verwijzen we naar het rapport van examen 2 in bijlage. We stellen hierbij vast dat er te grote tekorten zijn voor bepaalde vakken. Deze tekorten situeren zich: - op het vlak van dagelijks/permanent werk wat wijst op onvoldoende inspanningen doorheen het schooljaar voor het vak Frans - op het vlak van examens wat wijst op moeilijkheden met grotere leerstofgehelen voor de vakken biologie, chemie, fysica en wiskunde 2) Opvolging / Remediëring: De begeleidende klassenraad en de vakleerkracht(
- en)hebben gedurende het schooljaar voldoende signalen gegeven. Tijdens de sleutelmomenten in januari en maart werd hierop telkens de nadruk gelegd. Op basis van deze signalen zijn er ook acties geweest die niet hebben geleid tot een bevredigend resultaat. Voor de details verwijzen we naar de vakcommentaren op de verschillende rapporten. Motivering beslissing delibererende klassenraad: Uit het voorgaande leidt de klassenraad af dat de doelstellingen onvoldoende werden bereikt voor de vakken. Ook de voorgestelde remediëringen of acties wijzen er op dat de inspanningen die de school samen met de leerling heeft geleverd niet hebben geleid tot voldoende resultaten bij de leerling. Gelet op het advies mondeling en/of schriftelijk uitgebracht, gelet op alle communicatie die naar aanleiding van de resultaten plaatsvond, rekening houdend met de deliberatienormen en na grondige beraadslaging, komt de klassenraad tot het besluit dat een C attest wordt toegekend, met advies: De klassenraad herhaalt het advies dat we je reeds gaven bij je overstap naar onze school: ga op zoek naar een richting waar je inzet beloond wordt. Bij voorkeur een richting met dubbele finaliteit binnen het studiedomein STEM.” Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. IX-10.551-3/17 Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 26 augustus 2024 bevestigt de beroepscommissie het C- attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “● De leerling zit in het vijfde jaar doorstroom-wiskunde. Zij bekwam een C-attest en wilt een A-attest bekomen. ● De beroepscommissie volgt de argumentatie van de klassenraad en bevestigt de bestreden beslissing van de klassenraad. ● De tekorten op wiskunde en op de wetenschapsvakken zijn te groot (jaartekorten op wiskunde en biologie en 4 examentekorten op examen 2 met uitslagen van 30,4%, 39,8%, 37,1% en 46,8%) om succesvol het zesde jaar in de richting wetenschappen-wiskunde te kunnen aanvatten. ● Ook op Frans is er een jaartekort. ● De leerling kreeg aan het einde van het vierde jaar en bij het intakegesprek in het KAT [reeds] het advies een minder zware richting te volgen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen Vooraf 5. Nu de middelen inhoudelijk bij mekaar lijken aan te sluiten, komt het gepast voor ze samen te beoordelen. IX-10.551-4/17 Uiteenzetting van de middelen 6.1. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de beginselen van zorgvuldigheid en redelijkheid”. Verzoekster vat dit middel als volgt samen: “23. Doordat, de Beroepscommissie, bij het nemen van de Bestreden Beslissing, uitsluitend steunde op [verzoeksters] onvolledige jaarresultaten, die niet representatief zijn voor haar capaciteiten, en waarbij de Beroepscommissie deze resultaten voorts verkeerd interpreteerde en waardeerde; 24. Terwijl, [verzoekster] in haar verzoek aan de Beroepscommissie tot herziening van de beslissing van de delibererende klassenraad talrijke niet-cijfermatige elementen aanhaalde die door de Beroepscommissie niet in overweging werden genomen. Als de Beroepscommissie dat wel had gedaan, zou dit een gecorrigeerd beeld hebben gegeven waaruit blijkt dat [verzoekster], ondanks de vele obstakels waarmee zij geconfronteerd werd, toch het niveau heeft om door te stromen naar het tweede leerjaar van de derde graad, optie Wetenschappen-Wiskunde.” 6.2. Vervolgens licht verzoekster toe dat zij “enkel (beperkte) jaartekorten” had voor wiskunde, biologie en Frans. Zij erkent ook voor twee andere vakken – fysica en chemie – een tekort te hebben behaald voor examen 2. Voor die twee vakken behaalde zij wel een jaarresultaat “gelijk aan of hoger dan 50%”. Zo een jaarresultaat steunt voor 40% op het dagelijks werk en voor 60% op het examen. Het tweede semester weegt voor 60% mee en het eerste semester voor 40%. Voor verzoekster is het moeilijk te begrijpen waarom de beroepscommissie zoveel belang hecht aan de vier tekorten voor de tweede examenperiode. Zij schiet tekort door te steunen op tekorten die niet doorslaggevend zijn voor het eindresultaat. Wat haar tekort voor Frans betreft, wijst verzoekster erop dat dit geen “hoofdvak” is in de door haar gevolgde studierichting. Er is ook geen IX-10.551-5/17 examen voor Frans. Het vak zou daarom “niet hetzelfde gewicht moeten dragen” als de “hoofdvakken” bij de evaluatie. De beroepscommissie gaat volgens verzoekster voorts voorbij aan het feit dat haar jaarresultaten niet representatief zijn voor het evalueren van haar capaciteiten en haar vermogen om succesvol het tweede leerjaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde aan te vatten. Zij is pas in januari 2024 in de school ingeschreven. Er zijn daarom ook alleen resultaten voor het tweede semester. Die resultaten bieden een “onvolledig beeld” en kunnen niet als “uitsluitende basis” dienen om een C-attest op te steunen. Verzoekster betoogt, samenvattend, dat de bestreden beslissing steunt op “een foutieve interpretatie en waardering van [verzoeksters] cijfermatige resultaten behaald in het afgelopen schooljaar” en op “onvolledige cijfermatige resultaten, die niet als representatief kunnen worden aangemerkt”. 6.3. Verzoekster betoogt voorts dat zij in haar beroepschrift heeft gewezen op “een groot aantal niet-cijfermatige omstandigheden in het licht waarvan haar resultaten moeten worden begrepen”, namelijk “het tekort aan leerkrachten op haar vorige school, waardoor zij in een korte periode een grote achterstand diende weg te werken”, “haar [auto-immuunziekte], Hashimoto, waardoor zij regelmatig te kampen heeft met vermoeidheid en concentratieproblemen die het leren bemoeilijken”, “het instromen in de school in januari, waardoor op korte termijn een grote aanpassing in sociale- en leeromstandigheden van [verzoekster] werd verwacht” en “de impact van het verlies van [verzoeksters] vriendinnennetwerk op haar resultaten”. Uit de motivering van de klassenraadbeslissing en de bestreden beslissing blijkt niet dat met die omstandigheden, waarvan verzoekster meent dat ze haar resultaten negatief hebben beïnvloed, rekening werd gehouden. Van een redelijke en zorgvuldige beroepscommissie mag worden verwacht dat zij zich een globaal beeld vormt van het profiel en de capaciteiten van de leerling, “zonder IX-10.551-6/17 zich […] blind te staren op een (onvolledig) aantal resultaten”. Verzoekster vindt het moeilijk te begrijpen dat de beroepscommissie geen onderscheid maakt tussen haar en een gezonde leerling die een heel schooljaar de tijd heeft gehad om zich de leerstof en de evaluatiemethoden eigen te maken. 6.4. Verzoekster voert ook aan dat zij de beroepscommissie erop heeft gewezen dat zij “gedurende deze zomer […] hard [heeft] gewerkt aan de vakken waarin [zij] een tekort had (wiskunde en biologie)” en dat zij “van mening [is] dat [haar] niveau nu voldoende is om het vijfde jaar succesvol af te ronden en door te stromen naar het zesde jaar”. Daarop antwoordt de beroepscommissie niet. Evenmin overweegt zij om verzoekster te laten “herkansen door middel van een herexamen of remediëringsproef”. In de mogelijkheid daartoe is nochtans in het schoolreglement voorzien. Een remediëringsproef kan uitermate nuttig zijn in de omstandigheid dat een leerling bepaalde leerstofonderdelen heeft gemist en de resultaten geen volledig beeld geven. Deze proef had verzoekster in staat gesteld om te bewijzen dat zij klaar is voor de overstap naar het volgende leerjaar. Het is niet te rechtvaardigen, zo betoogt verzoekster, dat de beroepscommissie heeft nagelaten die mogelijkheid te overwegen. 7.1. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster geeft zelf de volgende samenvatting van dit middel: “39. Doordat, de Bestreden Beslissing nalaat de omstandigheden en argumenten aangebracht door [verzoekster] en haar vader in overweging te nemen en uit de Bestreden Beslissing slechts vier summier ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.830 IX-10.551-7/17 geformuleerde gronden kunnen worden afgeleid waarop de afwijzing van [verzoeksters] verzoek [tot] herziening van het haar aangeleverde C attest mogelijk berust, 40. Terwijl, de formele en materiële motiveringsplicht vereist dat de Beroepscommissie in haar motivering van de Bestreden Beslissing aangeeft dat het de door de leerling aangevoerde argumenten heeft onderzocht, en desgevallend waarom de door de leerling aangebrachte argumenten haar niet konden overtuigen. Bovendien is de gebrekkige motivering van de Bestreden Beslissing het resultaat van de onzorgvuldige [behandeling] door de Beroepscommissie van [verzoeksters] verzoek tot herziening van de beslissing van de delibererende klassenraad.” 7.2. Verzoekster licht vervolgens toe dat zij in de bestreden beslissing “slechts vier, summier geformuleerde” motieven leest en dat de beroepscommissie zich voor het overige aansluit bij de argumenten van de klassenraad. Voor verzoekster is het niet duidelijk waarom de beroepscommissie dezelfde waarde hecht aan Frans – een “niet-hoofdvak” waarvoor zij “geen examen hoefde af te leggen” – als aan de hoofdvakken waarvoor zij wel geslaagd is. Evenmin is het voor haar duidelijk waarom de beroepscommissie “veel nadruk legt op de tekorten voor Examen 2 in de vakken Fysica en Chemie”, terwijl verzoekster ook voor deze vakken geslaagd is. Voorts is de beroepscommissie niet ingegaan op de argumenten en “niet-cijfermatige omstandigheden” die verzoekster in haar bezwaar heeft aangebracht. De motieven van de bestreden beslissing stellen verzoekster niet in staat om na te gaan of de beroepscommissie deze elementen bij haar besluitvorming heeft betrokken. Waarom ze de beroepscommissie niet konden overtuigen, blijkt evenmin. Beoordeling IX-10.551-8/17 8. Aan verzoekster is een C-attest toegekend, wat betekent dat zij het betrokken leerjaar “niet met vrucht heeft beëindigd” (artikel 70, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’). Die beslissing steunt op het eerste gezicht wezenlijk op de jaartekorten voor wiskunde, biologie en Frans en de tekorten voor de examens voor wiskunde en de wetenschapsvakken. 9. In beginsel ligt de motivering van het al dan niet slagen van een leerling besloten in de behaalde punten. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht immers, wordt aangenomen dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de leerplandoelen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Aangenomen wordt bijgevolg dat het voor elk IX-10.551-9/17 opleidingsonderdeel ordentelijk toegekende jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen – zowel tijdens dagelijks werk, tijdens een eventuele permanente evaluatie als tijdens de eventuele examenperiodes – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod zijn gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer. Daaruit volgt, in principe, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Daaruit volgt, ook weer in principe, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen ook niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort volstaat dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling. 10.1. In de voorliggende zaak betwist verzoekster evenwel de wijze waarop de beroepscommissie haar resultaten heeft geïnterpreteerd en gewaardeerd. 10.2. Verzoekster lijkt niet te kunnen worden bijgevallen waar zij aanvoert dat haar drie jaartekorten “beperkt” zijn. Voor wiskunde scoorde verzoekster 45%, voor biologie en Frans telkens 41%. Op het eerste gezicht is het niet van iedere redelijkheid ontdaan om, zoals de beroepscommissie doet, die tekorten zelfs “groot” te noemen – de commissie vindt ze zelfs “te groot” “om succesvol het zesde jaar in de richting wetenschappen-wiskunde te kunnen aanvatten”. IX-10.551-10/17 In die mate faalt de kritiek van verzoekster, zo lijkt. 10.3. Voorts neemt verzoekster er aanstoot aan dat de beroepscommissie verwijst naar de examentekorten voor chemie en fysica, terwijl zij voor die vakken wel een jaarresultaat van “minstens 50%” kan voorleggen. Verzoekster behaalde inderdaad voor chemie een jaarcijfer van 52% en voor fysica scoorde zij 50%. Slaagcijfers vermogen prima facie niet uit zichzelf een beslissing te funderen dat een leerling het schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd. Dat lijkt evenwel niet bij voorbaat uit te sluiten dat een klassenraad of beroepscommissie vaststellingen over de prestaties van een leerling bij deelaspecten van het bedoelde vak betrekt ter ondersteuning of aanvulling van elders vastgestelde tekorten. Dat is wat de klassenraad – en ná hem, door de bevestiging, de beroepscommissie – heeft gedaan, zo lijkt. De klassenraad benadrukt immers dat de tekorten op de examens “[wijzen] op moeilijkheden met grotere leerstofgehelen voor de vakken biologie, chemie, fysica en wiskunde”. Daarmee toont hij – en bijgevolg ook de beroepscommissie – prima facie op afdoende wijze de relevantie van de gedane vaststellingen aan. Van een schending van de formelemotiveringsplicht lijkt, gelet op de aangehaalde beoordeling, evenmin sprake te zijn. Ook in die mate zijn de middelen niet ernstig. 10.4. Dat Frans “geen hoofdvak” is en dat verzoekster daarover “geen examen” heeft afgelegd, lijkt de wettigheid van de bestreden beslissing niet aan te tasten. Waarom de beroepscommissie niet uitdrukkelijk mag refereren aan ándere dan profielbepalende vakken, maakt verzoekster op het eerste gezicht IX-10.551-11/17 niet duidelijk en is nog minder evident zichtbaar. Het lijkt namelijk tot de wezenlijke taak van een beroepscommissie te behoren om bij haar beoordeling álle elementen van het leerlingendossier in ogenschouw te nemen. Daargelaten of verzoeksters argument dat aan Frans “niet hetzelfde gewicht” mag worden toegekend als aan de “hoofdvakken” steek houdt, lijkt zij zelfs niet eens aan te tonen dat de beroepscommissie zulks heeft gedaan. Dat de voortgang van verzoekster voor Frans – trouwens net als voor onder meer de andere taalvakken – wordt beoordeeld door middel van een permanente evaluatie, kan in de huidige stand van de procedure evenmin tot de schending van de door haar aangevoerde beginselen doen besluiten. Alleszins lijkt verzoekster niet inzichtelijk te maken hoe en waarom de keuze van de school voor een bepaald evaluatiesysteem – wat tot de pedagogische vrijheid van de onderwijsinstelling behoort – de door de leerling behaalde resultaten voor dat vak minder relevant zou maken. In die mate zijn de middelen niet ernstig. 10.5. Voor zover verzoekster betoogt dat de jaarresultaten slechts cijfers omvatten voor het tweede semester van het schooljaar en om die reden niet representatief zijn – ze zouden een “onvolledig beeld” inhouden van haar capaciteiten en vermogen om het volgende leerjaar met succes aan te vatten – kan de Raad van State haar op het eerste gezicht evenmin bijvallen. Verzoekster lijkt aldus de indruk te wekken dat de klassenraad op het einde van het schooljaar en de beroepscommissie bij de behandeling van haar bezwaar, niet over alle nuttige gegevens beschikten om over haar al dan niet slagen oordeelkundig te beslissen. Alsdan ligt het in de lijn der verwachtingen, zo lijkt, dat de leerling zelf erop aandringt de evaluatiebeslissing uit te stellen en één of meer bijkomende proeven op te leggen, teneinde aan het euvel dat zij ziet, te verhelpen. In deze zaak moet prima facie evenwel worden vastgesteld dat IX-10.551-12/17 verzoekster zulks niet van de beroepscommissie heeft verlangd. Immers, in fine van haar beroepschrift heeft zij, “gezien de zeer kleine achterstand van ongeveer 5 en 9 procent”, gevraagd “om verandering en het verstrekken van een A-attest”. In die omstandigheden kan zij op het eerste gezicht thans, in de procedure voor de Raad van State, niet zomaar het geweer van schouder veranderen en de beroepscommissie verwijten van niet-representatieve cijfers te zijn uitgegaan. Wie nalaat de beroepscommissie op gemotiveerde wijze om bijkomende proeven te vragen, lijkt achteraf die beroepscommissie niet te kunnen verwijten dat zij in de beslissing niet uitschrijft of zij het opleggen van zulke proeven uitdrukkelijk onder ogen heeft genomen. Ook in die mate zijn de middelen niet ernstig. 11.1. Hetzelfde geldt, zo lijkt, voor het “groot aantal niet-cijfermatige omstandigheden in het licht waarvan haar resultaten moeten worden begrepen”. 11.2. Verzoekster haalt aan dat “het tekort aan leerkrachten op haar vorige school” heeft gemaakt dat zij “in een korte periode een grote achterstand diende weg te werken”, dat zij door haar auto-immuunziekte “regelmatig te kampen heeft met vermoeidheid en concentratieproblemen die het leren bemoeilijken”, dat zij pas in januari in de school van de verwerende partij is gestart en daardoor “op korte termijn een grote aanpassing in sociale- en leeromstandigheden” heeft moeten ondergaan en dat het “verlies van [haar] vriendinnennetwerk” een invloed heeft gehad op haar resultaten. Daarmee geeft verzoekster wel een verklaring waarom haar punten zijn wat ze zijn, maar lijkt zij niet aannemelijk te maken dat de klassenraad en de beroepscommissie niet vermochten van die cijfers uit te gaan. Zij toont immers op het eerste gezicht niet aan dat op grond van de door haar aangevoerde elementen, van de weeromstuit, haar punten rooskleuriger zijn of aldus moeten worden ingeschat. IX-10.551-13/17 11.3. Noch het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een overheidsbeslissing op objectief aanneembare redenen gegrond moet zijn die hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier moeten blijken, noch de formelemotiveringswet legt aan het bestuur de verplichting op alle grieven of middelen van verdediging opgeworpen door de betrokkene stuk voor stuk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de beslissing zelf de motieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen. Waar, zoals te dezen, de regelgeving in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet de indiener van het beroep wel erop kunnen rekenen dat haar beroepschrift door de beroepscommissie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waartegen beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepscommissie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepscommissie mag immers worden verwacht, zo lijkt, dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij haar aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom haar beroep wordt verworpen. Evenwel neemt de Raad ook aan dat een leerling slechts een uitdrukkelijke repliek mag verwachten op de vragen die voor haar blijkens haar beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Zoals gezien, maakt verzoekster op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de argumenten die zij de beroepscommissie voor de voeten heeft geworpen, van aard zijn om haar punten in gunstige zin bij te stellen. Kritiek die op het vlak van de resultaten geen onmiddellijk voordeel oplevert, behoeft prima IX-10.551-14/17 facie geen afzonderlijk en uitdrukkelijk antwoord van de beroepscommissie. 11.4. Hoogstens lijken deze elementen van aard om de beroepscommissie ertoe te bewegen verzoekster de kans te geven door middel van bijkomende proeven haar kennis en kunde voor de vakken die als problematisch worden beschouwd in het licht van de overgang naar het volgende leerjaar, alsnog te bewijzen. Zoals gezien, was dat niet wat verzoekster aan de beroepscommissie heeft gevraagd. Ook maakt verzoekster niet aannemelijk dat haar situatie dermate evident is, dat ze ook zonder uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek in die zin de beroepscommissie binnen haar beoordelingsvrijheid geen andere keuze liet dan tot het opleggen van bijkomende proeven te besluiten. 11.5. In die mate zijn de middelen niet ernstig. 12. Naar aanleiding van de uitnodiging voor de hoorzitting door de beroepscommissie heeft verzoekster in een brief aan de voorzitter van de commissie het volgende meegedeeld: “Gedurende deze zomer heb ik hard gewerkt aan de vakken waarin ik een tekort had (wiskunde en biologie). Ik ben van mening dat mijn niveau nu voldoende is om het vijfde jaar succesvol af te ronden en door te stromen naar het zesde jaar. Ik ben er zelfs van overtuigd dat het overdoen van het vijfde jaar niet alleen weinig effectief zal zijn, maar mogelijk een negatief effect op mijn ontwikkeling zal hebben.” Daargelaten dat verzoekster het jaartekort voor Frans uit het oog lijkt te verliezen, betwist verzoekster op het eerste gezicht niet de representativiteit van haar cijfers. Hoe anders kan zij verklaren “deze zomer […] hard [te hebben] gewerkt”, waardoor haar niveau “nu” voldoende is? Van een doorslaggevend bewijs van het resultaat van dit harde werken en haar huidige niveau – inzonderheid een slagen bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs – is prima facie geen spoor. IX-10.551-15/17 In de huidige stand van de procedure merkt de Raad voorts op dat verzoekster opvallend niet vraagt om één of meerdere bijkomende proeven of remediëringsproeven opgelegd te krijgen. Waarover zij geen vragen stelt aan de beroepscommissie, mag zij op het eerste gezicht ook geen uitdrukkelijk antwoord van haar verwachten. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt dit in die omstandigheden evenmin te getuigen. Ook in die mate zijn de middelen niet ernstig. 13. De middelen zijn in hun geheel niet ernstig. Er is derhalve niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Bevel met toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State 14. Verzoekster vraagt de Raad van State tot slot om met toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een bevel te richten aan de beroepscommissie “om binnen een termijn van vijf dagen na de kennisgeving van het tussen te komen vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het verzoek van [verzoekster] van 4 juli 2024 tot herziening van de beslissing van de delibererende klassenraad […] van 24 juni 2024”. 15. Over dit verzoek mag thans nog geen uitspraak volgen, aangezien het in artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde bevel slechts kan worden opgelegd in of na een arrest waarin de nietigverklaring werd uitgesproken. IX-10.551-16/17 16. Haar vraag tot “[h]et opleggen van een dwangsom” – een bedrag of de daaraan te koppelen voorwaarden worden niet gespecificeerd – is in die omstandigheden hoe dan ook voorbarig. Immers, zulks veronderstelt naar luid van artikel 36, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State reeds een nietigverklaring én een bevel in de zin van artikel 36, § 1, van dezelfde wetten, evenals het niet-nakomen van dat bevel. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.551-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.830 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div