← België

Arrest 260835 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 30/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 Rolnummer: A. 235327/XII-9537 Zaak: Arrest 260835 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-17 05:04 Fiche Arrest nr 260.835 van 30 september 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 no lien 279039 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 260.835 van 30 september 2024 in de zaak A. 235.327/XII-9537 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64 bus 2021 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 december 2021, strekt tot de nietig-verklaring van

  1. i)het voornemen van het agentschap Opgroeien regie (hierna: het agentschap) van 12 mei 2021 tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts en van
  2. ii)het besluit van het agentschap van 18 juni 2021 tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 253.808 van 19 mei 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9537-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij j, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 253.808 van 19 mei 2022. Er wordt naar verwezen. XII-9537-2/15 V. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione materiae wat de eerste bestreden beslissing betreft Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie 4. In het tussenarrest nr. nr. 253.808 van 19 mei 2022 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over de ontvankelijkheid van de vordering ,wat de eerste bestreden beslissing betreft, voorlopig als volgt geoordeeld: “De beslissing van 12 mei 2021 betreffende het voornemen tot opheffing van de erkenning als consultatiebureauarts vermeldt de bezwaar/beroepsmogelijkheden. Verzoekster kon overeenkomstig artikel 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018) binnen de dertig dagen bezwaar aantekenen bij de administrateur-generaal van Opgroeien Regie. Verzoekster heeft het administratief beroep niet uitgeput. Er kan echter enkel tegen een in laatste aanleg genomen beslissing een beroep tot nietigverklaring worden ingediend. Bovendien vermeldt artikel 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 dat indien er geen bezwaar wordt ingediend binnen de termijn het voornemen tot opheffing wordt omgezet in een beslissing tot opheffing van de erkenning. De vordering is niet ontvankelijk met betrekking tot de eerste bestreden beslissing.” Beoordeling 5. Verzoekster is in de memorie van wederantwoord niet ingegaan op deze ambtshave exceptie. Het auditoraat valt in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring het tussenarrest bij en bevindt het beroep niet ontvankelijk wat de eerste bestreden beslissing betreft. Verzoekster is evenmin ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. Aldus heeft verzoekster niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. XII-9537-3/15 6. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het beroep gericht tegen de eerste bestreden beslissing thans niet ontvankelijk te bevinden. Conclusie 7. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk voor wat de eerste bestreden beslissing betreft. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het enig middel 8. Verzoekster voert in een eerste (lees: enig) middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 78 en 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 ‘houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), alsook van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel. Verzoekster laat gelden dat zowel het voornemen tot opheffing als de eigenlijke opheffing eensdeels zijn gestoeld op foutieve feitelijke vaststellingen en anderdeels zijn gestoeld op inbreuken op de erkennings-voorwaarden en -voorschriften die op korte termijn kunnen worden weggewerkt, terwijl overeenkomstig de artikelen 78 en 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 alleen maar een voornemen tot opheffing kan worden geformuleerd, en desgevallend alleen maar tot opheffing worden overgegaan, wanneer er sprake is van een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften die niet op korte termijn kan weggewerkt worden. XII-9537-4/15 In de toelichting bij het middel wijst verzoekster er vooreerst op dat op 14 april 2021 een gesprek plaatsvond met de verwerende partij naar aanleiding van een op die dag ontvangen melding die betrekking had op feiten die zich zouden hebben voorgedaan op 12 april 2021 in het consultatiebureau en dat op dezelfde dag de verwerende partij besloot om, op basis van de gedane melding en het gesprek van 14 april 2021, haar erkenning als consultatiebureauarts te schorsen. Dienaangaande laat verzoekster gelden dat overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018, het in geval van schorsing, ook in het geval van schorsing bij dringende noodzakelijkheid, aan de verwerende partij toekomt om zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen een beslissing te nemen over de effectieve erkenning. Deze beslissing kan inhouden dat de schorsing wordt opgeheven, in voorkomend geval mits naleving van gemaakte afspraken, dan wel dat het voornemen wordt geformuleerd om over te gaan tot opheffing van de erkenning. Het is pas op 12 mei 2021, en volgens verzoekster aldus ruimschoots buiten de door de wetgeving vooropgestelde termijn van vijf werkdagen, dat de verwerende partij zich voornam om over te gaan tot opheffing van de erkenning, zodat alleen al omwille van deze termijnoverschrijding dient te worden geoordeeld dat het voornemen tot opheffing en het daarop gebaseerde besluit waarmee de erkenning werd opgeheven, onwettig zijn. Voorts laat verzoekster gelden dat overeenkomstig artikel 79, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 de verwerende partij slechts in een limitatief aantal gevallen een voornemen tot opheffing van de erkenning kon formuleren, met name indien volgens verzoekster
  3. i)een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften niet op korte termijn kan worden weggewerkt;
  4. ii)een inbreuk die aan de basis lag van een schorsing niet is weggewerkt binnen de termijn bepaald in de schorsingsbeslissing en iii) de consultatiebureauarts op basis van onjuiste gegevens een erkenning heeft verkregen. Verzoekster benadrukt dat in het besluit van 14 april 2021 waarmee werd overgegaan tot schorsing van de erkenning geenszins een termijn werd bepaald waarbinnen een inbreuk moest worden weggewerkt, noch was er sprake van een schorsing omdat de verzoekster op basis van onjuiste gegevens haar erkenning als consultatiebureauarts zou hebben gekregen. Het voornemen tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-5/15 opheffing kon volgens verzoekster te dezen dan ook alleen maar geformuleerd worden indien een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften niet op korte termijn kon worden weggewerkt. Verzoekster wijst er vervolgens op dat in het voornemen tot opheffing de volgende inbreuken op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften werden vermeld: “Inbreuk op artikel 69, 1° van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 12 oktober 2018 Verwerende partij meent dat verzoekende partij de opdrachten in het medisch preventief of prenataal consultaanbod niet conform de wetenschappelijke aanbevelingen en bevindingen vervult. Op basis van vermeende objectief vastgestelde feiten kon worden vastgesteld dat verzoekende partij als consultatiebureauarts met zekerheid vaccinspuiten had toegediend waarbij er nog residu in de spuit zat. Verwerende partij stelt dat verzoekende partij dit steeds betwist zou hebben, dat ze dit ook na confrontatie met het beeldmateriaal bleef ontkennen en dat ze niet aangaf haar vaccinatieaanpak bij te zullen sturen en een extra controle uit te voeren. Inbreuk op artikel 69, 3° van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 12 oktober 2018 Verwerende partij meent dat verzoekende partij bij de uitvoering van haar opdracht onvoldoende de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap in acht neemt. Zo zou verzoekende partij in concreto bij een consult niet systematisch een voorschrift voor het vaccin tegen het Rota virus meegeven daar waar dit volgens de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap wel zou moeten gebeuren. Verzoekende partij zou hier herhaaldelijk op zijn aangesproken maar zou steeds geweigerd hebben haar aanpak bij te sturen. Ook zou verzoekende partij volgens verwerende partij onvoldoende open staan voor feedback, zelfinzicht en op basis van zelfevaluatie en de feedback een werkwijze bijsturen. Met betrekking tot de spuiten zou verzoekende partij onvoldoende zelfinzicht hebben en ook met betrekking tot het voorschrift voor het vaccin voor het Rota virus zou verzoekende partij niet de nodige stappen zetten. - Inbreuk op artikel 71, 5° van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 12 oktober 2018 Verwerende partij meent dat verzoekende partij gemaakte afspraken met de verpleegkundigen en andere erkende consultatiebureauartsen niet naleeft.” en dat werd besloten: “Gelet op de hoger vermelde vaststellinge[n] is het vertrouwen van Opgroeien Regie in de consultatiebureauarts ernstig geschonden. Opgroeien regie moet er echter op kunnen vertrouwen dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-6/15 consultatie-bureauarts de erkenningsvoorschriften naleven. Opgroeien regie moet er nog meer op kunnen vertrouwen dat als er vaststellinge[n] zijn dat bepaalde erkenningsvoorschriften niet of niet volledig nageleefd worden, dat na dialoog hierover de consultatiebureauarts de werking bijstuurt. Op basis van de vaststellingen en de reactie van de consultatiebureauarts tijdens het gesprek van 19 april 2021 en via mail op 7 mei 2021 stelt Opgroeien regie echter vast dat de consultatiebureauarts met betrekking tot de vastgestelde inbreuken de werking niet voldoende zal bijsturen, waardoor het aanhouden van de erkenning onmogelijk is.” Vervolgens voert verzoekster aan dat nu zij niet binnen de dertig kalenderdagen een bezwaar had ingediend, het voornemen tot opheffing van de erkenning in toepassing van artikel 79, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018, op 18 juni 2021 werd omgezet in een beslissing tot opheffing van de erkenning als consultatiebureauarts, terwijl volgens haar op basis van de ten laste gelegde inbreuken in het voornemen tot opheffing er niet kon worden besloten tot het voorhanden zijn van inbreuken op de erkennings-voorwaarden en -voorschriften die niet op korte termijn konden worden weggewerkt en op grond waarvan men kon overgaan tot opheffing van de erkenning. De eerste inbreuk betreft een inbreuk op artikel 69, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018, waarbij het op basis van objectief vastgestelde feiten met zekerheid zou vaststaan dat verzoekster spuiten heeft toegediend waarbij nog residu in de spuit achterbleef. Verzoekster benadrukt dienaangaande dat het niet correct is dat zij vaccins niet volledig zou hebben toegediend en dus nog een residu in de spuiten achterliet. In tegenstelling tot wat wordt gesteld in het voornemen tot opheffing is het volgens haar eveneens foutief te stellen dat zij geen argumenten zou hebben aangedragen tegen het beeld-materiaal, met name de foto's die werden gemaakt van de naaldcontainer uit het consultatiebureau die zouden aantonen dat er zich in de container spuiten bevonden met residu. Verzoekster beklemtoont tijdens het gesprek duidelijk te hebben aangegeven dat de naaldcontainer in het consultatiebureau niet leeg was op het ogenblik dat zij aan haar raadpleging begon op 12 april 2021 en dat er op de foto's die haar getoond werden meer Nimerickx-vaccinspuiten te zien waren dan zij er gegeven had. Tevens laat verzoekster gelden dat er op de foto's spuiten te zien XII-9537-7/15 waren die zelfs niet in het vaccinatieschema van Kind en Gezin zijn opgenomen en dat de spuiten die een residu zouden bevatten niet door haar werden gegeven. Verzoekster zet vervolgens op uitgebreide wijze uiteen waarom volgens haar zowel de wijze waarop de spuiten uit de container werden gehaald als het beeldmateriaal onbetrouwbaar zijn en besluit dat er geen enkel bewijs voorhanden is waarmee wordt aangetoond dat zij als consultatiearts op niet-correcte wijze vaccins zou hebben toegediend door een residu in de vaccinspuiten achter te laten. De tweede inbreuk betreft een inbreuk op artikel 69, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018. Verzoekster zou bij een consultatie op vier weken niet systematisch een voorschrift voor een rotavirus-vaccinatie hebben meegegeven met de ouders daar waar dit volgens de inhoudelijke en methodologische doelstellingen van de verwerende partij wel zou moeten gebeuren en niettegenstaande zij hierover herhaaldelijk zou zijn op aangesproken, zou zij steeds hebben geweigerd haar aanpak bij te sturen. Evenmin zou verzoekster volgens de verwerende partij voldoende open staan voor feedback, zelfinzicht en het bijsturen van haar werkwijze op basis van zelfevaluatie en de feedback . Met betrekking tot de spuiten zou verzoekster onvoldoende zelfinzicht hebben en ook met betrekking tot het voorschrift voor het vaccin voor het rotavirus zou zij niet de nodige stappen zetten. Dienaangaande geeft verzoekster toe dat zij mogelijk tussen het artsenoverleg van 25 november 2020 en dat van 25 januari 2021 niet altijd systematisch de voorschriften heeft meegegeven, maar dat zij nooit heeft aangegeven niet bereid te zijn om zich te schikken naar de richtlijnen dat beide voorschriften systematisch moeten worden meegegeven tijdens het vierwekenconsult. Bijgevolg is er volgens verzoekster dan ook geen sprake van een inbreuk, laat staan een inbreuk waarvan het inderdaad vaststaat dat deze niet op korte termijn kan worden weggewerkt en die aldus kan leiden tot de opheffing van de erkenning. De derde inbreuk betreft een inbreuk op artikel 71, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018. Verzoekster zou gemaakte afspraken met de verpleegkundigen en andere erkende consultatiebureauartsen niet hebben nageleefd en niettegenstaande verpleegkundigen haar zouden hebben aangesproken over haar aanpak m.b.t. de voorschriften voor het rotavirusvaccin ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-8/15 met de vraag om die bij te sturen, zou zij daaraan geen gevolg hebben gegeven. Dit wordt formeel betwist door verzoekster. Zij benadrukt dienaangaande dat zij hierop nooit werd aangesproken door de verpleegkundigen, evenmin ligt volgens haar enig schriftelijk stuk voor waaruit dit probleem en het feit dat het haar zou zijn gemeld, blijkt. Volgens verzoekster is er derhalve evenmin sprake van een inbreuk, laat staan een inbreuk waarvan het vaststaat dat deze niet op korte termijn weggewerkt kan worden en die aldus kan leiden tot de opheffing van de erkenning. 9. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster vooreerst dat er wel degelijk sprake is van een termijnoverschrijding overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 en dat gelet op de termijnoverschrijding zal moeten worden geoordeeld dat het voornemen tot opheffing en het daarop gebaseerde besluit waarmee de erkenning werd opgeheven, onwettig zijn. Tevens laat zij andermaal gelden dat er geenszins sprake was van inbreuken op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften die niet op korte termijn konden worden weggewerkt en op grond waarvan men kon overgaan tot opheffing van de erkenning en dat dit in elk geval niet afdoende werd gemotiveerd. Voor wat de ten laste gelegde inbreuken betreft, verwijst verzoekster naar de uiteenzetting die dienaangaande werd opgenomen in het verzoekschrift en volhardt hierin. In aanvulling daarop benadrukt zij, voor wat betreft de eerste inbreuk, dat er doorgaans wordt verwezen naar 38 spuiten met een residu, doch er geen 38 foto’s voorhanden zijn waaruit dit blijkt en dat evenmin uit de foto’s blijkt dat er 38 spuiten waren met een residu. Het bewijs is ter zake volgens verzoekster uitermate gebrekkig zodat het onzorgvuldig dan wel kennelijk onredelijk was van de verwerende partij om zich daarop te baseren voor haar beslissing. Voor wat de tweede inbreuk betreft, wenst verzoekster nog op te merken dat de werkwijze voor het meegeven van het tweede voorschrift enkel gold voor het consultatiebureau gelegen aan de T., nu voor dat bureau specifiek overleg is geweest over het rotavirusvaccin. Verzoekster benadrukt dienaangaande dat in november was afgesproken dat het eerste voorschrift moest worden meegegeven na vier weken en het tweede na acht weken, zodat zij er vanuit ging dat dit enkel gold voor de specifieke bevolking die het consultatiebureau aan de T. bezocht en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-9/15 dat voor de andere consultatiebureaus het oude regime zou gelden dat van kracht was sedert 2006 toen de Hoge Gezondheidsraad besliste om dit vaccin mee op te nemen in het vaccinatieschema. Temeer nu op de vergaderingen van de andere consultatiebureaus nooit werd meegedeeld dat ook daar de procedure werd aangepast. Tot slot laat verzoekster, voor wat de derde inbreuk betreft, nog gelden dat er geen duidelijke manier van communiceren was en dat er richtlijnen werden gegeven voor één van de consultatiebureaus zonder dat duidelijk was dat deze richtlijnen ook voor de andere bureaus golden. Zij wijst erop dat er artsen zijn die aan meerdere consultatiebureaus verbonden zijn, zodat zij er niet van op de hoogte waren dat de werkwijze veranderd was en dat zij ervan uitging dat de werkwijze enkel gold voor de het consultatiebureau gelegen aan de T. 10. In haar laatste memorie verwijst verzoekster vooreerst naar hetgeen ter zake werd uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, wat zij beschouwt als zijnde herhaald en waarin zij volhardt. In repliek op het auditoraatsverslag benadrukt verzoekster in essentie dat gezien het feit dat er spuiten van verschillende collega-artsen in de container lagen, het niet onwaarschijnlijk is dat bij het verplaatsen van de container deze spuiten door elkaar zijn gehaald, en dat spuiten die bovenin de container lagen dieper zijn gezakt, in weerwil van het argument van de verwerende partij dat de spuiten bovenaan horen te zijn van de arts die als laatste zitting had, wat geenszins correct is. Voor wat betreft de in de bestreden beslissing ten laste gelegde inbreuk op artikel 69, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 (dit is de tweede inbreuk), met name dat verzoekster bij een consultatie op vier weken niet systematisch een voorschrift voor het rotavirusvaccin zou hebben meegegeven met de ouders daar waar dit volgens de inhoudelijke en methodische doelstellingen van de verwerende partij wel zou moeten gebeuren, brengt verzoekster nog verslagen van artsenoverleggen uit die periode, die aantonen dat er van een dergelijke instructie of richtlijn nooit sprake is geweest, laat staan dat zij daarover door enige verpleegkundige of collega-arts ooit werd aangesproken. XII-9537-10/15 Beoordeling 11. In het tussenarrest nr. 253.808 van 19 mei 2022 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over het enig middel voorlopig als volgt geoordeeld: “7. Artikel 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 luidt: ‘Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de erkenning te schorsen: 1°als een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften op korte termijn weggewerkt kan worden; 2°uit voorzorg, als er ernstige indicaties zijn dat er een inbreuk is op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften en dat daardoor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers en medewerkers van het agentschap en de medewerkers van de organisator in het gedrang komen, of bij dringende noodzakelijkheid; 3°als de consultatiebureauarts de opvolging van de naleving van de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften bemoeilijkt of verhindert. Het agentschap hoort zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen de consultatiebureauarts en neemt op basis daarvan een beslissing over de erkenning. De beslissing heeft betrekking op: 1°het opheffen van de schorsing, in voorkomend geval met naleving van de gemaakte afspraken met het oog op de naleving van de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften; 2°het voornemen tot opheffing van de erkenning, vermeld in artikel 79. Het agentschap brengt de consultatiebureauarts met een aangetekende brief op de hoogte van de beslissing, vermeld in het tweede lid’. 8.De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking mogen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt voor het bestuur de verplichting in om zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te steunen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zowel bij de voorbereiding van zijn beslissing als bij het nemen ervan zorgvuldig te handelen, wat impliceert dat het zijn beslissing slechts kan nemen na een behoorlijk onderzoek van de zaak en rekening houdend met alle relevante gegevens. 9. Op woensdag 14 april 2021 nam de verwerende partij de beslissing tot schorsing van de erkenning als consultatiebureauarts bij dringende noodzakelijkheid. XII-9537-11/15 Verzoekster werd op 14 april 2021 en op maandag 19 april 2021 gehoord door de verwerende partij. Zij werd aldus binnen de vijf werkdagen gehoord zoals bepaald door artikel 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018. Op basis van dit gesprek werd het voornemen tot opheffing van de erkenning vermeld in artikel 79 aan verzoekster betekend. Op het eerste gezicht werd artikel 78 van het besluit van 12 oktober 2018 niet geschonden en werd de termijn waarbinnen verzoekster diende te worden gehoord niet geschonden. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op het voornemen tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts van 12 mei 2021. De kritiek die betrekking heeft op het voornemen tot opheffing kan op het eerste gezicht niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing tot opheffing van de erkenning leiden. 10. De eerste inbreuk heeft betrekking op het niet volledig toedienen van vaccins. Dit vormt een inbreuk op artikel 69, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018: De arts voldoet aan al de volgende voorschriften om de erkenning als consultatiebureauarts te behouden of te verlengen: 1°de arts vervult zijn opdrachten in het medisch preventief of prenataal consultaanbod conform de wetenschappelijke aanbevelingen en bevindingen in de preventieve jeugdgezondheidszorg, met inachtneming van de code van de geneeskundige plichtenleer. Het agentschap verstrekt daarvoor de nodige informatie en aanbevelingen’. Deze inbreuk werd vastgesteld op basis van de feiten opgesomd in de bestreden beslissing. De vaststellingen zijn niet enkel gebaseerd op fotomateriaal maar ook op cijfergegevens waaruit blijkt dat verzoekster vaccins heeft toegediend met restant aangezien het totale aantal vaccins toegediend door de andere artsen lager ligt dan het aantal aangetroffen spuiten met restant. Verzoekster tracht deze cijfergegevens te weerleggen door te stellen dat de informatie en het onderzoek niet betrouwbaar zijn. Deze loutere beweringen tonen op het eerste gezicht niet aan dat de cijfergegevens en het fotomateriaal niet correct zijn. Ook de verklaring dat verzoekster de vaccins volledig toedient en geen residu achterlaat doet geen afbreuk aan de vaststellingen. 11. De tweede inbreuk gebaseerd op artikel 69, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018: de arts neemt bij de uitvoering van zijn opdracht de inhoudelijke en methodologische doelstellingen die het agentschap ter uitvoering van zijn decretaal bepaalde kerntaak van preventieve gezinsondersteuning en gezondheidszorg voor het jonge kind nastreeft, in acht en hij geeft zo mee vorm aan het kwaliteitskader van het agentschap. Verzoekster betwist niet dat zij niet systematisch het voorschrift meegeeft bij het vierwekenconsult maar ze heeft nooit aangegeven dat zij niet bereid zou zijn om zich te schikken naar de richtlijnen. Er werd nooit een opmerking gemaakt. De vaststellingen in de bestreden beslissing in verband met de voorschriften voor het rotavirus lijken steun te vinden in het administratief dossier. Uit het verslag van het gesprek van 19 april 2021 waar verzoekster zelf verklaart dat ze het voorschrift in principe niet meegeeft op 4 weken als ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-12/15 er twijfel is bij het gezin. Voorts verklaart ze dat dit op het artsenoverleg aan bod is gekomen. Pas wanneer verzoekster geconfronteerd wordt met haar aanpak wijzigt ze haar verklaring en ‘denkt ze dat ze systematisch nu wel anders doet maar ze is niet 100% zeker dat het in de tussenperiode bij alle consulten correct gebeurd is.’ De verwerende partij uit haar twijfels over de wijze waarop dit effectief in praktijk is gebracht omdat verzoekster bij de beschrijving van haar aanpak gewoon haar vroegere aanpak beschreef. De verwerende partij deelt haar mee toch verwonderd te zijn vast te stellen dat ondanks de reeds gemaakte afspraken op het consultatiebureau hierover en ondanks het feit dat verzoekster over dit punt al aangesproken werd door de collega’s op het consultatiebureau, ze bij de beschrijving van haar aanpak gewoon haar ‘vroegere’ aanpak beschreef. 12. Met betrekking tot de derde inbreuk op artikel 71, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 betwist verzoekster dat zij werd aangesproken over haar aanpak met betrekking tot de voorschriften voor het rotavaccin met de vraag die bij te sturen en dat verzoekster hier geen gevolg heeft aan gegeven. Het feit dat verzoekster al dan niet werd aangesproken door verpleegkundigen om haar aanpak te wijzigen blijkt inderdaad niet uit een schriftelijk stuk. Wat wel blijkt is dat de aanpak twee maal werd besproken op het artsenoverleg en dat verzoekster nadien nog een eigen afwijkende werkwijze beschreef tijdens het gesprek van 19 april 2021. Uit de weergave van dit gesprek blijkt dat verzoekster op dat ogenblik werd geconfronteerd met het feit dat ze over dit punt al aangesproken werd door de collega’s op het consultatiebureau. Verzoekster ontkent of weerlegt dit gedurende de procedure niet. Bovendien moet bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de motieven rekening worden gehouden met het geheel van de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven en niet louter met een of meerdere door verzoekster geciteerde en bekritiseerde onderdelen van de motivering op zich. Het volstaat immers dat de motivering in haar geheel afdoende is. Uit het bovenstaande blijkt dat het geheel van de motieven afdoende lijkt te zijn om de bestreden beslissing te dragen. Het enige middel is niet ernstig.” 12. In de mate verzoekster in de memorie van wederantwoord vooreerst verwijst naar datgene wat werd aangevoerd in het verzoekschrift en daarnaast benadrukt dat er wel degelijk sprake is van een termijnoverschrijding overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018, en er niet afdoende werd gemotiveerd waarom de inbreuken niet op korte termijn zouden kunnen worden weggewerkt en daaraan in essentie toevoegt dat, voor wat de eerste inbreuk betreft, het bewijs gebrekkig is en, voor wat de derde inbreuk betreft, er sprake was van een gebrekkige communicatie, herhaalt zij op parafraserende wijze haar standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. In de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 XII-9537-13/15 mate verzoekster voor wat de tweede inbreuk betreft nog laat gelden dat de procedure slechts voor één consultatiebureau werd aangepast en er artsen zijn die aan meerdere consultatiebureaus verbonden zijn, zodat zij er niet van op de hoogte waren dat de werkwijze was veranderd en verzoekster er bijgevolg van uitging dat de werkwijze enkel gold voor de het consultatiebureau gelegen aan de T., voert verzoekster een nieuw argument aan zonder aan te tonen dat zij dat niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Dit argument kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In zoverre verzoekster, voor het eerst in de laatste memorie, nog laat gelden dat het niet onwaarschijnlijk is dat bij het verplaatsen van de container de spuiten door elkaar zijn gehaald en het argument van de verwerende partij dat de spuiten bovenaan horen te liggen van de arts die als laatste zitting had, geenszins correct is en zij, voor wat de tweede inbreuk betreft, nog verslagen van artsenoverleg uit die periode bijbrengt die aantonen dat er van een instructie of richtlijn, dat bij een consultatie op vier weken systematisch een voorschrift voor het rotavirusvaccin moest worden meegegeven, nooit sprake is geweest, laat staan dat zij daar door enige verpleegkundige of collega-arts ooit over werd aangesproken, en derhalve nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoekster evenmin aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster andermaal op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel, zodat deze argumenten en kritieken evenmin tot nietigverklaring kunnen leiden. 13. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het enig middel ongegrond te bevinden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-9537-14/15 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 308 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9537-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.