← België

Arrest 260854 - Handelsvestigingen - 30/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.854 Rolnummer: A. 237671/X-18269 Zaak: Arrest 260854 - Handelsvestigingen - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-08 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 05:04 Fiche Arrest nr 260.854 van 30 september 2024 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 260.854 van 30 september 2024 in de zaak A. 237.671/X-18.269 In zake :

  1. M.V.
  2. J.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Geens en Veerle Wanten kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 10 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 14 juli 2022 tot het verlenen van “een gemeentelijke uitbatings- en drankvergunning […] voor de exploitatie van de horecazaak met aanbod en consumptiemogelijkheden van gegiste en sterke dranken ter plaatse, genaamd Salt ’n Sugar, gelegen […] te 2900 Schoten”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.269-1/11 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september
  5. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Veerle Wanten die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoekers wonen in de Kuiperstraat 78 te Schoten. Hun woning grenst aan de garage en aan het magazijn dat door hen wordt geëxploiteerd. De garage met magazijn, situeert zich naast de horecazaak Salt ’n Sugar. 3.
  8. Met een besluit van 1 april 2021 verleent de verwerende partij aan B.G. een gemeentelijke uitbatings- en drankvergunning voor de horecazaak Salt ’n Sugar. X-18.269-2/11 3.
  9. Op 25 mei 2022 verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen (hierna: de deputatie) aan B.G. een omgevingsvergunning voor onder andere de regularisatie van de inkomdeur. 3.
  10. Op 14 juli 2022 verleent de verwerende partij voor de horecazaak Salt ’n Sugar een nieuwe uitbatings- en drankvergunning aan de bv C.G. Dit is het bestreden besluit. 3.
  11. Met zijn arrest nr. 255.776 van 10 februari 2023 vernietigt de Raad van State de onder randnummer 3.2 vermelde uitbatings- en drankvergunning omdat niet blijkt dat het door artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement van de verwerende partij vereiste onderzoek naar de stedenbouwkundige aspecten van de zaak werd gevoerd. 3.
  12. Met zijn arrest nr. RvVb-A-2223-0994 van 22 juni 2023 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) op vordering van verzoekers de onder randnummer 3.3 vermelde omgevingsvergunning. 3.
  13. Na laatstgenoemd vernietigingsarrest verleent de deputatie op 23 november 2023 een nieuwe omgevingsvergunning voor de kwestieuze horecazaak. 3.
  14. Op 16 mei 2024 verleent het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij een uitbatings- en drankvergunning voor de horecazaak Salt ’n Sugar aan de bv J., die de horecazaak inmiddels zou hebben overgenomen. Op 27 juli 2024 dienen verzoekers ook tegen dit besluit een annulatieberoep bij de Raad van State in (zaak A. 242.612/X-18.788). X-18.269-3/11 IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde excepties 4.
  15. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoekers in hun verzoekschrift nalaten enige uiteenzetting omtrent hun belang te geven. Het loutere gegeven dat verzoekers een magazijn exploiteren en er zich een garage bevindt op het perceel gelegen tussen de Kuipersstraat 78 en het kwestieuze pand kan niet volstaan ter onderbouwing van het vereiste belang. Het is voor de verwerende partij niet duidelijk welk nadeel verzoekers zouden kunnen ondervinden van de bestreden beslissing die louter de toelating verleent om een horecazaak uit te baten en om er dranken te serveren. 4.
  16. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een bijkomende ontvankelijkheidsexceptie op. Zij zet uiteen dat de horecazaak Salt ’n Sugar inmiddels is overgenomen door de bv J., die op 16 mei 2024 een uitbatings- en drankvergunning heeft verkregen, en dat het bestreden besluit met toepassing van artikel 7.2 van het bijzonder politiereglement zodoende van rechtswege is vervallen. Aangezien het bestreden besluit is komen te vervallen en uit de rechtsorde is verdwenen, is huidig beroep zonder voorwerp geworden, en hebben verzoekers geen belang meer bij hun beroep. Beoordeling 5.
  17. Er geldt voor verzoekers geen stelplicht om hun belang bij het beroep in hun verzoekschrift te omschrijven of toe te lichten. 5.
  18. Voorts verwijzen verzoekers in hun memorie van wederantwoord op goede gronden naar ’s Raads arrest nr. 255.776 van 10 februari 2023, waarin uitspraak wordt gedaan over een gelijkaardige exceptie, en waarin wordt aangenomen dat verzoekers zich terecht op een “nadeel inzake lichten, X-18.269-4/11 zichten, privacy en mobiliteit (leveranciers en exploitanten parkerend eveneens voor verzoekers toegang)” beroepen. 5.
  19. Artikel 7.2 van het te dezen toepasselijke bijzonder politiereglement van de verwerende partij bepaalt dat een uitbatingsvergunning “vervalt van rechtswege [...] in geval van wijziging van de exploitant”. 5.
  20. Dat de verwerende partij op 16 mei 2024 een vergunning voor de uitbating van de horecazaak Salt ’n Sugar aan de bv J. heeft verleend, zodat volgens haar met toepassing van artikel 7.2 van het bijzonder politiereglement de bestreden uitbatingsvergunning van rechtswege is vervallen, doet er geen afbreuk aan dat verzoekers – van wie de toegang tot hun magazijnen paalt aan de horecazaak – de nadelige gevolgen van dit besluit inzake “lichten, zichten, privacy en mobiliteit” vóór dit verval hebben dienen te ondergaan. Verzoekers wijzen er voorts terecht op dat uit niets blijkt dat de wetgever beslissingen met slechts een korte duurtijd uit het annulatiecontentieux heeft willen sluiten. 5.
  21. Gezien het voormelde, kan aan verzoekers het belang bij hun beroep niet worden ontzegd. De in hun laatste memorie dienaangaande gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient dan ook niet te worden gesteld. 5.
  22. De excepties van de verwerende partij zijn ongegrond. V. Onderzoek van het enige middel in het verzoekschrift Standpunt van de partijen 6.
  23. In het enige middel in hun verzoekschrift voeren verzoekers onder meer de schending aan van artikel 5 van het bijzonder politiereglement. Zij betogen dat het door de geschonden geachte bepaling opgelegde “voorafgaand onderzoek in functie van de omgevingsvergunning” niet X-18.269-5/11 behoorlijk heeft plaatsgevonden. Er kan niet volstaan worden met de stereotiepe vaststelling en vermelding “Omgevingsvergunning/In Orde: X”. Verzoekers stellen vast dat het administratief dossier noch een omgevingsvergunning noch een “onderzoek in functie van de omgevingsvergunning” bevat. 6.
  24. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij tegen dat uit het administratief dossier blijkt dat er een geldige omgevingsvergunning voorligt, zowel voor de functie op het gelijkvloers als voor de gebouwen. Het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd, ook al wordt er niet specifiek naar de omgevingsvergunning verwezen. Uit het administratief dossier, bijvoorbeeld uit het advies van de dienst Lokale Economie, blijkt dat een geldige omgevingsvergunning voorligt. Voorts verwijst de verwerende partij met betrekking tot de motivering aangaande de omgevingsvergunning naar haar memorie van antwoord en laatste memorie in de zaak die heeft geleid tot ’s Raads meervermelde arrest nr. 255.776 van 10 februari
  25. De verwerende partij wijst er nog op dat de deputatie in haar vergunningsbesluit van 25 mei 2022 expliciet heeft bepaald dat er voor verzoekers geen stedenbouwkundige hinder wordt gecreëerd ingevolge de inkomdeur en dat als er al enige vorm van burgerlijke hinder zou zijn, quod non, dit uitsluitend voor de vrederechter dient te worden betwist. 6.
  26. In hun memorie van wederantwoord repliceren verzoekers dat het op grond van artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement vereiste onderzoek meer inhoudt dan de loutere vaststelling dat er een omgevingsvergunning voorhanden is. Noch uit de bestreden uitbatingsvergunning noch uit het door de dienst Lokale Economie uitgebrachte advies of uit enig ander stuk, blijkt dat het door artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement vereiste onderzoek naar de stedenbouwkundige aspecten van de zaak werd gevoerd. De loutere omstandigheid dat de deputatie in haar vergunningsbesluit verzoekers hinder heeft aangemerkt als een louter burgerrechtelijke aangelegenheid, neemt niet weg dat de door hen opgeworpen onregelmatigheid hen een waarborg ontneemt, te weten “een screening-onderzoek van de omgevingsvergunning”. X-18.269-6/11 6.
  27. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de deputatie op 23 november 2023 een nieuw vergunningsbesluit heeft verleend, na een nieuw openbaar onderzoek waaraan verzoekers hebben kunnen deelnemen, waarbij de inkomdeur opnieuw werd vergund. De deputatie stelt daarbij terecht dat het feit dat leveranciers zich voor de inkomdeur zouden plaatsen, geen stedenbouwkundige aspect uitmaakt. 6.
  28. Verzoekers wijzen er in hun laatste memorie op dat de bestreden beslissing dateert van 14 juli 2022 en betogen dat de verwerende partij de wettigheid van deze beslissing niet geldig a posteriori kan verantwoorden met het vergunningsbesluit van 23 november
  29. Voorts betreft het gegeven dat leveranciers het voetpad voor verzoekers’ perceel geheel of gedeeltelijk innemen met hun voertuigen om er te parkeren en/of om er de bevoorrading voor het restaurant te deponeren, een “omgevingsvergunning”-criterium zoals bepaald in artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Meer bepaald gaat het om een wezenlijk element van het ruimtegebruik in stedelijk centrum-gebied. Het gegeven brengt de veiligheid van de bewoners en voetgangers in het gedrang en het belemmert de mobiliteit van de bewoners die met hun voertuig hun perceel niet meer kunnen verlaten of betreden. Bovendien brengt het deponeren van voedsel op het voetpad met zich mee dat ongedierte en dieren erop afkomen. Het brengt bijgevolg ook de gezondheid in het gedrang. Het motief “Omgevingsvergunning/In Orde: X” van het bestreden besluit is kennelijk onwettig, nu de onwettige omgevingsvergunning van 25 mei 2022 erga omnes en ex tunc werd vernietigd. Beoordeling 7.
  30. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie de onontvankelijkheid van het middel, maar licht haar exceptie niet afdoende toe. Ze dient verworpen te worden. X-18.269-7/11 7.
  31. Artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement bepaalt: “Onverminderd de hogere regelgeving en andere gemeentelijke politieverordeningen die ook hier van toepassing zijn, kan de uitbatingsvergunning enkel worden toegekend na een voorafgaand administratief onderzoek betreffende volgende onderdelen: - een brandveiligheidsonderzoek; - een onderzoek in functie van de omgevingsvergunning; - een hygiëneonderzoek; - een verzekeringstechnisch onderzoek; - een onderzoek naar de vestigingsmodaliteiten; - een moraliteitsonderzoek; - een financieel onderzoek. De vereiste van de positieve beoordeling van artikel 5.
  32. geldt gedurende de ganse duur van de exploitatie.” Het vereiste onderzoek “in functie van de omgevingsvergunning” wordt in artikel 1 van hetzelfde bijzonder politiereglement als volgt omschreven: “
  33. Onderzoek in functie van de omgevingsvergunning: dit onderzoek omvat een screening van alle aspecten voor wat betreft de stedenbouwkundige en milieuvoorschriften die betrekking hebben op het onroerend goed waar de horecazaak wordt uitgebaat. Een positieve uitkomst van dit onderzoek heeft echter geen regulariserende waarde en kan dan ook niet aangewend worden om mogelijke overtredingen te rechtvaardigen.” 7.
  34. De bestreden uitbatingsvergunning verwijst naar het bijzonder politiereglement en naar “de vereiste documenten die bij het horecaloket, de dienst integrale veiligheid en de technische dienst werden ingediend”. Deze verwijzing naar de “vereiste documenten” gaat terug op het advies van de dienst Lokale Economie dat om een gemeentelijke uitbatingsvergunning te kunnen verlenen de gemeente dient te beschikken over een aantal documenten, waaronder een omgevingsvergunning. In verband daarmee wordt aangegeven dat die vereiste “in orde” is. 7.
  35. Uit de onder randnummer 7.2 vermelde bepalingen volgt dat het voorgeschreven administratief onderzoek “in functie van de omgevings-vergunning” een screening vereist van “alle aspecten” wat de X-18.269-8/11 stedenbouwkundige voorschriften betreft die betrekking hebben op het onroerend goed waar de horecazaak wordt uitgebaat. Dit onderzoek houdt aldus meer in dan de loutere vaststelling dat er een omgevingsvergunning voorhanden is. 7.
  36. Noch uit de bestreden uitbatingsvergunning noch uit het door de dienst Lokale Economie uitgebrachte advies of uit enig ander stuk, blijkt dat het door artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement vereiste onderzoek naar de stedenbouwkundige aspecten van de zaak werd gevoerd. Het loutere gegeven dat, blijkens het administratief dossier, door de deputatie op 25 mei 2022 een regularisatievergunning werd afgeleverd voor de inkomdeur, heeft niet tot gevolg dat daardoor het op grond van artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement vereist onderzoek is vervallen. Dit geldt in casu des te meer, nu de regularisatievergunning van 25 mei 2022 vernietigd werd met het arrest van de RvVb nr. RvVb-A-2223-0994 van 22 juni
  37. Met dat arrest komt vast te staan dat de verleende regularisatievergunning voor de inkomdeur op onwettige wijze werd verleend doordat verzoekers niet hebben kunnen deelnemen aan het openbaar onderzoek over de vergunningsaanvraag. De regularisatie van de inkomdeur vormt in dit dossier, anders dan de verwerende partij voorhoudt, nochtans een stedenbouwkundig relevant gegeven. Zoals vastgesteld bij ’s Raads meervermelde arrest nr. 255.776 van 10 februari 2023, werd er in het verleden “melding […] gemaakt van hinder ten gevolge van de toegangsdeur/portiek die zich creëert op het links aanpalende perceel, nu beweerd wordt dat die toegangsdeur ook gebruikt wordt door personeel en leveranciers van de horecazaak […]”. Uit het voormelde blijkt een schending van artikel 5.2 van het bijzonder politiereglement. 7.
  38. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Verzoek om toepassing van artikel 35/1 RvS-wet 8.
  39. In hun memorie van wederantwoord vragen verzoekers om met toepassing van artikel 35/1 RvS-wet in het arrest te verduidelijken “dat verweerder X-18.269-9/11 het Omgevingsvergunningenregister ook moet aanpassen bij wege van ‘maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen’, meer bepaald door in het Omgevingsvergunningenregister het verval van rechtswege van het Deputatie-besluit dd. 1 februari 2018 op te nemen of te laten opnemen, dit binnen een termijn van zeven kalenderdagen na kennisgeving van het arrest van de Raad van State”. 8.
  40. In hun laatste memorie maken verzoekers niet langer melding van het voormelde verzoek en stellen zij afstand te doen van hun verzoek tot “indeplaatsstelling”, hetgeen zij op de terechtzitting ook bevestigen. Gezien het voormelde dient over verzoekers’ verzoek geen uitspraak te worden gedaan. BESLISSING
  41. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 14 juli 2022 tot het verlenen van een gemeentelijke uitbatings- en drankvergunning voor de horecazaak Salt ’n Sugar, gelegen […] te 2900 Schoten.
  42. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, op een bijdrage van 24 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. X-18.269-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Johan Lust X-18.269-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.