← België

Arrest 260968 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.968 Rolnummer: A. 239245/IX-10265 Zaak: Arrest 260968 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-17 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-17 05:01 Fiche Arrest nr 260.968 van 9 oktober 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.968 van 9 oktober 2024 in de zaak A. 239.245/IX-10.265 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door

  1. de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven
  2. DG BOSA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 5 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van 17 maart 2023 waarbij [verzoeker] als ‘minder geschikt’ wordt gekwalificeerd en hierdoor wordt uitgesloten uit de verdere selectieprocedure voor het mandaat van algemeen directeur van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis”. Aansluitend vordert verzoeker in de memorie van wederantwoord een schadevergoeding tot herstel. IX-10.265-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
  5. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  6. IX-10.265-2/8 III. Feiten
  7. Verzoeker neemt deel aan een selectieprocedure met het oog op de aanwerving van de algemeen directeur voor de koninklijke musea voor kunst en geschiedenis (KMKG). De daartoe aangestelde selectiecommissie beoordeelt verzoeker en verklaart hem op 17 maart 2023 ‘minder geschikt’ voor de functie. Dit is de bestreden beslissing. Eén kandidaat wordt als ‘geschikt’ gerangschikt. Bij koninklijk besluit van 11 juli 2023 wordt die laureaat met ingang van 1 januari 2024 benoemd in de functie van algemeen directeur bij de KMKG. Dit benoemingsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 september
  8. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  9. Verzoeker heeft het benoemingsbesluit van 11 juli 2023 niet aangevochten. Ambtshalve rijst de vraag naar zijn actueel belang bij het beroep.
  10. Verzoeker, die deze exceptie al kon lezen in het auditoraatsverslag, merkt in zijn laatste memorie op dat hij “zonder meer belang had bij de vernietiging ten tijde van het annulatieberoep”. Volgens verzoeker mag hem niet worden verweten dat hij “geen schorsings- en vernietigingsberoep heeft aangetekend tegen zijn opvolgster, dewelke ongetwijfeld een schokgolf zou veroorzaakt hebben in het IX-10.265-3/8 culturele en politieke landschap en het vizier tenvolle zou gericht hebben op verzoeker” en dat hij “zich vergenoegt met een schadeaanspraak van 1€”. Verzoeker heeft de aangeboden kans genomen “om verder te gaan met zijn leven en actief te blijven in een n-1 functie” en bovendien wil hij “loyaal meewerken om de toekomst van KMKG en van [de nieuwe algemeen directeur] niet te hypothekeren, maar hij blijft aanspraak maken op een (symbolische) schadevergoeding voor het onrecht dat hem werd aangedaan”. Hij wijst op “een voldoende moreel belang bij zijn schadeaanspraak”: de reputatieschade ingevolge zijn “minder geschikt”-verklaring is nog steeds groot en “[dit] kan rechtgezet worden door een arrest dat de onwettigheid vaststelt van de bestreden beslissing en door een symbolisch[e] euro schadev[e]rgoeding”.
  11. In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij de exceptie dat het beroep onontvankelijk is, bij gebrek aan actueel belang, omdat verzoeker heeft nagelaten de eindbeslissing aan te vechten. Beoordeling
  12. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. Dit voordeel moet in beginsel meer zijn dan de genoegdoening, verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Ook ligt het op de weg van een verzoekende partij, wanneer er twijfel rijst omtrent haar actueel belang, om aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die kunnen aantonen dat zij in de IX-10.265-4/8 concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt.
  13. Het voordeel dat verzoeker met het voorliggende beroep oorspronkelijk nastreefde, bestond er essentieel in door de nietigverklaring een nieuwe kans te verwerven om door de selectiecommissie geschikt verklaard te worden en vervolgens zelf algemeen directeur te worden en die functie daadwerkelijk uit te oefenen. Dat doel kan verzoeker niet meer bereiken: de benoeming van de algemeen directeur is door verzoeker niet aangevochten; ze is definitief. Verzoeker heeft geen kans meer om nog zelf in die betrekking te worden benoemd. Meer nog, uit verzoekers uiteenzetting in zijn laatste memorie blijkt dat hij dat doel zelfs niet meer wénst na te streven, dat hij bewust ervan heeft afgezien om het benoemingsbesluit aan te vechten en dat hij enkel nog aanspraak maakt op een morele schadevergoeding tot herstel. Hij vordert niet langer de nietigverklaring van de door hem aangevochten vóór-beslissing, maar enkel nog een vaststelling van een onwettigheid die hem uitzicht geeft op één euro morele schadevergoeding.
  14. Verzoeker heeft geen actueel belang bij het beroep tot nietigverklaring. De exceptie is gegrond. V. Ontvankelijkheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van verzoeker
  15. Hiervóór sub 5 is weergegeven waarom verzoeker nog aandringt op een schadevergoeding tot herstel en waarom hij meent dat dit verzoek ontvankelijk is. Hij betwist met andere woorden dat hij heeft nagelaten een handeling te stellen die hem persoonlijk verwijtbaar is. Het getuigt volgens verzoeker van een overdreven formalisme om van hem een inspanning te verwachten om zijn oorspronkelijke en ongewenste toestand zo veel mogelijk in IX-10.265-5/8 stand te houden. Hij heeft voor een schadebeperkende en menselijke optie gekozen die ook te verenigen is met het maatschappelijk belang. Dat kan hem niet worden verweten. Verzoeker merkt nog op dat de beoordeling ‘minder geschikt’ negatief afstraalt op zijn reputatie. Hij wijst op persberichten in die zin. Hij is overtuigd dat hij “buiten werd gewerkt bij KMKG” en de bestreden beslissing voelt zonder meer aan als een verkapte tuchtmaatregel. Beoordeling
  16. In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker in geen van de vier aangevoerde middelen doen gelden dat de bestreden beslissing van de selectiecommissie een verkapte tuchtmaatregel is. Met die losse bewering in zijn laatste memorie houdt de Raad van State geen rekening.
  17. Verzoeker heeft – zelfs bewust, zoals hiervóór gezien – verzuimd om de benoeming van de algemeen directeur in rechte te bestrijden. Naar het oordeel van de Raad van State draagt verzoeker, en hij alléén, daarmee de verantwoordelijkheid voor zijn verlies aan actueel belang bij het beroep. In tegenstelling tot arrest nr. 244.958 van 26 juni 2019 waarop verzoeker in zijn laatste memorie kritiek levert, ligt in de huidige zaak alvast géén handeling van het bestuur (mede) aan de basis van die beslissing en er wordt van hem geen “inspanning” verwacht om zijn oorspronkelijke toestand in stand te houden, noch wordt hem verhinderd “verder te gaan met zijn leven”. Verzoekers kritiek is bijgevolg niet ter zake.
  18. De vordering tot schadevergoeding tot herstel is een accessorium van het beroep tot nietigverklaring. In arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State evenwel IX-10.265-6/8 geoordeeld dat wanneer een verzoekende partij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, zodat deze moet worden afgewezen, het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel in voorkomend geval de Raad wel voor de verplichting plaatst om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die de verzoekende partij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen.
  19. Aangezien verzoekers verlies aan belang bij het beroep louter hem toerekenbaar is, volstaat het instellen van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel op zich niet om de middelen te onderzoeken. Daarbij doet het er niet toe of verzoeker nog een moreel belang heeft bij zijn “schadeaanspraak”. De vordering is niet ontvankelijk. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep en het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 24 euro, gekweten voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, worden terugbetaald aan de verzoekende partij. IX-10.265-7/8
  22. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.265-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.