id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.969 Rolnummer: A. 233558/IX-9878 Zaak: Arrest 260969 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 09/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-14 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-19 04:26 Fiche Arrest nr 260.969 van 9 oktober 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 260.969 van 9 oktober 2024 in de zaak A. é.558/IX-9878 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michaël Verhaeghe kantoor houdend te 1000 Brussel Finis Terrae Straat 4/21 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 tegen: het INSTITUUT VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Sietse Wils kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de stilzwijgende beslissing van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, waarbij het verzoek van verzoeker tot heroverweging van zijn openbaarheidsvraag wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging IX-9878-1/15
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die loco advocaten Michaël Verhaeghe en Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sietse Wils, die in eigen naam en loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Als gevolg van beschuldigingen wegens grensoverschrijdend gedrag wordt een strafonderzoek ingesteld ten aanzien van verzoeker, waarin de verwerende partij zich, onder anderen, burgerlijke partij stelt. Naar aanleiding hiervan vraagt verzoeker inzage in een aantal documenten van de verwerende IX-9878-2/15 partij, zich beroepend op de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (WOB). 3.
- Hierop antwoordt de verwerende partij op 22 december 2020 het volgende: “Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ontving op 12 november 2020 uw vraag om openbaarheid. In uw vraag om openbaarheid van 12 november 2020 verzocht u om een afschrift te bekomen van: - ‘Het besluit van het daartoe bevoegd orgaan van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen tot het optreden in rechte, in het bijzonder tot het indienen van een strafklacht met burgerlijke partijstelling jegens mijn cliënt.’ - ‘Het besluit van het daartoe bevoegd orgaan van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen tot het betalen van de erelonen van meester […] als raadsman van derden.’ - ‘Het besluit van het daartoe bevoegd orgaan van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen waarmee […] wordt geselecteerd als raadsman van het Instituut, alsook de daaraan voorafgaande documenten waaruit al dan niet de toepassing van de overheidsopdrachtenregelgeving blijkt, minstens de beginselen van gelijkheid, transparantie en mededinging.’ - ‘Het bestuursdocument of de bestuursdocumenten waaruit de procedure blijkt via de welke derden bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen om financiële steun kunnen verzoeken voor de betaling van gerechtskosten, waaronder erelonen en kosten van een al dan niet door hen zelf geselecteerde advocaat.’ - ‘Het bestuursdocument of de bestuursdocumenten waaruit de criteria blijken op grond waarvan het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen al dan niet beslist aan derden financiële steun voor de betaling van gerechtskosten verleent.’ […] Gelet op het hangende geschil voor de correctionele rechtbank van Mechelen, waarin naast uw cliënt ook het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen partij is, kan het Instituut niet worden verplicht om een afschrift van de gevraagde bestuursdocumenten over te maken. Een verplichte overlegging van deze documenten zou immers in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces, het beginsel van de wapengelijkheid en van de rechten van verdediging van het Instituut. Ingevolge het beginsel van de wapengelijkheid dient tussen de partijen in een proces een billijk evenwicht aanwezig te zijn, dat aan iedere partij voldoende mogelijkheden biedt om haar argumenten te doen gelden zonder dat er een kennelijke benadeling is ten opzichte van de tegenpartijen. […] Elke partij heeft derhalve het recht om haar IX-9878-3/15 argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van haar tegenpartij. Het beginsel van de wapengelijkheid zou geschonden worden indien het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, met toepassing van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, zou worden verplicht om stukken over te maken die in een gerechtelijke procedure mogelijks tegen het Instituut kunnen worden gebruikt, terwijl uw cliënt, die niet onder het toepassingsgebied van de wetgeving inzake openbaarheid van bestuur ressorteert, daar niet toe kan worden verplicht. Het belang van het beginsel van de wapengelijkheid, als essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces, dient in casu dan ook te primeren op het recht op de openbaarheid van bestuur. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen wijst er in dat verband op dat uw cliënt de mogelijkheid heeft om, met toepassing van de artikelen 877 tot en met 882bis Ger.W., de justitiële rechter, voor wie het geschil aanhangig is, te verzoeken om de overlegging van de betrokken stukken te verzoeken. De rechter dient, onafhankelijk, over deze vordering te oordelen. Gelet op het voorgaande, dient, in de concrete omstandigheden, het recht op een eerlijk proces op het recht op de openbaarheid van bestuur te primeren. Om de hierboven uiteengezette redenen wordt uw vraag om openbaarheid geweigerd.” 3.
- Op 21 januari 2021 richt verzoeker een verzoek tot heroverweging aan de verwerende partij. Tegelijk wordt een kopie van dit verzoek toegestuurd aan de commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten (“de commissie”). Op 15 februari 2021 verleent de commissie advies 2021-
- Zij “stelt vast dat het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen als enige uitzonderingsgrond het recht op een eerlijk proces inroept om de gevraagde bestuursdocumenten te weigeren” en merkt op “dat het feit dat er een rechtsgeding aanhangig is waarin [de verwerende partij] partij zou zijn op zich geen argument is om de gevraagde bestuursdocumenten te weigeren”. Zij wijst er voorts op “dat voor het inroepen van de uitzonderingsgronden in artikel 6, § 1 van de wet van 11 april 1994 om de toegang tot een bepaald document te weigeren, het niet voldoende is om in concreto aan te tonen dat er schade wordt toegebracht aan in casu [de] fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden, maar dat er bovendien moet worden aangetoond dat het openbaar IX-9878-4/15 belang dat gediend is met de openbaarheid niet zwaarder doorweegt”. Zij brengt ook “het principe van de gedeeltelijke openbaarmaking” in herinnering. 3.
- Er wordt nadien geen expliciete beslissing meer genomen door de verwerende partij met betrekking tot de gevraagde heroverweging. IV. Bevoegdheid van de Raad van State Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is “bij gebrek aan bevoegdheid van de Raad van State”, gelet op de procedure die aanhangig is bij de justitiële rechter en de mogelijkheid om via die weg stukken te laten overleggen. Het valt niet aan de Raad van State toe om zich, in het kader van een annulatieberoep tegen een beslissing tot weigering van een openbaarheidsverzoek, in een eerder opgestarte gerechtelijke procedure te mengen en zich, zij het onrechtstreeks, over de overlegging van bewijsstukken uit te spreken die onder de bevoegdheid vallen van de rechter voor wie de hoofdprocedure aanhangig is. Het valt in dat geval aan de justitiële rechter toe om, in voorkomend geval, krachtens de artikelen 877 en volgende GerW, de partijen of derden op te leggen om het betrokken stuk over te leggen. Indien de Raad van State in die omstandigheden alsnog over een beslissing tot afwijzing van een openbaarheidsverzoek uitspraak zou moeten doen, zou hij zich in een lopende gerechtelijke procedure mengen. De verwerende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State die zijn zienswijze ondersteunt. Beoordeling
- Zoals de verwerende partij kon lezen in het auditoraatsverslag, is de Raad in zijn arrest nr. 256.076 van 20 maart 2023, gewezen in algemene IX-9878-5/15 vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak teruggekomen van de door verzoeker ingeroepen rechtspraak. De Raad heeft deze rechtspraak bevestigd met betrekking tot de bewijsvoering in strafzaken in zijn arrest nr. 260.001 van 5 juni
- “Doordat in een geding bij een strafrechter specifieke regels gelden voor de overlegging van een relevant bestuursdocument,” zo overweegt de Raad in arrest nr. 260.001 van 5 juni 2024, “komt een uitspraak van de Raad van State over de wettigheid van een beslissing waarbij inzage of afschrift van hetzelfde bestuursdocument wordt afgewezen, niet ipso facto neer op een inmenging in dat geding”: “Anders oordelen, zou inhouden dat de rechtzoekende de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd voor de controle van de wettigheid van het beroep door de administratieve overheid op een uitzonderingsbepaling in [de wet van 11 april 1994], terwijl de wetgever met artikel 8, § 2, vierde lid, van diezelfde wet die wettigheidscontrole uitdrukkelijk aan de Raad van State heeft toegewezen.” Er is geen reden om thans anders te oordelen.
- De exceptie is ongegrond. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij betwist het belang van verzoeker, dat volgens haar volledig gekaderd dient te worden in de hangende strafprocedure. Verzoeker wekt minstens de indruk dat hij de vernietigingsprocedure bij de Raad van State gebruikt om de in het kader van een geding voor de justitiële rechter geldende (procedure-)regels te omzeilen om hieruit aldus een strategisch voordeel te putten. Niets belet hem om de betrokken documenten in het kader van de hangende gerechtelijke procedure door de justitiële rechter te doen overleggen. De verwerende partij vraagt zich af waarom verzoeker deze mogelijkheid onbenut laat en, sterker zelfs, de normaal voorziene procedureregels met zijn IX-9878-6/15 verzoek tot openbaarmaking en annulatieberoep bij de Raad van State omzeilt. Op die manier lijkt de enige betrachting van het vernietigingsberoep er dan ook in te bestaan om de Raad van State, in voorkomend geval, te horen zeggen dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing een onwettigheid zou hebben begaan. Dit getuigt evenmin van het rechtens vereiste belang.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat verzoeker ondertussen in de strafzaak bij vonnis van 25 november 2021 veroordeeld is en hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. De gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoeker dan ook geen enkel tastbaar voordeel opleveren. Beoordeling
- In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op, onder meer, dat de commissie het onrechtmatige van de weigering van de openbaarheidsvraag bevestigt en dat de verwerende partij het verzoek blijft weigeren, “waarbij zij zelfs niet meer de moeite nam om haar weigering te staven of te motiveren”. Dat de bestreden beslissing griefhoudend is, staat volgens verzoeker boven elke twijfel. De Raad van State kan verzoeker hierin bijvallen.
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker terecht op dat de WOB zelfs niet vereist dat wie een openbaarheidsvraag stelt, een belang vertoont. Uitgezonderd voor documenten van persoonlijke aard, volstaat het verzoek tot raadpleging van een bestuursdocument om te doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de beslissing waarbij dat verzoek afgewezen wordt. Indien men geen belang moet aantonen om inzage te verkrijgen van overheidsdocumenten, is ook niet vereist dat een specifiek belang moet worden aangetoond bij de inzage van die stukken om dit recht te kunnen afdwingen voor de rechter. IX-9878-7/15
- Louter ten overvloede mag worden opgemerkt dat, zoals de commissie het opmerkt in haar advies, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen “als federale administratieve overheid ertoe gehouden [is] om de documenten [openbaar] te maken die toelaten om na te gaan of zij als overheidsorganisatie behoorlijk functioneert […] en welke bepaalde procedures en criteria het Instituut hanteert voor het besteden van publieke middelen”. Dat een burger die met het Instituut in een rechtszaak verwikkeld is daar in het bijzonder belangstelling in stelt, mag niet verbazen.
- De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel voert verzoeker onder meer de schending aan van artikel 6, §§ 1 tot 4, WOB, en van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat de verwerende partij het verzoek tot heroverweging weigert, in afwijking van een andersluidend advies van de commissie voor toegang tot de bestuursdocumenten, zonder dat hiervoor enige motivering wordt gegeven. In het geval van een stilzwijgende beslissing is het per essentie onmogelijk om uit een beslissing zelf enige motivering op te maken waarom ze werd genomen. Een stilzwijgende beslissing kan volgens verzoeker steunen op motieven waarvan het bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die beslissing in aanmerking kunnen genomen worden, op voorwaarde dat deze motieven kunnen worden teruggevonden in het administratief dossier dat aan de stilzwijgende beslissing voorafging. De afwezigheid van enige motivering kan bijgevolg niet voortvloeien uit de figuur zelf van de stilzwijgende beslissing, omdat zulks zou neerkomen op een ongelijke IX-9878-8/15 rechtsbescherming van de bestuurden naargelang zij worden geconfronteerd met een stilzwijgende dan wel een uitdrukkelijke beslissing. Een stilzwijgende beslissing dient bijgevolg, ondanks haar impliciete (lees: fictieve) karakter, wel degelijk aan de motiveringsvereisten te voldoen, in die zin dat de motieven in het bijbehorende dossier terug te vinden moeten zijn. Verzoeker wijst erop dat zijn verzoek tot heroverweging duidelijk was onderbouwd. Hij verwees hierbij uitdrukkelijk naar de bepalingen van artikel 6, §§ 1 tot 4, WOB die alle uitzonderingsgronden formuleren en impliceren dat zelfs wanneer een bestuursdocument voor een deel aan de openbaarheid moet of mag worden onttrokken, de rest dan wel nog steeds openbaar moet worden gemaakt. Hij stelde dat deze wettelijke bepalingen voorrang hebben op de beginselen die de verwerende partij inriep en dat de verwerende partij nergens aantoonde hoe deze beginselen in het gedrang zouden kunnen komen door de gevraagde openbaarmaking. Uit het advies van de commissie blijkt voorts dat zij verzoeker bijvalt in zijn standpunt. Terecht merkte de commissie ook op, dat een behoorlijk aantal van de betrokken documenten zelfs los staat van enig concreet rechtsgeschil. Klaarblijkelijk besliste de verwerende partij toch om volledig voorbij te gaan aan dit duidelijke advies van de commissie, haar eigen standpunt te handhaven dat volstrekt aan dit advies tegengesteld was, en de eerdere weigeringsbeslissing te herbevestigen. Volgens verzoeker rust op de verwerende partij dan een verscherpte motiveringsplicht die laat blijken waarom zij meent de in het advies van de commissie geformuleerde argumenten niet te kunnen volgen. Minstens diende de verwerende partij genoegzaam te laten verstaan om welke reden het advies niet gevolgd werd en er, integendeel, juist in tegenovergestelde zin beslist werd. Er is evenwel niet terug te vinden waarom de verwerende partij bij haar standpunt blijft om een beslissing te nemen die lijnrecht tegenover het advies van de commissie stond. IX-9878-9/15
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het middel “minstens gedeeltelijk onontvankelijk” is bij gebrek aan uiteenzetting over de aangevoerde schending van artikel 6, §§ 1 tot 4, WOB. Voorts mag worden aangenomen dat het bestuur in de stilzwijgende weigeringsbeslissing de motieven van de oorspronkelijke weigeringsbeslissing heeft gehandhaafd, wat in casu het geval is. Verzoeker citeert de motivering van die weigeringsbeslissing van 22 december 2020 en betoogt dat de daarin opgegeven motieven zowel in feite als in rechte aanvaardbaar zijn. Verzoeker toont niet aan dat de motivering, die er in wezen in bestaat dat hij, gelet op de hangende procedure voor de correctionele rechtbank waarin zowel hijzelf als het Instituut partij zijn, volgens de daartoe geëigende procedureregels aan de justitiële rechter de overlegging van de betrokken documenten dient te vragen, foutief, niet concreet of niet relevant zou zijn.
- In haar laatste memorie bepaalt de verwerende partij zich ertoe te verwijzen “naar hetgeen zij in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet”, waarin zij stelt te volharden. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
- Door te bepalen, in artikel 32 van de Grondwet, dat “elk bestuursdocument” – begrip dat volgens de grondwetgever zeer ruim moet worden geïnterpreteerd – in de regel openbaar is, heeft de grondwetgever het recht op de openbaarheid van de bestuursdocumenten ingeschreven als een grondrecht. Aan dat recht mogen overeenkomstig diezelfde grondwetsbepaling beperkingen worden opgelegd “in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134”. IX-9878-10/15 Om een vraag tot openbaarheid van bestuur af te wijzen, moet een bestuur zich bijgevolg op rechtmatige wijze kunnen beroepen op één van de uitzonderingsgronden die de wetgever heeft bepaald. Uitzonderingen op het grondwettelijk gewaarborgde inzagerecht moeten beperkend worden uitgelegd. Ze kunnen geen grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de inzage van documenten te weigeren. Verzoeker licht toe dat de verwerende partij er niet in slaagt om zich op rechtmatige wijze te beroepen op één van de uitzonderingsgronden die zijn opgenomen in artikel 6 WOB, dat volgens hem zelfs géén van die uitzonderingsgronden ingeroepen kan worden en, ondergeschikt, dat de verwerende partij eveneens nalaat om, eventueel, tot een gedeeltelijke openbaarmaking over te gaan zoals voorgeschreven door diezelfde wet. Het middel voert aldus op ontvankelijke wijze de schending aan van artikel 6, §§ 1 tot 4, WOB. De exceptie mist feitelijke grondslag. b. gegrondheid van het middel
- De Raad van State dient na te gaan, wanneer hij kennisneemt van een beroep tegen een beslissing waarbij inzage of afschrift van een bestuursdocument wordt afgewezen, of het beroep op een uitzonderingsbepaling is gemotiveerd met verwijzing naar de concrete gegevens van de zaak en steunt op deugdelijk vastgestelde motieven (algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, nr. 256.076 van 20 maart 2023).
- Artikel 8, § 2, derde lid, WOB bepaalt dat de overheid binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies van de commissie haar beslissing tot inwilliging of afwijzing van het verzoek tot heroverweging ter kennis brengt van de verzoeker en dat, bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, de overheid geacht wordt een “beslissing tot afwijzing” te hebben genomen. IX-9878-11/15 Het wordt niet betwist dat de verwerende partij niet binnen de voormelde termijn een beslissing ter kennis van verzoeker heeft gebracht, zodat zij moet worden geacht een stilzwijgende beslissing tot afwijzing te hebben genomen.
- De Raad van State is bevoegd om van het beroep tegen de bestreden beslissing kennis te nemen, bevoegdheid die een toezicht op de externe en de interne wettigheid van deze beslissing inhoudt. Dit laatste impliceert tevens het toezicht op de naleving van het materiëlemotiveringsbeginsel, waarbij de Raad van State zal nagaan of de bestreden weigeringsbeslissing steun vindt in de stukken van het dossier. De bestreden beslissing betreft immers een fictieve beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat – kán bevatten – dat de weigering van de aanvraag zou kunnen schragen. Dat de beslissing geen formele motivering bevat die de bestuurde en vervolgens de Raad van State toelaat om er de wettigheid van na te gaan, neemt niet weg dat ze zoals elke administratieve rechtshandeling moet steunen op in rechte en in feite aanvaardbare gegevens die correct zijn beoordeeld en die, bij ontstentenis van een formele motivering, moet blijken uit het administratief dossier.
- De verwerende partij heeft de volgende stukken als administratief dossier aan de Raad voorgelegd: “
- Afwijzing vraag om openbaarmaking d.d. 22 december 2020;
- Vraag om openbaarmaking d.d. 12 november 2020;
- Brief met mededeling behandeling met uitstel van vraag om openbaarmaking d.d. 11 december 2020;
- Verzoek tot heroverweging van de verzoeker d.d. 21 januari 2021;
- Advies 2021-19 Commissie voor de toegang tot en het gebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur.” Behalve het voor verzoeker gunstige advies van de commissie, bevat dit dossier bijgevolg geen enkel stuk dat dateert van na het verzoek tot heroverweging en waaruit kan worden afgeleid op grond van welke motieven de verwerende partij heeft gemeend te mogen stilzitten en, op die manier, het verzoek tot heroverweging te mogen afwijzen. Uit het administratief dossier IX-9878-12/15 blijkt zelfs niet dat de verwerende partij het verzoek tot heroverweging zelfs maar heeft onderzocht. In zoverre ontbreekt de rechtens vereiste materiële motivering van de beslissing.
- Zo met de verwerende partij al zou kunnen worden aangenomen dat de materiële motieven van deze stilzwijgende beslissing kunnen blijken uit stukken die aan het verzoek tot heroverweging voorafgaan, en in het bijzonder uit haar beslissing van 22 december 2020, dient het navolgende te worden gesteld. In de motivering van de beslissing van 22 december 2020 ontbreekt elke referentie aan artikel 6 WOB of een uitdrukkelijke vermelding van een in artikel 6 WOB opgenomen uitzonderingsgrond. Het “beginsel van de wapengelijkheid, als essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces” is als zodanig ook niet opgenomen als een uitzonderingsgrond in artikel 6 WOB, zoals die bepaling luidt ten tijde van de bestreden beslissing. Zoals hiervóór is overwogen, volstaat de loutere vaststelling dat verzoeker in een hangend geding de strafrechter om neerlegging van de bedoelde documenten kan vragen hoe dan ook niet om de weigering te verantwoorden. Minstens – indien voor het debat wordt aangenomen dat met de referentie aan het recht op een eerlijk proces mogelijk een aanknopingspunt te vinden is in de uitzonderingsgrond opgenomen artikel 6, § 1, 2°, WOB (“de fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden”) én daargelaten of de verwerende partij een “bestuurde” is in de zin van die bepaling – blijkt niet dat de verwerende partij in concreto heeft onderzocht of effectief schade zou worden toegebracht aan de fundamentele rechten en vrijheden ingevolge de gevraagde IX-9878-13/15 openbaarmaking, noch dat zij tot enige reële, concrete afweging van de in geding zijnde belangen is toegekomen, zoals ook de commissie terecht opmerkt.
- Vooralsnog overtuigt de verwerende partij niet ervan dat een deugdelijk weigeringsmotief voorhanden is. Artikel 6 WOB en de materiëlemotiveringsplicht zijn in de aangegeven mate geschonden.
- De hierna uit te spreken nietigverklaring houdt in dat de verwerende partij na de betekening van dit arrest binnen de termijn bepaald in artikel 8, § 2, WOB een nieuwe beslissing dient te nemen, die op straffe van schending van het gewijsde van dit arrest niet meer met de hiervóór vastgestelde onwettigheid is behept. Dit betekent ook dat zij ditmaal noodzakelijk uitdrukkelijk uitspraak moet doen over het verzoek tot heroverweging dat verzoeker aan haar heeft gericht. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de stilzwijgende beslissing van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, waarbij het verzoek van XXXX tot heroverweging van zijn openbaarheidsvraag wordt afgewezen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9878-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-9878-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div