← België

Arrest 260972 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 Rolnummer: A. 240073/VII-42208 Zaak: Arrest 260972 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-22 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-18 14:23 Fiche Arrest nr 260.972 van 10 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 no lien 279163 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.972 van 10 oktober 2024 in de zaak A. 240.073/VII-42.208 In zake : J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robin Slabbinck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 14 juli 2023 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 21 april 2023 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot een perceel gelegen te Anzegem, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 29 februari 2024 een verslag opgesteld. VII-42.208-1/13 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Robin Slabbinck, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eigenaar van een perceel waarop destijds een woonhoeve werd opgericht bestaande uit acht ééngezinswoningen. 3.
  6. Op 15 maart 2023 stelt een natuurinspecteur van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat er zonder de daartoe vereiste machtiging jonge bomen en stoven zijn gekapt (hoofdzakelijk gewone es en gewone esdoorn). In het bos zouden ook verscheidene kleine houten gebouwen en een schommel opgericht zijn. Ten slotte zou er allerhande afval, afkomstig van de huurders van de aangrenzende percelen, zijn achtergelaten. 3.
  7. Deze vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 21 april
  8. Op dezelfde datum wordt aan verzoeker opgelegd om uiterlijk VII-42.208-2/13 tegen 31 juli 2023 alle afval en de schommel uit het bos te verwijderen, alsook een kapmachtiging ter regularisatie van de uitgevoerde werken aan te vragen. 3.
  9. Tegen deze beslissing stelt verzoeker bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. In het beroepschrift voert hij onder meer aan dat er geen sprake is van een bos, maar van een ‘private tuinzone met als nevenbestemming garages en tuinhuizen’, zoals aangeduid op het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) ‘Schaliënhof’. 3.
  10. Met het thans bestreden besluit van 14 juli 2023 wijst de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep als ongegrond af. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “Op 15 maart 2023 stelde natuurinspecteur […] vast dat op het perceel kadastraal gekend als Anzegem […] de stammen van jonge bomen en stoven doorheen het ganse bos waren afgezaagd. Het betrof een inheems loofbos van circa 2.500 m². Hoofdzakelijk gewone es en gewone esdoorn was afgestorven. Voor deze werken was geen kapmachtiging bekomen. In het bos stonden verschillende kleine houten gebouwen. Naast één van de gebouwen stond een houten schommel. Uit de luchtfoto’s opgenomen in bijlage 1 bij het aanvankelijk proces-verbaal, blijkt dat het gaat om een groot houten gebouw, een opslagplaats voor hout en materiaal en een tuinhuis. Verspreid over het bos, vooral rond de gebouwen, lag allerhande afval, met name hopen aarde en tuinafval, kattenbakvulling en houtskoolresten. Beroepsindiener is eigenaar van het perceel. Hij verklaart tijdens het verhoor op 7 april 2023 sedert eind jaren ’80 het perceel in eigendom te hebben. Hij verklaart zelf de bomen hebben gekapt voor verwarming van de woning van de huurders van de woningen op de omliggende percelen die eveneens in zijn bezit zijn. Hij meent deze praktijk reeds 30 jaar te doen. Omtrent het afval verklaart beroepsindiener dat de kattenbakvulling en het houtskool van de huurders van de omliggende percelen, eveneens in zijn eigendom, zijn. Het tuinafval zou uit hun tuinen komen. Verwerende partij stelde voor deze feiten op 21 april 2023 het aanvankelijk proces-verbaal met nr. KO.63M.H2.160048/2023 op. Op eenzelfde datum werd beroepsindiener via de bestreden beslissing verplicht om tegen uiterlijk 31 juli 2023 alle afval en de schommel uit het bos te verwijderen, alsook een regulariserende kapmachtiging voor de uitgevoerde werken aan te vragen. Bestuurlijke maatregelen kunnen overeenkomstig artikel 16.4.5 van het DABM worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf ten aanzien van diegene die het milieumisdrijf heeft gepleegd of daartoe opdracht heeft gegeven. Er moet daarom worden nagegaan of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-3/13 beroepsindiener een milieumisdrijf heeft gepleegd of daartoe opdracht heeft gegeven. Het proces-verbaal en de bestreden beslissing maken melding van een schending van onder andere artikels 81, 90 en 97 van het Bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: ‘Bosdecreet’). Elke kapping die niet is voorzien in een goedgekeurd beheerplan, moet door het ANB gemachtigd worden (artikel 81 van het Bosdecreet). In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het Agentschap voor Natuur en bos of indien ze voorzien zijn in het goedgekeurd beheersplan (artikel 90, tweede lid van het Bosdecreet). Het is verboden om constructies - zoals schommels - op te richten en in stand te houden en resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het ANB of zonder dat het is bepaald in het goedgekeurd beheerplan (artikel 97, § 2, 1° en 4° van het Bosdecreet). Het is tevens verboden om afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan (artikel 12, § 1 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: ‘Materialendecreet’). Het achterlaten van afvalstoffen omvat zowel het deponeren van afvalstoffen op een daartoe niet bestemde plaats als het verzuim om de gedeponeerde afvalstoffen op te ruimen. Door het kappen van bomen en stoven in het bos zonder kapmachtiging, het achterlaten van afval in bos, dan wel het nalaten het hierin gedeponeerde afval op te ruimen en het plaatsen van een schommel in het bos schond beroepsindiener artikels 81, 90 en 97 van het Bosdecreet en artikel 12, § 1 van het Materialendecreet. Deze schendingen van artikel 81, artikel 90 en artikel 97 van het Bosdecreet en artikel 12, § 1 van het Materialendecreet worden gehandhaafd volgens titel XVI van het DABM en vormen een milieumisdrijf, waarvoor kan worden overgegaan tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Verwerende partij kon rechtmatig overgaan tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen aan de beroepsindiener. Beroepsindiener stelt dat zijn rechten van verdediging werden geschonden doordat verwerende partij de bijlagen bij het aanvankelijk proces-verbaal niet aan hem overmaakte. Hij kan geen betwisting voeren omtrent de hierin opgenomen foto’s. Beroepsindiener heeft voorafgaand aan het opleggen van de bestreden beslissing zijn standpunt over de vaststellingen en de voorgenomen bestuurlijke maatregelen op nuttige wijze kenbaar kunnen maken. Het beroep tegen een besluit houdende bestuurlijke maatregelen betreft een georganiseerd administratief beroep met een devolutieve werking. De devolutieve werking van het beroep heeft tot gevolg dat een onregelmatigheden door de beslissing van de minister kunnen worden rechtgezet. De minister moet zich in graad van beroep namelijk een eigen oordeel vormen over de zaak en de ministeriële beslissing komt volledig in de plaats van de initiële beslissing. Er moet binnen de beroepsprocedure dan ook geen acht meer worden geslagen op eventuele onregelmatigheden waarmee de procedure in eerste aanleg zouden zijn behept, aangezien ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-4/13 eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in graad van beroep. Bijgevolg kunnen eventuele onregelmatigheden die gebeurd zouden zijn bij het overmaken van de bestreden beslissing aan beroepsindiener in beroep alsnog rechtgezet worden. Beroepsindiener heeft nagelaten de gewestelijke entiteit te verzoeken om deze documenten alsnog over te maken. Verder hebben bestuurlijke maatregelen eveneens geen repressief karakter of punitieve finaliteit. Ze hebben niet zozeer de bedoeling om beroepsindiener in persoon te raken of te straffen, maar hebben overeenkomstig artikelen 16.4.5 en 16.4.7 DABM tot doel om een milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen. Bestuurlijke maatregelen zijn immers gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu. Op bestuurlijke maatregen zijn de rechten van verdediging dan ook niet van toepassing gezien dit in beginsel enkel geldt in procedures die een strafvervolging inhouden, hetgeen in casu niet het geval is. Beroepsindiener meent dat geen sprake is van een bos, maar van een ‘private tuinzone met als nevenbestemming garages en tuinhuizen’, met name zone 14, zoals zijn inziens aangeduid op het BPA nr. 9 Schaliënhof van 23 oktober 1984 van Anzegem, deelgemeente Vichte. Beroepsindiener maakte dit plan tijdens zijn verhoor over aan de natuurinspecteur, die dit volgens hem echter achterhield, zodat er zijn inziens tevens sprake is van opzettelijk bedrog. Deze zone zou volgens de bouwvergunning van het woonerf gezamenlijk gebruikt moeten worden voor dit woonerf. Dat op die tuinzone zich deels grasperken, wandelpaden, bloeiende heesters en ander struikgewas, twee hoogstammige bomen, enkele composthopen en een schommel bevinden zou eigen zijn aan een tuinzone. Beroepsindiener betwist vooreerst de kwalificatie als ‘bos’. Artikel 3, § 1 van het Bosdecreet bepaalt dat ‘de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen’ onder de voorschriften van het decreet vallen. Uit deze bepaling volgt dat voor de kwalificatie van een perceel als ‘bos’ in de zin van het Bosdecreet elementen zoals de ruimtelijke bestemming volgens een gewestplan, ruimtelijk uitvoeringsplan of BPA niet determinerend zijn, maar dat de beoordeling van de feitelijke situatie ter plaatse bepalend is. Er blijkt inderdaad uit het proces-verbaal, de als bijlage gevoegde stukken/fotodossier en luchtfoto’s, raadpleegbaar via www.geopunt.be dat in de zone waar de bomen gekapt werden, het afval gedeponeerd werd en de schommel geplaatst werd een bosvegetatie aanwezig was: reeds op een luchtfoto van 8 september 1971 tot op heden is het betrokken perceel te zien met een gesloten bladerdak. Ook op, eveneens publiek raadpleegbare, Google Streetview […] is een bosvegetatie waarneembaar. Vervolgens bevat bijlage 2 (fotodossier) bij het aanvankelijk proces-verbaal niet minder dan 23 foto’s waarop de uitgevoerde werkzaamheden in detail waarneembaar zijn. Uit deze foto’s blijkt duidelijk dat er sprake is van een bos met een typische bosvegetatie, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1 van het Bosdecreet. In tegenstelling tot wat beroepsindiener beweert, bevat het aanvankelijk proces-verbaal wel de kopie van het BPA. Van enig bedrog ter zake is geen sprake. Uit het plan opgenomen in het BPA blijkt dat het betrokken perceel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-5/13 inderdaad in zone 14 gelegen is. Echter is zone 14 omschreven als ‘hoogstammige bomen’. Volgens de voorschriften geldend voor deze zone dienden destijds beuk, Noorse Esdoorn, Wilg en Haagbeuk te worden aangeplant. Dat deze zone na aanplant zou dienen als tuinzone is helemaal niet bepaald. De ‘zone voor tuin en bergingen’ waar beroepsindiener wellicht naar verwijst, betreft zone
  11. Aangezien binnen de veertien dagen na datum van afsluiting van het aanvankelijk proces-verbaal kopie van dit proces-verbaal werd overgemaakt aan beroepsindiener, hebben de zintuiglijke waarnemingen van de verbalisant, waaronder de visuele vaststelling dat er sprake was van een bos, kappingen, achterlaten van afval en de aanwezigheid van een schommel, hetgeen met grote hoeveelheid aan foto’s wordt gestaafd, overeenkomstig artikel 16.3.25 DABM bewijswaarde tot tegendeel. Deze bijzondere bewijswaarde geldt tot wanneer een beslissend bewijs van de onjuistheid van de materiële vaststellingen wordt voortgebracht. Een loutere ontkenning van of twijfel het in twijfel trekken van de vastgestelde feiten is niet voldoende. De beroepsindiener levert geen beslissend bewijs van onjuistheid van deze materiële vaststellingen. Derhalve mag met vertrouwen worden voortgegaan op deze vaststellingen van de verbalisant. Uit al deze elementen volgt derhalve dat er op het betrokken perceel sprake was van een bos in de zin van artikel 3, § 1 van het Bosdecreet. […]. De bosregelgeving is er op gericht om bos te behouden, te beschermen, te beheren en te herstellen en om de aanleg van bossen te regelen. Bossen hebben een belangrijke ecologische functie door onder meer de groei van inheemse boom- of struikvegetaties te bevorderen. De overheid heeft een duurzaam bosbeleid tot doel en richt zich op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor het behoud van bos en past het standstill-beginsel toe, zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit ervan. Dit brengt een gedeelde verantwoordelijkheid mee voor zowel de overheid als de boseigenaars. Het beleid moet de weerbaarheid van bossen vergroten en verder inzetten op de biodiversiteit. Voor het kappen van bomen, het wijzigen van de fysische toestand van het bos het oprichten van constructies in bos en het achterlaten van afval moet voorafgaandelijk een machtiging worden verleend. Zo kunnen bij de behandeling van de aanvraag de effecten van de handelingen op de natuurwaarden worden afgewogen. De bodem, de strooisel-, kruid-, of boomlaag van een bos zijn erg belangrijk, onder meer voor een goede vochtbalans of als schuilplaats en voedselbron voor fauna en flora. Goed ontwikkelde boslagen komen de biodiversiteit ten goede. Daarom kan een machtigingsaanvraag worden geweigerd of kunnen bij het verlenen van een machtiging voorwaarden worden opgelegd die gericht zijn op het beperken van de te verwachten of reeds aangebrachte natuurschade. Door het niet naleven van de voorgeschreven regels wordt het behalen van de doelstellingen van de regelgeving gehypothekeerd en kan herstel van de aangerichte schade aan het bos zich opdringen in de vorm van bestuurlijke maatregelen. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om de bestuurlijke maatregelen op te leggen die zij passend acht. Het beschikkende gedeelte van de bestreden beslissing beveelt de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-6/13 beroepsindieners om tegen uiterlijk 31 juli 2023 alle afval en de schommel uit het bos te verwijderen en een regulariserende kapmachtiging voor de uitgevoerde werken aan te vragen. Met oog op het behoud van een gelijkwaardig en even kwalitatief bosareaal nam de verwerende partij de bestreden beslissing, om zo een einde te stellen aan het vastgestelde milieumisdrijf, om de gevolgen ervan ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen. De opgelegde bestuurlijke maatregelen zijn gericht op de bescherming, het herstel en de instandhouding van het bos en scheppen de voorwaarden opdat de beboste percelen zich op termijn kunnen herstellen, zich (verder) kunnen ontwikkelen tot een biologisch waardevol bos met inheemse boom- en struikvegetaties en in de toekomst gevrijwaard kunnen blijven van schadelijke handelingen. De opgelegde bestuurlijke maatregelen stemmen inhoudelijk overeen met de vaststellingen die de verwerende partij ter plaatse deed. Het vooropgestelde herstel dat via de bestreden beslissing werd bevolen, is niet kennelijk onredelijk of disproportioneel.” IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  12. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 3, 81, 90 en 97 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van artikel 12, § 1, van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: Materialendecreet), van artikel 16.4.4 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en van de materiële- en de formelemotiveringsplicht. Verzoeker stelt dat bestuurlijke maatregelen werden opgelegd die strekken tot de verwijdering van bepaalde goederen en het aanvragen van een kapmachtiging voor de uitgevoerde werken, omdat er sprake zou zijn van een bos in de zin van het Bosdecreet van 13 juni 1990, terwijl het in werkelijkheid gaat om een tuin zoals bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. De bestreden beslissing steunt bijgevolg niet op in rechte juiste motieven en getuigt evenmin van een zorgvuldig onderzoek. VII-42.208-7/13 Volgens verzoeker bestaan er diverse objectieve elementen die een kwalificatie als ‘tuin’ ondersteunen, met name:

(1)het jarenlange gebruik als gemeenschappelijke tuinzone bij de woonhoeve met acht woonentiteiten,
(2)de aanwezigheid van paden, tuinhuizen, houtbergingen, speeltoestellen (schommel) en composthopen, zoals wordt bevestigd door luchtfoto’s en door de vergunde bouwplannen van 1992,
(3)de bepalingen van het BPA ‘Schaliënhof’ die het betrokken perceel bestemmen tot zone voor private tuin met als nevenbestemming zone voor bergplaatsen en tuingebouwen,
(4)foto’s van Google Streetview die aantonen dat de extensieve tuinbegroeiing doorheen de jaren quasi identiek is gebleven en
(5)de betrokken tuinzone voordien nooit als ‘bos’ werd gekwalificeerd.
  1. De verwerende partij werpt vooreerst op dat in de uiteenzetting van het enige middel de schending van de artikelen 81, 90 en 97 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet en van artikel 16.4.4 DABM niet wordt toegelicht, zodat het middel wat betreft de aangehaalde bepalingen niet ontvankelijk is. Over de grond van de zaak antwoordt zij dat de juridische kwalificatie van het betrokken perceel als bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 niet afhangt van de ruimtelijke bestemming van het gebied maar van de feitelijke toestand ter plaatse, dat uit de stukken van het administratief dossier genoegzaam blijkt dat het perceel als bos moet worden aangemerkt, dat de beweerde aanwezigheid van paden, tuinhuizen, houtbergingen, speeltoestellen en composthopen niet tot een ander besluit kan leiden en dat het in elk geval niet gaat om een zogenaamde “extensieve tuinbegroeiing”. De bewering dat het om een tuin zou gaan volgens de bepalingen van het BPA ‘Schaliënhof’ gaat niet op omdat in zone 20 het stedenbouwkundige voorschrift C14 met betrekking tot ‘hoogstammige bomen’ van toepassing is waarbij Noorse Esdoorn, Wilg en Haagbeuk moesten worden aangeplant. In de stedenbouwkundige voorschriften van het betrokken BPA zijn er voorschriften voorzien voor zone 14, maar eveneens voor zone
  2. In tegenstelling tot andere zones wordt de zone 20 niet numeriek op de grafische voorstelling vermeld, zodat deze enkel kan worden afgelezen aan de hand van de op de kleur in overdruk aangebrachte symbolen. De ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-8/13 vaststelling in de bestreden beslissing dat het in voorliggend geval niet gaat om een ‘tuinzone’ is correct. De omstandigheid dat het bos gelegen is naast een private tuinzone (zone 14) doet daar geen afbreuk aan. Artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 werd bijgevolg niet geschonden. De schending van het vertrouwensbeginsel kan niet ingeroepen worden tegen de correcte toepassing van een wettelijke bepaling. Bovendien is er geen sprake van enige toezegging door het bestuur dat er geen kapmachtiging vereist zou zijn, noch dat het in casu niet om een ‘bos’ zou gaan.
  3. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker over de beweerde niet ontvankelijkheid van het middel: “Het is nochtans zeer duidelijk dat het uitgangspunt van verwerende partij - meer bepaald de foutieve kwalificatie als ‘bos’ in de zin van artikel 3, § 1 Bosdecreet - wordt bestreden. De vaststelling dat er in casu geen ‘bos’ voorhanden is, doet immers onmiddellijk besluiten dat de door verwerende partij weerhouden schendingen van het Bosdecreet en het Materialendecreet niet opgaan. Dat de beweerde inbreuken op het Bosdecreet en het Materialendecreet afhankelijk zijn van de kwalificatie als ‘bos’ blijkt overduidelijk uit het bestreden besluit [...]: ‘Door het kappen van bomen en stoven in het bos zonder kapmachtiging, het achterlaten van afval in bos, dan wel het nalaten het hierin gedeponeerde afval op te ruimen en het plaatsen van een schommel in het bos schond beroepsindiener artikels 81, 90 en 97 van het Bosdecreet en artikel 12, § 1 van het Materialendecreet.’ Zonder ‘bos’, ook geen inbreuken op de voormelde bepalingen. Dit impliceert ook onmiddellijk dat onterecht een bestuurlijke maatregel werd opgelegd. De verwerende partij heeft dit zeer goed begrepen, nu er in de memorie van antwoord vervolgens wordt ingegaan op de aangevoerde schending van het begrip bos ex artikel 3 Bosdecreet.” Over de grond van de zaak zet hij uiteen dat in de memorie van antwoord niet wordt tegengesproken dat de uitzonderingsbepaling voor ‘tuinen’ ex artikel 3, § 3, tweede lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 in de bestreden beslissing niet ter sprake wordt gebracht, dat in de memorie van antwoord nieuwe argumenten worden bijgebracht om te verantwoorden waarom die uitzonderingsbepaling niet van toepassing zou zijn en dat met die bijkomende argumentatie evenwel geen rekening kan worden gehouden. Voorts erkent verzoeker dat de planologische bestemming van het perceel op zich niet bepalend ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-9/13 is om uit te maken of er al dan niet sprake is van een bos in de zin van het Bosdecreet van 13 juni
  4. Echter kan de planologische bestemming een belangrijke aanwijzing vormen, te meer omdat in het BPA ‘Schaliënhof’ blijkbaar werd gekozen voor een bestemming die samenviel met het feitelijk gebruik. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing ‘zone 14’ (private tuin, met als nevenbestemming bergplaatsen en tuingebouwen) kennelijk wordt verward met de aanvullende voorschriften ‘C14’ die geenszins van toepassing zijn op die zone
  5. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de motieven in de bestreden beslissing die handelen over de feitelijke toestand ter plaatse door verzoeker niet worden betwist, dat op grond van die motieven aangenomen kan worden dat er wel degelijk sprake is van een bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en dat uit die motieven impliciet doch zeker voortvloeit dat het niet gaat om een tuin. In het licht van die decisieve motieven zijn de beschouwingen over de bestemming volgens het BPA ‘Schaliënhof’ in wezen overtollig. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  6. In het middel wordt een rechtstreekse schending van de artikelen 81, 90 en 97 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet en van artikel 16.4.4 DABM niet toegelicht zodat het middel wat betreft die geschonden geachte bepalingen niet ontvankelijk is. Gegrondheid van het middel
  7. Artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 definieert “bossen” als “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. De juridische kwalificatie van een grondoppervlakte als bos in de zin van het Bosdecreet hangt in beginsel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 VII-42.208-10/13 niet af van de ruimtelijke bestemming van het gebied, maar wel van de feitelijke toestand dat een grondoppervlak hoofdzakelijk wordt ingenomen door bomen en houtachtige struikvegetaties.
  8. Luidens artikel 3, § 3, punt 2, van hetzelfde decreet vallen “tuinen, plantsoenen en parken” niet onder de voorschriften van het Bosdecreet. Deze uitzonderingsbepaling zou zinledig zijn als tuinen, plantsoenen en parken of gedeelten ervan die bebost zijn als bos zouden worden gekwalificeerd in de zin van artikel 3, § 1, van het decreet. De spraakgebruikelijke betekenis van deze termen sluit immers niet uit dat bomen en houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken van bepaalde tuinen, plantsoenen en parken of gedeelten ervan.
  9. In zijn beroepschrift bij de verwerende partij heeft verzoeker in substantie opgeworpen dat het betrokken perceel behoort tot de gedeelde private tuin van een woonhoeve bestaande uit acht ééngezinswoningen. Die stelling heeft hij onderbouwd door te wijzen op de bestemming die het BPA ‘Schaliënhof’ aan het betrokken perceel (zone 14) heeft gegeven en op de vergunde bouwplannen van de woonhoeve. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij op doorslaggevende wijze belang heeft gehecht aan de visuele vaststellingen dat er een “bosvegetatie” met een “gesloten bladerdak” aanwezig is zodat “er sprake is van een bos met een typische bosvegetatie, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1 van het Bosdecreet”. Die vaststellingen sluiten echter niet uit dat het betrokken perceel juridisch gekwalificeerd moet worden als een tuin in de zin van artikel 3, § 3, punt 2, van het Bosdecreet van 13 juni
  10. Dit is nog minder uit te sluiten nu in de bestreden beslissing wordt bevestigd dat “[u]it het plan opgenomen in het BPA blijkt dat het betrokken perceel inderdaad in zone 14 gelegen is”. Die zone is volgens de stedenbouwkundige voorschriften van tabel 2 “Open ruimten” van het BPA ‘Schaliënhof’ bestemd tot “private tuin” met als nevenbestemming zone voor “bergplaatsen en tuingebouwen”. VII-42.208-11/13
  11. Door niet of minstens niet met de vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken of het beboste perceel valt onder de uitzonderingsbepaling voor tuinen heeft de verwerende partij artikel 3 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
  12. Het enige middel is gegrond. BESLISSING
  13. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 14 juli 2023 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 21 april 2023 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot een perceel gelegen te Anzegem, ongegrond wordt verklaard.
  14. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  15. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. VII-42.208-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.208-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.