id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 Rolnummer: A. 239621/VII-42132 Zaak: Arrest 260973 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-14 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 05:01 Fiche Arrest nr 260.973 van 10 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 no lien 279164 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 260.973 van 10 oktober 2024 in de zaak A. 239.621/VII-42.132 In zake :
- de NV ANTWERPS SPORTPALEIS, thans de NV BE-AT VENUES
- de NV GOLAZO SPORTS
- de BV WEAREONE.WORLD
- de BV THE FACTORY
- de NV LIVE NATION FESTIVALS
- de BV NIGHT NATION
- de VZW CONFEDERATION EVENTS
- de BV BEVERLY FOOD AND BEVERAGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan-Diederik Lindemans en Wietse Vanpoucke kantoor houdend te 1000 Brussel Joseph Stevensstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Jonckheere kantoor houdend te 2020 Antwerpen Tentoonstellingslaan 23 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Verbist, Joyce Van Caeyzeele en Valerie Goyvaerts kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187, bus 302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 juli 2023, strekt tot de gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’. VII-42.132-1/14 Blijkens het verzoekschrift is het voorwerp van het vernietigingsberoep uitdrukkelijk beperkt tot de “uitzondering, vermeld in het eerste lid, [die] vervalt vanaf 1 januari 2025”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 11 januari 2024 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wietse Vanpoucke, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Johan Verbist en Valerie Goyvaerts, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-42.132-2/14 III. Feiten en juridisch kader 3.
- De verzoekende partijen zijn actief in de evenementensector. 3.
- Met een besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 2019 werd in het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: VLAREMA) een nieuwe onderafdeling 5.3.12 ingevoegd waarvan de bepalingen betrekking hadden op de “[v]oorwaarden voor het gebruik van cateringmateriaal”: “Art. 5.3.12.
- Vanaf 1 januari 2020 is het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik bij evenementen verboden, tenzij de eventorganisator een systeem voorziet dat garandeert dat minstens 90% van de eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor recyclage. Vanaf 1 januari 2022 is het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik bij evenementen verboden, tenzij de eventorganisator een systeem voorziet dat garandeert dat minstens 95% van de eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor recyclage. Art. 5.3.12.
- Vanaf 1 januari 2020 is het voor Vlaamse overheden en lokale besturen in hun eigen werking en door hen georganiseerde evenementen verboden drank te serveren in recipiënten voor eenmalig gebruik. Vanaf 1 januari 2022 is dit verbod ook van toepassing op het aanbieden van bereide voedingsmiddelen in cateringmateriaal voor eenmalig gebruik. Art. 5.3.12.
- De minister kan uitzonderingen voorzien op artikel 5.3.12.1 en 5.3.12.2 als het verbod in kwestie voor bepaalde types cateringmateriaal in bepaalde toepassingen niet zal leiden tot milieuwinst.” 3.
- Op 2 juli 2019 treedt Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 ‘betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu’ (hierna: Richtlijn 2019/904) in werking. Overeenkomstig artikel 1 heeft Richtlijn 2019/904 tot doel “de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu, in het bijzonder op het aquatisch milieu, en op de menselijke gezondheid te voorkomen en te verminderen, en de overgang naar een circulaire economie met innovatieve en duurzame bedrijfsmodellen, producten en materialen te bevorderen, en zo ook bij VII-42.132-3/14 te dragen aan de efficiënte werking van de interne markt”. Richtlijn 2019/904 is onder meer van toepassing op “kunststofproducten voor eenmalig gebruik”. Daartoe behoren onder meer “drankverpakkingen”, meer bepaald “containers voor het houden van vloeistof zoals drankflessen, doppen en deksels inbegrepen, en samengestelde drankverpakkingen, doppen en deksels inbegrepen”. Glazen en metalen drankverpakkingen, zo verduidelijkt overweging 7 van Richtlijn 2019/904, vallen niet onder het toepassingsgebied “[a]angezien ze niet tot de kunststofproducten voor éénmalig gebruik behoren die het vaakst op de stranden van de Unie worden aangetroffen”. Artikel 4 van Richtlijn 2019/904 luidt als volgt: “
- De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om tot een ambitieuze en aanhoudende consumptievermindering te komen van de in deel A van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van het afvalbeleid van de Unie, met name afvalpreventie, die de trend van toenemende consumptie in aanzienlijke mate moet ombuigen. Met deze maatregelen wordt op het grondgebied van de lidstaat in 2026 een meetbare kwantitatieve consumptievermindering ten opzichte van 2022 bereikt van de in deel A van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik. De lidstaten stellen uiterlijk op 3 juli 2021 een overzicht op van de maatregelen die zij krachtens de eerste alinea hebben genomen, brengen dat ter kennis van de Commissie en maken dat openbaar. De in het overzicht vermelde maatregelen worden in de in artikel 11 bedoelde plannen of programma’s verwerkt bij de eerste daaropvolgende actualisering van die plannen of programma’s, overeenkomstig de desbetreffende wetgevingshandelingen van de Unie die op deze plannen of programma’s van toepassing zijn, of in enig programma dat speciaal voor dat doel is opgesteld. De maatregelen kunnen de vorm aannemen van nationale doelstellingen voor consumptievermindering, maatregelen om ervoor te zorgen dat de eindconsument bij verkooppunten herbruikbare alternatieven voor de in deel A van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik vindt, economische maatregelen zoals ervoor zorgen dat verkooppunten kunststofproducten voor eenmalig gebruik niet gratis aan de eindconsument aanbieden, of overeenkomsten als bedoeld in artikel 17, lid
- Om te voorkomen dat deze producten als zwerfafval eindigen door ervoor te zorgen dat deze producten vervangen worden door alternatieven die herbruikbaar zijn of geen kunststoffen bevatten, kunnen de lidstaten marktbeperkingen opleggen in afwijking van artikel 18 van Richtlijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 VII-42.132-4/14 94/62/EG. Welke maatregel wordt toegepast, hangt af van de effecten op het milieu van die kunststofproducten voor eenmalig gebruik gedurende hun levenscyclus, ook wanneer ze als zwerfafval eindigen. De krachtens dit lid vastgestelde maatregelen zijn proportioneel en niet-discriminerend. De lidstaten stellen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad, de Commissie van die maatregelen in kennis, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft. Ter naleving van de eerste alinea van dit lid monitort elke lidstaat de in deel A van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik die in de handel worden gebracht en de maatregelen ter vermindering van die producten, en brengt hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel en artikel 13, lid 1, verslag uit aan de Commissie over de voortgang, met het oog op het vaststellen van bindende kwantitatieve doelstellingen voor consumptievermindering op EU-niveau.
- De Commissie stelt uiterlijk op 3 januari 2021 een uitvoeringshandeling vast met de methode voor de berekening en de verificatie van de ambitieuze en aanhoudende consumptievermindering van de in deel A van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.” Naar luid van artikel 17 van Richtlijn 2019/904 dienen lidstaten “de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking [te doen] treden om uiterlijk op 3 juli 2021 aan deze richtlijn te voldoen”. 3.
- Met een besluit van 12 mei 2023 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023) voorziet de Vlaamse regering in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2019/
- In het verslag aan de Vlaamse regering wordt op algemene wijze toegelicht: “De Europese richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu, kortweg SUP-richtlijn, verplicht lidstaten maatregelen te nemen om de consumptie te verminderen van een aantal eenmalige kunststofproducten. De SUP-richtlijn legt een daling op (tussen 2022 en 2026) in het gebruik van eenmalige plastic bekers en eenmalige plastic verpakkingen van voeding voor consumptie ter plaatse en om mee te nemen. Verder richt de Vlaamse beleidslijn zich op afvalpreventie met een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 VII-42.132-5/14 versterking van maatregelen vooraan in de keten om een daling van het materialengebruik -en verlies en zo ook de overgang naar een meer circulaire economie te stimuleren. Voorliggend ontwerpbesluit bevat een voorstel dat tegemoet komt aan deze verplichtingen en beleidsvisie. Als antwoord op deze doelstelling uit de SUP richtlijn verbiedt de federale overheid in een KB het op de markt brengen van eenmalige kunststof drinkbekers, uitgezonderd van kartonnen drinkbekers met coating met ingang vanaf 17 januari
- Een verbod op het ene wegwerpmateriaal mag echter geen aanleiding geeft tot een verschuiving naar andere wegwerpverpakkingen. We willen dus vermijden dat dit verbod leidt tot een verschuiving van eenmalige plastic bekers naar andere wegwerpdrankverpakkingen. Daarom wordt de regelgeving voor het gebruik van herbruikbare recipiënten op evenementen verduidelijkt en aangescherpt zodat ze bijdraagt tot een effectieve vermindering van het gebruik van eenmalige drankrecipiënten ; en een toename van het hergebruik van herbruikbare alternatieven. Volgens de afvalhiërarchie, ook gekend als de ladder van Lansink, is het vermijden en hergebruiken van grondstoffen op milieuvlak te verkiezen, pas daarna volgt recyclage. Elke recyclagecyclus gaat namelijk gepaard met een groot verlies aan kostbare materialen. Voor producten met een korte levensduur, zoals drank -en voedselverpakkingen, betekent dit een groot gecumuleerd verlies aan grondstoffen. Ook willen we vermijden dat herbruikbare alternatieven worden ingezet als wegwerp. Herbruikbaar cateringmateriaal blijkt uit onderzoek (OVAM, 2020; CE Delft, 2020; Zero Waste Europe, 2020; United Nations Environment Programme, 2021) altijd de beste optie, op voorwaarde dat een voldoende aantal hergebruikscycli gerealiseerd wordt. In de wetgeving scheppen we daarom een kader voor hergebruik met een retoursysteem en een minimaal terugbrengpercentage. Sinds de VLAREMA-maatregel rond recipiënten voor eenmalig gebruik op evenementen in 2020 hebben we de bekercapaciteit, het wasvolume en de terugbrenglogistiek enorm zien toenemen en professionaliseren. In elke provincie is er momenteel wascapaciteit. We stellen vast dat het aanbod de vraag, die onder andere door wetgeving verzekerd wordt, volgt. Ook blijkt dat op evenementen waar er volledig wordt overgeschakeld op herbruikbare recipiënten, de netheid van het terrein enorm toeneemt, en daar tegenover de totale afvalberg en het zwerfvuil drastisch dalen.” 3.
- Met het gedeeltelijk bestreden artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 wordt artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA vervangen door de volgende bepalingen: “Vanaf 15 juni 2023 is het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik bij evenementen verboden, met uitzondering van petflessen en blikjes als de eventorganisator daarvoor in een systeem voorziet dat garandeert dat minstens 95% van die eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor recyclage. VII-42.132-6/14 Voor evenementen, vermeld in het eerste lid, georganiseerd in 2023 kan de minister uitzonderingen voorzien als de eventorganisator kan aantonen dat ondanks tijdige en behoorlijke inspanningen voor een bepaald evenement er onvoldoende capaciteit aan herbruikbare recipiënten en/of wasfaciliteiten beschikbaar is. De uitzondering, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf 1 januari 2025.” In het verslag aan de Vlaamse regering wordt de door te voeren wijziging van de regelgeving als volgt toegelicht: “De aanpassingen in art. 5.3.12.1 ondersteunen de beleidsvisie omtrent afvalpreventie. Deze richt zich op maatregelen vooraan in de keten, versterkt het Vlaamse materialenbeleid met minder materialengebruik en minder materialenverlies en stimuleert zo de overgang naar een meer circulaire economie. Met de maatregelen op evenementen wordt dus bewust gekozen voor afvalpreventie en het stimuleren van hergebruik en niet voor het stimuleren van de inzameling van drankrecipiënten voor eenmalig gebruik. Daarnaast legt de Europese SUP-richtlijn de verplichting op het gebruik van eenmalige plastic bekers en voedselverpakkingen af te bouwen. Een nieuw koninklijk besluit betreffende producten voor eenmalig gebruik en ter bevordering van herbruikbare producten geeft uitvoering aan de richtlijn en verbiedt vanaf 17 januari 2023 het op de markt brengen van kunststof wegwerpdrinkbekers (met uitzondering van kartonnen bekers met een laagje coating). Uit onderzoek (CE Delft, 2020) blijkt dat eenmalige alternatieven voor kunststoffen cateringmateriaal qua milieu-impact vergelijkbaar of zelfs beperkt slechter scoren. We willen dus absoluut vermijden dat dit verbod leidt tot een verschuiving van eenmalige plastic bekers naar andere wegwerpdrankverpakkingen. Bovendien blijkt de regel dat op evenementen het gebruik van eenmalige recipiënten voor het serveren van drank is toegestaan, als ze voor meer dan 95% worden ingezameld, in de praktijk niet handhaafbaar is. De 95%-maatregel veronderstelt een weging van de aangekochte verpakkingen en de verpakkingen die als afval het terrein verlaten. Aan de consumptiezijde moeten alle drankverpakkingen eveneens gemonitord worden. Dit blijkt in de praktijk niet realiseerbaar voor organisatoren en niet te controleren voor handhavers, waardoor het de toepassing van de wetgeving ondermijnt. Daarnaast blijkt dat op evenementen waar er volledig wordt overgeschakeld op herbruikbare recipiënten, de netheid van het terrein enorm toeneemt, en daar tegenover de totale afvalberg en het zwerfvuil drastisch daalt. De bedoeling is dus om bij te dragen tot een effectieve vermindering van het gebruik van eenmalige recipiënten, en, in lijn met de verplichtingen voor overheden, ook voor niet-overheden een verschuiving te veroorzaken van wegwerpverpakkingen naar recipiënten voor hergebruik. Vandaar wordt hier een traject opgenomen richting een algemeen verbod op het gebruik van drankverpakkingen voor eenmalig gebruik op evenementen. We stellen een gefaseerde aanpak voor zodat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 VII-42.132-7/14 sector en het aanbod op de markt voldoende tijd krijgen om zich aan te passen. In de beslissingsbomen is bepaald dat in geval er handelaren of horeca in een bepaalde evenementenzone gelegen zijn, er moet bekeken worden of deze deel uitmaken van het evenement. Een handelaar of horeca-uitbater maakt deel uit van het evenement wanneer hij aangeeft er effectief deel van uit te maken door bijvoorbeeld een buitentoog te plaatsen. De beslissingsboom bepaalt ook dat de lokale overheid dit anders kan bepalen. Maatregelen op maat van de context van een gemeente of stad worden op die manier aangemoedigd.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie
- In zijn verslag werpt de auditeur-verslaggever ambtshalve op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de bestreden reglementaire bepaling onlosmakelijk verbonden is met de overige verordenende bepalingen van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei
- De verzoekende partijen repliceren in hun laatste memorie dat het eerste middel de openbare orde raakt zodat “de beweerde onontvankelijkheid van het annulatieberoep irrelevant is”. Voorts argumenteren zij enkel belang te hebben bij een gedeeltelijke vernietiging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 aangezien zij zich niet kanten tegen de invoering van de herbruikbare beker als dusdanig en dat zij evenmin de voorwaarde in verband met het vooropgestelde percentage van inzameling van petflessen en blikjes voor recyclage wensen aan te vechten. Volgens de verzoekende partijen is de bestreden bepaling wel degelijk afsplitsbaar van de overige bepalingen van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei
- De artikelen 5, 9, § 1, en 21 van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: materialendecreet) noch Richtlijn 2019/904 voorzien immers in een verplichte koppeling tussen de invoering van de herbruikbare beker en het verbod van het gebruik van blik en petflessen. Bovendien steunt het verbod op blik- en petverpakkingen in de evenementensector op “specifieke motieven” die niet noodzakelijk verband houden met de andere bepalingen van artikel 6 van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 VII-42.132-8/14 besluit van de Vlaamse regering van 12 mei
- Vervolgens benadrukken de verzoekende partijen dat met zekerheid aangenomen moet worden dat “de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen” waarbij zowel de “invoering van de herbruikbare beker als de 95%-uitzonderingsmaatregel […] noodzakelijkerwijze gehandhaafd [zouden] blijven”. Beoordeling
- De verzoekende partijen vorderen enkel de nietigverklaring van het derde lid van artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA, zoals vervangen door artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei
- Daarbij kanten zij zich in het bijzonder tegen “het veralgemeend verbod op petflessen en blikjes dat in de evenementensector wordt ingevoerd met ingang van 1 januari 2025”. Het voordeel dat de verzoekende partijen met het beroep tot nietigverklaring nastreven, komt er in wezen op neer dat zij de uitzonderingsbepaling voor het aanbieden van petflessen en blikverpakkingen bij evenementen behouden wensen te zien als voorzien wordt in een systeem van gescheiden inzameling voor recyclage van minstens 95% van de gebruikte eenmalige recipiënten.
- De aangevochten bepaling is een onderdeel van een ruimer verordenend besluit. Een reglementair besluit is in beginsel één en ondeelbaar en kan in principe niet op ontvankelijke wijze gedeeltelijk met een annulatieberoep worden bestreden. Van dit beginsel kan slechts worden afgeweken onder een dubbele voorwaarde. In de eerste plaats moet blijken dat de gedeeltelijke vernietiging aan de verzoekende partijen volledige genoegdoening schenkt in het licht van hun aangevoerde belang. Daarnaast moet komen vast te staan dat het vernietigde gedeelte kan worden afgesplitst van de rest van de bestreden akte en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou immers tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming of wijziging van het reglementair besluit, vermits dat besluit voor het overige hoe dan ook zou blijven bestaan. VII-42.132-9/14
- Luidens de rubriek “Rechtsgronden” in de aanhef vindt het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 rechtsgrond in de artikelen 5, 9, § 1, en 21 van het materialendecreet. Artikel 5 van het materialendecreet bepaalt onder meer dat de Vlaamse regering met het oog op het bereiken van de doelstellingen, vermeld in artikel 4 van dat decreet, materialen kan aanduiden en voorwaarden kan bepalen voor het gebruik of verbruik ervan. Tot die doelstellingen behoort onder andere het vaststellen van maatregelen om een circulaire economie te bevorderen en om materiaalkringlopen tot stand te brengen waarbij de gezondheid van de mens en het milieu beschermd worden door “afvalproductie en de negatieve gevolgen van afvalproductie en -beheer te voorkomen of te verminderen”, alsook het vaststellen van maatregelen waarbij steeds gestreefd wordt naar het beste resultaat voor milieu en gezondheid, rekening houdend met de effecten die optreden tijdens de volledige levenscyclus, en waarbij als prioriteitsvolgorde een hiërarchie wordt bepaald, waarin “de preventie van afvalstoffen en een efficiënter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen” voorop staat. Artikel 9, § 1, van het materialendecreet bepaalt dat de Vlaamse regering de nodige passende maatregelen neemt om, onder meer, ervoor te zorgen dat “het hergebruik van voorwerpen en componenten van voorwerpen en activiteiten ter voorbereiding van hergebruik worden bevorderd”. Op grond van artikel 21 van het materialendecreet kan de Vlaamse regering, om onder meer preventie van afvalstoffen te stimuleren, maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat eenieder die beroepsmatig producten verkoopt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid draagt. In het verslag aan de Vlaamse regering over het ontwerp dat het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 is geworden, wordt gesteld dat de overheid “bewust [heeft] gekozen voor afvalpreventie en het stimuleren van hergebruik en niet voor het stimuleren van de inzameling van drankrecipiënten voor eenmalig gebruik”, dat zij “absoluut [wil] vermijden dat dit verbod [tot het op de markt brengen van kunststof wegwerpdrinkbekers] leidt tot een verschuiving van eenmalige plastic bekers naar andere wegwerpdrankverpakkingen” en dat het VII-42.132-10/14 haar bedoeling is “om bij te dragen tot een effectieve vermindering van het gebruik van eenmalige recipiënten, en, in lijn met de verplichtingen voor overheden, ook voor niet-overheden een verschuiving te veroorzaken van wegwerpverpakkingen naar recipiënten voor hergebruik”. Bovendien wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de bestaande inzamelingsmaatregel, bedoeld in artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA “in de praktijk niet realiseerbaar [is] voor organisatoren en niet te controleren [valt] voor handhavers, waardoor het de toepassing van de wetgeving ondermijnt”. Daarom wordt voorzien in een “traject […] richting een algemeen verbod op het gebruik van drankverpakkingen voor eenmalig gebruik op evenementen” en wordt een “gefaseerde aanpak voor[gesteld] zodat de sector en het aanbod op de markt voldoende tijd krijgen om zich aan te passen”. Voorts blijkt uit hetzelfde verslag dat de bestreden bepaling niet alleen steun vindt in (de omzetting van) Richtlijn 2019/904, maar ook dat de “aanpassingen in art. 5.3.12.1 […] de beleidsvisie omtrent afvalpreventie [ondersteunen]. Deze richt zich op maatregelen vooraan in de keten, versterkt het Vlaamse materialenbeleid met minder materialengebruik en minder materialenverlies en stimuleert zo de overgang naar een meer circulaire economie”.
- De beperking van het voorwerp van het vernietigingsberoep tegen artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot de “uitzondering, vermeld in het eerste lid, [die] vervalt vanaf 1 januari 2025”, impliceert dat de Raad van State door de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht zich zou inmengen in de regelgevende bevoegdheid en de beleidsvrijheid van de verwerende partij. Een gedeeltelijke vernietiging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 zou immers tot gevolg hebben dat artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA in die zin wordt hervormd dat de in het eerste lid gemaakte uitzondering voor het eenmalig gebruik van petflessen en blikjes bij evenementen op voorwaarde dat de organisator maatregelen neemt die waarborgen dat 95% van de petflessen en blikjes wordt ingezameld voor recyclage, die bij de totstandkoming van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 louter bedoeld was als overgangsmaatregel om de sector in staat te stellen zich voor te bereiden op een totaalverbod vanaf 1 januari 2025, een definitief karakter zou ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 VII-42.132-11/14 krijgen. In het verslag aan de Vlaamse regering wordt nochtans in duidelijke bewoordingen aangegeven dat de stellers van het besluit van oordeel waren dat de te nemen maatregelen met het oog op de recyclage van 95% van de eenmalig gebruikte petflessen en blikjes, bedoeld in het eerste lid van artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA, de “wetgeving ondermijnt” omdat ze in de praktijk niet realiseerbaar en niet controleerbaar zijn. Het komt aan de Vlaamse regering toe om dat standpunt op grond van nieuwe inzichten of ontwikkelingen mogelijk te heroverwegen. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij, ook zonder het aangevochten derde lid van artikel 5.3.12.1 van het VLAREMA, zoals vervangen door het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023, met zekerheid dezelfde bepalingen met betrekking tot het gebruik van petflessen en blikjes bij evenementen zou hebben uitgevaardigd.
- In dit geval brengt de conclusie dat het beroep niet ontvankelijk is mee dat de aangevoerde middelen niet moeten worden onderzocht, zodat de bewering dat het eerste middel de openbare orde raakt niet ter zake doet. Hetzelfde geldt voor de opmerking van de verzoekende partijen dat het materialendecreet noch Richtlijn 2019/904 voorzien in een koppeling tussen de invoering van de herbruikbare beker en het verbod van het gebruik van blik en petflessen bij evenenmenten. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep, zoals uiteengezet in randnummer 9, steunt immers niet op een dergelijke koppeling.
- Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.600 euro, elk voor een achtste, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.132-12/14 VII-42.132-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.132-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.973 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div