id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 Rolnummer: A. 239861/XII-9532 Zaak: Arrest 260996 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 10/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-17 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-13 05:12 Fiche Arrest nr 260.996 van 10 oktober 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping overige Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2023 ecli_ordre 256.802 ecli_typedec 256 ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision 256 ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802 invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision 256 ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 no lien 279183 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 260.996 van 10 oktober 2024 in de zaak A. 239.861/XII-9532 In zake : C.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristin Dewever en Aniek Van de Velde kantoor houdend te 8720 Wakken Kasteeldreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Verheyleweghen kantoor houdend te 1785 Merchtem Wolvertemsesteenweg 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek 1. Het verzoek, ingesteld op 18 augustus 2023, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van de onwettigheden vastgesteld in arrest nr. 256.802 van 15 juni 2023. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. XII-9532-1/23 Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aniek Van de Velde, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Van Roy, die loco advocaat Claude Verheyleweghen, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Aanleiding tot het verzoek 3. Bij arrest nr. 256.802 van 15 juni 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802) vernietigt de Raad van State de beslissing van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna: het RIZIV) van 23 april 2021 waarbij verzoeksters aanvraag tot het uitoefenen van een bijkomende activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis wordt geweigerd, op grond van de volgende overwegingen: XII-9532-2/23 “7. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het enige middel op grond van de volgende overwegingen: “Artikel 4, §1, van het koninklijk besluit nr. 35 luidt als volgt: ‘§ 1. De adviserend geneesheer voert zijn opdracht voltijds uit. Zijn activiteit kan over meerdere verzekeringsinstellingen verdeeld zijn. De kandidaat adviserend geneesheer die is erkend door het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle om zijn taak voltijds te vervullen, verbindt zich ertoe ten minste achtendertig uren per week effectieve dienst te verrichten, verdeeld volgens de richtlijnen van de geneesheer-directeur van de verzekeringsinstelling. Hij verbindt zich er schriftelijk toe om zijn medische activiteit te beperken tot de loutere taken die hem door de verzekeringsinstellingen zijn toevertrouwd, in overeenstemming met de wetten, besluiten en richtlijnen van het Comité. Hij kan geen andere bijkomende medische activiteit uitoefenen, behalve wanneer hij daarvoor de steeds herroepbare toestemming van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle krijgt op voorstel van de geneesheer-directeur van de verzekeringsinstelling.’ Het laatste lid van het aangehaalde artikel 4, §1, van het koninklijk besluit nr. 35 verzet zich op het eerste gezicht tegen een algemeen verbod om andere bijkomende medische activiteiten uit te oefenen, op onderzoeks- en onderwijstaken na. Het stond aan de verwerende partij om de aanvraag van verzoekster concreet te onderzoeken aan de hand van de door haar verstrekte informatie aangaande de functiebeschrijving, de impact op de consultaties, de vergoeding, … of de aanvraag mogelijks in conflict zou kunnen komen met haar taak als adviserend arts en de verplichte verzekering. Door zonder meer te verwijzen naar het huldigen van een algemene beleidslijn om elke bijkomende medische activiteiten te weigeren, op onderzoeks- en onderwijsactiviteiten na, heeft verwerende partij zich bediend van een stijlformule die kan worden ingeroepen bij iedere weigeringsbeslissing waarbij een aanvraag om een bijkomende medische activiteit uit te oefenen, andere dan onderzoeks- of onderwijsactiviteit, wordt verworpen. Er anders over oordelen, zou overigens neerkomen op een feitelijke gelijkschakeling met deeltijds werkende adviserende artsen, waaromtrent artikel 4, §2 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 35 stipuleert dat het Comité een adviserend geneesheer voor een deeltijdse functie kan erkennen onder meer wanneer de betrokkene zich er persoonlijk toe verbindt ‘geen andere medische beroepsactiviteit uit te oefenen, met uitzondering van onderzoeks- of onderwijsactiviteiten’. Zoals gezegd lijkt de regelgever voor voltijds werkende adviserende geneesheren evenwel een andere regeling te hebben uitgewerkt die een beoordeling geval per geval impliceert, en dit op het eerste gezicht overigens met inbegrip van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten. Om het geschil te beslechten, volstaat de vaststelling dat de motivering van de bestreden beslissing ontoereikend is. De standaardverwijzing naar een ‘algemeen beleid’ spoort niet met het vereiste dat verzoekster uit het weigeringsbesluit moet kunnen afleiden waarom haar aanvraag concreet wordt geweigerd.’ 8. De verwerende partij betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Door geen laatste memorie in te dienen verzuimt zij aldus om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel in de aangegeven mate gegrond.” XII-9532-3/23 IV. De gevorderde schadevergoeding 4. Verzoekster vordert een schadevergoeding “ten bedrage van de som van 60.979,99 EUR, meer de vergoedende. rente aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 februari 2021, datum van neerlegging eerste verzoek tot vernietiging, minstens vanaf de gemiddelde datum, tot op datum van het verzoek tot schadevergoeding, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke interestvoet tot op datum van volledige betaling”. Ondergeschikt, vordert zij een schadevergoeding “ex aequo et bono, ten bedrage van 50.000,00 EUR, meer de vergoedende rente aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 februari 2021, datum van neerlegging eerste verzoek tot vernietiging, minstens vanaf de gemiddelde datum, tot op datum van het verzoek tot schadevergoeding, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke interestvoet tot op datum van volledige betaling”. V. Onderzoek van het verzoek Standpunt van de partijen 5. In het verzoekschrift argumenteert verzoekster dat zij als gevolg van de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid diverse nadelen heeft geleden, die daarmee in een causaal verband staan. Zij adstrueert deze nadelen als volgt. Verzoekster benadrukt vooreerst dat zij een bijkomende medische activiteit wenst uit te oefenen als collecte-arts bij het Rode Kruis en dat zij bij gebreke aan een akkoord van het RIZIV deze activiteit niet kan uitoefenen, wat volgens haar het causale verband aantoont tussen de bestreden beslissing en haar nadeel. Verzoekster laat gelden dat zij voldoet aan het profiel, vermeld in onder meer de gevoegde vacature, dat zij houder is van het diploma van arts en de titel draagt en dat zij derhalve is opgeleid om te voldoen aan de taakbeschrijving ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 XII-9532-4/23 zoals vermeld in de vacature tot collecte-arts van het Rode Kruis. Verzoekster laat gelden dat zij zich actief wil inzetten als arts in de gezondheidszorg, terwijl zij, niettegenstaande zij voldoet aan de voorwaarden van de vacatureomschrijving, zich niet kan inschrijven voor deze bijkomende activiteit en van deze medische activiteit wordt uitgesloten. Dit terwijl zij vaststelt dat in het algemeen andere artsen zich wel kunnen inschrijven op een bijkomende medische activiteit en dat dergelijke eerdere toelatingen minstens rechtmatige verwachtingen wekken. In het licht van het rechtszekerheidsbeginsel mogen adviserende artsen er volgens verzoekster aldus redelijkerwijze op rekenen dat hun situatie op eenzelfde manier zal worden behandeld. Bovendien zorgt de uitsluiting van deze medische activiteit ook voor het mislopen van de vergoeding die verzoekster zou verkrijgen bij het uitoefenen ervan. Verzoekster wijst erop dat er thans maar twee vacatures openstaan voor deze medische activiteit, één in de regio Antwerpen en één in de regio Limburg, wat voor haar onhaalbaar is, terwijl er op het moment dat zij de toestemming vroeg aan het RIZIV er verschillende vacatures openstonden, onder meer in de regio’s kuststreek, Roeselare, Diksmuide-leper en Roeselare-Kortrijk. Door tweemaal onrechtmatig de beslissing te nemen dat verzoekster deze medische activiteit niet in bijberoep mocht uitoefenen, heeft zij nooit de kans gehad om op deze vacatures te reageren en deze medische activiteit uiteindelijk ook uit te oefenen en hier een vergoeding voor te verkrijgen. Zij lijdt zodoende een materieel, moreel en financieel nadeel, wanneer zij hiervan wordt uitgesloten. Zelfs al zou het RIZIV thans een andere beslissing nemen, wat nog niet is gebeurd, en verzoekster alsnog zou toelaten de bijkomende medische activiteit uit te oefenen, dan nog is zij de mening toegedaan dat zij schade heeft geleden. Verzoekster benadrukt dienaangaande dat een herstel in natura hierbij geen oplossing zal bieden voor de schade die zij heeft geleden en dat de schadevergoeding tot herstel aldus een residueel karakter heeft. Het nadeel staat volgens verzoekster met zekerheid vast. Zij laat gelden dat indien het RIZIV haar aanvraag volledig onderzocht aan de hand van alle informatie die zij heeft bezorgd, de correcte wetgeving had toegepast en was nagegaan wat er in soortgelijke situaties was geoordeeld, in plaats van zich te beperken tot een algemene XII-9532-5/23 stijlformule, het RIZIV zou hebben vastgesteld dat haar verzoek om de bijkomende medische activiteit uit te oefenen verenigbaar was met de uitoefening van haar activiteit als adviserend arts en haar de toestemming hebben gegeven de activiteit uit te oefenen. Verzoekster benadrukt vervolgens dat door de onzorgvuldigheid van het RIZIV en het gebruiken van een stijlformule bij het maken van de beslissing zij de kans verloor om de bijkomende medische activiteit uit te voeren en tevens om uit die activiteit een vergoeding te verkrijgen. De rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt geoordeeld dat wanneer het nadeel bestaat uit het verlies van een kans om een verwacht voordeel te verkrijgen, een dergelijk nadeel zeker is wanneer het verlies, dat in oorzakelijk verband staat met de onrechtmatigheid, betrekking heeft op een waarschijnlijk voordeel (RvS 11 december 2018, nr. 243.203, ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.203), toont volgens verzoekster het oorzakelijk verband aan tussen het door haar geleden nadeel en de onwettigheid van de beslissing van het RIZIV. Wat de schadebegroting betreft dient deze volgens verzoekster te worden begroot op basis van
- i)het gemiddelde aantal uren per week dat verzoekster zou werken als collecte-arts;
- ii)het ereloon collecte (uurloon) en iii) het forfaitair ereloon. In de vacatures die thans nog online staan, wordt aangegeven dat er een beschikbaarheid wordt verwacht van minstens twee collecten (avonden) per week. Verzoekster geeft vervolgens aan dat dokter V.V.G., donorarts expert bij het Rode Kruis, de volgende informatie met betrekking tot de uitoefening van de medische activiteit bezorgde:
- i)de gemiddelde collecteduur bedraagt 2,8 uur en wanneer er twee collectes plaatsvinden per week, is dit een gemiddelde van 5,6 uur,
- ii)de vergoeding hiervoor is opgesplitst in een 'ereloon collecte', gebaseerd op de geplande duur van de collecte en een ‘forfaitair ereloon' dat de aanwezigheid vergoedt 15 minuten voor de start van de collecte tot het moment dat de collecte-arts of de verantwoordelijke arts aanwezig dient te zijn en iii) bij het opmaken van de planning wordt de zelfstandige arts aangesteld als verantwoordelijke arts (hierna: VA) dan wel als collecte-arts (hierna: CA). Verder XII-9532-6/23 volgens deze informatie blijkt dat
- i)voor 2020 het uurloon 55,40 euro met een forfait ereloon van 83,10 euro bedroeg als CA en 110,80 euro als VA;
- ii)voor 2021 het uurloon 55,86 euro met een forfait ereloon van 83,79 euro bedroeg als CA en 111,72 euro als VA; iii) voor 2022 het uurloon 58,55 euro met een forfaitair ereloon van 87,82 euro bedroeg als CA en 117,10 euro als VA;
- iv)de bedragen voor 2023 in dezelfde lijn liggen, waarbij de gezondheidsindex een bepalende factor speelt en
- v)de verplaatsingskosten worden vergoed aan de kilometervergoeding die van toepassing is voor ambtenaren, waarbij deze vergoeding wordt berekend vanaf de verblijfplaats van de zelfstandige arts tot de locatie waar de bloedafname plaatsvindt (berekening afstand snelste route via Google Maps API distancematrix service). Aldus is er volgens verzoekster te dezen een schadevergoeding verschuldigd ten belope van 60.979,99 euro. Verzoekster benadrukt concluderend dat zij gedurende de periode, aanvang nemend vanaf de week na de eerste beslissing van het RIZIV van 27 november 2020 en eindigend de week van het indienen van dit verzoek, een minimumbedrag van 60.979.99 euro kon hebben verdiend bij de uitoefening van de bijkomende medische activiteit, nu in dit bedrag de kilometervergoeding niet werd meegerekend. Aldus is verzoekster de mening toegedaan een schade ten belope van 60.979,99 euro te hebben geleden. Ondergeschikt, vordert verzoekster een schadevergoeding, ex aequo et bono, ten belope van 50.000,00 euro. 6. In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster er op dat in zoverre de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat zij had kunnen solliciteren onder voorbehoud van het bekomen van de toestemming van het RIZIV, het RIZIV haar eigen nalaten en fout niet kan afwentelen op verzoekster. Verzoekster benadrukt dat zij juist zorgvuldig is door te handelen conform een normaal handelend burger. Zelfs al had verzoekster “onder voorbehoud van toestemming” gesolliciteerd, dan nog had zij geen toestemming ontvangen van het RIZIV en ging zij aldus ook de job van collecte-arts niet kunnen uitvoeren, zodat zij wel degelijk dezelfde schade geleden zou hebben, mocht zij gesolliciteerd hebben onder voorbehoud. De uitsluiting van deze medische activiteit maakt volgens verzoekster dat zij de vergoedingen heeft misgelopen die zij zou hebben XII-9532-7/23 ontvangen bij het uitoefenen van deze medische activiteit, minstens de kans daartoe. Zij laat verder gelden dat, gelet op de verschillende vacatures die openstonden op het moment van haar aanvraag en de beslissing van het RIZIV, in de gewenste regio, zijnde minstens acht vacatures, zij wel degelijk zéér veel kans maakte om uiteindelijk aangeworven te worden en dat het foutieve handelen (onwettigheid van de beslissing) van het RIZIV er minstens heeft toe geleid dat haar de kans werd ontnomen om de job als collecte-arts te verkrijgen. Verzoekster benadrukt dat zo er vaststaat dat er een reële kans was dat de schade niet zou zijn ingetreden en dat deze kans definitief verloren is gegaan door het foutief handelen van het RIZIV, dan wordt aan de benadeelde, te dezen verzoekster, een vergoeding toegekend voor het verlies van deze kans. Immers, ook het verlies van de kans om een bepaald voordeel te verwerven of te behouden of om een bepaald nadeel te vermijden, wordt volgens verzoekster als vergoedbare schade in aanmerking genomen. Daarnaast is het volgens verzoekster logisch dat zij, wat de schadebegroting betreft, rekening heeft gehouden met een gemiddelde van twee collectes per week aangezien zij ook voor minstens twee collectes per week beschikbaar moet zijn. Een gemiddelde van twee collectes per week is aldus realistisch en zeker niet overdreven. Dit verantwoordt tevens een schadebegroting ex aequo et bono. Volgens verzoekster is het tevens duidelijk dat zij in haar e-mail van 28 januari 2021 enkel vraagt of zij een steentje mag bijdragen bij de Covidl9-vaccinatie. Mocht zij op dat moment de toestemming hebben gehad om als collecte-arts te werken, dan is het duidelijk dat zij de medewerking aan het vaccinatieteam, haar voltijdse job en haar werk als collecte-arts gedegen ging inplannen. Verzoekster lijdt zodoende een materieel, moreel en financieel nadeel, wanneer zij hiervan wordt uitgesloten. Het nadeel staat volgens haar met zekerheid vast. Wanneer de schade bestaat in het verlies van een kans om een verhoopt voordeel te verkrijgen, staat die schade vast wanneer het verlies, dat in oorzakelijk verband tot de onwettigheid staat, betrekking heeft op een waarschijnlijk voordeel. Had het RIZIV haar aanvraag volledig onderzocht aan de hand van alle informatie die zij had bezorgd, de correcte wetgeving toegepast en nagegaan wat er in XII-9532-8/23 soortgelijke situaties was geoordeeld, in plaats van zich te beperken tot een algemene stijlformule, dan had moeten worden vastgesteld dat haar verzoek om de bijkomende medische activiteit uit te oefenen, verenigbaar was met de uitoefening van haar activiteit als adviserend arts en had haar de toestemming moeten worden gegeven de activiteit uit te oefenen. Wat de schadebegroting betreft geeft verzoekster aan dat zij gedurende de periode, aanvang nemend vanaf de week na de eerste beslissing van het RIZIV van 27 november 2020 en eindigend de week van het indienen van dit verzoek, een minimumbedrag van 60.979,99 euro zou hebben verdiend bij de uitoefening van de bijkomende medische activiteit en dat in dit bedrag de kilometervergoeding niet werd meegerekend. Aldus is verzoekster de mening toegedaan dat zij schade lijdt ten belope van 60.979,99 euro vanaf de week na de eerste beslissing van 27 november 2020 en dat de schade 52.665,96 euro bedraagt indien er wordt gerekend vanaf de week na de tweede beslissing van 23 april 2021. De verwerende partij stelt dat er rekening gehouden moet worden dat het verzoek van verzoekster steeds op de eerstvolgende zitting werd geagendeerd. Verzoekster benadrukt dienaangaande dat de schadevergoeding dient te worden berekend voor een periode aanvang nemend vanaf de week na de zitting waarop de eerste beslissing door het RIZIV werd genomen en niet aanvang nemend vanaf haar aanvraag. Bijgevolg werd er door haar rekening gehouden met de procedure om kennis te nemen van het verzoek, erover te delibereren en de beslissing te nemen, en worden de interesten pas gevorderd vanaf de neerlegging van het eerste verzoekschrift tot vernietiging. Bovendien werd door het RIZIV volgens verzoekster zelf toegegeven dat er bij de eerste beslissing verkeerdelijk rekening werd gehouden met een vermeende deeltijdse tewerkstelling van verzoekster in plaats van haar werkelijke voltijdse tewerkstelling, reden waarom er later een tweede beslissing werd genomen. Dit was volgens verzoekster duidelijk een fout in hoofde van het RIZIV, zodat de schade al vanaf de foutieve eerste beslissing van het RIZIV begint te lopen. Verzoekster laat verder gelden dat in het auditoraatsverslag duidelijk valt te lezen dat het RIZIV een fout heeft begaan bij het nemen van haar tweede beslissing en deze beslissing aldus dient te worden XII-9532-9/23 vernietigd, zodat er ook op het moment van het nemen van de tweede beslissing al door haar schade werd geleden. Concluderend benadrukt verzoekster dat het vaste rechtspraak van de Raad van State is dat er bij de bepaling van de omvang van de schade moet rekening worden gehouden met het voordeel dat een verzoekende partij zou hebben verworven als hij/zij die kans zou hebben gekregen. Oordelen dat de schade pas zou zijn ontstaan vanaf de datum van de kennisgeving van de arresten van de Raad van State zou volgens verzoekster manifest onbillijk zijn. Ondergeschikt vordert verzoekster een schadevergoeding, ex aequo et bono, ten belope van 50.000,00 euro. 7. In haar laatste memorie bekritiseert verzoekster de schadebegroting in het auditoraatsverslagverslag. Vooreerst geeft verzoekster aan dat de periodes van 30 november 2020 tot 25 april 2021 en van 19 juni 2023 tot 20 augustus 2023 ten onrechte niet als schadeperiode werden in aanmerking genomen. Wat het beginpunt betreft verduidelijkt verzoekster dat zij wel degelijk schade heeft geleden vanaf de week na het nemen van de eerste beslissing door het RIZIV van 27 november 2020 en dat de tweede beslissing van 23 april 2021 er immers niet zou zijn gekomen, zonder de eerste beslissing van het RIZIV en het navolgend willig beroep. De tweede beslissing die werd vernietigd bij arrest nr. 256.802 van 15 juni 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802) staat zodoende in causaal verband met de eerste beslissing. Volgens verzoekster hebben bijgevolg beide beslissingen bijgedragen tot de schadeomvang die er op vandaag is en heeft zij recht op een integrale schadevergoeding. Minstens dient conform het auditoraatsverslag als aanvangspunt de week na de tweede beslissing van het RIZIV van 23 april 2021 te worden genomen tot en met de datum van het arrest, zijnde 15 juni 2023. Oordelen dat de schade pas zou zijn ontstaan vanaf de datum van de kennisgeving van de arresten van de Raad van State zou volgens verzoekster manifest onwettig, minstens onbillijk zijn. XII-9532-10/23 Wat het eindpunt betreft argumenteert verzoekster dat het arrest van de Raad van State dateert van 15 juni 2023, met kennisgeving bij brief van 20 juni 2023; dat het arrest definitief is ingevolge het verstrijken van de cassatietermijn van 30 dagen, zijnde op 20 juli 2023 en dat zij zodoende haar schadeaanspraken aanpast tot die datum. Minstens is de datum van het arrest van 15 juni 2023 bepalend. Evenmin gaat verzoekster akkoord met de verrekening van een factor voor andere voordelen in het auditoraatsverslag. Dienaangaande benadrukt verzoekster dat zij enkel haar lopende beroepsactiviteiten, die zij reeds uitoefende, heeft verdergezet en voor het overige geen andere voordelen heeft genoten. Zij laat gelden dat zij niet kan gehouden zijn tot het leveren van een negatief bewijs en dat geen enkel bewijs naar voor wordt gebracht van voordelen die een factor van verrekening zouden rechtvaardigen. Bijgevolg mag hier volgens verzoekster geen rekening mee worden gehouden bij de berekening van de schadevergoeding, minstens is een hypothetische factor van 50% geenszins verantwoord en dient deze te worden getemperd tot hoogstens 10%. Wat de omvang van de schade betreft volhardt verzoekster in hoofdorde in haar vordering tot schadevergoeding vanaf de week na de eerste beslissing van het RIZIV van 27 november 2020 tot en met de datum dat het arrest van de Raad van State van 15 juni 2023 definitief is geworden, zijnde 20 juli 2023. Verzoekster begroot de vermeende schade op een bedrag van 59.140,50 euro, meer de vergoedende rente aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 februari 2021, datum van het indienen van het eerste beroep tot nierigverklaring, ondergeschikt vanaf 9 juli 2021, datum van het indienen van het tweede beroep tot nietigverklaring, minstens vanaf de gemiddelde datum, tot op datum van het verzoek tot schadevergoeding, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke interestvoet tot op datum van volledige betaling, minstens een bedrag ex aequo et bono ten bedrage van 50.000 euro, meer de rente. XII-9532-11/23 Ondergeschikt vordert verzoekster een schadevergoeding van 47.776,90 euro (94% van 50.826,48 euro), zijnde een vergoeding voor de misgelopen inkomsten als collecte-arts voor de periode van de week na de tweede beslissing van het RIZIV van 23 april 2021 tot en met de datum dat het arrest van de Raad van State van 15 juni 2023 definitief is geworden, zijnde 20 juli 2023, meer de vergoedende rente aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 februari 2021, datum van het indienen van het eerste beroep tot nietigverklaring, ondergeschikt vanaf 9 juli 2021, datum van het indienen van het tweede beroep tot nietigverklaring, minstens vanaf de gemiddelde datum, tot op datum van het verzoek tot schadevergoeding, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke interestvoet tot op datum van volledige betaling. Meer ondergeschikt vordert verzoekster minstens een schadevergoeding conform het auditoraatsverslag van 22.807,75 euro (50% van 45.615,50 euro), meer de vergoedende rente aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 februari 2021, datum van het indienen van het eerste beroep tot vernietiging, ondergeschikt vanaf 9 juli 2021, datum van het indienen van het tweede beroep tot vernietiging, minstens vanaf de gemiddelde datum, tot op datum van het verzoek tot schadevergoeding, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke interestvoet tot op datum van volledige betaling. 8. In de memorie van antwoord benadrukt de verwerende partij dat verzoekster al kon solliciteren onder voorbehoud van het akkoord van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV en dat zij niet bewijst dat zij heeft gesolliciteerd (onder voorbehoud) of heeft gereageerd op de advertentie, en zij bijgevolg door een oorzaak die onrechtmatig toe te rekenen valt aan het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV niet werd aangeworven. Evenmin bewijst verzoekster volgens de verwerende partij dat zij de functie bij? het Rode Kruis zou hebben toebedeeld gekregen, noch brengt zij stukken bij die uitgaan van het Rode Kruis, waaruit blijkt dat de keuze is uitgegaan naar een andere kandida(a)t(
- e)ten gevolge van de fout van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het XII-9532-12/23 RIZIV of dat zij een kans maakte op de uiteindelijke aanwerving. De e-mail van 14 augustus 2023 van dokter V.V.G. heeft volgens de verwerende partij enkel betrekking op de vergoeding van de zelfstandige artsen. Er wordt daarin geen uitspraak gedaan over de fundamentele vraag of verzoekster de vacature zou worden toebedeeld, mocht zij hebben gesolliciteerd. Bovendien wordt er in de e-mail volgens de verwerende partij op gewezen dat er een beschikbaarheid moet zijn voor minstens twee collecten per week, maar dat dit niet betekent dat er ook twee collecten per week gegarandeerd kunnen worden per collecte-arts, daar dit afhankelijk is van de geplande collecten en de beschikbaarheid van de collecte-artsen. Bovendien dient volgens de verwerende partij te worden benadrukt dat verzoekster ook de toelating vroeg om het vaccinatieteam te ondersteunen in het Sint Alma Ziekenhuis te Sijsele en dat haar in dat verband het volgende werd meegedeeld met een brief van 9 mei 2021: “De DGEC wijst erop dat u de mogelijkheid hebt om bij te springen bij klinische activiteiten in het kader van de Covid-19 pandemie. Dit op voorwaarde dat uw huidige verantwoordelijkheden en taken als adviserend arts verzekerd worden en er geen verloning tegenover staat. Dat betreft, gelet op de Covid-19 pandemie, een uitzonderlijke toelating […]. Die uitzonderlijke toelating geldt, in de huidige stand van zaken, tot en met 18 juni 2021, datum van het volgende Comité van de DGEC.” Het is volgens de verwerende partij niet duidelijk in welke mate die activiteit een impact zou kunnen hebben op de duurtijd van de prestaties die als collecte-arts zouden worden geleverd door verzoekster. Aldus bewijst verzoekster niet wat de omvang zou zijn van de schade, noch voor hoeveel uren zij zou worden aangeworven. De verwerende partij verwijst vervolgens naar e-mail verkeer van 15 en 16 september 2020 waarin verzoekster respectievelijk berichtte dat Voor alle duidelijkheid: ik heb nog niet gesolliciteerd voor een vacature, omdat ik eerst de goedkeuring van het RIZIV en de medische directie wilde afwachten” en dat “Hiervoor krijg ik een vergoeding, dat klopt. Ik weet nog niet hoeveel die vergoeding zal bedragen want ik heb nog niet gesolliciteerd en heb dus nog geen concrete informatie daarover.” De verwerende partij besluit hieruit dat het feit dat verzoekster niet solliciteerde (onder voorbehoud), niet aan het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV kan worden toegerekend, maar enkel aan haarzelf en dat zij, in strijd met hetgeen zij voorhoudt, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 XII-9532-13/23 wel degelijk de kans heeft gehad om op een vacature te reageren, doch naliet om dat te doen, wat uiteraard niet aan het RIZIV kan worden toegerekend. Evenmin is het moreel nadeel en de omvang ervan, evenals het oorzakelijk verband tussen de onwettigheid van de akte in kwestie en de morele schade volgens de verwerende partij bewezen. Verzoekster zet zelfs niet uiteen waaruit het moreel nadeel zou bestaan, minstens heeft zij door niet te solliciteren (onder voorbehoud) volgens de verwerende partij zelf mee de schade veroorzaakt en niet beperkt tot een minimum. De verwerende partij laat dienaangaande gelden dat in hoofde van verzoekster er een schadebeperkingsplicht rust en dat om dezelfde redenen evenmin de schade voor het verlies van een kans is bewezen. Omdat verzoekster niet inging/reageerde op de vacature kan zij volgens de verwerende partij thans niet voldoen aan de op haar rustende bewijslast in de voorliggende zaak. Aldus is noch de schade, noch het oorzakelijk verband tussen de nietig verklaarde akte en de vermeende schade in het voorliggende geval bewezen, zodat het verzoek om compensatie toe te kennen integraal dient te worden afgewezen. In ondergeschikte orde dient er volgens de verwerende partij rekening mee te worden gehouden dat het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV de verzoeken steeds op de eerstvolgende zitting heeft geagendeerd en dat een procedure dient te worden doorlopen om kennis te nemen van het verzoek, erover te delibereren, erover te beslissen en de beslissing ter kennis te brengen. De tijd die nodig is om die procedure te doorlopen kan volgens de verwerende partij haar niet foutief worden toegerekend. Zelfs wanneer er toelating zou zijn verleend, zou dat enige tijd met zich hebben meegebracht, die niet kan worden aangemerkt als een fout in hoofde van de verwerende partij. Evenmin kan de tijd die de procedure voor de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, in beslag nam, de verwerende partij worden toegerekend. Mocht er al een compensatie worden toegekend, dan kan deze volgens de verwerende partij ten vroegste ingaan op het ogenblik waarop de annulatiearresten ter kennis werden gebracht aan verzoekster, dit omdat het XII-9532-14/23 openbaar belang in acht dient te worden genomen. Minstens dient deze in te gaan op het ogenblik waarop de eerste beslissing van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV aan haar werd ter kennis gegeven, met name op 22 december 2020. 9. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij andermaal dat verzoekster in de eerste plaats heeft nagelaten om te solliciteren voor de functie, dat er sprake is van medeaansprakelijkheid en zij zelf niet of onvoldoende is ingegaan op een kans. De verwerende partij wijst er eveneens op dat in de stukken uitgaande van dokter V.V.G. geen uitspraak wordt gedaan over de fundamentele vraag of verzoekster de vacature zou zijn toebedeeld, mocht zij gesolliciteerd hebben. Volgens de verwerende partij maakt dat alles dat er te dezen geen afdoende bewijs voorligt van het conditio sine qua non-verband tussen de fout van de verwerende partij en het verlies van een kans in hoofde van verzoekster. Beoordeling 10. Door het auditoraat wordt voorgesteld de vordering tot schadevergoeding tot herstel in te willigen op grond van de volgende overwegingen: “5. Artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: ‘Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoeding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. XII-9532-15/23 De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen. Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen vergoeding voor hetzelfde nadeel meer vragen.’ Artikel 25/1 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ luidt: ‘Het in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan geformuleerd worden: 1° gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring; 2° of tijdens de procedure tot nietigverklaring; 3° of ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.’ 6. Om met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een schadevergoeding tot herstel te kunnen verkrijgen, moet de verzoekende partij aantonen dat aan de volgende voorwaarden werd voldaan. Er moet een onwettigheid in een arrest van de Raad van State zijn vastgesteld; deze onwettigheid dient een schade te hebben veroorzaakt die nog niet op een andere wijze werd vergoed of waartoe bij een ander rechtscollege nog geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering werd ingesteld; en er dient een oorzakelijk verband te zijn tussen deze onwettigheid en de schade of het nadeel dat men lijdt. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State werd verduidelijkt, onderscheidt de ‘schadevergoeding tot herstel’ zich zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen. Het gaat dus om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak (Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). A. Betreffende de onwettigheid van de akte 7. Bij arrest nr. 256.802 van 15 juni 2023 vernietigt de Raad van State de beslissing van het RIZIV van 23 april 2021, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend dat: ‘[…] de motivering van de bestreden beslissing ontoereikend is. De standaardverwijzing naar een ‘algemeen beleid’ spoort niet met het vereiste dat verzoekster uit het weigeringsbesluit moet kunnen afleiden waarom haar aanvraag concreet wordt geweigerd’. De onwettigheid van de akte staat vast. B. Betreffende het geleden nadeel 8. Verzoekster blijkt -zoals zij aanvoert- minstens een kans te hebben verloren om als collecte-arts te worden aangeworven en deze bijkomende medische activiteit uit te oefenen met genot van de bijbehorende vergoedingen. In een arrest van 13 mei 2016 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat ‘(w)anneer de schade bestaat in het verlies van een kans om een verhoopt voordeel te krijgen, […] die schade vast[staat] wanneer het verlies, dat in een oorzakelijk verband tot de fout staat, betrekking heeft op een waarschijnlijk voordeel’. Verzoekster voldoet aan de voorwaarden van de vacatureomschrijving tot collecte-arts van het Rode Kruis. Verzoekster maakt voorts aannemelijk dat ten tijde van haar aanvraag vacatures in de door haar gewenste regio open stonden. De kans om te worden aangeworven als collecte-arts en deze bijkomende medische activiteit te kunnen uitoefenen, is bijgevolg reëel. XII-9532-16/23 C. betreffende het causaal verband. 9. Het verlies van de kans om de bijkomende medische activiteit van collecte-arts te kunnen uitoefenen, komt voor vergoeding in aanmerking indien het verlies te wijten is aan een fout en indien er een conditio sine qua non verband bestaat tussen de fout en het verlies van de kans. Daarbij is niet vereist dat wordt aangetoond dat de kans met zekerheid zou leiden tot het verhoopte voordeel. Het volstaat dat de benadeelde aantoont dat hij, zonder de fout, een reële kans had om het verhoopte voordeel te verkrijgen. Bij gebreke aan een akkoord van het RIZIV, kan verzoekster een bijkomende medische activiteit als collecte-arts niet uitoefenen, ook al voldoet zij aan het gevraagde profiel. Aldus staat het causaal verband tussen de fout -de onrechtmatige weigering door het RIZIV- en het verlies van de kans om de bijkomende medische activiteit als collecte-arts te kunnen uitoefenen met het genot van de bijbehorende vergoedingen, vast. De mogelijkheid, zoals gesuggereerd door verwerende partij, om te solliciteren onder voorbehoud van haar akkoord, doet daaraan geen afbreuk. Verwerende partij maakt niet aannemelijk dat het nadeel zich dan niet zou hebben voorgedaan. Het verweer in die zin doorkruist het causaal verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het aangevoerde verlies van een kans, dan ook niet. D. Omvang van de schadevergoeding 10. Het is niet met zekerheid geweten of verzoekster het beoogde voordeel zou hebben verkregen indien de onwettigheid niet was begaan. Hoewel deze vaststelling geen afbreuk doet aan de aanname van het vereiste rechtstreeks causaal verband tussen het ingeroepen verlies van een kans en de vastgestelde onwettigheid, heeft deze wel een impact op de begroting van de ingeroepen schade. 11. Verzoekster beroept zich op materiële (financiële) en morele schade. 12. Wat de morele schade betreft, zet verzoekster niet concreet uiteen waarom het tussengekomen vernietigingsarrest de geleden morele schade niet afdoende heeft kunnen compenseren. De ingeroepen morele schade komt derhalve niet in aanmerking voor een bijkomende financiële vergoeding. 13. Bij het bepalen van de schadevergoeding tot herstel kan voorts enkel de economische waarde van het verlies van de kans in aanmerking worden genomen doch niet het volledige bedrag van het geleden nadeel of het verloren voordeel. De economische waarde van de verloren kans wordt te dezen bepaald in functie van, enerzijds, de vergoedingen waarop de aanwerving als collecte-arts uitzicht biedt en, anderzijds, de hoegrootheid of waarschijnlijkheid van de kans die in hoofde van de verzoekster bestond om daadwerkelijk de bijkomende medische activiteit van collecte-arts uit te oefenen. De bewijslast ligt bij de verzoekende partij: de benadeelde eiser moet zijn vordering staven met concrete elementen die de Raad van State toelaten de schade vast te stellen en de omvang ervan vast te stellen. 14. Verzoekster heeft voor haar begroting concreet rekening gehouden met een gemiddelde van twee collectes per week en die samen gemiddeld 5,6 uur duren, het ereloon collecte (uurloon) en het forfaitair ereloon, beide gerekend vanaf de week na de eerste beslissing van het RIZIV van 27 november 2020 en eindigend op de week na indiening van de vordering, om te komen tot een verschuldigde schadevergoeding ten belope van 60.979,99 euro. De kilometervergoeding is niet mee in rekening gebracht, zodat het verweer dienaangaande hoe dan ook niet dienstig is. Ondergeschikt vordert verzoekster een schadevergoeding, ex aequo et bono van 50.000 euro. Het gemiddeld aantal uren van 5,6 per week dat verzoekster zou werken als collecte-arts, vindt steun in het dossier en de bijgevoegde voorbeeldvacatures. De ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 XII-9532-17/23 uurlonen en forfaits voor 2020, 2021 en 2022 zijn aangereikt door een Donorarts Expert bij het Rode Kruis en door verzoekster geëxtrapoleerd naar 2023. Verwerende partij toont niet aan waarom verzoeksters medewerking aan het vaccinatieteam een impact zou hebben op haar werk als collecte-arts en waardoor deze bedragen niet in rekening zouden mogen worden gebracht voor de berekening van de schadevergoeding. Voorts wordt vastgesteld dat verzoekster, om te komen tot het gevraagde bedrag van 60.979,99 euro, het lagere forfait ereloon als collecte-arts in rekening brengt en niet het hogere forfait ereloon als verantwoordelijke arts. De looptijd die verzoekster in rekening brengt om te komen tot het gevraagde bedrag van 60.979,99 euro, moet wel worden gecorrigeerd. Aangezien het vernietigingsarrest nr. 256.802 enkel met betrekking tot de (tweede) beslissing van het RIZIV van 23 april 2021 een onwettigheid vaststelt, begint de in rekening te brengen looptijd ten vroegste te lopen vanaf de week na de beslissing van 23 april 2021. In dezelfde lijn kunnen de interesten pas worden gevorderd vanaf datzelfde moment. Voorts biedt de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te dienen tot zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid is vastgesteld, geen grond om ook de looptijd tussen het vernietigingsarrest en de eigenlijke indiening van de vordering tot schadevergoeding in rekening te brengen. Met het vernietigingsarrest is de onrechtmatig bevonden beslissing van het RIZIV uit het rechtsverkeer verdwenen. Hieruit volgt dat, rekening houdende met een gemiddeld aantal uren van 5,6 per week tegen een uurloon zoals vermeld in de tabel van verzoekster en een forfait ereloon als collecte-arts zoals vermeld in dezelfde tabel, beide gerekend vanaf de week na de vernietigde beslissing van 23 april 2021, om te eindigen de week van 15 juni 2023, datum van het vernietigingsarrest nr. 256.802, de som van 48.527,13 euro (52.665,96 - 4138,83) geldt als berekeningsbasis voor de toepassing van de hoegrootheid van de verloren kans. 15. Wat de waarschijnlijkheid van de verloren kans betreft, werpt de verwerende partij op dat verzoekster niet aan de hand van stukken bewijst dat de vacature haar zou zijn toebedeeld, mocht zij gesolliciteerd hebben. Een dergelijk bewijs zou overeenkomen met 100% zekerheid dat verzoekster zou zijn aangeworven als collecte-arts. Een dergelijk bewijs wordt niet verwacht van een verzoeker opdat het leerstuk van het verlies van een kans van toepassing is. Precies omdat die 100% zekerheid niet voorligt, vertaalt de waarschijnlijkheid van de reële kans van verzoekster om de bijkomende medische activiteit als collecte-arts te kunnen uitoefenen, zich in een lager percentage. Verzoekster verklaart, enerzijds, onder meer met verwijzing naar haar stuk 23, dat er ten tijde van haar aanvraag minstens 8 vacatures binnen de gewenste regio hangende waren en er momenteel enkel vacatures open staan die voor haar niet haalbaar zijn. Ervan uitgaande dat verzoekster per vacature 1 kans op 2 had om te worden aangeworven, kan rekening worden gehouden met een percentage van 94% (50%/8). Anderzijds laat verzoekster in het ongewisse of zij ingevolge de begane onwettigheid andere voordelen heeft kunnen genieten, die moeten worden toegerekend op de vergoeding. Het percentage van 94% kan aldus naar billijkheid worden bijgesteld naar 94%*50%. In de gegeven omstandigheden kan de schadevergoeding naar billijkheid worden begroot op [94% (50%/8) van 48.527,13 euro, zijnde 45.615,50 euro]*50%, zijnde 22.807,75 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de onwettig bevonden beslissing, zijnde 23 april 2021 tot aan de uitspraak over de vordering, meer de verwijlinteresten aan de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 XII-9532-18/23 wettelijke rentevoet vanaf de uitspraak over de vordering tot de volledige betaling van de schadevergoeding.” 11. In zoverre de verwerende partij in haar laatste memorie nogmaals benadrukt dat verzoekster heeft nagelaten om te solliciteren voor de functie, dat er bijgevolg sprake is van medeaansprakelijkheid nu zij zelf niet of onvoldoende is ingegaan op een kans, en dat in de stukken uitgaande van dokter V.V.G. geen uitspraak wordt gedaan of verzoekster de vacature zou zijn toebedeeld, mocht zij gesolliciteerd hebben, zodat er geen afdoende bewijs voorligt van het conditio sine qua non-verband tussen de fout van de verwerende partij en het verlies van een kans in hoofde van verzoekster, herhaalt de verwerende partij op parafraserende wijze haar standpunt zoals uiteengezet in de memorie van antwoord, zonder inhoudelijk nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. 12. Verzoekster betwist in haar laatste memorie vooreerst de in het auditoraatsverslag in rekening genomen looptijd om te komen tot het voorgestelde bedrag tot schadevergoeding. Dit betoog kan om de hiernavolgende redenen niet worden bijgevallen. In zoverre verzoekster, wat het beginpunt betreft, in essentie laat gelden dat
- i)zij wel degelijk schade heeft geleden vanaf de week na het nemen van de eerste beslissing door het RIZIV van 27 november 2020;
- ii)de tweede beslissing van 23 april 2021 er niet zou zijn gekomen, zonder de eerste beslissing van het RIZIV en het navolgend willig beroep en iii) de beide beslissingen hebben bijgedragen tot de schadeomvang die er op vandaag is, zodat zij recht heeft op een integrale schadevergoeding, dient te worden benadrukt dat om met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een schadevergoeding tot herstel te kunnen verkrijgen, een onwettigheid van een beslissing moet zijn vastgesteld en er een causaal verband dient te bestaan tussen deze onwettige beslissing en de geleden schade. Te dezen werd bij arrest nr. 256.802 van 15 juni 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802) de beslissing van het RIZIV van 23 april 2021 door de Raad van State vernietigd. Aangezien in dit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 XII-9532-19/23 vernietigingsarrest enkel ten aanzien van de (tweede) beslissing van het RIZIV van 23 april 2021 een onwettigheid werd vastgesteld, begint de in rekening te brengen looptijd ten vroegste te lopen vanaf de week na de beslissing van 23 april 2021 en kunnen in dezelfde lijn de interesten pas worden gevorderd vanaf datzelfde moment. Het betoog van verzoekster dat zij schade heeft geleden vanaf de week na het nemen van de eerste beslissing door het RIZIV van 27 november 2020 en de tweede beslissing van 23 april 2021 er niet zou zijn gekomen, zonder de eerste beslissing van het RIZIV en het navolgend willig beroep, doen niet anders besluiten. In zoverre verzoekster, wat het eindpunt betreft, voor het eerst in haar laatste memorie aanvoert dat het arrest van de Raad van State, daterend van 15 juni 2023 definitief is geworden ingevolge het verstrijken van de cassatietermijn van 30 dagen, zijnde op 20 juli 2023 en zij zodoende haar schadeaanspraken aanpast tot die datum, toont verzoekster niet aan dat zij dit argument niet reeds in haar vordering had kunnen ontwikkelen. Los van het gegeven dat verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe argumentatie tracht te ontwikkelen om ook de duur voor het instellen van een cassatieberoep tegen het voornoemde vernietigingsarrest in aanmerking te nemen in het kader van de door haar gevorderde schadevergoeding, volstaat de vaststelling dat dit argument geen grond biedt om de in rekening gebrachte looptijd, om te komen tot de gevraagde schadevergoeding, uit te breiden tot dertig dagen na de kennisgeving van het vernietigingsarrest, nu met dit arrest de onrechtmatig bevonden beslissing van het RIZIV uit het rechtsverkeer is verdwenen. Hieruit volgt dat, rekening houdende met een gemiddeld aantal uren van 5,6 per week tegen een uurloon zoals vermeld in de tabel van verzoekster en een forfait ereloon als collecte-arts zoals vermeld in dezelfde tabel en rekening houdende met de gecorrigeerde in rekening te nemen looptijd, met name beide gerekend vanaf de week na de vernietigde beslissing van 23 april 2021, om te eindigen de week van 15 juni 2023, datum van het vernietigingsarrest nr. 256.802, (ECLI:BE:RVSCE:2023:256.802), de som van 48.527,13 euro (52.665,96 euro - XII-9532-20/23 4138,83 euro geldt als berekeningsbasis voor de toepassing van de hoegrootheid van de verloren kans. 13. In zoverre verzoekster tot slot laat gelden niet akkoord te kunnen gaan met de verrekening van een factor voor andere voordelen in het auditoraatsverslag en dienaangaande benadrukt dat zij enkel haar lopende beroepsactiviteiten, die zij reeds uitoefende, heeft verdergezet en voor het overige geen andere voordelen heeft genoten en zij niet kan gehouden zijn tot het leveren van een negatief bewijs, stelt de Raad van State vast dat dienaangaande de bewijslast ligt bij de verzoekende partij en dat bijgevolg de benadeelde eiser zijn vordering moet staven met concrete elementen die de Raad van State toelaten de schade vast te stellen en de omvang ervan te begroten. De thans bij haar laatste memorie gevoegde stukken 24, 25, 26 en 27 die betrekking hebben op respectievelijk de aanslagbiljetten voor de inkomsten 2020, 2021 en 2022 en de belastingaangifte voor de inkomsten 2023 strekken ter adstructie van haar voornoemde betoog. Wat deze aangevoerde stukken betreft, verzuimt verzoekster evenwel enig inzicht te verschaffen waarom zij deze stukken niet bij haar vordering, doch pas bij haar laatste memorie kon voegen. Noch het aangevoerde betoog, noch de bijgevoegde stukken, die wegens laattijdigheid uit het debat worden geweerd, doen afbreuk aan de vaststelling in het auditoraatsverslag dat verzoekster de Raad van State in het ongewisse laat of zij ingevolge de begane onwettigheid andere voordelen heeft kunnen genieten, die moeten worden toegerekend op de vergoeding, zodat het percentage van 94% – het niet door verzoekster betwiste percentage van de waarschijnlijkheid van haar reële kans om de bijkomende medische activiteit als collecte-arts te kunnen uitoefenen – aldus te dezen naar billijkheid kon worden bijgesteld naar 50% van de voornoemde 94%. 14. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en wordt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de schadevergoeding naar billijkheid begroot op 22.807,75 euro, rekening houdende met: XII-9532-21/23
- i)het gecorrigeerde bedrag van 48.527,13 euro als berekeningsbasis voor de toepassing van de verloren kans;
- ii)de waarschijnlijkheid van verzoeksters reële kans om de bijkomende medische activiteit als collecte-arts te kunnen uitoefenen zich vertaalt in een lager percentage, met name 94% wegens het niet voorliggen van 100% zekerheid, waardoor het voornoemde bedrag wordt bijgesteld naar 94% van 48.527,13 euro, met name 45.615,50 euro en iii) de bijstelling naar 50% van het laatste bedrag, wegens het verzuim van verzoekster de Raad van State in te lichten over het ingevolge de begane onwettigheid genieten van enig ander voordeel. Voorts heeft verzoekster recht op de vergoedende interesten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de onwettig bevonden beslissing, zijnde 23 april 2021 tot aan de datum van het voorliggende arrest. Zij heeft bovendien recht op verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van het voorliggende arrest tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding. BESLISSING 1. Aan verzoekster wordt een definitieve schadevergoeding tot herstel toegekend van 22.807,75 euro, te verhogen met de vergoedende interesten berekend aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de onwettig bevonden beslissing, zijnde 23 april 2021 tot aan dit arrest, meer de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de volledige betaling van de schadevergoeding. 2. De Raad van State verwerpt het verzoek voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. XII-9532-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien oktober tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9532-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.996 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div