id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.006 Rolnummer: A. 240504/IX-10376 Zaak: Arrest 261006 - Examens (onderwijs) - 11/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-17 05:03 Fiche Arrest nr 261.006 van 11 oktober 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.006 van 11 oktober 2024 in de zaak A. 240.504/IX-10.376 In zake : G.D. woonplaats kiezend te tegen : de VZW ÓSCAR ROMEROSCHOLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van het Óscar Romerocollege 2 te Dendermonde van 11 september 2023 waarbij het aan verzoeker toegekende oriënteringsattest C wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. IX-10.376-1/8 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Silke Rogiers, die loco advocaat Joost Van Damme verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in het schooljaar 2022-2023 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad ‘Office management & communicatie’ in het Óscar Romerocollege 2 te Dendermonde, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
- Op het einde van het schooljaar laat verzoeker jaartekorten optekenen voor ‘Frans + zakelijke communicatie’ (46%), ‘Engels + zakelijke communicatie’ (46,9%) en natuurwetenschappen (46,5%). De klassenraad stelt de beslissing over verzoeker uit en legt hem bijkomende proeven op voor de vakken waarvoor hij niet slaagt. IX-10.376-2/8 3.
- Voor de bijkomende proef Frans behaalt verzoeker 29,3%, voor Engels scoort hij 44,4% en voor natuurwetenschappen 24,5%. De klassenraad beslist vervolgens om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 11 september 2023 handhaaft de beroepscommissie het C- attest. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie inzake verzoekers procesbekwaamheid
- Niet is betwist dat verzoeker op het ogenblik van het instellen van huidig annulatieberoep minderjarig was. Het beroep is ingesteld door “[MS] in naam van [verzoeker]”. In het verzoekschrift wordt aangegeven dat verzoeker de zoon van MS is. Alleen MS heeft het verzoekschrift ondertekend. Het doet allemaal besluiten dat verzoeker voor zijn beroep tot nietigverklaring uitsluitend wordt vertegenwoordigd door zijn moeder.
- Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om in eigen naam bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beslissing waarbij over hem als leerling van een onderwijsinstelling voor secundair onderwijs een evaluatiebeslissing wordt genomen. Om regelmatig een dergelijk beroep in te stellen, dient hij te worden vertegenwoordigd door IX-10.376-3/8 diegenen die het ouderlijk gezag over zijn persoon uitoefenen. Immers, de belangrijke beslissingen met betrekking tot de opleiding van een minderjarige – waartoe ook het instellen van een annulatieberoep tegen een ongunstige evaluatiebeslissing moet worden gerekend – behoren tot de kern van de verantwoordelijkheid die kleeft aan het ouderschap.
- In artikel 373 van het oud Burgerlijk Wetboek is met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag bepaald: “Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de familierechtbank aanhangig maken. De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.” Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij volgens artikel 374, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde vermoeden. De bevoegde rechtbank kan in welbepaalde gevallen de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
- In artikel 376 van het oud Burgerlijk Wetboek is met betrekking tot de vertegenwoordiging van de niet-ontvoogde minderjarige het volgende bepaald: “Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet IX-10.376-4/8 gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen. De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wenden.” Krachtens deze bepalingen dienen beide ouders, wanneer zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, ook gezamenlijk als zijn vertegenwoordigers op te treden.
- Het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State – anders dan een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid – is geen daad van beheer, maar een daad van beschikking. De Raad van State, waaraan de objectieve geschillenbeslechting op vordering tot nietigverklaring is toevertrouwd, kan bovendien niet worden beschouwd als een ‘derde’ zoals bedoeld in de artikelen 373 en 376 van het oud Burgerlijk Wetboek. De Raad van State dient immers alleszins, desnoods ambtshalve, de ontvankelijkheid van het annulatieberoep te onderzoeken. Het vermoeden van instemming, ingesteld bij de voormelde bepalingen, gaat dus niet op wanneer één ouder een annulatieberoep instelt, terwijl het ouderlijk gezag door beide ouders samen wordt uitgeoefend. Het annulatieberoep ingesteld door slechts één ouder wanneer beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen, is dan ook onontvankelijk.
- In de voorliggende zaak blijkt uit niets dat ten tijde van het instellen van het beroep ten aanzien van verzoeker het ouderlijk gezag exclusief door de moeder werd uitgeoefend. Verzoeker beweert niet – ook niet in zijn laatste memorie, nadat hij in het auditoraatsverslag kon lezen dat een en ander tot de onontvankelijkheid van zijn beroep moest leiden – laat staan dat hij aantoont dat alleen zijn moeder het ouderlijk gezag over hem uitoefende. Evenmin wordt beweerd, laat staan aangetoond dat het onmogelijk was om, gelet op het conflict tussen de beide dragers van het IX-10.376-5/8 ouderlijk gezag, de bevoegde rechtbank te vatten om toestemming te verkrijgen om het annulatieberoep door één ouder te laten instellen. Bijgevolg vermocht MS niet alléén het voorliggende beroep tot nietigverklaring namens haar minderjarige zoon bij de Raad van State in te stellen.
- Hoewel hij reeds de mogelijkheid, zo niet – vanuit procedureel oogpunt – de plicht had om in zijn laatste memorie zijn zienswijze over de problematiek van de ontvankelijkheid uiteen te zetten, is aan verzoeker op de terechtzitting daartoe andermaal de kans geboden. Daarbij werd hij erop gewezen dat, ingevolge de inhoud van het auditoraatsverslag, het debat daartoe beperkt bleef. Verzoeker heeft de gelegenheid evenwel niet te baat genomen om de voorlopige vaststellingen van het auditoraat te weerleggen of om de Raad alsnog ervan te overtuigen het anders te zien. Hij heeft – vergeefs – alleen omtrent de inhoud van de bestreden beslissing betwisting gevoerd. Tot een beoordeling van de grond van de zaak kan de Raad van State evenwel maar komen wanneer met succes de klip van de ontvankelijkheid van het beroep is genomen. Dat is, zoals gezien, in deze zaak echter niet het geval.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker het voorliggende beroep tot nietigverklaring niet op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State heeft ingesteld. De ambtshalve exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.376-6/8 IX-10.376-7/8
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.376-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.