id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 Rolnummer: A. 242253/XII-9722 Zaak: Arrest 261018 - Tucht (openbaar ambt) - 11/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-17 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 05:03 Fiche Arrest nr 261.018 van 11 oktober 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 no lien 279205 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 261.018 van 11 oktober 2024 in de zaak A. 242.253/XII-9722 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 juni 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 19 april 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. XII-9722-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van De Meirssche, die loco advocaat Rob Trips verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was eerste inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 22 december 2022 deelt verzoekers diensthoofd aan de gewone tuchtoverheid van verzoeker mee dat lastens verzoeker een huiszoeking werd uitgevoerd op de werkplaats. Het diensthoofd deelt tevens mee dat de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de Algemene Inspectie) heeft gevraagd alle gerechtelijke dossiers met parketcode 60 (drugs) waarin verzoeker betrokken was voor de jaren 2020 tot 2022 te bezorgen en dat hij verder de draagwijdte van het dossier niet kent. 3.
- Op 22 december 2022 richt de gewone tuchtoverheid een brief aan de procureur des Konings met het verzoek om meer informatie te bekomen. XII-9722-2/24 3.
- Op 29 december 2022 antwoordt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid als volgt: “Met verwijzing naar artikel 26 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en met verwijzing naar uw brief van 22 december 2022 stel ik U ervan in kennis dat mijn ambt een opsporingsonderzoek heeft geopend lastens […] wegens feiten die werden gekwalificeerd als handel en bezit verdovende middelen. In kader van voormeld onderzoek werd op 22 december 2022 een huiszoeking uitgevoerd zowel op de werkplaats als in de privé woning van betrokkene. Bij de zoeking werden bezitshoeveelheden drugs aangetroffen met name twee enveloppen met mogelijk cocaïne. Betrokkene verklaarde ook drugs te gebruiken. Het onderzoek inzake eventuele handel dient verder gevoerd te worden. Er kan vermeld worden dat er tevens een PV werd opgesteld inzake mogelijk bezit kinderpornografie […] alsook een PV inzake een eventuele Verontrustende Opvoedingssituatie van de kinderen […]. Zoals aangegeven in uw brief lijken in de huidige stand van zaken de thans genomen maatregelen (intrekking bewapening en geen toegang tot de politionele databanken) te volstaan. U zal oordelen of gelet voormelde feiten een schorsing zich opdringt. Gelet op het geheim van het onderzoek wordt aan de tuchtoverheid op dit ogenblik nog geen inzage toegestaan en worden geen afschriften van stukken overgemaakt. Tevens is er bezwaar tegen het voeren van een parallel”. 3.
- Met een nota van 5 januari 2023 wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de hogere tuchtoverheid. 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 15 februari 2023 om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
- Op 3 maart 2023 vraagt de dienst Toezicht op de interne werking en kwaliteit van de Federale politie (hierna: de dienst TIWK) aan de procureur des Konings om een afschrift van het strafdossier te mogen ontvangen, haar in te lichten over de gevolgen verleend aan het strafdossier en of er nog steeds bezwaar is tegen het voeren van een parallel onderzoek. 3.
- Op 20 maart 2023 antwoordt de procureur des Konings dat gelet op de stand van zaken geen afschrift van het dossier wordt overgemaakt, dat het opsporingsonderzoek nog lopende is en dat er bezwaar is tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek door de tuchtoverheid. XII-9722-3/24 3.
- Bij brief van 24 april 2023 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van het strafdossier aan de dienst TIWK, met de vermelding dat de zaak zonder gevolg is geklasseerd wegens voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling. 3.
- Op 10 oktober 2023 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
- Verzoeker dient een schriftelijk verweer in en wordt mondeling gehoord op 13 november
- 3.
- Op 21 november 2023 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
- Op 30 november 2023 dient verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 19 maart 2024 adviseert de Tuchtraad: “In hoofdorde: dat het gepast voorkomt voor de tuchtoverheid af te zien een straf op te leggen wegens voor het feit betreffende het bezit en chronisch gebruik van cocaïne, het instellen van de tuchtvordering buiten de termijn zoals voorzien door artikel 56, lid 1 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, zodat de tuchtvordering voor dit feit is komen te vervallen en voor het feit betreffende het raadplegen van het telefoonnummer […], het gegeven dat niet is bewezen dat het om een tuchtvergrijp gaat; In ondergeschikte orde: in zoverre de tuchtoverheid het vervallen zijn van de tuchtvordering krachtens artikel 56 van voormelde Wet niet volgt, dat de feiten van het bezit en het chronisch gebruik van drugs bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat deze feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege voor deze feiten alleen een gepaste straf is.” 3.
- Op 2 april 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. XII-9722-4/24 3.
- Op 19 april 2024 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet en van de redelijketermijneis. Verzoeker zet uiteen dat van een kennisneming of vaststelling van de tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet sprake is op het ogenblik dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Verzoeker sluit zich aan bij het standpunt van de Tuchtraad dat de gewone tuchtoverheid reeds op 29 december 2022 een duidelijk beeld had van de feiten van druggebruik en over voldoende elementen beschikte om de tuchtvordering in te leiden. Verzoeker voert aldus in wezen de verjaring van de tuchtfeiten aan. Voorts wijst verzoeker erop dat artikel 56 van de tuchtwet de tuchtoverheid wel de mogelijkheid biedt, maar niet de verplichting oplegt, om het onderzoek van de gerechtelijke overheden af te wachten. Een verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan het uitstel van de tuchtvordering slechts verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-5/24 brengen. Volgens verzoeker heeft de hogere tuchtoverheid te dezen ten onrechte de gerechtelijke eindbeslissing afgewacht. De tuchtoverheid had kunnen overgaan tot een administratief verhoor. Na de mededeling door de procureur des Konings op 24 april 2023 dat de feiten zonder gevolg werden gerangschikt, duurde het bovendien nog tot 10 oktober 2023 alvorens de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag betekende. Volgens verzoeker schendt de bestreden beslissing daarom de redelijketermijneis. Beoordeling Eerste grief: schending van artikel 56 van de tuchtwet
- Verzoeker voert vooreerst de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, door op te werpen dat de tuchtfeiten verjaard zijn.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en XII-9722-6/24 bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst –, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. XII-9722-7/24 Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid daadwerkelijk de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker van zijn kant, stelt zich op het standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, met name op 29 december 2022 ingevolge de mededeling door de procureur des Konings van de resultaten van de uitgevoerde huiszoeking.
- Centraal staat derhalve de vraag of op het door verzoeker aangehaalde tijdstip de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld. XII-9722-8/24
- Te dezen wordt prima facie vastgesteld dat op 29 december 2022 de tuchtoverheid met betrekking tot de ten laste gelegde tuchtfeiten kennis heeft van de volgende gegevens: 1) er loopt een opsporingsonderzoek lastens verzoeker wegens “feiten die werden gekwalificeerd als handel en bezit verdovende middelen”, 2) er werden huiszoekingen uitgevoerd op de werkplaats en in de privéwoning “waarbij bezitshoeveelheden drugs [werden] aangetroffen met name twee enveloppen met mogelijk cocaïne” , 3) betrokkene “verklaarde ook drugs te gebruiken”, en 4) het onderzoek inzake eventuele handel moet verder worden gevoerd.
- Ter adstructie van het standpunt dat zij hiermee niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte, wijst de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing onder meer op het volgende: “Louter op basis van deze kennisgeving kon mijn ambt geen standpunt over de feiten innemen. Het was op dat ogenblik bijvoorbeeld niet onomstotelijk vastgesteld dat er zich daadwerkelijk een psychotrope stof bevond in de enveloppes die bij de huiszoeking werden aangetroffen. Ook de loutere melding dat u verklaarde drugs te gebruiken, zonder enige juiste context en een volledige lezing van de verklaring, kan niet aanzien worden als voldoende informatie. Mijn ambt dient nauwkeurig en met de nodige voorzichtigheid te handelen. Hierbij is het essentieel om ambtshalve te kunnen onderzoeken of de uitspraak die gedaan werd naar aanleiding van uw verklaring bij de gerechtelijke overheden, voor mijn ambt rechtsgeldig is. Dit kan alleen maar gebeuren door de volledige verklaring te lezen in verhouding met de elementen die deel uitmaken van het strafdossier. Anderzijds kan gesteld worden dat het woord ‘drugs’ een grote verzameling omvat van zowel illegale alsook legale, psychoactieve stoffen die de wijze waarop iemand zich voelt en gedraagt beïnvloeden. Zeker in de context waarin u zich bevond, waarbij u als enkele keren in contact was gekomen met zowel het gerecht alsook mijn ambt, met gedragingen die onder invloed van medicatie (op voorschrift) en/of alcohol plaatsvonden. Voor mijn ambt is het onder meer essentieel te weten om welk soort ‘drugs’ het gaat en in hoeverre dit legaal dan wel illegaal is. Een appreciatie of het gebruik kortstondig of gespreid in de tijd plaatsvond, kon niet correct worden ingeschat. Ook de wijze waarop u deze stof verkreeg is in relatie tot uw toenmalige plaats van tewerkstelling […] een relevant gegeven in de beoordeling. Het eventuele tuchtvergrijp was dus niet alleen niet specifiek en niet concreet, maar tevens niet in tijd en ruimte te specifiëren op dat ogenblik. Ik was dus niet op de hoogte van de volledige omvang van de feiten. Dit alles speelt mee in de formulering van het eventuele tuchtvergrijp en bij de bepaling van de mogelijke tuchtstraf, iets wat mijn ambt op dat ogenblik onmogelijk op accurate wijze kon bewerkstelligen.”
- Verzoeker betrekt deze concrete motivering evenwel niet in de uiteenzetting van zijn middel en zet niet uiteen waarom de hogere tuchtoverheid – XII-9722-9/24 ondanks deze overwegingen in de bestreden beslissing die prima facie pertinent lijken – op 29 december 2022 toch over voldoende bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens beschikte om de tuchtvordering in te leiden. Verzoekers argument dat hij van in het begin in alle transparantie heeft toegeven dat hij eind 2022 sporadisch cocaïne heeft gebruikt, is te dezen niet pertinent, daar hij verwijst naar een verklaring afgelegd in het kader van het strafonderzoek en de hogere tuchtoverheid op 29 december 2022 niet over die verklaring beschikte. De hogere tuchtoverheid moest het stellen met een brief van de procureur des Konings waarin zonder verdere specificering wordt vermeld dat er “bezitshoeveelheden drugs” werden aangetroffen, “mogelijk” cocaïne – maar dus evengoed mogelijk iets anders –, alsook dat verzoeker in het kader van het opsporingsonderzoek had verklaard “drugs te gebruiken”, opnieuw zonder enige concrete duiding en zonder over de verklaring van verzoeker zelf te beschikken. Nog daargelaten of het starten van een tuchtvordering louter op basis van een summiere mededeling van de eigen appreciatie van de procureur des Konings over een zaak verenigbaar zou zijn met de op de tuchtoverheid rustende zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding, moet prima facie met de verwerende partij worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid – door op grond van de hiervoor weergegeven motivering te oordelen dat zij op 29 december 2022 niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvordering in te leiden – binnen de perken van haar ter zake ruime beoordelingsbevoegdheid is gebleven.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat in de huidige stand van het geding verzoeker het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- In de mate dat verzoeker de verjaring van de tuchtfeiten opwerpt, is het middel niet ernstig. Tweede grief: de schending van de redelijketermijneis XII-9722-10/24
- In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoeker de schending van de redelijketermijneis aan.
- Zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 7) heeft de tuchtoverheid de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en is het bestaan van een strafonderzoek op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.
- Nu prima facie wordt vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid op 29 december 2022 niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvordering te kunnen inleiden (zie supra, nrs. 10-12), rijst de vraag of de tuchtoverheid wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Verzoeker voert in dat verband aan dat de hogere tuchtoverheid een eigen administratief onderzoek moest voeren en meer in het bijzonder tot een administratief verhoor van verzoeker kon en moest overgaan.
- Ter adstructie van het standpunt dat zij geen eigen administratief onderzoek kon voeren, wijst de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing onder meer op het volgende: “Mijn ambt kan de Tuchtraad niet volgen in de redenering dat ik deze elementen zelf had kunnen laten onderzoeken door het voeren van een voorafgaand onderzoek. Hiertoe werd geen goedkeuring verleend door het openbaar ministerie. De Tuchtraad voert hierbij aan dat het tuchtonderzoek een autonoom onderzoek betreft en dat een bezwaar van het openbaar ministerie daartoe geen belet vormt. Mijn ambt heeft hieromtrent een andere mening en redenering. Noch de gewone tuchtoverheid, noch mijn ambt waren in de mogelijkheid om een onderzoek op te starten dat zou kunnen leiden tot correcte en nauwkeurige elementen betreffende de juiste toedracht, onder andere met betrekking tot de context, de juiste omstandigheden, uw rol en de volledige tenlastelegging t.a.v. uw persoon, om met kennis van zaken een tuchtprocedure lastens u te kunnen voeren. Uit de inhoud van de brief van 22 december 2022 uitgaande van de gewone tuchtoverheid kan bovendien afgeleid worden dat de tuchtoverheid een onderzoek wou opstarten, maar er werd uit voorzorg aan de procureur des Konings gemeld dat dit onderzoek zou kunnen interfereren met het lopende opsporingsonderzoek. Als reactie hierop liet de procureur des Konings op 29 december weten dat er een bezwaar is voor het voeren van een parallel onderzoek. Hierdoor was het duidelijk voor de tuchtoverheid dat administratieve onderzoeksdaden, die zouden kunnen interfereren met het lopende strafrechtelijk onderzoek, niet aan de orde waren. De ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-11/24 tuchtoverheid hield in deze dus ook rekening met het belang van het lopende opsporingsonderzoek. […] Zelfs het afnemen van de verklaring van u alleen zou niet kunnen leiden tot een juiste kijk op de situatie en zou niet leiden tot voldoende elementen om het dossier correct te beoordelen. Enkel de elementen die voorhanden zijn bij de gerechtelijke overheid kunnen een correct beeld geven van de situatie en/of kunnen de tuchtoverheid de nodige elementen verschaffen die nodig zijn om een administratief onderzoek te kunnen voeren. […] Het respecteren van de beslissing van de procureur des Konings en het voorrang verlenen aan het gerechtelijk onderzoek heeft tot doel de waarheidsvinding te waarborgen, hetgeen in het belang is van zowel de gerechtelijke overheid als de tuchtoverheid.”
- Verzoeker betrekt deze concrete motivering evenwel niet in de uiteenzetting van zijn middel en zet niet uiteen waarom het voor de hogere tuchtoverheid – ondanks deze overwegingen in de bestreden beslissing die prima facie pertinent lijken – toch mogelijk zou zijn, eensdeels om een eigen administratief onderzoek te voeren, anderdeels om daarmee voldoende bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens te verzamelen om de tuchtvordering te kunnen inleiden. Verzoekers argument dat de tuchtoverheid een administratief verhoor van hem had kunnen afnemen, overtuigt prima facie niet. Verzoeker gaat hiermee immers voorbij aan het bezwaar tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek dat de procureur des Konings op 29 december 2022 formuleerde en herhaalde in zijn brief van 20 maart
- Gelet op dat herhaalde bezwaar kon de tuchtoverheid prima facie redelijkerwijze oordelen dat een eigen administratief onderzoek, dat het gerechtelijk onderzoek dreigde te doorkruisen wat de waarheidsvinding niet ten goede zou komen, niet wenselijk was.
- Voorts voert verzoeker aan dat de redelijketermijneis geschonden is omdat, hoewel de hogere tuchtoverheid op 24 april 2023 vernam dat het parket de feiten had geseponeerd, het nog tot 10 oktober 2023 duurde alvorens de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag betekende. Aan de orde in het voorliggende middelonderdeel is dus de vraag of, ondanks de vaststelling dat de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-12/24 termijn van zes maanden is nageleefd, de hogere tuchtoverheid, door bijna de volledige verjaringstermijn te benutten alvorens de tuchtprocedure op te starten, niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, zodat de redelijketermijneis zou zijn geschonden.
- De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd, in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, de aard en de complexiteit van de zaak, het gedrag van verzoeker en dat van de tuchtoverheid. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure. De politieambtenaar weet krachtens artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet dat tegen hem een tuchtprocedure kan worden ingeleid binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de feiten, en dat na het verstrijken van deze termijn, geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld – behalve wanneer het tweede lid van de voornoemde bepaling van toepassing is - waardoor de wetgever aldus zelf de eerbiediging heeft gewaarborgd van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van de redelijke termijn een corollarium is. Wanneer het inleidend verslag binnen de wettelijke termijn is betekend en de tuchtoverheid met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld om de tuchtzaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven, kan haar dus niet worden verweten dat zij het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden op de enkele grond dat zij gedurende de verjaringstermijn die haar voor het (desgevallend) verrichten van haar vooronderzoek en het betekenen van haar inleidend verslag was verleend, gedurende een bepaalde periode erin inactief is geweest. Dit zou anders zijn indien de tuchtoverheid, naast dit tijdelijk stilzitten, in de andere fasen van de tuchtprocedure niet met de nodige voortvarend had opgetreden om de tuchtprocedure af te ronden. In dat geval zou het tijdelijk stilzitten tijdens de betrokken verjaringstermijn van zes maanden in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het tijdsverloop tussen de kennisneming van feiten die een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-13/24 tuchtprocedure kunnen rechtvaardigen en de eindbeslissing, als gevolg van het gebrek aan voortvarendheid van de tuchtoverheid, de redelijketermijneis schendt. Te dezen voert het middelonderdeel, zoals het in het verzoekschrift is geformuleerd, prima facie uitsluitend de schending aan van de redelijketermijneis binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden. Het verzoekschrift bevat geen grief over de stappen die zijn ondernomen na de vaststelling van het inleidend verslag. Uit wat hiervoor prima facie is vastgesteld, volgt dat in de huidige stand van het geding wordt aangenomen dat het inleidend verslag tijdens de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat de hogere tuchtoverheid de bijna volledige verjaringstermijn van zes maanden heeft benut om de tuchtprocedure op te starten, kan op zich geen schending van de redelijketermijneis opleveren, daar verzoeker de hogere tuchtoverheid geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 10 oktober
- In de mate dat verzoeker de schending van de redelijketermijneis aanvoert, is het middel niet ernstig. Conclusie
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het evenredigheids-beginsel. XII-9722-14/24 Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, voert verzoeker in wezen aan dat dit beginsel geschonden is omdat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de ziektetoestand van verzoeker die gekend was en blijkt uit medische attesten en die in een causaal verband staat met de tuchtfeiten. Uit de medische attesten blijkt dat verzoeker kampte met een ernstige depressie en dat er een causaal verband bestaat met het middelengebruik. Verzoekers medische toestand werd ten onrechte niet in aanmerking genomen, noch als verschoningsgrond, noch als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de strafmaat. Gezien zijn medische toestand diende de tuchtoverheid een gedegen onderzoek te voeren naar de juiste omstandigheden. Voorts motiveert de tuchtoverheid niet waarom zij de deskundigheid van de huisarts in twijfel trekt. Verzoeker verwijst ook naar de medische attesten gevoegd bij zijn verweerschrift tegen het tweede voorstel van zware tuchtstraf, waarover de hogere tuchtoverheid zich niet heeft uitgesproken, daar zij oordeelde dat dit verweer te laat kwam. Verder bekritiseert verzoeker zijn detachering naar een andere politiedienst na afloop van de voorlopige schorsing en zijn verdere tewerkstelling daar zonder doorverwijzing naar de arbeidsarts, noch re-integratietraject. Daar verzoeker blijkbaar “goed genoeg” was om verder te werken in een ander dienst, kan de hogere tuchtoverheid geen gewag maken van een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk. Verzoeker besluit dat de hogere tuchtoverheid onoordeelkundig tot haar beoordeling kwam dat er geen causaal verband bestaat tussen de depressie, de werkdruk en stress en het gebruik van cocaïne. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, voert verzoeker aan dat de hogere tuchtoverheid in gebreke blijft wat de motivering van de strafmaat betreft. Verzoeker kan niet uitmaken waarom de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Wanneer de tuchtoverheid feiten uit het privéleven tuchtrechtelijk bestraft, moet zij genoegzaam motiveren waarom die feiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de goede werking van de dienst. Wat de schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, voert verzoeker aan dat uit de motivering de motieven voor de strafmaat moeten blijken XII-9722-15/24 en dat die straf ook proportioneel moet zijn in relatie tot de feiten en de opgeworpen contextuele omstandigheden. Beoordeling Eerste grief: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
- Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- In essentie voert verzoeker aan dat de hogere tuchtoverheid geen rekening heeft gehouden met de door haar gekende en bovendien door verzoeker geattesteerde gezondheidsproblemen, met name een ernstige depressie die in een causaal verband staat tot de tuchtfeiten, zodat verzoekers ziekte als een verschoningsgrond, minstens een verzachtende omstandigheid in aanmerking moest worden genomen. XII-9722-16/24
- In de bestreden beslissing citeert de hogere tuchtoverheid in verband met de vraag of de gezondheidstoestand van verzoeker een verschoningsgrond, dan wel een verzachtende omstandigheid is, het advies van de Tuchtraad over verzoekers middel desbetreffend: “Indien de verzoeker zich beroept op een schulduitsluitingsgrond, die de tuchtstrafwaardigheid van de feiten opheft, dan berust evenwel op hem een aanvoeringslast, die inhoudt dat hij op een geloofwaardige wijze deze grond moet inroepen. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk moment van geloofwaardigheid, rust op de overheid de noodzaak tot onderzoek ervan en tot het naleven van de zorgvuldigheidsplicht bij het onderzoek van dit gegeven […]. Bij nazicht van het voorstel van zware tuchtstraf van 21 november 2023 blijkt dat de hogere tuchtoverheid met de aangevoerde schulduitsluitingsgrond rekening heeft gehouden, deze uitgebreid afgewogen heeft en er op heeft geantwoord. Dat door de geestestoestand van verzoeker zijn oordeelsvermogen of de controle over zij daden in die mate was aangetast dat hij zich geen rekenschap meer kon geven van de ernst en de aard van de feiten, zoals ook onder meer inzake het bezit en gebruik van drugs, is niet aangetoond. Dit is ook niet aangetoond door de bij de behandeling voor de Tuchtraad (en ervoor) voorgelegde medische attesten, die niet aantonen dat ieder beoordelingsvermogen bij verzoeker in die mate was aangetast dat zijn oordeelsvermogen over de feiten of de controle over zijn daden uitgeschakeld was. Bezwaarlijk kan, in ondergeschikte orde, die geestestoestand in aanmerkingen genomen worden als een ‘verzachtende omstandigheid’ gezien de aard en de ernst van feiten, temeer daar enkel sprake is van een mogelijk probleem inzake draagkracht, stressreductie en depressieve klachten waarvoor blijkbaar reeds een medische vraag naar behandeling bestond, zoals ook hierna wordt overwogen.” De bestreden beslissing vervolgt: “Zoals eerder vermeld volg ik de Tuchtraad in haar definitief advies met betrekking tot dit element. Ik wens hierbij nog een aanvulling te doen. Ik heb uw gezondheidstoestand meegenomen in de overweging van het feit of u een tuchtstraf zou moeten krijgen en zo ja dewelke. Uw gezondheidstoestand wordt niet in vraag gesteld. Wat wel in vraag wordt gesteld is het causaal verband. Het is niet omdat u een attest bijbrengt van een huisarts waaruit een causaal verband zou moeten blijken tussen uw depressie en uw middelengebruik, dat dit inhoudt dat ik deze moet bijvallen. De Raad van State oordeelde reeds eerder dat ik hiermee de redelijke uitoefening van mijn beoordelingsvrijheid niet te buiten ga […]. Ik ben het er niet mee eens dat iemand die een depressie doormaakt dit onvermijdelijk zou compenseren met middelengebruik, laat staan dat u niet ten alle tijden daarin een vrije keuze zou hebben gehad. Er is immers steeds de keuze om dit te compenseren op een andere, legale manier (sporten, meditatie, gebruik legale medicatie, …). Ik blijf bovendien de mening toegedaan dat uw gezondheidstoestand, dewelke zoals hierboven vermeld niet in twijfel wordt getrokken, niet van die aard was dat dit een verschoningsgrond zou kunnen uitmaken voor de door u ten laste gelegde tuchtvergrijpen.” XII-9722-17/24 Voorts valt de bestreden beslissing de beoordeling van de toerekenbaarheid van de feiten door de Tuchtraad bij: “Deze feiten zijn dus gezien het bewijs ervan evenzeer toerekenbaar, mede gelet op het hierna staande inzake de gezondheidstoestand van verzoeker op het ogenblik der feiten. Verzoeker heeft wel degelijk wetens en willens de feiten betreffende bezit en gebruik van drugs gesteld. Zijn gezondheidstoestand zoals gestaafd met medische attesten laat niet toe aan te nemen dat zijn oordeelsvermogen nopens het wederrechtelijk karakter van het zichzelf toedienen van drugs ‘ter behandeling’, uitgeschakeld was, in die zin dat hij geen onderscheid meer zou hebben kunnen maken tussen het legaal en illegaal karakter van zijn handelen op dat punt, minstens, wat het illegale karakter betreft, als tuchtvergrijp. Zelfs een depressieve toestand en ook één waarbij een behandeling geldt met medicijnen, toont niet aan dat het oordeels- en inschattingsvermogen van verzoeker verminderd was, laat staan dat hij zich geen rekenschap kon geven van het negatief tuchtrechtelijk karakter van zijn drugsgebruik en - bezit. Bezwaarlijk kan worden volgehouden dat medicijnen tegen een depressieve toestand het beoordelingsvermogen zouden verminderen, integendeel, of dat een depressieve toestand zou leiden tot het uitschakelen van de eigen wil nopens drugsbezit en -gebruik. Daarenboven toont verzoeker dit in het geheel niet aan. De feiten zijn, wat dit aspect betreft, hem derhalve toerekenbaar.” Onder de titel “bewijs en toerekening van de feiten” tot slot verwijst de bestreden beslissing naar de repliek op het eerder gevoerde verweer, zo ook het voorstel van zware tuchtstraf waarin eveneens een uitgebreid antwoord wordt geformuleerd op de verweerelementen die verband houden met verzoekers gezondheidstoestand.
- Wat het argument betreft dat de hogere tuchtoverheid verzoekers ziektetoestand niet in overweging heeft genomen, blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing prima facie dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk verzoekers gezondheidstoestand in aanmerking heeft genomen. De bestreden beslissing overweegt dit uitdrukkelijk en erkent dat de gezondheidstoestand op zich niet in vraag wordt gesteld. Wat de bestreden beslissing wel in vraag stelt is het door verzoeker aangevoerde causaal verband. Dat de hogere tuchtoverheid de gezondheidstoestand van verzoeker in haar beoordeling heeft betrokken, houdt evenwel niet in dat de tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker zoals dat uit de medische attesten een “associatie” blijkt tussen de gezondheidstoestand en het middelenmisbruik, alsook dat de “problematiek die aanleiding gaf tot een verantwoordelijkheidsverminderende contextuele medische situatie” onvoldoende in aanmerking werd genomen, moet bijvallen. Ook blijkt uit de formele motivering ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-18/24 van de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid de door verzoeker voorgelegde attesten in haar beoordeling heeft betrokken, hetgeen evenmin moet inhouden dat zij die moet bijvallen. Door te overwegen dat de hogere tuchtoverheid niet de mening deelt dat iemand die een depressie doormaakt dit onvermijdelijk zou compenseren met middelengebruik, laat staan dat de betrokkene niet ten alle tijden daarin een vrije keuze zou hebben gehad, zet de bestreden beslissing ook uiteen waarom verzoekers standpunt, niettegenstaande de voorgelegde attesten, niet wordt bijgevallen. Het door de hogere tuchtoverheid verwoorde standpunt lijkt prima facie overigens niet onverenigbaar met de diverse doorheen de procedure voorgelegde attesten in hun geheel bekeken, waaronder ook het attest van de klinisch psycholoog van 17 april 2024 dat niet in de bestreden beslissing werd betrokken omdat het volgens de hogere tuchtoverheid laattijdig was ingediend. Verzoeker maakt aldus prima facie niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door in die zin te oordelen de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid zou zijn te buitengegaan. Verzoeker verdedigt weliswaar een ander feitelijk standpunt ter zake, maar hij maakt hiermee op zich prima facie niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met haar beoordeling van het causaal verband tussen verzoekers gezondheidstoestand en het chronisch gebruik van cocaïne, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending zou moeten blijken van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker verzuimt overigens de hiervoor vermelde overwegingen uit het advies van de Tuchtraad, waarbij de hogere tuchtoverheid zich expliciet heeft aangesloten, bij zijn kritiek te betrekken.
- In de mate dat verzoeker zijn detachering naar een andere politiedienst na afloop van de voorlopige schorsing bekritiseert, alsook zijn verdere tewerkstelling aldaar zonder doorverwijzing naar de arbeidsarts, noch re-integratietraject, wordt prima facie de verwerende partij bijgevallen dat deze argumenten geen verband houden met de bestreden beslissing. Verzoeker maakt dan ook geenszins aannemelijk dat deze maatregelen of het gebrek eraan tot de conclusie zouden moeten leiden dat de hogere tuchtoverheid bij het nemen van de bestreden beslissing de zorgvuldigheidsplicht heeft miskend. XII-9722-19/24
- Verzoekers argument dat hij blijkbaar goed genoeg was om verder te werken, weze het na detachering op een andere dienst, waaruit hij afleidt dat de hogere tuchtoverheid dan geen gewag kan maken van een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk, wordt in deze stand van de procedure evenmin bijgevallen. Prima facie wordt immers vastgesteld dat verzoeker geenszins uiteenzet waarom de hogere tuchtoverheid door hem verder te laten werken het zorgvuldigheidsbeginsel zou schenden, noch waarom het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wegens een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk slechts mogelijk zou zijn indien verzoeker voordien reeds uit de dienst zou zijn verwijderd. Bovendien blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk wordt afgeleid uit “het feit dat het bezitten en chronisch gebruiken van een illegale drug van die aard is om de kern van de politionele deontologie te raken” en werden ten aanzien van verzoeker wel degelijk ordemaatregelen getroffen in het belang van de dienst en in afwachting van de afwikkeling van de tuchtprocedure. Verzoeker betrekt deze motivering en deze gegevens evenwel niet in zijn kritiek. Tweede grief: schending van de materiëlemotiveringsplicht
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-20/24 stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
- Verzoeker voert aan dat hij niet kan uitmaken waarom de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, noch waarom de tuchtfeiten, die verband houden met het privéleven van verzoeker, de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de goede werking van de dienst.
- Nadat de bestreden beslissing verwijst naar het advies (in ondergeschikte orde) van de Tuchtraad inzake de strafmaat, motiveert zij de gehanteerde strafmaat als volgt: “Gelet op het feit dat u als personeelslid van de politie te allen tijde een voorbeeldfunctie heeft, dat het aan u ten laste gelegde feit dan ook niet kan worden getolereerd en dat tuchtrechtelijke gevolgen zich opdringen; Gelet dat een zware tuchtsanctie te verantwoorden is aangezien het tuchtvergrijp te zwaarwichtig is om bestraft te worden met enkel een aanmaning of een formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet. De doelstellingen van een lichte tuchtsanctie lijken onmogelijk verzoend te kunnen worden met de aard en de ernst van het tuchtvergrijp; Gelet op het definitief advies van de Tuchtraad, waarin ik de visie volg dat er tevens rekening moet gehouden worden met de weerslag van de feiten inzake drugsgebruik en -bezit op de werking van de dienst en de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek; Gelet op het feit dat het bezitten en chronisch gebruiken van een illegale drug van die aard is om de kern van de politionele deontologie te raken en te leiden tot een definitieve en onherroepelijke vertrouwensbreuk in hoofde van de overheden; Gelet op de felicitatie in uw persoonlijk dossier d.d. 3 mei 2019; Overwegende de functioneringsnota in uw persoonlijk dossier d.d. 28 juli 2022; Overwegende de beide niet-uitgewiste zware tuchtsancties op uw tuchtblad; Overwegende uw medische situatie en uw inspanningen om uw depressie en uw middelengebruik onder controle te krijgen; Overwegende uw schuldinzicht en uw spijtbetuiging en de getuigenissen van collega’s, door u aangebracht als verweerelementen; overwegende dat het niet uw volledige carrière bij de Geïntegreerde Politie is die beoordeeld of in vraag wordt gesteld; Gelet dat de zware tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ mij een gepaste tuchtstraf lijkt te zijn voor het tuchtvergrijp gelet op voornoemde elementen, waaronder hoofdzakelijk uw beide niet-uitgewiste zware tuchtsancties op uw tuchtblad; gelet op het aantal waarden, normen of fundamentele principes eigen aan de Geïntegreerde Politie die u geschonden hebt; dat u uw beroepsplichten niet hebt nageleefd, waaronder uw voorbeeldfunctie, de integriteitsplicht en de plicht om de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 XII-9722-21/24 wetten en reglementen na te leven en gelet op het feit dat u de waardigheid van het ambt in het gedrang hebt gebracht, meer bepaald het vertrouwen dat de publieke opinie dient te hebben in een politieambtenaar; Gelet dat ik meen dat geen andere, lichtere tuchtstraf dan het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd, rekening houdend met de onherroepelijke, totale vertrouwensbreuk met u die het tuchtvergrijp onder meer in mijn hoofde teweegbracht;”
- Verzoeker verzuimt de hiervoor vermelde formele motivering bij zijn kritiek te betrekken. Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft die formele motivering hem prima facie voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto meent dat de tuchtsanctie “ontslag van ambtswege” moet worden opgelegd, alsook waarom de tuchtfeiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen en een weerslag hebben op de goede werking van de dienst. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte materiëlemotiveringsplicht, te meer daar verzoeker zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek dat de bestreden beslissing met betrekking tot de motivering van de strafmaat in gebreke blijft, zonder bij die kritiek de concrete overwegingen uit de formele motivering te betrekken. Dat verzoeker zich niet in deze motieven kan vinden impliceert nog niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht zou zijn geschonden. Het komt aan verzoeker toe concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, wat hij prima facie niet doet. Het argument van verzoeker dat hij uit de motivering niet zou kunnen opmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, mist prima facie feitelijke grondslag. Derde grief: schending van het evenredigheidsbeginsel
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar XII-9722-22/24 toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheids-beginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
- Wat die door verzoeker aangevoerde argumenten betreft, beperkt verzoeker zich tot het opwerpen dat uit de motivering de motieven voor de strafmaat moeten blijken en dat die straf ook proportioneel moet zijn in relatie tot de feiten en de opgeworpen contextuele omstandigheden. Prima facie wordt aldus vastgesteld dat verzoeker verzuimt om op voldoende concrete wijze uiteen te zetten waarom er tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het komt, zoals hiervoor is gesteld, niet aan de Raad van State toe om deze beoordeling te maken. Conclusie
- Het tweede middel is niet ernstig. XII-9722-23/24 VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9722-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div