id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 Rolnummer: A. 236920/VII-41615 Zaak: Arrest 261069 - Kansspelen - 17/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-13 05:13 Fiche Arrest nr 261.069 van 17 oktober 2024 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 no lien 279385 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 261.069 van 17 oktober 2024 in de zaak A. 236.920/VII-41.615 In zake : de BV WEDWINKEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Valentine de Francquen en Katrijn Vermeulen kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2020). Survey sportweddenschappen: onderzoeksrapport bevraging over sportweddenschappen onder leden en medewerkers van sportclubs. VAD). Aan de aanwezigheid van hogervermelde sportclubs en het Olympisch Stadion kan dus niet voorbijgegaan worden. De nabijheid van elk van deze plaatsen, waar tevens veel jongeren samenkomen, volstaat om het sluiten van het convenant te weigeren. Wedkantoor […] is bovendien gelegen nabij het Kielpark zelf, de enige grote groene ruimte in dit deel van de stad, met basketveld, een buurthuis voor jongeren in het park zelf. Het park is een plaats waar veel jongeren samenkomen om rond te hangen, te sporten en te spelen. Dit park ligt op een wandelafstand van minder dan tien minuten van het wedkantoor (700 meter). Vanwege de nagestreefde sociale bescherming van jongeren betreft de aangevraagde vestigingsplaats aldus een ongeschikte locatie gezien de wet uitdrukkelijk verbiedt dat kansspelinrichtingen gelegen zijn in de buurt van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Dit wordt ook uitdrukkelijk door de Raad van State bevestigd: ‘Tevergeefs brengt verzoekster tegen die beoordeling in dat er dan blijkbaar geen enkele locatie in het centrum van Kortrijk aan de voorwaarden voor het sluiten van een convenant kan voldoen. Daargelaten de feitelijke juistheid hiervan, gaat verzoekster er blijkbaar van uit dat een kansspelinrichting in het centrum mogelijk moet zijn. De Raad van State is geen dergelijk voorschrift bekend. Daarentegen bestaat er wel een wetsvoorschrift dat kansspelinrichtingen in de buurt van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, verbiedt. (…) VII-41.615-6/16 Wanneer dan ook de weigering op dat motief berust volstaat het ten aanzien van de formele-motiveringseis dat de prohibitieve nabijheid afdoende met redenen wordt omkleed. Te dezen is daaraan voldaan. Immers preciseert de bestreden beslissing welke door het voorschrift bedoelde inrichtingen of plaatsen te dicht bij de vestigingsplaats van verzoekster gelegen zijn en waarom, namelijk op welke afstand ze zich ten opzichte van de kansspelinrichting (slechts) bevinden.’ (RvS nr. 197.781 van 13 november 2009) De nabijheid van elk van bovengenoemde plaatsen, waar tevens veel jongeren samenkomen, volstaat derhalve om het sluiten van het convenant te weigeren op grond van artikel 43/5, 5°, van de Kansspelwet. […].” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de “bevoegdheid van de Kansspelcommissie” en van het beginsel van fair play. In een eerste middelonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat het sluiten van een convenant werd geweigerd “zonder het opgeven van redenen” waarom “een zekere mate van voorwaarden inzake openingstijden en dagen niet zou beantwoorden aan de doelstelling om jongeren of kwetsbare of verslaafde personen te beschermen” en “welke andere locatie met hetzelfde profiel voor het betrokken wedkantoor in aanmerking zou kunnen komen”. Zij benadrukt dat de verwerende partij heeft beslist om de exploitatie van het wedkantoor niet toe te staan terwijl haar bevoegdheid in het kader van het sluiten van een convenant beperkt is tot de vraag “waar en hoe de activiteit zou kunnen plaatsvinden”. Als tweede middelonderdeel wordt aangevoerd dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing zich de overeenkomstig artikel 21 van de kansspelwet aan de Kansspelcommissie VII-41.615-7/16 toegekende bevoegdheid heeft toegeëigend door geen alternatieve vestigingsplaats voor te stellen en door geen nadere voorwaarden te bepalen die jongeren en kwetsbare personen kunnen beschermen. In een derde middelonderdeel meent de verzoekende partij dat het beginsel van fair play geschonden is doordat de bestreden beslissing zou doen blijken van een “verdoken politiek” van de verwerende partij om de exploitatie van alle kansspelinrichtingen op haar grondgebied te weren.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing een omstandige en afdoende motivering bevat waarom geen convenant wordt afgesloten en dat geen andere elementen (gemoduleerde openingstijden en/of alternatieve locaties) in de bestreden beslissing moesten worden beoordeeld. Zij benadrukt dat de wetgever heeft gewild om de gemeente in de fase van de convenantaanvraag de bevoegdheid te geven om de nabijheid van de in artikel 43/5 van de kansspelwet vermelde inrichtingen te beoordelen. De gemeente beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid heeft zij zich dan ook niet in de plaats gesteld van de Kansspelcommissie. In zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur moet worden aangemerkt, veronderstelt een gebrek aan fair play volgens de verwerende partij onder meer dat de overheid met kwade trouw, minstens met opzet, zou hebben gepoogd om de rechtsonderhorige in de uitoefening van zijn rechten te belemmeren. Het komt aan de verzoekende partij toe dit aan te tonen. Uit geen enkele positiefrechtelijke norm, noch uit enig beginsel van behoorlijk bestuur, volgt dat het bestuur ertoe gehouden is om alternatieve locaties voor de kansspelinrichting te suggereren. Daarnaast spreekt het volgens de verwerende partij voor zich dat wanneer de gemeenteraad een convenant weigert wegens de nabijheid van in artikel 43/5 van de kansspelwet bedoelde inrichtingen, het niet aan de orde is om de modaliteiten inzake openingsuren en -dagen te onderzoeken.
- In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij gelden dat het de Kansspelcommissie is die overeenkomstig artikel 21 van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 VII-41.615-8/16 kansspelwet de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van een F2-vergunning nagaat en dat het maximumaantal kansspelinrichtingen klasse IV wordt vastgelegd op federaal en niet op gemeentelijk niveau. Met betrekking tot het beginsel van fair play beklemtoont de verzoekende partij dat de verwerende partij op geen enkel ogenblik heeft meegedeeld dat er een probleem was met de voorgestelde locatie. Hieruit leidt zij af dat de verwerende partij te kwader trouw heeft gehandeld. Beoordeling Eerste en tweede onderdeel
- Artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet kent aan de gemeente een discretionaire bevoegdheid toe die onder meer betrekking heeft op de beoordeling van de plaats waar een kansspelinrichting kan worden gevestigd. Op grond van voormelde bepaling moet de exploitatie van een vaste kansspelinrichting klasse IV immers geschieden krachtens een convenant dat “voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater” waarin wordt bepaald “waar de kansspelinrichting wordt gevestigd”, alsook waarbij “de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, de openings- en sluitingsdagen […] en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt” worden vastgesteld. De beoordelingsbevoegdheid van de gemeente houdt in wezen in dat op grond van een in concreto onderzoek van de eigen en particuliere omstandigheden van elke zaak, geval per geval wordt uitgemaakt of al dan niet een convenant kan worden gesloten. Artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet verplicht de gemeente van vestiging alleszins niet om elke aanvraag tot het sluiten van een convenant in te willigen en nog minder om aan een dergelijke aanvraag een positief gevolg te geven zonder acht te slaan op de in artikel 43/5, eerste lid, punt 5, van dezelfde wet bedoelde prohibitieve nabijheid die vereist dat de “de kansspelinrichting klasse IV niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, [en] plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht”. De opvattingen van de verzoekende partij dat de op grond van artikel 43/4, § 1, van de kansspelwet aan de gemeente van vestiging verleende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 VII-41.615-9/16 bevoegdheid beperkt zou zijn tot het vaststellen van de exploitatievoorwaarden van het wedkantoor en dat de betrokken gemeente zich de bevoegdheid van de Kansspelcommissie toe-eigent als zij weigert een convenant af te sluiten, falen naar recht. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, verplichten geen van de in het middel aangehaalde rechtsbepalingen en -beginselen het bestuur tot een onderzoek naar alternatieve vestigingsplaatsen of naar de modaliteiten die de exploitatie van de inrichting in de betrokken omgeving aanvaardbaar zouden maken.
- In dit geval wordt er in de bestreden beslissing op gewezen dat de vestigingsplaats zich in de nabijheid van tal van kwetsbare inrichtingen bevindt, waarbij wordt gepreciseerd om welke inrichtingen het concreet gaat (verscheidene onderwijsinstellingen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht) en op welke wandelafstand deze inrichtingen ten opzichte van de vooropgestelde vestigingsplaats zijn gelegen. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het convenant wordt geweigerd “zonder het opgeven van redenen”, mist het feitelijke grondslag.
- Het eerste en het tweede middelonderdeel zijn ongegrond. Derde onderdeel
- Aangenomen dat fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou kunnen worden beschouwd, veronderstelt een gebrek daaraan alleszins dat de overheid met opzet zou hebben gepoogd de verzoekende partij in de uitoefening van haar rechten te belemmeren. Het komt aan de verzoekende partij toe om zulks aan te tonen. Voor de bewering dat het stadsbestuur alle wedkantoren op haar grondgebied zou willen verbieden, wordt geen overtuigend bewijs bijgebracht.
- Het derde middelonderdeel is ongegrond. VII-41.615-10/16 Conclusie
- Het eerste middel is, in al zijn onderdelen, ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Als tweede middel wordt de schending aangevoerd van het redelijkheidsbeginsel en van het “verbod op rechtsmisbruik”. De verzoekende partij poneert dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing “de meest restrictieve toepassing van de wet heeft gedaan met als doel de kansspelinrichtingen van haar grondgebied te weren”, terwijl het doel van de wetgeving is om jongeren en kwetsbare personen te beschermen en hiervoor beschermingsmaatregelen te nemen en dat “het weigeren van het sluiten van een convenant zonder alternatieven aan te bieden niet in lijn ligt met het doel dat wordt nagestreefd door de wetgeving”.
- De verwerende partij antwoordt dat ze sinds de inwerkingtreding van het huidige artikel 43/5 van de kansspelwet reeds met zes exploitanten van een kansspelinrichting een convenant heeft afgesloten, wat maakt dat de beweringen van de verzoekende partij als zou zij “een impliciete beleidslijn aanhouden om geen convenanten af te sluiten” feitelijke grondslag mist. Daarnaast wijst zij erop dat er geen “recht” bestaat op de vestiging van een wedkantoor in een stedelijke omgeving.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat sedert 30 mei 2022 er wel degelijk sprake is van een “impliciete beleidslijn” om geen convenanten af te sluiten voor de uitbating van kansspelinrichtingen klasse IV. Zij verwijst in dit verband naar een verklaring van de burgemeester van de stad Antwerpen in een krant. VII-41.615-11/16 Beoordeling
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid.
- Uit de beoordeling van het eerste middel volgt dat de verwerende partij de juridische draagwijdte van de artikelen 43/4, § 1, en 43/5, eerste lid, punt 5, van de kansspelwet niet heeft miskend. De draagwijdte van deze rechtsbepalingen brengt mee dat de weigering om een convenant af te sluiten op grond van de vaststelling dat in de nabijheid van het wedkantoor talrijke inrichtingen gelegen zijn die door de kansspelwet als kwetsbaar moeten worden aangemerkt, niet doet blijken van een wanverhouding die met toepassing van het redelijkheidsbeginsel moet worden gesanctioneerd. Tevens past het te herhalen dat voor de bewering dat er sprake zou zijn van een bijzonder opzet van de verwerende partij om aanvragen tot het sluiten van een convenant als bedoeld in artikel 43/4, § 1, van de kansspelwet, stelselmatig te weigeren, geen overtuigend bewijs wordt bijgebracht. VII-41.615-12/16
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring bevat een derde middel dat is afgeleid uit de schending van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat bepaalt dat de vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken en in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt dat eenieder vrij is om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen. De verzoekende partij zet uiteen dat zij door de bestreden beslissing geen economische activiteit kan uitoefenen, dat het niet aan de verwerende partij toekomt om op algemene wijze de uitoefening van een bepaalde economische activiteit op haar grondgebied te verbieden en dat de bestreden beslissing bijgevolg “[o]vereenkomstig artikel 159 van de Grondwet […] niet [kan] worden toegepast voor zover zij in strijd is met de vrijheid van ondernemerschap”.
- De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het buiten toepassing laten van de bestreden weigeringsbeslissing omdat zulks niet kan meebrengen dat met haar een convenant gesloten moet worden. Ten gronde argumenteert zij dat de wetgever erin heeft voorzien dat het exploiteren van kansspelen in principe verboden is en er via een systeem van vergunningen slechts een beperkt legaal aanbod van kansspelen is toegestaan. Doelstellingen inzake fraudebestrijding, consumentenbescherming en bescherming van de maatschappelijke orde zijn dwingende redenen van algemeen belang die beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen. Zij wijst er nogmaals op dat van een “algemene weigering” om convenanten voor de exploitatie van wedkantoren af te sluiten geen sprake is. VII-41.615-13/16
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat een “algemene weigering” om convenanten af te sluiten niet kan worden beschouwd als een evenredige beperking van de vrijheid van ondernemen.
- De verzoekende partij voegt in haar laatste memorie nog toe dat een “beperking op de vrijheid van ondernemen […] toegelaten [is] indien zij een legitiem doel nastreeft en de gekozen wijze noodzakelijk en evenredig is”, terwijl in voorliggend geval moet besloten worden dat de “niet constructieve houding” van de verwerende partij de vrijheid van ondernemen onevenredig beperkt. Beoordeling
- Aangezien door het instellen van het vernietigingsberoep de bestreden beslissing hoe dan ook onderworpen is aan de wettigheidscontrole van de Raad van State, is een bijkomend beroep op de toepassing van artikel 159 van de Grondwet nutteloos.
- Het toepassingsgebied van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is, wat betreft het optreden van de lidstaten, omschreven in artikel 51, lid 1, van het Handvest, luidens hetwelk de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht “uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” (HvJ 26 februari 2013, nr. C-617/10, Åkerberg Fransson, ECLI:EU:C:2013:105, punten 17-20). De verzoekende partij toont niet aan dat met de bestreden beslissing het recht van de Unie ten uitvoer wordt gelegd.
- Artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, waaraan het middel eveneens refereert, waarborgt de vrijheid “om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen”. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 142/2014 van 9 oktober 2014 gesteld dat de vrijheid van handel en nijverheid, of nog de vrijheid van ondernemen, zijn gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. Die vrijheid kan evenwel, aldus het Grondwettelijk Hof, “niet worden opgevat als een absolute vrijheid. De wetgever zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van handel en nijverheid zou ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 VII-41.615-14/16 beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel” (punt B.7.2.). De in het middel aangevoerde schending van artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht heeft in wezen betrekking op een beweerd gebrek aan proportionaliteit van een algemeen verbod om wedkantoren op het grondgebied van de verwerende partij te exploiteren. Zoals uit de beoordeling van het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel blijkt, kan niet aangenomen worden dat er sprake is van een dergelijk algemeen verbod.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.615-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.615-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.069 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:EU:C:2013:105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div