← België

Arrest 261092 - Sluitingen van vestigingen - 18/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.092 Rolnummer: A. 237747/X-18275 Zaak: Arrest 261092 - Sluitingen van vestigingen - 18/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-17 04:50 Fiche Arrest nr 261.092 van 18 oktober 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 261.092 van 18 oktober 2024 in de zaak A. 237.747/X-18.275 In zake : P.E. woonplaats kiezend te 2900 Schoten Wezelsebaan 94/A tegen : de GEMEENTE SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Geens kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten d.d. 31 maart 2022 verleende tijdelijke uitbatings- en drankvergunning aan de uitbater van [B.], 2100 Deurne”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-18.275-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. P.E., die in persoon verschijnt, en advocaat Gheerkin Vanhaverbeke, die loco advocaat Joris Geens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker woont te Schoten, in de onmiddellijke omgeving van de inrichting B., in het clubhuis van tennisclub N. Op 31 maart 2022 verleent het college van burgemeester en schepen van de gemeente aan A. B., uitbater van B., een tijdelijke uitbatings- en drankvergunning voor de exploitatie van een horecazaak met aanbod en consumptiemogelijkheid van gegiste en sterke dranken ter plaatse. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  6. Volgens de verwerende partij is het beroep te laat. Toegelicht wordt dat de beslissing van 31 maart 2022 conform artikel 285, § 1, 3°, van het “Bestuursdecreet van 22 december 2017” (lees: decreet van 22 december 2017 X-18.275-2/7 ‘over het lokaal bestuur’; hierna, decreet lokaal bestuur) werd opgenomen in de besluitenlijst die op 7 april 2022 op de gemeentelijke website gepubliceerd werd. De beslissing is een akte die moest worden bekendgemaakt én tijdig werd bekendgemaakt. De termijn van zestig dagen om een vernietigingsberoep in te stellen nam dan ook een aanvang op 8 april
  7. Voor zoveel de publicatie op de gemeentelijke website geen bekendmaking in de zin van artikel 4 van het algemeen procedurereglement zou uitmaken, begon de beroepstermijn alleszins te lopen op het tijdstip waarop verzoeker feitelijk kennis kon nemen van de bestreden beslissing. Welnu, verzoeker geeft in het verzoekschrift zelf aan aanwezig te zijn geweest op en geparticipeerd te hebben aan een vergadering op 22 juni 2022 waarop het bestreden besluit uitdrukkelijk aan bod kwam. Een minimale diligentie vereist “dat hij de kwestieuze uitbatingsvergunning onmiddellijk zou trachten te verkrijgen”. Verzoeker had dus op 22 juni 2022 kennis van de bestreden beslissing, minstens behoorde hij er op die datum kennis van te hebben.
  8. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de bestreden beslissing hem pas kenbaar werd gemaakt op 11 oktober 2022, na een beroep in het kader van de wetgeving inzake openbaarheid van bestuur. Overigens, aldus verzoeker, werd hem door een ambtenaar van de verwerende partij, S. V., bij e-mail van 30 juni 2021 (lees: 3 juni 2021) toegezegd dat hij op de hoogte zou worden gehouden met betrekking tot het dossier. Dat is niet gebeurd. Ook liep verzoeker op 28 april 2022 een polsbreuk op, met een periode van feitelijke overmacht tot gevolg, waarin hij niet kon schrijven en geen toetsenbord kon bedienen. Voorts schrijft verzoeker dat er op 22 juni 2022 een overleg plaatsvond waaraan omwonenden, een afvaardiging van de gemeente, en het bestuur en de uitbater van de tennisclub deelnamen. De bestreden beslissing “kwam feitelijk niet omschreven aan bod”. Wel zegt verzoeker onmiddellijk na het tweede overleg, op 28 september 2022, aan de uitbater om inzage te hebben X-18.275-3/7 gevraagd “in de vergunning waarover een bestuurslid melding maakte in de voorafgaande vergadering”. Er kwam geen respons.
  9. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat een annulatie-beroep alleen kon worden ingediend als de vergunning volledig bekend was, inclusief vooronderzoek en randvoorwaarden. Herhaald wordt dat de toezegging bij e-mail van 13 juni 2021 (lees: 3 juni 2021) niet is nageleefd. Voorts verwijst verzoeker naar valsheid in de notulen van het eerste overleg en merkt hij op dat de uitbater direct de gevraagde helderheid had kunnen geven, “maar hij zweeg in alle talen en verroerde geen vin”. De broodnodige inlichtingen zijn pas op 10 november 2022 verkregen. De “tijdsvertraging” is geheel te wijten aan ambtenaar S. V. en aan de burgemeester die S. V. had “dienen te corrigeren”. Beoordeling
  10. Wat de verwerende partij op 7 april 2022 overeenkomstig artikel 285, § 1, van het decreet lokaal bestuur via haar webtoepassing bekend moest maken, is niet de inhoud van de bestreden beslissing, maar alleen een lijst met besluiten. Concreet werd op 31 maart 2022 gepubliceerd dat het college van burgemeester en schepenen een tijdelijke uitbatingsvergunning goedkeurde “voor een horecazaak”.
  11. Het gaat om een ruchtbaarheid die volstrekt niet van aard is om voor verzoeker de beroepstermijn te doen lopen tegen de vergunning voor specifiek de uitbating van horecazaak B., door A. B.
  12. In de concrete omstandigheden van de zaak nam, met toepassing van artikel 4, § 1, van het algemeen procedurereglement, de beroepstermijn tegen de bestreden beslissing een aanvang “met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad”. X-18.275-4/7
  13. Wat die kennis betreft, schrijft verzoeker zelf in het verzoek-schrift over het overleg van 22 juni 2022, waarin hij naar eigen zeggen een derde van de tijd aan het woord is geweest, dat “opeens” beweerd werd dat het opstarten van de inrichting “reglementair is” en dat de drank- en de uitbatingsvergunning “in orde zijn”. Wanneer dan de verwerende partij in de memorie van antwoord daaruit afleidt dat verzoeker op die dag kennis had of behoorde te hebben van de vergunning, wordt dat door verzoeker in de memorie van wederantwoord uiteindelijk alleen maar bevestigd. Kennelijk verwijzend naar deze drank- en uitbatingsvergunning die op het overleg van 22 juni 2022 plotseling ter sprake was gekomen, schrijft hij wat volgt: “Direct na het 2e overleg op 28 september 2022 vroeg ik aan [de] uitbater […] om inzage in de vergunning waarover een bestuurslid melding maakte in de voorafgaande vergadering. De uitbater zweeg daarop in alle talen en er volgde ook van die kant geen verdere respons.”
  14. Het wijst uit dat verzoeker, in plaats van onverwijld bij de bevoegde overheid de nodige inlichtingen in te winnen met betrekking tot “de vergunning waarover een bestuurslid melding maakte in de voorafgaande vergadering”, ermee volstond om eerst meer dan drie maanden te laten passeren en er dan eens de uitbater over aan te spreken. Het duurt dan overigens nog eens bijna een maand, tot 21 oktober 2022, alvorens verzoeker de verwerende partij zelf om inzage van de vergunning vraagt. De verwerende partij verschaft hem die met een e-mail van 10 november
  15. Naar het oordeel van de Raad van State getuigt verzoekers houding niet van de vereiste diligentie. Het kan begrepen worden dat niet reeds het louter opvangen van de mededeling op zich dat de uitbater met zijn drank- en uitbatingsvergunning in orde zou zijn, volstaat om een voldoende kennis van die vergunning in hoofde van X-18.275-5/7 verzoeker aan te nemen. Wel moest – gelet op het principe dat aan voormeld artikel 4 van het algemeen procedurereglement ten grondslag ligt en volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve rechts-handelingen te lang onzeker blijft, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de vergunninghouder én van de omwonenden en andere belanghebbenden, anderdeels – de mededeling op de vergadering van 22 juni 2022 verzoeker ertoe aanzetten om binnen een redelijke termijn naar de vergunning op zoek te gaan en er zich bij de bevoegde overheid over te bevragen.
  16. Rekening gehouden hiermee en met de termijn die de verwerende partij daadwerkelijk nodig bleek te hebben om verzoeker openheid te verschaffen toen hij er expliciet om vroeg, wordt aangenomen dat hij alleszins een voldoende kennis van de bestreden beslissing had of behoorde te hebben, een maand na 22 juni 2022, vanaf 22 juli
  17. Voorliggend beroep dat ruim meer dan drie maanden nadien werd ingesteld, is bijgevolg te laat.
  18. Noch het feit dat een ambtenaar van de gemeente op 3 juni 2021 schreef dat verzoeker op de hoogte zou worden gehouden van het verloop van het dossier, wat niet gebeurde, noch het feit dat verzoeker op 28 april 2022 een polsbreuk opliep, noch het feit dat het verslag van de vergadering van 22 juni 2022 onjuistheden zou hebben bevat, kan vergoelijken dat verzoeker maandenlang passief bleef nadat hij op 22 juni 2022 het bestaan van de bestreden vergunning vernam.
  19. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.275-6/7
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.275-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.