← België

Arrest 261203 - Tucht (openbaar ambt) - 24/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 Rolnummer: A. 237169/XII-9575 Zaak: Arrest 261203 - Tucht (openbaar ambt) - 24/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 04:44 Fiche Arrest nr 261.203 van 24 oktober 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 no lien 279596 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 261.203 van 24 oktober 2024 in de zaak A. 237.169/XII-9575 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE

(5411)VILVOORDE-MACHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36/9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Vilvoorde-Machelen van 5 juli 2022, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 255.440 van 10 januari 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9575-1/25 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 255.440 van 10 januari 2023. Er wordt naar verwezen. XII-9575-2/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het recht van verdediging, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. In wat als een eerste onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker het recht van verdediging geschonden doordat pas bij de bestreden beslissing, en zonder dat er nog een gelegenheid tot verweer was, de hogere tuchtoverheid door de herkwalificatie het geweer van schouder veranderde door het gegeven van de beschuldigingen en verwijten op zich als een tuchtfeit te aanzien, waarbij de waardigheid van het ambt thans in het gedrang zou zijn gebracht door de uiting van verwijten en beschuldigingen op zich. Aldus acht verzoeker dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op een deugdelijke en goede manier zijn verdediging op te bouwen met kennis van de centrale elementen die de tuchtoverheid aanneemt om te besluiten dat een tuchtfeit voorhanden is en tot staving van de tuchtstraf. Verzoeker meent dat aldus zijn recht van verdediging geschonden is omdat hij zich niet tegen deze herkwalificatie heeft kunnen verdedigen. De tuchtoverheid had na ontvangst van het advies van de Tuchtraad, waarbij zij zich aangesloten heeft, een bijkomende termijn moeten geven om verzoeker in de mogelijkheid te stellen verweer in te dienen. Verzoeker is ook van oordeel dat de Tuchtraad de feiten niet anders gekwalificeerd heeft, maar andere feiten in aanmerking heeft genomen. In zoverre de feiten wel als geherkwalificeerd kunnen worden beschouwd, meent verzoeker dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld met betrekking tot artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) omdat daarin geen aanvullende verweertermijn wordt voorzien in het geval de Tuchtraad de feiten herkwalificeert of een andere benadering of invulling van het tuchtfeit adviseert en de tuchtoverheid dit volgt. Aldus schendt artikel 54 van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-3/25 tuchtwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het de personeelsleden, voor wie de Tuchtraad bij zijn advies een heromschrijving dan wel herkwalificatie van de tuchtfeiten voorstelt en waarbij de tuchtoverheid zich vervolgens aansluit, anders behandelt dan de personeelsleden die na advies van de Tuchtraad worden geconfronteerd met de situatie waarin de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies of waarin de hogere tuchtoverheid instemt met de door de Tuchtraad voorgestelde strafverzwaring. In wat als een tweede onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de tuchtoverheid niet heeft nagegaan of elk der onderscheiden en in navolging van het advies van de Tuchtraad heromschreven feitelijkheden opgesomd onder de nummers 3.1 en 3.2 van punt 3 van de bestreden beslissing, de waardigheid van het ambt en de beroepsplichten schenden door een inbreuk te zijn op de punten 14, 12, 24 en 41 van de deontologische code. In wat als een derde onderdeel kan worden gelezen, acht verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden doordat niet blijkt dat de feiten vermeld onder punt 3.1.3, 3.1.4, 3.1.11, 3.1.12 en 3.1.13 van de bestreden beslissing op deugdelijke gronden als beschuldiging of verwijt worden gekwalificeerd. Hij is van oordeel dat alle punten samen zijn beoordeeld om te besluiten tot een enkele tuchtstraf zodat niet kan worden uitgesloten dat zonder deze punten er op zijn minst sprake was van een minder zwaarwegende tenlastelegging met gebeurlijke repercussies naar de strafmaat toe. 5. In de memorie van wederantwoord laat verzoeker met betrekking tot de door hem vermeende schending van het recht van verdediging, gelden dat naar zijn appreciatie de oorspronkelijke omschrijving van de tenlasteleggingen telkenmale/veelvuldig de bewoording “onder meer” bevat, wat hijzelf bij monde van zijn tuchtverdediger bekritiseerde aangezien dit een onbepaalde omschrijving van verwijten was. Zoals verzoeker het begrepen heeft, via zijn aanwezige verdedigers, was ook de Tuchtraad die mening toegedaan, dat de omschrijving van de tenlasteleggingen diende beperkt te blijven tot de concrete verwijten en niet vaag moest berusten op de notitie ‘onder meer’. Hierbij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-4/25 ging het er volgens hem hoegenaamd niet over dat het al dan niet juist zijn van de door hem gemaakte bemerkingen niet meer van tel zouden zijn. Verzoeker verwijst dienaangaande naar het proces-verbaal van de zitting van de Tuchtraad waar uit punt 5 blijkt dat: “de voorzitter verwijst naar de lijst van de tenlasteleggingen zoals voorgesteld door de Tuchtraad en stelt dat dit impliciet inhoudt om in de door de hoger tuchtoverheid omschreven tenlasteleggingen telkens de woorden ‘onder meer’ te laten vallen”. Verzoeker benadrukt verder dat het correct is – zoals de Raad van State in het tussengekomen arrest stelt – dat in de oplijsting zoals voorgesteld door de Tuchtraad geen sprake meer is van “terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn ten aanzien van” nu de uitnodiging om standpunt in te nemen ging over de bewoording “onder meer”, zoals het ook blijkt uit het voorliggende proces-verbaal van de zitting. Naar verzoeker meent, ging het er voor de Tuchtraad enkel om dat de lijst van verweten tuchtfeiten aldus werd omschreven zonder de toevoegingen “onder meer” en er geen debat werd gevoerd, noch werd hij in de gelegenheid gesteld een verweer te ontplooien omtrent het gegeven dat het hem werd verweten de opmerkingen op zich te hebben gemaakt, evenals de manier waarop. Verzoeker benadrukt dat de kern van zijn verweer altijd betrekking had op de correctheid van de gemaakte opmerkingen. Het is volgens verzoeker merkwaardig dat heel wat van de “subfeiten” niet meer voorkomen in de tenlastelegging (een goede 25-30 %), dit om de eenvoudige reden dat zijn geformuleerde opmerkingen correct waren. Verzoeker wijst er verder op dat, niettegenstaande de inspecteur-generaal in diens deskundigenverslag dit gegeven wel aankaart, meer bepaald dat het er zijns inziens – samengevat gesteld – niet echt toe doet of de bemerkingen juist zijn of niet, de verwerende partij zich in haar eindbeslissing echter niet heeft geconformeerd aan dit verslag maar wel aan het advies van de Tuchtraad. Volgens verzoeker blijkt uit niets dat hij daadwerkelijk – concreet en effectief – werd uitgenodigd om zich te verweren aangaande een tenlastelegging waarbij het waarheidsgehalte van de door hem gemaakte opmerkingen niet meer ter zake deed. Gelet op de nadruk die verzoeker daar in zijn verweer steeds op heeft gelegd, zou het niet meer dan logisch zijn geweest wanneer zulks was gebeurd. Het tegendeel is volgens verzoeker waar, nu uit het proces-verbaal van de Tuchtraad enkel blijkt dat de bewoordingen “onder meer” van tel waren inzake de uitnodiging om stelling te nemen over de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-5/25 oplijsting van de voorgestelde tenlasteleggingen. Verzoeker is van mening dat de Tuchtraad de feiten niet heeft geherkwalificeerd, maar een ander tuchtfeit heeft geadviseerd. Verzoeker wijst erop dat een herkwalificatie een heromschrijving is van een materieel feit in zijn juridische/tuchtrechtelijke appreciatie. Derhalve dient volgens verzoeker te worden vastgesteld dat het recht van verdediging geschonden is, minstens dient de gevorderde prejudiciële vraagstelling te worden geformuleerd zoals gesteld bij de ontwikkeling van het middel. Verzoeker is ervan overtuigd dat hij wel degelijk belang heeft, gelet de evidentie dat het een totaal andere benadering in het verweer is, indien niet meer het geven van het al dan niet juist zijn der opmerkingen centraal staat, maar wel het gemaakt hebben van de opmerkingen op zich. Op dat vlak had hij een dienstig verweer kunnen ontwikkelen om de tuchtoverheid tot inzicht te brengen dat de tenlastelegging ongegrond is, minstens dat de strafmaat te zwaar is. Het gaat hierbij volgens verzoeker niet louter om de ‘eenvoudige’ schending van een procedureregel, het gaat om het volgens hem “markant gegeven” dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een dienstig verweer te voeren bij gebrek aan een aanvullende verweermogelijkheid. Aangaande het zorgvuldigheidsbeginsel herhaalt verzoeker dat de tuchtoverheid in haar finale besluitvorming al te gemakkelijk – in aansluiting bij de Tuchtraad – heeft aangenomen dat de opsomming van de tuchtfeiten verwijtbaar is zonder na te gaan of de opmerkingen al dan niet juist zijn. Immers heeft de verwerende partij volgens verzoeker bij aanvang en doorheen het beslissingsproces in de tuchtprocedure zelf, een groot belang gehecht aan het al dan niet juist zijn van de gemaakte opmerkingen. In dat geval had de verwerende partij minstens met grote zorgvuldigheid per afzonderlijk feit dienen na te gaan of het maken van de opmerking op zich, dan wel de manier waarop, wel degelijk een laakbaar gegeven was en waarom. Dit onderzoek, deze zorgvuldigheid ontbreekt volgens verzoeker. Verzoeker benadrukt vervolgens dat in zoverre de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar het onderdeel van de bestreden beslissing, zijnde de koppeling van de feiten aan inbreuken op de deontologische code, blijkt volgens verzoeker net het gebrek aan zorgvuldigheid. De oplijsting per “subfeit” is volgens verzoeker niet gedaan, noch is er per “subfeit” onderzocht of de betreffende opmerking op zich wel een tekortkoming ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-6/25 is, alwaar het nu net de “subfeiten” zijn welke de verweten tuchtrechtelijke inbreuken uitmaken en niet de clustering van “feit 1”, “feit 2” dan wel “feit 3”, idem voor wat betreft de strafmaat. Verzoeker benadrukt dat niettegenstaande terecht in het tussenarrest erop is gewezen dat de bestreden beslissing uiteenzet dat “de voortdurende verdachtmakingen ten aanzien van de korpschef en de boekhoudster de goede werking van de politiezone belemmeren; het zijn immers feiten die zwaar wegen op deze personen”, dat al de feiten “een doelbewust handelen (betreffen) gepleegd vanuit de overtuiging van het grote gelijk en getuigen van een zeer negatieve ingesteldheid ten aanzien van de politiezone in het algemeen en de korpschef in het bijzonder” en benadrukt, aan de hand van het adviesverslag van Premed, dat “de impact van de ten laste gelegde feiten op de organisatie bijzonder groot is”, om te concluderen dat “er een volledige vertrouwensbreuk is met verzoeker", konden dergelijke beschouwingen volgens verzoeker eveneens worden gemaakt op het moment – gedurende het eraan voorafgaande beslissingsproces – dat de tuchtoverheid nog een centraal belang stelde in het vraagstuk of de opmerkingen al dan niet juist waren en verzoeker zulks al dan niet wist. Immers werd volgens verzoeker bij aanvang van de tuchtprocedure de zwaarte van de strafmaat expliciet gekoppeld aan het gegeven dat de beschuldigingen zwaar wegen in relatie tot het onterecht zijn ervan. Hij benadrukt dat de verwerende partij bij het inleidend verslag expliciet liet verstaan dat het er niet om gaat dat verzoeker vanuit zijn functie geen disfuncties zou mogen signaleren, wanneer die terecht zijn, en vervolgde dat het schoentje net daar wrong, zijnde dat er beschuldigingen werden geuit waarvan “dient geweten of dient geweten te zijn” dat ze onterecht zijn en net dat gegeven in strijd is met de waardigheid van het ambt, waaruit volgens verzoeker blijkt welk belang de tuchtoverheid heeft gegeven aan het al dan niet terechte karakter van de opmerkingen en het pas na de Tuchtraad is dat zij het geweer van schouder heeft veranderd. Nu het terecht of onterecht zijn van de opmerkingen er niet meer toe doet, vereist volgens verzoeker de noodzakelijke zorgvuldigheid op zijn minst dat er reflectie zou zijn over de vraag of in deze benadering nog steeds dezelfde strafmaat aan de orde is. XII-9575-7/25 Aangaande de materiëlemotiveringsplicht laat verzoeker het volgende gelden in aanvulling op de ontwikkeling van het middel en de repliek van verwerende partij: “
  1. a)Verzoeker meent wel degelijk belang te hebben, hij meent dat de beoordeling van uw Raad bij het tussengekomen arrest (niet schorsing) over het hoofd ziet dat het de tuchtoverheid is die een beoordeling dient te maken of, indien de aangeklaagde 5 feiten wegvallen het restant nog zwaar genoeg weegt om te straffen en zo ja hoe zwaar. Een beoordeling die pas kan gemaakt worden eens vaststaat dat deze feiten niet kunnen worden betrokken als tuchtrechtelijk laakbaar feit. Elk onderscheiden (sub)feit is niet zomaar een illustratie maar een tuchtfeit op zich en de finale zwaarte in de beoordeling dient afgewogen naargelang de hoeveelheid in acht te nemen (sub)feiten. Alwaar luidens vaststaande rechtspraak het in het kader van de materiële motiveringsplicht uw Raad niet toevalt om zich in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur gaat dit eveneens op in de beoordeling van het belang terzake. Verzoeker is pertinent van mening dat indien de kwestieuze feiten buiten beschouwing dienen gelaten zulks een ander en milder beoordelingskader voor de tuchtoverheid met zich brengt of minstens kan brengen gelet : - het dan sowieso over minder feiten gaat, ongeveer 25-30% minder - dan ook duidelijk is dat verzoeker niet alles zomaar met de kwalijke bedoelingen heeft aangebracht als dat de tuchtoverheid blijkt te denken. Aldus is er wel degelijk een belang bij dit middelonderdeel.
  2. b)De kwestieuze feiten zijn wel degelijk geen verwijten/beschuldigingen zoals in de ontwikkeling van het middel gesteld. b1) Wat punt 3.1.3 betreft ontwijkt verzoeker hoegenaamd niet de teamsmededeling doch het betrof niet meer dan de melding dat er een piste was om een externe poetsfirma aan te stellen, zoals reeds aangehaald. Deze melding viel binnen zijn plichten en verantwoordelijkheden als bijzonder rekenplichtige en kadert ook binnen het geheel van zijn bemerkingen - die niet ten laste worden gelegd - zijnde dat er ook onvoldoende budgettaire middelen waren voorzien, de begrotingscommissie niet was bijeengekomen en er geen begrotingswijziging was goedgekeurd. Alwaar het gegeven dat de bemerking juist of onjuist is niet bij de beoordeling omtrent het laakbaar karakter meer betrokken is kan verwerende partij dit niet via de achterdeur terug binnenhalen door te stellen dat men het gegeven [dat] verzoeker niet vooraf en tijdig in kennis werd gesteld wel weerhouden heeft omdat het niet waar is, dat hij wel in kennis zou zijn gesteld. b2) Wat punt 3.1.4 betreft is het identiek, ook hier weer argumenteert verwerende partij dat ze verzoeker er voor straft omdat het niet waar zou zijn wat hij opmerkte. b3) Wat punt 3.1.11 betreft is verwerende partij abuis. Onder punt 3 van de bestreden beslissing zijn de feiten genummerd opgesomd in navolging van het advies der tuchtraad, het onderdeel 3.1.11 aldaar is te vinden op de blz. 4/46 en gaat wel degelijk over het item aangehaald bij verzoekschrift. De nummering waar verwerende partij naar verwijst is deze op blz. 27/46 maar deze volgt op de volgende paragraaf opgenomen op blz. 18/46 : ‘Voor het overige wordt verwezen naar de overwegingen in het voorstel van zware tuchtstraf .... en de door de Tuchtraad aangepaste nummering ....’ ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-8/25 De nummering van de finale tenlasteleggingen is evenwel vervat onder het punt 3 van de bestreden beslissing op de blz. 2/46 en verder [‘]... worden thans als volgt omschreven ....’. Wat dit punt betreft - door verwerende partij becommentarieerd als zijnde punt 3.1.13 weerlegt zij eigenlijk de kritiek van verzoeker niet. De mededeling ging ook niet over de Korpschef maar over het politiecollege. b4) Wat punt 3.1.12 betreft bespreekt verwerende partij dit alsof het punt 3.1.14 is het toch wel vaststaand dat verzoeker in zijn mededeling het gegeven aanhaalt dat er een collegebesluit bestond aangaande ouderschapsverlof dat indruist tegen EU regelgeving, dat is niet op conto van de Korpschef te schrijven. Andermaal dient vastgesteld dat de tuchtoverheid onder dit punt het gegeven van het waar of niet waar zijn van de mededeling betrekt bij de oordeelsvorming alwaar verzoeker niet meer heeft gedaan dan melden dat dat de Korpschef de aanvraag eerst niet agendeerde om reden van het bestaande collegebesluit maar erna wel omdat verzoeker hem in kennis stelde van de EU richtlijn. Dat is pertinent waar. b5) Wat betreft punt 3.1.13 bespreekt verwerende partij dit als punt 3.1.15 en meent dat de mededeling van verzoeker wel een verwijt was aan de Korpschef, dat is pertinent onwaar. Zoals bij de ontwikkeling van het middel gesteld haalde verzoeker dit aan om emoties te duiden en was hierbij niet te beroerd om het eigen handelen als verkeerd te kwalificeren (het met de deur slaan). Dit was geen beschuldiging/verwijt aan de Korpschef. De materiële motiveringsplicht is wel degelijk geschonden.” 6. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker, wat het eerste middelonderdeel (het recht van verdediging) betreft, dat het correct is dat de bijlage bij het proces-verbaal de door de Tuchtraad voorgestelde omschrijving van tuchtfeiten omvat en dat in deze omschrijvingen geen sprake meer is van het gegeven dat verzoeker wist of moest weten dat de uitingen onterecht waren. Evenwel had volgens verzoeker de uitnodiging van de Tuchtraad betrekking op wat de Tuchtraad zelf liet acteren in het proces-verbaal, met name:
  3. i)onder punt 3 “... over de vraag of de tenlastelegging niet beperkt dient te worden tot deze door de tuchtraad voorgestelde oplijsting” en
  4. ii)onder punt 5 : “... dat dit impliciet inhoudt om in de door de hogere tuchtoverheid omschreven tenlasteleggingen telkens de woorden ‘onder meer’ te laten vallen”. Het volgens verzoeker “beperken” van de tenlasteleggingen gaat over het schrappen van de woorden “onder meer” en het is daartoe dat partijen werden uitgenodigd om standpunt in te nemen en niet omtrent het – finaal – centraal element, met name de manier waarop verzoeker zijn uitingen heeft geformuleerd welke hem worden verweten. Aldus meent verzoeker dat zijn middel(onderdeel) wel degelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-9/25 gegrond is, minstens dat de gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld. Temeer nu de manier waarop de opmerkingen werden geformuleerd de tenlastelegging is, wat volgens verzoeker een andere tenlastelegging is dan het verwijt opmerkingen te hebben gemaakt terwijl men wist of moest weten dat deze onjuist zijn. Tevens dient volgens verzoeker te worden opgemerkt dat de oplijsting van de Tuchtraad zoals gedaan in de bijlage bij het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2022 geen gewag maakt van het – finaal – centraal gegeven dat de “manier waarop” het element is om hem op af te rekenen, zodat verzoeker nooit in de gelegenheid is geweest om ten volle te kunnen gebruikmaken van zijn recht van verdediging omtrent deze tenlastelegging. De verwijzing in het auditoraatsverslag naar het gegeven dat de feiten in het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf steeds dezelfde zijn gebleven, is in dit licht volgens verzoeker niet relevant gelet dat de problematiek pas ontstaan is na voorzet van de Tuchtraad en dus na het voorstel van zware tuchtstraf. Aldus meent verzoeker dat zijn middel(onderdeel) wel degelijk gegrond is, minstens dat de gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld. Wat het tweede middelonderdeel (het zorgvuldigheidsbeginsel) betreft, merkt verzoeker op dat een globaal gedrag wel kan worden afgeleid uit de diverse “subfeiten”, maar dat zonder onderzoek van de “subfeiten” geen globaal gedrag kan worden vastgesteld, zodat een schending van de zorgvuldigheidsplicht voorligt. Wat het derde middelonderdeel (materiëlemotiveringsplicht) betreft, stelt verzoeker zich de vraag, indien de door hem aangehaalde “subfeiten”, buiten beschouwing zouden worden gelaten, of de overige “subfeiten” nog steeds volstaan om te oordelen dat er sprake is van een laakbaar handelen dat met ontslag dient te worden bestraft, een beoordeling welke door de tuchtoverheid, in voorkomend geval, dient te worden gemaakt. Het betreft volgens verzoeker een substantieel deel van de “subfeiten” welke samen genomen aanleiding geven tot het oordeel en zware bestraffing. Te dezen heeft de tuchtoverheid deze door verzoeker aangehaalde “subfeiten” evenwel meegenomen in de globale beoordeling op grond waarvan tot een enkele ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-10/25 tuchtstraf werd besloten, terwijl volgens verzoeker niet kan worden uitgesloten dat zonder al deze “subfeiten” (punten) er op zijn minst sprake was van een minder zwaar wegende tenlastelegging met gebeurlijke repercussies naar de strafmaat toe. Niettegenstaande een herhaald karakter van feitelijkheden door de Raad van State meermaals werd aanvaard als zijnde een relevant element voor de bepaling van de strafmaat, benadrukt verzoeker dat de concrete feiten dienen vast te staan, zodat het aantal der concrete feiten manifest van belang is in het licht van – minstens – de strafmaat, temeer nu het te dezen een substantieel deel van de globaliteit der (sub)feiten betreft. Beoordeling 7. In het tussenarrest nr. 255.440 van 10 januari 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over het eerste middel voorlopig als volgt geoordeeld: “Eerste onderdeel 6. Verzoeker betoogt vooreerst dat zijn recht van verdediging is miskend doordat hij geen mogelijkheid tot verweer meer had nadat de Tuchtraad in zijn eindadvies de feiten heeft geherkwalificeerd. Op een verzoeker, die zich beroept op de schending van het recht van verdediging, rust een stelplicht. Het komt hem toe aan te tonen dat in concreto de door hem gelaakte handeling van de hogere tuchtoverheid zijn recht van verdediging heeft miskend. Verzoeker levert op het eerste gezicht dit bewijs niet. Uit het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de eerste hoorzitting voor de Tuchtraad […] blijkt dat de voorzitter ervan een heromschrijving heeft voorgesteld van de opgelijste tenlasteleggingen - waaruit blijkt dat er in de libellering van punt 3.1. geen sprake meer is van ‘terwijl hij weet of moet weten dat de beschuldigingen en verwijten onjuist zijn ten aanzien van’ - en dat de partijen expliciet uitgenodigd werden hierover standpunt in te nemen. Verzoeker is aldus uitdrukkelijk uitgenodigd om zich tegen de nieuwe heromschrijving te verdedigen, hetgeen overigens uitdrukkelijk is gesteld in het voornoemde proces-verbaal. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker prima facie aldus zijn verdediging heeft kunnen voeren tegen die heromschrijving van de feiten zoals geadviseerd door de Tuchtraad en die nadien in de bestreden beslissing is bijgetreden door de hogere tuchtoverheid. In deze concrete context van de voorliggende zaak maakt verzoeker aldus in de huidige stand van het geding niet aannemelijk dat zijn recht op verdediging in concreto is geschonden doordat hem geen verweermogelijkheid is geboden na het advies van de Tuchtraad. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig. XII-9575-11/25 7. Verzoeker voert in het middelonderdeel ook aan dat de Tuchtraad geen andere kwalificatie van de feiten heeft voorgesteld maar een ander tuchtfeit heeft geadviseerd. Deze kritiek mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. De Tuchtraad mag immers tuchtvergrijpen herformuleren die door de hogere tuchtoverheid in haar voorstel van tuchtstraf in aanmerking waren genomen. Uit artikel 52, eerste lid, 1° van de tuchtwet volgt ook dat hij de feiten, zoals omschreven in het voorstel van (zware) tuchtstraf, kan heromschrijven in het licht van de hem beschikbare gegevens, zolang deze (her)omschrijving geen uitbreiding betreft van de ten laste gelegde feiten. Anders dan wat verzoeker meent, zijn de hem ten laste gelegde feiten in de loop van de procedure niet gewijzigd. Uit een vergelijking van de tuchtfeiten in aanmerking genomen in het inleidend verslag (en in het voorstel van tuchtstraf) en in het advies van de Tuchtraad dat de hogere tuchtoverheid bijtreedt, blijkt in deze stand van het geding dat het telkens gaat om dezelfde feiten die door de Tuchtraad worden geherformuleerd en heromschreven in het licht van het gevoerde onderzoek. Er is niet aangetoond dat de feitelijke grondslag van de tuchtvordering werd gewijzigd. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig. 8. In het middelonderdeel voert verzoeker ook nog aan dat artikel 54 van de tuchtwet ten onrechte slechts een bijkomende verweermogelijkheid voorziet voor het geval dat de tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies van de Tuchtraad, of voor het geval dat de hogere tuchtoverheid instemt met een door de Tuchtraad voorgestelde strafverzwaring, terwijl dit niet voorzien wordt in het geval de Tuchtraad de feiten anders kwalificeert. Verzoeker ziet hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel en vraagt dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou worden gesteld. Op dit verzoek wordt in de huidige stand van de zaak niet ingegaan om de volgende reden: Het antwoord op een prejudiciële vraag moet nuttig zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Dat is te dezen niet het geval. Het verzoek gaat op het eerste gezicht uit van de premisse dat verzoeker zich niet nuttig heeft kunnen verweren tegen de nieuwe kwalificatie of omschrijving van de feiten door de Tuchtraad en dat artikel 54 van de tuchtwet evenmin in een dergelijke verweermogelijkheid voorziet. Hiervoor is evenwel vastgesteld dat op het eerste gezicht die premisse in de feiten faalt en dat verzoeker aldus niet verrast kon zijn door het advies wat de herkwalificatie of heromschrijving van de feiten betreft. Aldus gaat de gevraagde prejudiciële vraag uit van een verkeerde premisse, met name dat hij zich niet heeft kunnen verweren. Op het eerste gezicht is in die omstandigheden de vraag derhalve niet prejudicieel omdat ze niet relevant is voor de oplossing van het geschil en moet zij, in het licht van artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989’ op het Grondwettelijk Hof’, in deze stand van het geding niet worden gesteld. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wordt afgewezen. 9. Het eerste onderdeel is zijn geheel niet ernstig. Tweede onderdeel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel 10. In dit onderdeel acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de tuchtoverheid in de bestreden beslissing abstractie maakt van de vraag of de beschuldigingen en verwijten waar waren en of verzoeker dit XII-9575-12/25 wist of moest weten, terwijl de tuchtoverheid niet heeft onderzocht of de feiten (de beschuldigingen of verwijten) indien ze waar zijn nog wel een tuchtvergrijp uitmaken omdat ze strijdig zijn met de waardigheid van het ambt of de beroepsplichten. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 11. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven. (supra, punt 3.9. [van het tussenarrest]). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat in de rubriek onder punt 9 ‘Kwalificatie van de tuchtvergrijpen’ wordt uiteengezet waarom volgens de hogere tuchtoverheid de aan verzoeker in de bestreden beslissing ten laste gelegde tuchtfeiten 1 en 2 (en 3) tekortkomingen uitmaken van de in de bestreden beslissing aangegeven professionele en deontologische verplichtingen en waarom die daarenboven in strijd zijn met de waardigheid van het ambt: ‘vertoonde gedrag is een personeelslid met een dergelijk hoge graad als (verzoeker) onwaardig.’ Ook blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich wat de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijp aansluit bij het advies van de Tuchtraad, zodat ook met die motieven rekening moet worden gehouden. Verzoeker betwist op zich deze (uitgedrukte) motieven niet, maar beperkt zich tot de blote stelling dat de hogere tuchtoverheid ‘dit in realiteit niet (heeft) onderzocht na abstractie te […] hebben gemaakt van het vraagstuk of deze beschuldigingen/verwijten al dan niet terecht waren en of verzoeker dit wist dan wel moest weten.’ Het formuleren door verzoeker van een dergelijke kritiek zonder enig begin van bewijs, volstaat evenwel te dezen op het eerste gezicht niet om aannemelijk te maken dat de tuchtoverheid, zoals verzoeker beweert, bij de kwalificatie van de feiten niet in ogenschouw zou hebben genomen dat in de bestreden beslissing abstractie is gemaakt van ‘het vraagstuk of deze beschuldigen/verwijten al dan niet terecht waren en of verzoeker dit wist dan wel moest weten.’ Voorts wijst de verwerende partij er in haar nota op het eerste gezicht terecht op dat ‘in vergelijking met het inleidend verslag (…) in de bestreden beslissing juist wel (wordt) uiteengezet waarom de ten laste gelegde feiten een inbreuk vormen op de aangehaalde bepalingen van de deontologische code’ en dat ‘daarenboven (…) de ten laste gelegde feiten op een andere wijze in verband (worden) gebracht met de vastgestelde inbreuken precies rekening houdende met de andere kwalificatie van de feiten’ en dat ‘dit bewijst dat de tuchtoverheid dit juist wel in overweging heeft genomen en aldus zorgvuldig heeft behandeld.’ Verzoeker betrekt evenwel deze vaststelling niet in zijn kritiek. 12. Om dezelfde redenen geldt eenzelfde conclusie voor wat verzoekers blote bewering betreft dat bij de afweging van de strafmaat niet zou zijn nagegaan of het feit dat de ten laste gelegde verwijten en beschuldigingen waar zouden zijn een impact heeft op de strafmaat. Uit de hiervoor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-13/25 weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.9. [van het tussenarrest]) blijkt dat onder de rubriek 11 ‘tuchtstraf’ wordt uiteengezet dat ‘de voortdurende verdachtmakingen ten aanzien van de korpschef en de boekhoudster de goede werking van de politiezone belemmeren; het zijn immers feiten die zwaar wegen op deze personen.’ Ook wordt uiteengezet dat al de feiten ‘een doelbewust handelen (betreffen) gepleegd vanuit de overtuiging van het grote gelijk en getuigen van een zeer negatieve ingesteldheid ten aanzien van de politiezone in het algemeen en de korpschef in het bijzonder’ en wordt uiteengezet aan de hand van het adviesverslag van Premed dat ‘de impact van de ten laste gelegde feiten op de organisatie bijzonder groot is,’ om te concluderen dat er een volledige vertrouwensbreuk is met verzoeker. Verzoeker plaatst tegenover deze concrete beoordeling waaruit blijkt dat de feiten de definitieve beëindiging van verzoekers ambt schragen, enkel de eigen, niet door enig begin van bewijs onderbouwde stelling dat niet is onderzocht ‘of dat wel zo is in de abstracte veronderstelling dat de beschuldigingen/verwijten juist zouden zijn en of en in welke mate dit dan nog wel dusdanig zwaar weegt dat zulks de tuchtstraf het ontslag van ambtswege kan schragen gelet dit een definitieve beëindiging van het ambt met zich brengt.’ Zulks volstaat prima facie niet om te besluiten tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. 13. Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig. Vierde onderdeel – de schending van de materiëlemotiveringsplicht 14. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. 15. In dit middelonderdeel voert verzoeker aan dat vijf van de tweeëntwintig feiten die het eerste tuchtfeit illustreren niet bewezen zijn en dat aldus de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Deze kritiek betreft het eerste van de drie ten laste gelegde feiten. Uit de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.9. [van het tussenarrest]) blijkt dat ter zake aan verzoeker ten laste wordt gelegd ‘het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden.’ Aan verzoeker wordt derhalve een bepaald gedrag verweten, waarvan in de rubriek 9 ‘kwalificatie van de tuchtvergrijpen’ voorts wordt gesteld dat dit gedrag in strijd is met de waarden die de deontologische code vereist en niet te herleiden is tot de normale rapporteringsplicht van de bijzonder rekenplichtige. Dit tuchtfeit wordt bewezen aan de hand van een opsomming van tweeëntwintig ‘verwijten en beschuldigingen geuit door (verzoeker) over de korpschef” ten aanzien van verschillende derden. Zonder dat in deze stand van het geding de kritiek van verzoeker inzake vijf van die opgesomde ‘verwijten en beschuldigen’ op zijn merites moet worden onderzocht, wordt de verwerende partij bijgevallen in haar standpunt in de nota dat verzoeker geen belang heeft bij het middelonderdeel omdat, ‘zelfs indien men abstract(
  5. ie)zou maken van de vijf feiten die onder het eerste tuchtfeit vallen (…) dan blijven er meer dan voldoende feiten over die onder het eerste tuchtfeit vallen om het eerste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-14/25 tuchtfeit, met name het veelvuldig uiten van beschuldigingen en verwijten over de korpschef ten aanzien van derden bewezen te verklaren.’ Indien zoals te dezen een algemeen gedrag als tuchtfeit wordt verweten aan een personeelslid, is immers voldaan aan de materiëlemotiveringsplicht indien het feitelijk bestaan van dit gedrag naar behoren is bewezen. Te dezen bekritiseert verzoeker vijf ‘verwijten en beschuldigingen’ die volgens de hogere tuchtoverheid dit laakbaar gedrag illustreren, maar hij maakt niet aannemelijk dat, indien de vijf feiten waarvan volgens hem het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen buiten beschouwing moeten worden gelaten, de resterende zeventien ‘beschuldigen en verwijten’ die het eerste tuchtfeit illustreren en die niet worden betwist, niet op afdoende wijze het hem verweten gedrag illustreren. De exceptie van de verwerende partij ter zake wordt derhalve in de aangegeven mate bijgetreden. 16. Verzoeker heeft op het eerst gezicht geen belang bij het ernstig bevinden van dit middelonderdeel. Conclusie 17. In de mate dat het middel ontvankelijk is, is het in al zijn onderdelen niet ernstig.” 8. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker op parafraserende wijze zijn standpunt zoals aangevoerd in het verzoekschrift en benadrukt in essentie dat
  6. i)de uitnodiging van de voorzitter van de Tuchtraad om standpunt in te nemen ging over de woorden “onder meer” en er geen debat werd gevoerd;
  7. ii)de Tuchtraad een ander tuchtfeit heeft geadviseerd; iii) niet per “subfeit” werd onderzocht of de betreffende opmerking op zich wel een tekortkoming was en
  8. iv)indien de kwestieuze feiten buiten beschouwing werden gelaten zulks een ander en milder beoordelingskader voor de tuchtoverheid met zich bracht of minstens kon brengen, zodat hij bijgevolg wel belang had bij het aanvoeren van dat onderdeel van het middel. Het auditoraat valt in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring het tussenarrest bij en bevindt het middel ongegrond. Het verwerpt eveneens het betoog van verzoeker in de memorie van wederantwoord op grond van de volgende overwegingen: “2.3.In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker vooreerst dat de uitnodiging van de voorzitter van de tuchtraad om standpunt in te nemen ging over de woorden ‘onder meer’ en geen debat werd gevoerd. Tevens stelde hij dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld een verweer te ontplooien omtrent het gegeven dat hem verweten werd de opmerkingen op zich te hebben gemaakt evenals de manier waarop. Die stelling kan echter niet worden bijgetreden. Uit het proces-verbaal van de eerste hoorzitting voor de Tuchtraad van 25 januari 2022 blijkt dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-15/25 partijen uitgenodigd werden stelling te nemen over de vraag of de tenlastelegging niet beperkt diende te worden tot deze door de Tuchtraad vooropgestelde oplijsting, na het schrappen van de woorden ‘onder meer’. Dit bracht immers met zich dat partijen -dus ook verzoeker- hun mening konden geven over het gevolg van die schrapping (de herkwalificatie) waardoor weldegelijk kon worden ingegaan op de gemaakte opmerkingen alsook de manier waarop deze werden geformuleerd (= de tenlastelegging). Verzoeker kon derhalve verweer voeren waardoor hem geen bijkomende termijn moest worden gegeven om dergelijk verweer in te dienen. Het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is dan ook niet nodig. In zoverre verzoeker opnieuw aanvoert dat de Tuchtraad een ander tuchtfeit heeft geadviseerd, kan worden verwezen naar nr. 7 uit het tussenarrest van 10 januari 2023. De feiten opgenomen in het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf zijn immers steeds dezelfde gebleven. Met betrekking tot de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel stelt verzoeker dan weer dat niet per subfeit werd onderzocht of de betreffende opmerking op zich wel een tekortkoming is. Eerder dan elk subfeit afzonderlijk te moeten onderzoeken, wordt verzoeker een gedrag verweten dat strijdig is met de waardigheid van het ambt. Zoals in nr. 11 van het tussenarrest wordt geciteerd: het ‘vertoonde gedrag is een personeelslid met een dergelijke hoge graad als (verzoeker) onwaardig.” Tot slot blijft het in het kader van het derde onderdeel zo dat zelfs wanneer de vijf kwestieuze feiten buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, de overige weerhouden feiten nog steeds getuigen van een gedrag (zie supra) dat strijdig is met de waardigheid van het ambt. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij het derde onderdeel van het middel. 2.4. Het eerste middel is, in zoverre al ontvankelijk, in ieder geval niet gegrond.” 9. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie, wat het eerste middelonderdeel (recht van verdediging) betreft, nog laat gelden dat het door de Tuchtraad “beperken” van de tenlasteleggingen, betrekking heeft op het schrappen van de woorden “onder meer” en de partijen enkel werden uitgenodigd om daarover standpunt in te nemen en niet omtrent het – finaal – centraal element dat het eigenlijk de manier waarop is dat verzoeker zijn uitingen heeft geformuleerd welke hem zijn verweten, zodat minstens de gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld en daaraan toevoegt dat op het niveau van de Tuchtraad er sprake is van een andere tenlastelegging dan het verwijt opmerkingen te hebben gemaakt terwijl men wist of moest weten dat deze onjuist zijn, temeer nu de oplijsting van de Tuchtraad zoals gedaan in de bijlage bij het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2022 geen gewag maakt van het – finaal – centraal gegeven dat de “manier waarop” het element is om hem op af te rekenen, zodat verzoeker nooit in de gelegenheid is geweest om ten volle te kunnen gebruikmaken van zijn recht van verdediging ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-16/25 omtrent deze tenlastelegging, volstaat de vaststelling dat dit betoog een op parafraserende wijze herhaling van zijn standpunt zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord betreft, zonder afbreuk te doen aan de voorlopige beoordeling dienaangaande in het tussenarrest, noch aan de redenering in het auditoraatsverslag. Wat de aangevoerde schendingen in het tweede (het zorgvuldigheidsbeginsel) en derde middelonderdeel (de materiëlemotiverings-plicht) betreffen, beperkt verzoeker zich tot het op een beknopte wijze herhalen van zijn standpunt zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord zonder evenmin inhoudelijk nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. XII-9575-17/25 10. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het eerste middel thans ongegrond te bevinden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de tuchtwet. Het middel betreft het derde feit dat verzoeker wordt verweten. Verzoeker doet gelden dat dit derde tuchtfeit geen tuchtinbreuk vormt in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de tuchtoverheid niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, deze niet correct heeft beoordeeld en op grond daarvan niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Hij stelt dat er sprake is van een misverstand tussen hem en de tijdelijke bijzonder rekenplichtige en dat hij nooit de intentie had deze de documenten te ontzeggen welke zij nodig had, hetgeen hij omstandig detailleert en waarbij hij besluit dat er bij gebrek aan strafwaardig gedrag geen sprake kan zijn van een tuchtfeit in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden omdat niet deugdelijk blijkt waarom er toch sprake is van een toerekenbaar feit. Volgens verzoeker kan uit zijn loutere uitlating de gestelde vraag negatief te moeten beantwoorden binnen de expliciete uitleg dat hij geen toegang meer heeft tot de X-schijf, in redelijkheid niet worden afgeleid dat hij onwillig was. Evenmin blijkt dat XXXX veel extra tijd en werk heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van de gevraagde gegevens. 12. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker in essentie naar de ontwikkeling van het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift. Daarnaast merkt verzoeker nog op : “1) Gelet verzoeker in zijn antwoord aanhaalde dat hij negatief op de vraag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-18/25 diende te antwoorden omdat hij net was afgesloten van deze schijf toch wel duidelijk is dat hij de vraag aldus begrepen had of hij technisch (toegangsbevoegdheden) documenten kon openstellen. Wat ook evident is gelet het in wezen persoonlijk karakter van de zogenaamde ‘X schijf’ zodat het zeker niet normaal te noemen is om volledig toegang te geven tot deze schijf. 2) Hij aldus hoegenaamd geen kwalijke bedoelingen had en dus zeker geen vorm van ‘vergelding’ ambieerde zoals verwerende partij het stelt. Het omgekeerde is wel een merkwaardig gegeven. Op 3 juni 2021 was er reeds een begrotingscommissie waarvoor de samenstelling van de artikelen in de begroting nodig was, van waar dan eigenlijk deze vraag op 8 juni 2021, om verzoeker in de val te lokken ? Dit temeer het langs de andere zijde ook niet zo moeilijk was geweest om in te zien dat verzoeker de vraag verkeerd had begrepen en aldus een korte reaktie te geven. 3) Zelfs indien nog zou worden aangenomen dat verzoeker de vraag van dame […] verkeerd heeft begrepen dan nog is aldus duidelijk dat er sprake was van een loutere vergissing en geen tuchtrechtelijk laakbaar gedrag. Dit temeer - zoals bij de ontwikkeling van het middel gesteld - er geen grond was om van hem te verlangen sowieso toestemming te [g]even om de volledige X - schijf en alle daarop staande bestanden te consulteren. 4) Bij het tussengekomen arrest (niet schorsing) stelde uw Raad : ‘Hij betrekt evenwel bij die kritiek niet het feit dat hem niet was gevraagd zelf die schijf open te stellen en de gevraagde data te leveren, maar enkel om daarvoor toestemming te verlenen. De tuchtoverheid blijft aldus binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid door verzoekers antwoord als een weigering te kwalificeren. Dat verzoeker de vraag, naar hij stelt, verkeerd heeft begrepen, doet op zich niet blijken van dwaling in de feiten en kan derhalve de hogere tuchtoverheid niet worden aangerekend. Los van de feitelijke vaststelling dat de vraagstelling duidelijk lijkt - openstellen van de documenten op de X-schijf en niet het zelf openstellen van die schijf - mag overigens van een zorgvuldig optredend personeelslid in redelijkheid worden verwacht dat het, indien een aan hem gericht verzoek van een collega gesteund op professionele gronden niet duidelijk is, zich bevraagt bij de steller ervan, alvorens dat op het eerste gezicht legitiem verzoek naar eigen inzicht te weigeren.’ Verzoeker merkt op dat : - dat de vraag duidelijk lijkt is een beoordeling in een globaal kader dat niet voorlag op het moment van de vraag. - dat verzoeker zich dan maar had moeten bevragen is een beschouwing die de tuchtoverheid niet heeft betrokken bij haar oordeelsvorming om tot bestraffing te komen, zij is gewoonweg uitgegaan van een pertinente en kwaadwillige weigering zonder meer. Uw Raad stelt eveneens : ‘Op het eerste gezicht had het verzoek derhalve geen betrekking op “persoonlijke” documenten, maar wel op informatie en documenten die toebehoorden aan de politiezone en die verzoeker opsloeg op zijn persoonlijke schijf. ....’ Verzoeker merkt op dat het volledig openstellen dan wel toelating geven om zich toegang te verschaffen tot de volledige X schijf daar natuurlijk wel op neerkomt aangezien er zich (legitiem) persoonlijke documenten op bevonden. Aldus blijft verzoeker erbij dat dit geen verwijtbaar tuchtfeit is of kan zijn.” XII-9575-19/25 XII-9575-20/25 13. Verzoeker laat in zijn laatste memorie vooreerst gelden dat hij in de memorie van wederantwoord heeft gerepliceerd op wat zijns inziens door de Raad van State in het tussenarrest anders is geëvalueerd dan hoe hij het ziet. Hij verwijst daar expliciet naar. Voor de volledigheid herhaalt verzoeker enerzijds dat het gegeven dat er zich professionele documenten op zijn persoonlijk X-schijf bevonden een zuiver professionele reden had, nu deze X-schijf niet vrij toegankelijk was en het de enige manier was om alzo vertrouwelijke documenten af te schermen voor andere personeelsleden met toegangsbevoegdheid op alle andere onderdelen dan de X-schijf. Anderzijds merkt verzoeker op dat in een beschouwing achteraf het blijkbaar zo is geïnterpreteerd dat de vraag “kan jij toestemming geven voor het openstellen van de documenten op je X schijf” een vraag was of de vraagsteller toegang kreeg tot de X-schijf in zijn totaliteit, doch zulks een semantische interpretatie betreft die totaal anders kan worden geformuleerd en geïnterpreteerd, zoals verzoeker ook heeft gedaan, met name: “toestemming geven voor ‘openstellen’: het gaat hier over computergebruik, in het kader van informatica en het geven van ‘toestemming’ gaat […] over het verlenen van machtiging voor toegang tot bepaalde bestanden”. Verzoeker blijft de mening toegedaan dat zijn antwoord geen tuchtrechtelijk laakbaar gedrag kan zijn, nu hij de vraag negatief beantwoordde omdat hij was afgesloten van deze schijf en zodoende geen toegangsmachtiging kon verschaffen. Bijgevolg is de in het tuchtverwijt besloten liggende onwilligheid volgens verzoeker geen deugdelijke beoordeling der feiten. Beoordeling 14. In het tussenarrest nr. 255.440 van 10 januari 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over het tweede middel voorlopig als volgt geoordeeld: “19. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht is hiervoor reeds bepaald (zie supra, punt 14.) Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip ‘tuchtvergrijp’ als volgt: ‘Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-21/25 de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.’ De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij de handeling of gedraging gepleegd door politiepersoneel als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 20. Het derde tuchtfeit dat aan verzoeker wordt verweten is hiervoor weergegeven. Er wordt naar verwezen (supra, punt 15. [van het tussenarrest]). Verzoeker betwist op zich niet dat hij de toestemming weigerde, maar stelt dat die weigering geen tuchtrechtelijk strafbaar karakter heeft omdat verzoeker, naar hij stelt, die vraag heeft begrepen alsof van hem werd verlangd dat hij de documenten op de X-schijf ter beschikking zou stellen maar dat hij dat niet kon bij gebreke aan toegang tot deze schijf. Hij betrekt evenwel bij die kritiek niet het feit dat hem niet was gevraagd zelf die schijf open te stellen en de gevraagde data te leveren, maar enkel om daarvoor toestemming te verlenen. De tuchtoverheid blijft aldus binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid door verzoekers antwoord als een weigering te kwalificeren. Dat verzoeker de vraag, naar hij stelt, verkeerd heeft begrepen, doet op zich niet blijken van dwaling in de feiten en kan derhalve de hogere tuchtoverheid niet worden aangerekend. Los van de feitelijke vaststelling dat de vraagstelling duidelijk lijkt - openstellen van de documenten op de X-schijf en niet het zelf openstellen van die schijf - mag overigens van een zorgvuldig optredend personeelslid in redelijkheid worden verwacht dat het, indien een aan hem gericht verzoek van een collega gesteund op professionele gronden niet duidelijk is, zich bevraagt bij de steller ervan, alvorens dat op het eerste gezicht legitiem verzoek naar eigen inzicht te weigeren. Voorts blijkt uit zowel het advies van de Tuchtraad als uit de bestreden beslissing dat de toestemming werd gevraagd om werkgerelateerde informatie, die zich op verzoekers persoonlijke X-schijf bevond, te delen. Op het eerste gezicht had het verzoek derhalve geen betrekking op ‘persoonlijke’ documenten, maar wel op informatie en documenten die toebehoorden aan de politiezone en die verzoeker opsloeg op zijn persoonlijke schijf. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat het een verzoek betrof tot het verlenen van een ‘soort algemene toestemming’ aan XXXX, zodat zijn standpunt dat hij gerechtvaardigd kon weigeren, niet ter zake is. Dat voorts volgens verzoeker andere (technische) pragmatische oplossingen mogelijk waren, is op het eerste gezicht eigen opportuniteitskritiek op de door de tuchtoverheid aangewende oplossing die het tuchtrechtelijk karakter van verzoekers weigering niet wegneemt. Tot slot is verzoekers kritiek dat uit niets blijkt dat XXXX ‘veel extra tijd en werk heeft moeten steken in het opnieuw verzamelen van deze gegevens’ en dat op grond van deze vaststelling het tuchtfeit niet deugdelijk is aangetoond, niet relevant. Centraal in het aan verzoeker tenlastegelegde feit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 XII-9575-22/25 is niet de weerslag van verzoekers weigering op de goede werking van de dienst, maar het feit van zonder reden de gevraagde toestemming te weigeren op 8 juni 2021. Mocht zijn kritiek gegrond zijn, kan die niet tot het ernstig bevinden van het middel leiden. 21. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker weliswaar blijk geeft van een eigen beoordeling van de tuchtrechtelijke strafwaardigheid van zijn gedrag, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in haar beoordeling van de kwalificatie van het feit als een tuchtfeit, tot een conclusie is gekomen waaruit een schending van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de tuchtwet zou moeten blijken. 22. Het tweede middel is niet ernstig. 15. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker vooreerst naar zijn standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift en voegt toe wat hiervoor is aangegeven. Het auditoraat valt in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring het tussenarrest bij en bevindt het middel ongegrond. Het verwerpt eveneens de toevoegingen van verzoeker in de memorie van wederantwoord op grond van de volgende overwegingen: “In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker een aantal argumenten die ook reeds in het verzoekschrift werden opgeworpen, zoals dat hij de vraag niet had begrepen of dat het om een loutere vergissing ging. Zoals reeds in het tussenarrest werd overwogen (nr. 20), doet dit op zich niet blijken van een dwaling in de feiten en kan dit derhalve de hogere tuchtoverheid niet worden aangerekend. Zoals reeds meermaals gesteld, werd verzoeker gevraagd toestemming te verlenen om zijn persoonlijke X-schijf open te stellen omdat zich daarop documenten bevonden die de tijdelijk bijzonder rekenplichtige nodig had voor de uitvoering van haar taken. Dat dit met zich brengt dat daarmee ook persoonlijke documenten die zich op die schijf bevonden, werden ‘opengesteld’, is louter en alleen aan verzoeker zelf toe te schrijven aangezien de professionele documenten niet thuishoorden op de persoonlijke X-schijf. Er is derhalve geen enkele reden om de beoordeling van het tweede middel thans anders te zien dan de beoordeling in het tussenarrest.” 16. Verzoeker gaat niet akkoord met de overwegingen in het arrest over de vordering tot schorsing, doch beperkt zich in zijn laatste memorie tot het expliciet verwijzen naar datgene wat werd aangevoerd in de memorie van wederantwoord en tot het “volledigheid[shalve]” op parafraserende wijze herhalen van zijn argumenten ontwikkeld in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, zonder afbreuk te doen aan de voorlopige beoordeling dienaangaande in het tussenarrest, noch aan de redenering in het auditoraatsverslag. XII-9575-23/25 XII-9575-24/25 17. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het tweede middel thans ongegrond te bevinden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Tim Corthaut, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9575-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.