id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214 Rolnummer: A. 238760/IX-10233 Zaak: Arrest 261214 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-17 04:38 Fiche Arrest nr 261.214 van 25 oktober 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.214 van 25 oktober 2024 in de zaak A. 238.760/IX-10.é In zake : M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Judith Vermeulen kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2005), Why most published research findings are false, (bijlage 5 en 6) citeert. Volgens [verzoeker] zou het aantonen dat 85% van de vaccinatiestudies vals zijn, terwijl het artikel van Ioannidis alleen gaat over observationele studies, die de confounding factors niet controleren en daardoor vaak vals blijken. Bij gerandomiseerde studies, waarop de ontwikkeling van vaccins berust, is volgens Ioannidis 85 tot 90 % van de resultaten juist. Ook de literatuur waarop [verzoeker] zich baseert voor zijn uitspraken over sociale en groepspsychologie, met name Gustave Le Bon (La psychologie des foules, 1895), is hopeloos verouderd. Een eenvoudige kijk in Google Scholar, zo [NG], had [verzoeker] de weg gewezen naar degelijke en actuele IX-10.é-16/28 benaderingen. [NG] meent dat [verzoeker] een ‘postmodern extremist’ is, die wetenschappelijk waarheidsstreven houdt voor geweldpleging en de installatie van idolatrie. Wetenschap en Verlichting zouden samen leiden tot totalitarisme. Kortom, [verzoekers] beweringen (‘theorieën) zijn wetenschappelijk gesproken slecht gestaafd of fout geconstrueerd. Dat geldt in het bijzonder ook voor enkele centrale begrippen die hij hanteert, zoals ‘mass formation psychosis’ (dixit [NG]). Dat maakt van het werk van [verzoeker] alvast slechte wetenschap.” De CWI steunt deze beoordeling van verzoekers boek niet enkel op negatieve recensies, in het bijzonder die van NG. Blijkens haar rapport heeft de CWI bij haar analyse rekening gehouden met teksten van GM, CB, MB, EV en van PvE en PZ die bij de melding zijn gevoegd. Voorts heeft de CWI rekening gehouden met “een reply van [verzoeker] op de bezorgde documenten”. Tot slot heeft de CWI ook kennis genomen van “de review door een aantal vakspecialisten in de psychiatrie, psychologie, de Hannah Arendt en de totalitarisme-studies van het boek van [verzoeker] en van de conclusies gepubliceerd door die groep”. Aldus blijkt dat de screening door de CWI niet eenzijdig is gebeurd. Verzoeker gaat er ook aan voorbij dat de eigenlijke screening van zijn lesmateriaal – waaronder zijn boek – is gebeurd door een werkgroep ad hoc van de opleidingscommissie Psychologie. Die werkgroep heeft autonoom alle lesmaterialen en toetsings- en evaluatiematerialen van het opleidingsonderdeel geanalyseerd volgens het principe van constructive alignment en onderzocht of ze in overeenstemming zijn met de studiefiche en in welke mate ze bijdragen aan de door verzoeker aangeduide opleidingscompetenties voor de bachelor psychologie. Daarbij is verzoeker ook uitgebreid gehoord. Op grond daarvan is de opleidingscommissie onder meer tot de conclusie gekomen dat “ze grote bedenkingen [heeft] bij het gebruikte handboek”, dat het “niet meer als lesmateriaal” kan worden gebruikt en dat eventueel “een beperkt aantal hoofdstukken uit het handboek, na correctie, als bijkomend lesmateriaal [kunnen] worden gebruikt”. Met een loutere verwijzing naar het bestaan van positieve en neutrale recensies van zijn boek – zonder meer – en naar een door verzoeker zelf opgestelde bespreking – die dus bezwaarlijk neutraal kan worden genoemd – van IX-10.é-17/28 de recensie van NG van zijn boek waarin verzoeker naar eigen zeggen de meeste van diens kritieken heeft weerlegd, toont verzoeker nog niet aan dat de beoordeling van zijn boek door de CWI en de opleidingscommissie en de conclusie in de bestreden beslissing dat het “de uitkomst is van slechte wetenschap met veel fouten” onjuist is. 15.4.
- Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is niet aangetoond. 16.
- Verzoeker voert tot slot nog aan dat er mogelijk een verborgen motief bestaat dat heeft geleid tot de bestreden beslissing. Meer bepaald betoogt hij dat er ideologische overwegingen hebben meegespeeld. Hij argumenteert ook dat zijn stellingen te veel ingingen tegen de heersende opinie binnen de faculteit. De perceptie leeft volgens hem dat het gaat over een verdoken tuchtstraf. In dit verband moet worden opgemerkt dat het aan een verzoekende partij toevalt om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat aan een maatregel die zich niet naar de vorm als een tuchtmaatregel presenteert, niettemin een disciplinaire bedoeling ten grondslag ligt, zodat – ondanks de schijn van het tegendeel – hij een verdoken tuchtmaatregel is, omdat uit de omstandigheden moet worden afgeleid dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel is haar te bestraffen. Tot het bestaan van een dergelijke niet-veruitwendigde bedoeling mag niet worden besloten op grond van louter subjectieve gevoelens van het getroffen personeelslid. Integendeel dient hij met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat hem te bestraffen. De Raad van State onderzoekt vervolgens of het geheel van de gegevens, dat hem aldus is voorgelegd, in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigt dat de bestraffing het dragende motief van de genomen beslissing is. IX-10.é-18/28 16.
- Zoals hiervóór reeds is uiteengezet, besluit de verwerende partij tot een aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek omwille van eensdeels een inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel waarbij de focus zal liggen op een ruimere waaier van kernbegrippen en theoretische referentiekaders en anderdeels het deeltijds vertrek van verzoeker. Noch uit de formulering van de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het administratief dossier, blijkt dat ook maar enige bestraffende intentie in hoofde van de verwerende partij kan worden vastgesteld. Terecht merkt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing volledig losstaat van de (positieve) studentenevaluaties. Anders dan verzoeker betoogt, wordt hij ook niet aan de kant geschoven. Hij mag nog steeds 50% van de hoorcolleges van het opleidingsonderdeel verzorgen en de verwerende partij wijst er ook op dat verzoeker nog twee andere opleidingsonderdelen doceert, hetgeen hij niet betwist. Uit het door verzoeker voorgelegde persartikel van 8 februari 2023 blijkt ten slotte evenmin een bestraffende intentie bij het nemen van de bestreden beslissing.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door het eenzijdig screenen van verzoekers boek, het schijnbaar doelbewust buiten beschouwing laten van de vele positieve studentenevaluaties uit 2021-2022 en de weigering van de opleidingscommissie Psychologie om de lesopnames bij de screening van het lesmateriaal te betrekken. Verzoeker voert aan dat de weigering om de lesopnames te betrekken bij de screening van het lesmateriaal impliceert dat is beslist hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen zonder dat zijn lesgeven aan een analyse is IX-10.é-19/28 onderworpen. Nochtans doen de studentenevaluaties vermoeden dat het bekijken van de lesopnames duidelijk zou maken welk doel hij als verantwoordelijk lesgever voor ogen had, namelijk het aanzetten van studenten tot het vormen van een eigen mening en niet het opdringen van de zijne. Bovendien heeft de opleidingscommissie de lesopnames eerst uitdrukkelijk opgevraagd, zodat het weinig geloofwaardig is dat zij naderhand plots zou hebben gevreesd dat het bekijken ervan ertoe zou leiden dat lesgevers hun lessen niet meer zouden willen opnemen. Volgens verzoeker is er derhalve geen zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde gegevens gebeurd aangezien een deel ervan – de positieve en de neutrale reviews van het boek, de vele positieve tot zeer positieve studentenevaluaties en de lesopnames – zonder meer buiten beschouwing is gelaten. Evenmin is er een zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde belangen gebeurd. Minstens een deel van de toekomstige studenten is de mogelijkheid ontnomen om van hem les te krijgen en zodoende een boeiend leerproces door te maken. Ook verzoekers belangen zijn niet in overweging genomen, terwijl hem nochtans allerminst een niet-constructieve houding kan worden verweten. Hij heeft zich immers tegenover de opleidingscommissie Psychologie in december 2022 bereid verklaard om een basishandboek te doceren alvorens de inhoud van zijn eigen boek te onderwijzen.
- In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat de verwerende partij niet antwoordt op zijn argument dat de bestreden beslissing niet steunt op een zorgvuldige gegevens- en belangenafweging. Wat betreft het argument van de verwerende partij aangaande de processuele zorgvuldigheid (vorm) die aan de bestreden beslissing voorafgaat, stelt verzoeker dat dit niet noodzakelijkerwijze betekent dat de voorbereiding an sich zorgvuldig (inhoud) is gebeurd. In casu is dit niet het geval. De verwerende partij geeft immers toe dat geen rekening is gehouden met de positieve studentenevaluaties. Onder het mom van haar discretionaire bevoegdheid verwijst zij de studentenevaluaties zonder meer naar de prullenbak, terwijl ze ontegensprekelijk positief tot zeer positief zijn. Wat betreft de vraag waarom de lesopnames niet zijn bekeken, herhaalt de verwerende partij volgens verzoeker IX-10.é-20/28 slechts wat in het verslag van de opleidingscommissie staat vermeld. Hij herhaalt dat de studentenevaluaties juist doen vermoeden dat de opnames duidelijk zouden maken welk doel hij als verantwoordelijk lesgever van het opleidingsonderdeel Cultuur-en maatschappijkritiek voor ogen had, namelijk het aanzetten van studenten tot het vormen van een eigen mening. Verzoeker blijft ten slotte bij zijn standpunt dat de bestreden beslissing ook onzorgvuldig is voorbereid door de eenzijdige screening van het leermateriaal.
- In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar het overzicht van positieve en neutrale reviews van zijn boek waaruit volgens hem blijkt dat er wel sprake is van een eenzijdige screening. Voorts stelt verzoeker dat de lesopnames integraal deel uitmaken van het leermateriaal en dat er geen correct beeld van het leermateriaal kan worden verkregen zonder het bekijken ervan. Er anders over oordelen zou volgens verzoeker erop neerkomen dat de lessen aan de universiteit Gent irrelevant zijn. Hij benadrukt dat het daarbij niet gaat om zijn manier van lesgeven, maar wel om de inhoud ervan. Nu het bestaande lesmateriaal slechts gedeeltelijk is gescreend, kan de beslissing om het leermateriaal aan te passen bezwaarlijk als zorgvuldig voorbereid worden beschouwd. Verzoeker besluit dat hij de indruk heeft dat de faculteitsraad doelbewust nuttige gegevens – de positieve en neutrale reviews van zijn boek en de lesopnames – buiten beschouwing heeft gelaten zodat hij zijn beslissing eenvoudiger zou kunnen motiveren. Beoordeling
- Uit de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat de screening van verzoekers boek niet eenzijdig is gebeurd. Er kan dan ook geen onzorgvuldigheid in worden ontwaard.
- Voorts stelt verzoeker ten onrechte dat de studentenevaluaties buiten beschouwing zijn gelaten. De opleidingscommissie vermeldt in haar verslag immers: IX-10.é-21/28 “De OC analyseerde in eerste instantie de evaluaties door studenten in de vorm van de vakfeedback en bekeek zowel de kwantitatieve gegevens op groepsniveau als de opmerkingen van individuele studenten voor alle opleidingsonderdelen waarvan [verzoeker] het voorbije academiejaar verantwoordelijk lesgever was. Op basis van de analyse besloot de OC in haar vergadering van 27 oktober 2022 om zich verder te focussen op het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek.” Zoals uit de beoordeling van het eerste middel blijkt, is de aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel het resultaat van het deeltijds vertrek van verzoeker en van de inhoudelijke gewijzigde invulling van het opleidingsonderdeel, meer bepaald komt er een bredere invulling van het opleidingsonderdeel waarbij in overeenstemming met de opleidingscompetenties een ruimere waaier van kernbegrippen, theorieën en theoretische referentiekaders aan bod zal komen. Nergens blijkt dat de manier van lesgeven van verzoeker ter discussie staat. Het kan dan ook niet als onzorgvuldig worden beschouwd dat niet de focus wordt gelegd op de studentenevaluaties.
- Om die reden zijn ook de lesopnames niet relevant of zoals in het verslag van de opleidingscommissie wordt verwoord “[o]mdat er in de studentenevaluaties geen aanleiding toe was”.
- Dat er geen zorgvuldige afweging is gebeurd van alle in het geding zijnde belangen, kan evenmin worden aangenomen. Voor zover verzoeker verwijst naar de belangen van de toekomstige studenten die de mogelijkheid worden ontnomen om van hem les te krijgen gaat hij eraan voorbij dat hij nog steeds 50% van de hoorcolleges mag verzorgen en zodoende studenten kan “aanzetten tot het vormen van een eigen mening”. De verwerende partij wijst er overigens in dit verband terecht op dat verzoeker nog twee andere opleidingsonderdelen mag doceren. Voorts houdt de bestreden beslissing ook rekening met verzoekers belangen. Naast het feit dat hij nog 50% van de hoorcolleges mag IX-10.é-22/28 verzorgen, mag hij, weliswaar na correctie, nog een aantal hoofdstukken uit zijn boek ‘Psychologie van het totalitarisme’ doceren. Dat verzoeker geen niet-constructieve houding kan worden verweten aangezien hij zich bereid heeft verklaard om eerst een basishandboek te doceren, maakt niet dat het onzorgvuldig is van de verwerende partij om het opleidingsonderdeel Cultuur-en maatschappijkritiek anders in te vullen.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de studentenevaluaties 2021-2022 een over het algemeen positief beeld van het opleidingsonderdeel schetsen. Uit de bevraging blijkt dat de studenten gemiddeld tevreden tot zeer tevreden waren over het lesmateriaal (3.7/5) en verzoeker als lesgever (4.1/5). Volgens verzoeker tonen die scores aan dat het onredelijk is om zijn boek als lesmateriaal te verbieden en hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen. De open commentaren schetsen naar het oordeel van verzoeker een enigszins genuanceerder beeld: een deel van de studenten was uitermate lovend, terwijl een ander deel de leer- en lesinhouden als te eenzijdig heeft beoordeeld. Dat de studenten er verschillende meningen op na houden, kan volgens verzoeker in een academische context bezwaarlijk als een negatief element worden gezien en dit geldt des te meer voor een universiteit die het principe ‘Durf Denken’ als slogan hanteert. Verzoeker erkent dat de kritische commentaren van studenten wel een gesprek met de verantwoordelijke lesgever verantwoorden en hij merkt op dat hij tijdens een gesprek met de opleidingscommissie zich ook bereid heeft getoond een wijziging aan het lesmateriaal door te voeren en in eerste instantie een basishandboek in plaats van IX-10.é-23/28 zijn boek te doceren. Volgens verzoeker had die aanpassing van het lesmateriaal kunnen volstaan en is de bestreden beslissing onevenredig aangezien een minder beperkende oplossing mogelijk was.
- In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij in het middel heeft aangevoerd dat de beslissing onevenredig of disproportioneel is in het licht van het feit dat veel studenten hem als lesgever en zijn lesmateriaal (zeer) positief evalueren. Volgens verzoeker biedt de verwerende partij daarop geen antwoord en al evenmin op zijn argument dat het niet nodig was om hem zijn functie als verantwoordelijk lesgever te ontnemen aangezien hij bereid was om eerst een basishandboek te doceren alvorens enkele hoofdstukken uit zijn boek te onderwijzen. In zoverre hij slechts na correctie enkele hoofdstukken van zijn boek mag doceren, merkt verzoeker op dat hij de verwerende partij om een lijst heeft gevraagd van de zogenaamde fouten en slordigheden uit zijn boek. Aangezien hij zich niet kan vinden in de kritiek uit het stopzettingsrapport van de CWI en deze zelfs weerlegt, is hij niet in de mogelijkheid om zonder een dergelijke lijst correcties door te voeren. Als die lijst uitblijft, kan verzoeker naar eigen zeggen niet anders dan concluderen dat een dergelijke lijst niet kan worden opgesteld wegens gebrek aan redenen daartoe.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de beslissing om zijn boek niet meer als lesmateriaal te gebruiken tenzij de nodige correcties worden doorgevoerd onredelijk is om de volgende redenen. - Het betreft een bijzonder verregaande maatregel, zeker gelet op het feit dat het boek voor publicatie is nagelezen op fouten door vijf proeflezers, iets wat zeker niet geldt voor veel ander leermateriaal dat binnen de universiteit wordt gebruikt. Bovendien hebben de studenten zijn boek positief geëvalueerd met een gemiddelde score van 3.7/
- - Verzoeker heeft vergeefs getracht van de verwerende partij te weten te komen welke fouten en slordigheden hij diende te corrigeren. De faculteit heeft daarop in algemene termen verwezen naar de systematische reviews waarop de CWI steunt. Dit plaatst verzoeker voor een onmogelijke opdracht, niet het minst omdat hij het met een belangrijk deel van die reviews fundamenteel oneens is. Een en ander IX-10.é-24/28 neemt niet weg dat hij wel degelijk bereid was om de nodige aanpassingen aan zijn boek te doen zodat hij een aantal hoofdstukken verder als leermateriaal zou kunnen gebruiken. Daarnaast is hij ook akkoord gegaan om eerst een basishandboek te doceren. Voorts acht verzoeker ook de beslissing om hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen onredelijk om de volgende redenen. - Verzoeker is in december 2022 tijdens een gesprek met de decaan en de werkgroep ad hoc binnen de opleidingscommissie Psychologie akkoord gegaan met de inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel en de daartoe noodzakelijke wijziging van het leermateriaal, ondanks het feit dat die wijziging op zich reeds onredelijk is in de mate dat hij nog slechts enkele hoofdstukken van zijn boek mag gebruiken als leermateriaal indien de nodige correcties worden doorgevoerd. - Verzoeker was absoluut vragende partij om aan te blijven als verantwoordelijk lesgever voor het opleidingsonderdeel, reden waarom hij ook bereid was om de voorgestelde wijziging van het leermateriaal door te voeren. - De studenten hebben verzoeker als lesgever zeer positief geëvalueerd met een gemiddelde score van 4.1/
- Verzoeker is van oordeel dat geen enkele andere redelijke administratieve overheid een geëngageerde en door veel studenten gewaardeerde verantwoordelijk lesgever, die zich bereid heeft verklaard een door die overheid noodzakelijk geachte inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel door te voeren, zou vervangen zodat die precieze inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel zou kunnen worden bewerkstelligd en omdat zijn aanstellingspercentage op zijn vraag is gereduceerd. Beoordeling
- In het verzoekschrift acht verzoeker de bestreden beslissing in strijd met het redelijkheidsbeginsel omdat, eensdeels, heel wat studenten zowel hem als zijn leermateriaal positief hebben geëvalueerd en, anderdeels, hij bereid IX-10.é-25/28 was een wijziging aan het leermateriaal door te voeren zodat het niet nodig was om hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen. In zijn laatste memorie licht verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel ook toe vanuit het feit dat vijf proeflezers zijn boek op fouten hebben nagelezen en vanuit de stelling dat hij door de verwerende partij met haar vraag om de slordigheden en fouten uit zijn boek te verbeteren voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst. Daarmee geeft verzoeker een bijkomende invulling aan het middel. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is dit laattijdig. Het middel is in die mate onontvankelijk.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
- Gelet op het deeltijds vertrek van verzoeker en de gewijzigde inhoudelijke invulling van het opleidingsonderdeel waarbij in overeenstemming met de opleidingscompetenties een ruimere waaier van kernbegrippen, theorieën en theoretische referentiekaders aan bod zal komen en waarbij is gebleken dat verzoekers boek niet past binnen die gewijzigde invulling en dat het fouten en slordigheden bevat, is het niet onredelijk dat de verwerende partij beslist om (i) verzoekers boek niet meer als lesmateriaal te gebruiken tenzij een beperkt aantal hoofdstukken na correctie door verzoeker als bijkomend lesmateriaal, (ii) verzoeker nog slechts 50% van de hoorcolleges te laten verzorgen en (iii) hem te vervangen als verantwoordelijk lesgever. Dat verzoeker en zijn lesmateriaal positief is beoordeeld tijdens de studentenevaluaties en dat hij zich bereid heeft getoond om eerst een basishandboek te doceren, doet aan die conclusie geen IX-10.é-26/28 afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. Daarbij wordt benadrukt dat verzoeker nog steeds 50% van de hoorcolleges van het opleidingsonderdeel mag verzorgen en nog een aantal hoofdstukken uit zijn boek, na correctie, mag doceren.
- Het derde middel is ongegrond. IX-10.é-27/28 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.é-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div