← België

Arrest 261215 - Schooltucht - 25/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 Rolnummer: A. 235527/IX-9996 Zaak: Arrest 261215 - Schooltucht - 25/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-17 04:38 Fiche Arrest nr 261.215 van 25 oktober 2024 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 no lien 279608 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.215 van 25 oktober 2024 in de zaak A. 235.527/IX-9996 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE KALMTHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie Gitok Bovenbouw van 19 november 2021 waarbij de definitieve uitsluiting van verzoeker wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 259.282 van 27 maart 2024 is het debat heropend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
  3. IX-9996-1/25 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is in het schooljaar 2021-2022 leerling aan de onderwijsinstelling ‘Gitok bovenbouw’, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur vormt. 3.
  6. Op 4 oktober 2021 vindt er een incident plaats in de voormelde school, waarbij een leerling meldt dat met een laserpen in zijn oog is geschenen. De leerling is aan de school opgehaald om op de spoeddienst van het ziekenhuis te worden onderzocht. Er wordt een onderzoek gevoerd waarbij met de leerlingen individuele gesprekken worden gehouden en aan de leerlingen wordt gevraagd om de inhoud van rugzakken, sportzakken en broekzakken te tonen om na te gaan of een van hen in het bezit is van een laserpen. Uit een verklaring van de pedagogisch adviseur van de tweede graad blijkt dat twee getuigen afzonderlijk van elkaar bevestigen dat de laserpen IX-9996-2/25 van verzoeker is en dat één leerling hem de laserpen heeft zien gebruiken. De laserpen zelf wordt niet gevonden. 3.
  7. Op 5 oktober 2021 wordt de moeder van verzoeker ervan in kennis gesteld dat verzoeker wordt geschorst in afwachting van een advies van de klassenraad op 12 oktober
  8. 3.
  9. De begeleidende klassenraad adviseert op 12 oktober 2021 om verzoeker de tuchtstraf van de definitieve uitsluiting op te leggen. De directeur van de school brengt op dezelfde datum de ouders van verzoeker van dit advies op de hoogte en verschaft hen de mogelijkheid om binnen een termijn van vijf schooldagen een onderhoud te hebben. Verzoeker vraagt op 19 oktober 2021 om te worden gehoord. Met een brief van 21 oktober 2021 wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting. Het tuchtdossier van verzoeker wordt hem ter kennis gebracht op 22 oktober
  10. Na de hoorzitting op 25 oktober 2021, beslist de directeur van de school op 26 oktober 2021 om verzoeker met onmiddellijke ingang de tucht- maatregel van de definitieve uitsluiting op te leggen. Tegen die beslissing stelt verzoeker op 2 november 2021 beroep in bij de verwerende partij. 3.
  11. Na verzoeker te hebben gehoord op 18 november 2021 beslist de beroepscommissie op 19 november 2021 om de tuchtstraf van de definitieve uit- sluiting te bevestigen. Dat is de bestreden beslissing. IX-9996-3/25 IV. Toepassing van artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van het algemeen procedurereglement
  12. In arrest nr. 259.282 van 27 maart 2024 is vastgesteld dat in het auditoraatsverslag de nietigverklaring wordt voorgesteld van de aangevochten tuchtmaatregel op grond van een onderdeel van het eerste middel en dat de verwerende partij geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend.
  13. Zoals uiteengezet in datzelfde arrest, valt het de kamer toe om te oordelen of het in het auditoraatsverslag besproken middelonderdeel, in de mate waarin het daarin gegrond wordt bevonden, de nietigverklaring van de bestreden beslissing verantwoordt en om desgevallend via een versnelde procedure tot nietigverklaring over te gaan. Zoals hierna zal blijken, is de kamer van oordeel dat het in het auditoraatsverslag gegrond bevonden middelonderdeel de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet verantwoordt. Er is dan ook geen aanleiding om via een versnelde procedure tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing over te gaan. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 123/8 van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO) doordat er geen deugdelijk bewijs bestaat van een inbreuk op de leefregels op 4 oktober 2021 en er op die datum ook geen inbreuk op de leefregels is gebeurd, van het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de werkwijze van de verwerende partij van aard is dat er geen objectieve gegevens kunnen worden verzameld, elke zorgvuldigheid ontbreekt en er geen concrete feiten bestaan die een tuchtsanctie verantwoorden en van de IX-9996-4/25 materiëlemotiveringsplicht doordat de feiten niet bestaan en ze zeker niet naar behoren zijn bewezen. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat hij voor de beroepscommissie heeft ontkend dat er een laserpen is gebruikt aangezien de toezichthouders geen laserpen hebben zien gebruiken, bij het doorzoeken van de rugzakken, jassen, sportzakken en broekzakken geen laserpen is aangetroffen, er geen bewijs is van schade door een laserpen, het slachtoffer geen klacht heeft ingediend en het dossier geen verklaringen van de beweerde getuigen bevat. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie ten onrechte het gegeven dat de laserpen niet is teruggevonden niet bij haar beoordeling betrokken. Door dit bewijselement in zijn voordeel niet in aanmerking te nemen, is de beroepscommissie onzorgvuldig tewerk gegaan. Verzoeker is ook van oordeel dat de beroepscommissie een smartschoolbericht, waarin hij vraagt om duiding bij zijn tijdelijke uitsluiting, ten onrechte interpreteert als een erkenning van het feit dat een laserpen is gebruikt. Dat hij die beschuldiging ontkent en dit toespitst op zijn persoon, houdt volgens verzoeker geen bewijs in van enig feit. Verzoeker verklaart dat hij niet de intentie had om zijn bewoordingen zo te laten interpreteren en dat hij in dat bericht ook schrijft dat hij wil weten wie hem beschuldigt omdat hij het raar vindt dat een leerling verzint dat hij dit heeft gedaan. Voorts stelt verzoeker dat de bestreden beslissing enkel steunt op een verslag van de pedagogisch adviseur van de tweede graad, die zelf geen getuige was van enig incident met een laserpen. Uit dat verslag blijkt dat pas nadat er tweemaal individuele gesprekken zijn gevoerd met de leerlingen van verzoekers klas en het materiaal van de leerlingen is doorzocht, er twee getuigen zijn die bevestigen dat de laserpen van verzoeker is. Slechts één leerling heeft daarbij verklaard dat de laserpen door verzoeker is gebruikt. Geen van de getuigen kan worden geïdentificeerd aan de hand van het tuchtdossier en evenmin is het duidelijk wat zij precies hebben verklaard. Na de beslissing van de schooldirecteur is het dossier nog aangevuld met een verklaring op eer van de pedagogisch adviseur. Volgens verzoeker wordt daarmee niets toegevoegd aan het dossier. De pedagogisch adviseur stelt wel dat de twee leerlingen hun verklaring de dag nadien hebben bevestigd, maar er wordt niet uiteengezet in welke omstandigheden dit is gebeurd, met welke bewoordingen en aan wie zij dit hebben bevestigd. De beroepscommissie vindt het niet nodig om de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-5/25 namen te kennen van de leerlingen die getuige waren. Zij verwijst wel nog naar een verklaring van leerkracht LR op smartschool van een week na de feiten, waarin wordt gesteld dat er blijkbaar toch meer leerlingen zijn die weten dat de laserpen van verzoeker is en dat hij deze gebruikte. Ook in die verklaring worden geen namen van leerlingen vermeld en evenmin in welke omstandigheden de verklaringen zijn afgelegd en wie dit heeft vastgesteld. Wel kan uit die verklaring worden afgeleid dat de leerlingen blijkbaar geruime tijd onder druk zijn gezet om bijkomende verklaringen af te leggen en dat zij het er ook wel mee hebben gehad. Voor zover hem in de bestreden beslissing wordt verweten aan deze verklaring geen aandacht te hebben besteed, merkt verzoeker op dat de bewijswaarde van die verklaring blijkbaar zo miniem wordt geacht dat ze zelfs niet door de directeur is gebruikt en dat er niet valt in te zien waarom hij er dan aandacht aan zou moeten besteden. Vervolgens betoogt verzoeker dat de beroepscommissie met de stelling dat de bestreden beslissing niet steunt op de zoekactie naar de laserpen zijn argumentatie negeert dat dit onderzoek de enige reden is waarom leerlingen verklaringen hebben afgelegd in zijn nadeel aangezien zij wisten dat, gelet op zijn reputatie, het noemen van zijn naam het onderzoek zou doen beëindigen. Wat die zoekactie zelf betreft, stelt verzoeker dat uit het verslag niet blijkt dat het louter een vraag betrof om mee te werken. In tegendeel blijkt dat een vrijheidsberoving van een uur heeft plaatsgevonden, waarbij een fouillering is gebeurd. Daaromtrent argumenteert hij dat een dergelijke fouillering onder de politiebevoegdheden valt (artikel 28 van de wet van 5 augustus 1992 ‘op het politieambt’) en niet onder de bevoegdheden van het schoolpersoneel, dat het dossier geen toestemmingsformulieren bevat van de gefouilleerde leerlingen en evenmin een verslag van de fouillering en dat sommige leerlingen zich blijkbaar onder druk gezet voelden om aansluitend toch een verklaring af te leggen. Volgens verzoeker zijn de getuigenverklaringen derhalve onbetrouwbaar en hebben ze geen bewijswaarde. Het zijn zelfs geen regelmatig verkregen gegevens. Tot slot betoogt verzoeker dat het dossier geen spoor bevat van de verhoren van de leerlingen die andere verklaringen hebben afgelegd, waaruit blijkt dat het onderzoek louter à charge is gevoerd. Door te aanvaarden dat een dergelijk onvolledig dossier leidt tot een tuchtsanctie, heeft de beroepscommissie volgens verzoeker onzorgvuldig gehandeld. Verzoeker is daarbij van oordeel dat het ook voor de beroepscommissie duidelijk moet zijn geweest dat het merendeel van de leerlingen niet is ingegaan op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-6/25 de dwang om verklaringen af te leggen in zijn nadeel, hetgeen erop wijst dat er geen feiten hebben plaatsgevonden en dat hij geen tuchtinbreuk heeft begaan.
  15. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat uit de bewoordingen van zijn smartschoolbericht geenszins het bewijs blijkt dat er een laserpen is gebruikt. Voorts merkt hij op dat het dossier geen rechtstreeks bewijs bevat dat een leerling naar de spoeddienst is afgevoerd. Verzoeker herhaalt ook dat tijdens de zoekactie naar de laserpen een grote groep leerlingen van hun vrijheid is beroofd met de bedoeling hen onder druk te zetten om iets te verklaren. Daarbij zijn de leerlingen twee keer verhoord met daartussen een onwettige fouillering. Van enige concrete verklaring van de leerlingen is geen rechtstreeks bewijs voorhanden. In zoverre de verwerende partij opmerkt dat hij geen getuigen heeft opgeroepen, repliceert verzoeker dat de identiteit van de leerlingen die iets hebben verklaard niet uit het dossier blijkt en dat alle andere leerlingen blijkbaar een verklaring hebben afgelegd die de bestreden beslissing niet ondersteunt. De verklaring van LR laat volgens verzoeker geen controle toe en hij merkt op dat de beroepscommissie het ook niet nodig heeft gevonden om toelichting te verkrijgen bij die verklaring, die in strijd is met de andere gegevens van het dossier, namelijk de verklaring van de pedagogisch adviseur waarin staat dat alle leerlingen in eerste instantie te kennen hebben gegeven dat zij niets hebben gezien en dat pas na grote druk twee leerlingen iets hebben verklaard – maar niet op papier gezet – kennelijk met de bedoeling naar huis te mogen. Ondertekende getuigenverklaringen van leerlingen ten laste van verzoeker zijn niet terug te vinden in het dossier. Voor verzoeker is het onduidelijk hoe in deze omstandigheden op nuttige wijze getuigen kunnen worden opgeroepen.
  16. In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat het vermoeden van wettigheid dat aan het tuchtonderzoek kleeft, is weerlegd door het verregaand onwettig gedrag van de verwerende partij. Hij verwijst daarbij naar het feit dat de leerlingen onder druk zijn gezet door een onwettige vrijheidsberoving, een onwettige fouillering en twee ondervragingen waarvan de verwerende partij geen enkele neerslag voorlegt. Volgens verzoeker is de handelwijze van de verwerende partij minstens in strijd met de zorgvuldigheidsplicht. Dat hij heeft gesteld dat andere leerlingen van zijn klas “tegen hem zijn” is volgens verzoeker niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-7/25 tegenstrijdig met het voorgaande, maar verklaart waarom twee leerlingen na de tweede ondervraging uiteindelijk hem hebben aangewezen. Beoordeling
  17. In het middel ontkent verzoeker het bestaan van een inbreuk op de leefregels. Hij is van oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is gebeurd en dat het bewijs van de feiten niet deugdelijk is.
  18. Artikel 123/8, eerste lid, VCSO bepaalt dat tuchtmaatregelen worden genomen als de handelingen van een leerling de leefregels van de school zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de schoolpopulatie. Punt 5.3 ‘Tuchtmaatregelen’ van het schoolreglement bevestigt die bepaling. Krachtens punt 5.3.3 ‘Tuchtdossier’ van het schoolreglement bevat het tuchtdossier van de leerling onder meer de gedragingen van de leerlingen zoals omschreven in het leerlingenvolgsysteem en het tuchtvoorstel en de bewijsvoering ter zake. Deze bepaling, noch enige andere bepaling van het schoolreglement, regelt evenwel de bewijsvoering van eventuele tuchtinbreuken.
  19. Indien de toepasselijke tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beschikt een tuchtoverheid zoals de beroepscommissie over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de bewezenverklaring en de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid mag daartoe steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar eveneens op getuigenissen of vermoedens. De bevoegde tuchtoverheid beoordeelt op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. IX-9996-8/25 Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  20. Wat het tuchtfeit zelf betreft, blijkt uit de stukken van het tuchtdossier dat de beroepscommissie in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat op 4 oktober 2021 een incident heeft plaatsgevonden met een laserpen. Het is niet betwist dat het slachtoffer hiervoor zelfs naar het ziekenhuis is gebracht; bovendien hebben twee andere leerlingen verklaringen in die zin afgelegd. In redelijkheid mag hieruit worden afgeleid dat een incident met een laserpen heeft plaatsgevonden.
  21. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, heeft de beroepscommissie niet ten onrechte geweigerd om een element in zijn voordeel – dat de laserpen niet is teruggevonden – bij haar beoordeling te betrekken. Zoals hierna zal blijken, steunt de bestreden beslissing niet op de resultaten van de zoekactie naar de laserpen en wordt ze afdoende gemotiveerd met de verklaringen van de pedagogisch adviseur van de tweede graad, de verklaring van leerkracht LR en de getuigenissen van de leerlingen waarnaar zij verwijzen. Dat de laserpen bij de zoekactie niet is aangetroffen, vermag geen afbreuk te doen aan deze verklaringen en dus ook niet aan het bestaan van het incident en de toerekenbaarheid ervan aan verzoeker.
  22. Voorts is de Raad van oordeel dat de beroepscommissie eveneens in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat het incident met een laserpen aan verzoeker moet worden toegeschreven, minstens toont verzoeker het tegendeel niet aan. In een verslag van 4 oktober 2021 heeft de pedagogisch adviseur van de tweede graad immers verklaard: IX-9996-9/25 “2 getuigen bevestigen, afzonderlijk, dat de laserpen van [verzoeker] is, zeker 1 leerling heeft [hem haar] zien gebruiken.” Anders dan wat verzoeker beweert, steunt de bestreden beslissing niet enkel op dat verslag. Zo is er ook de verklaring op eer van de pedagogisch adviseur van 9 november 2021 waarin meer concreet valt te lezen: “Tijdens het onderzoek naar de feiten verklaren 2 medeleerlingen van [verzoeker], dat de pen van [verzoeker] is. De twee leerlingen verklaren dit afzonderlijk van elkaar en bevestigen de dag nadien hun verklaring. Eén van de twee leerlingen heeft [verzoeker] de laserpen ook daadwerkelijk zien gebruiken in de rij.” Ten slotte is er ook de verklaring van LR waarin is opgetekend: “Vorige week werd in de klas druk besproken wat er gebeurd was en blijkbaar zijn er toch meer leerlingen die weten dat de laserpen van [verzoeker] is en dat hij ze gebruikte. De leerlingen hebben het er ook wel mee gehad.” Er zijn met andere woorden overeenstemmende verklaringen die verwijzen naar overeenstemmende getuigenissen van meerdere leerlingen dat de laserpen van verzoeker is én dat hij ze gebruikte. Een leerling heeft verzoeker de laserpen ook zien gebruiken in de rij.
  23. Uit die verklaring van LR kan, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, geenszins worden afgeleid dat de leerlingen reeds geruime tijd onder druk zijn gezet om bijkomende verklaringen af te leggen.
  24. Verzoekers argumentatie dat het tuchtdossier niet de identiteit bevat van de leerlingen die verklaringen hebben afgelegd en ook niet wat zij precies hebben verklaard, is niet van aard om afbreuk te doen aan de overeenstemmende verklaringen van de pedagogisch adviseur van de tweede graad en LR en de overeenstemmende getuigenissen van leerlingen waarnaar zij verwijzen. De beroepscommissie kon op grond van die verklaringen dan ook in redelijkheid tot het besluit komen dat verzoeker diegene is die op 4 oktober 2021 de laserpen heeft gehanteerd. IX-9996-10/25
  25. Verzoeker hekelt ook de omstandigheden waarin de leerlingen verklaringen zouden hebben afgelegd. Volgens hem zijn zij door een onwettige vrijheidsberoving en een fouillering onder druk gezet om iets te verklaren en hebben zij daarom hem aangewezen, erop rekenend dat het onderzoek daarmee zou worden beëindigd. Dit betoog kan niet slagen. Aan een door het bestuur uitgevoerd tuchtonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, kan verzoeker niet volstaan met het in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de tuchtoverheid berust. Het valt aan verzoeker toe om aanwijzingen en gegevens te verschaffen die aantonen dat de door de tuchtoverheid in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Met de verwijzing naar het doorzoeken van de rugzakken, jassen, sportzakken en broekzakken, eensdeels, en het doen nablijven van de leerlingen tijdens het achtste uur van de lesdag, anderdeels, voldoet verzoeker niet aan de hoger geschetste bewijslast. Daargelaten of verzoeker die elementen terecht bestempelt als een veiligheidsfouillering of een vrijheidsberoving, tonen ze niet zonder meer aan dat de personeelsleden van de school de leerlingen onder druk hebben gezet om bezwarende getuigenissen af te leggen. Volledigheidshalve valt op te merken dat verzoeker de bezwarende getuigenissen klaarblijkelijk initieel niet toeschreef aan een vermeende druk van de personeelsleden van de school maar aan animositeit vanwege de leerlingen in zijn klas: “[Verzoeker] zegt dat hij vals wordt beschuldigd. Dat de leerlingen van zijn klas tegen hem zijn.” Doorheen de tuchtprocedure en thans voor de Raad van State, ontwaart verzoeker de reden voor de bezwarende getuigenissen dus in verschillende oorzaken zonder evenwel bewijzen of overtuigingsstukken daarvan IX-9996-11/25 bij te brengen. In dat opzicht toont verzoeker niet aan dat de regelmatigheid van de tuchtprocedure aangetast is door de zoekactie naar de laserpen.
  26. Ten slotte stelt verzoeker nog dat het dossier geen spoor bevat van de verhoren van de leerlingen die andere verklaringen hebben afgelegd en dat het onderzoek derhalve louter à charge en onzorgvuldig is gevoerd. Ook die argumentatie kan niet worden bijgevallen. Uit het tuchtdossier blijkt dat de verklaringen worden vermeld van de leerlingen die zich hebben uitgesproken over de feiten. Verzoeker toont niet aan dat er daarnaast nog leerlingen zouden zijn die relevante verklaringen hebben afgelegd over het incident met de laserpen – laat staan verklaringen in zijn voordeel – en dat die verklaringen uit het dossier zijn geweerd. Dat slechts een beperkt aantal leerlingen iets heeft verklaard in het nadeel van verzoeker, toont alleszins niet aan dat de andere leerlingen verklaringen hebben afgelegd die de bestreden beslissing niet ondersteunen of dat de feiten niet hebben plaatsgevonden. Verzoeker toont dan ook niet aan dat het onderzoek louter à charge of onzorgvuldig is gevoerd. Het stond verzoeker bovendien vrij om in de loop van het tuchtonderzoek te vragen dat er nog andere leerlingen of personeelsleden zouden worden gehoord of om verklaringen van leerlingen of personeelsleden in zijn voordeel aan het dossier toe te voegen. Verzoeker heeft er evenwel voor geopteerd om aan dergelijk verweer te verzaken.
  27. Uit wat voorafgaat blijkt dat de beroepscommissie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat verzoeker op 4 oktober 2021 met een laserpen in het oog van een medeleerling heeft geschenen. Het is vervolgens niet onredelijk dat de beroepscommissie een dergelijke handeling kwalificeert als een schending van de leefregels die een gevaar of ernstige belemmering vormt voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de schoolpopulatie, zodat een tuchtmaatregel zich opdringt.
  28. Het eerste middel is ongegrond. IX-9996-12/25 IX-9996-13/25 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  29. Het tweede middel is genomen uit de schending van het schoolreglement iuncto deel III, titel 2, hoofdstuk 7 en artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO. Verzoeker voert aan dat de beroepscommissie heeft geweigerd om de haar door artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO opgedragen controletaak – nagaan of de genomen beslissing in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement – te vervullen onder het mom dat de procedure een devolutief karakter kent. Volgens verzoeker hadden de volgende procedurele gebreken de beroepscommissie tot het oordeel moet brengen dat de tuchtprocedure – en de genomen beslissing – nietig is. - Het schrijven van 5 oktober 2021 bevat niet de intentie tot het opleggen van een tuchtmaatregel. Nochtans bepaalt artikel 123/9, 1°, VCSO dat de intentie tot een tuchtmaatregel schriftelijk ter kennis moet worden gebracht aan de betrokken personen en het schoolreglement stipuleert dat de directeur bij een intentie tot definitieve uitsluiting binnen drie schooldagen na de bijeenkomst van de klassenraad aangetekend aan de ouders moet meedelen dat een tuchtprocedure wordt ingezet. - De mogelijkheid tot inzage van het tuchtdossier wordt niet vermeld in de kennisgeving van het advies van de klassenraad. Verzoekers ouders zijn ook niet opgeroepen voor een gesprek met de directeur, zij zijn enkel gewezen op de mogelijkheid om “nog een onderhoud te hebben”. Het schoolreglement bepaalt evenwel dat in de kennisgeving van het advies van de klassenraad wordt verwezen naar de mogelijkheid tot inzage in het tuchtdossier na afspraak en dat de ouders worden opgeroepen voor een gesprek met de directeur waarin zij worden gehoord over de vastgestelde feiten en de voorgestelde maatregel. Het is dan ook bevreemdend dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoekers ouders niet op tijd zouden hebben gevraagd om te worden gehoord aangezien de procedure erin voorziet dat zij worden opgeroepen. IX-9996-14/25 - Hoewel de kennisgeving van het advies van de klassenraad is ontvangen op 15 oktober 2021, heeft de hoorzitting pas plaatsgevonden op 25 oktober
  30. Nochtans bepaalt het schoolreglement dat het gesprek moet plaatsvinden uiterlijk vijf schooldagen na de ontvangst van de kennisgeving van het advies. Volgens verzoeker kan het motief in de bestreden beslissing dat het normdoel is bereikt niet worden bijgevallen. Hij argumenteert dat de betrokken bepaling van het schoolreglement gericht is op een snelle afhandeling van de procedure en dat de schending van de termijnen het recht van de leerling op onderwijs in de school van keuze aantast, zodat er zeker sprake is van belangenschade.
  31. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij in het verzoekschrift de procedurefouten duidelijk heeft uiteengezet en heeft toegelicht waarom de beroepscommissie – door het anders te zien – haar taak van controle op de naleving van de regelgeving en het schoolreglement negeert. Volgens verzoeker kan de controleplicht van de beroepscommissie niet buiten werking worden gesteld in het schoolreglement onder het mom van volheid van bevoegdheid. Indien de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en het schoolreglement niet zijn nageleefd, moet de beroepscommissie overgaan tot vernietiging. De beoordeling van de beroepscommissie moet ook feitelijk en juridisch juist zijn. In casu is de intentie tot het opleggen van een tuchtsanctie en het inzetten van een tuchtprocedure niet meegedeeld binnen de termijn bepaald in het schoolreglement. Aangezien de naleving van het schoolreglement essentieel is bij de beoordeling door de beroepscommissie – het niet naleven ervan leidt immers tot vernietiging – gaat het om een vervaltermijn. Voorts kan niet worden aangenomen dat is voldaan aan de hoorplicht indien men zich niet kan verweren tegen een specifieke door de directie voorgenomen tuchtsanctie, de hoorzitting buiten de in het schoolreglement voorziene termijn heeft plaatsgevonden en het recht tot inzage van het tuchtdossier niet is vermeld, hoewel het schoolreglement die vermelding verplicht stelt. Beoordeling IX-9996-15/25
  32. De bestreden beslissing waarmee uitspraak is gedaan over het beroep tegen de beslissing van de directeur van de school tot definitieve uitsluiting van verzoeker is genomen door de overeenkomstig artikel 123/13 VCSO ingestelde beroepscommissie. Die beroepscommissie beslist “autonoom” (artikel 123/13, § 2, tweede lid, 4°, VCSO) en heeft “volheid van bevoegdheid” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Daaruit vloeit voort dat haar beslissing in de plaats komt van de beslissing van de directeur en de laatstgenoemde beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt.
  33. De definitieve uitsluiting kan door de beroepscommissie worden bevestigd of vernietigd, dit laatste “op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Daaruit blijkt dat de beroepscommissie dus ook de procedurele aspecten van de tuchtprocedure moet betrekken bij haar beoordeling. Dit wordt ook bevestigd in punt 5.3.7 ‘Resultaat beroepscommissie’ van het schoolreglement. Zoals verzoeker stelt, valt het toezicht op de procedurele aspecten eveneens te kaderen binnen de door artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO ingestelde verplichting voor de beroepscommissie om na te gaan “of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement”.
  34. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, heeft de beroepscommissie zich gebogen over de procedurele aspecten van de tuchtprocedure in eerste administratieve aanleg. In de bestreden beslissing beantwoordt de beroepscommissie de beroepsargumenten van verzoeker ter zake – die hij bijna volledig herneemt in huidig middel – immers als volgt: “De beroepscommissie merkt vooreerst op dat artikel 123/9 van de Codex [Secundair] Onderwijs niet voorschrijft wanneer precies de intentie tot het opleggen van een tuchtmaatregel moet worden meegedeeld, en dat de aangehaalde bepaling van het schoolreglement stipuleert dat zulks moet gebeuren binnen drie schooldagen ‘na de bijeenkomst van de klassenraad’. Het aangetekend schrijven van 5 oktober 2021 waarnaar de leerling verwijst, dateert duidelijk van vóór de bijeenkomst van de daarin aangekondigde klassenraad (op 12 oktober 2021) en is dus niet relevant in het licht van de door de leerling opgeworpen grieven. Daarnaast stelt de beroepscommissie vast dat in het aangetekend schrijven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-16/25 van 12 oktober 2021 – dat dus alleszins in overeenstemming met de voormelde termijn is verzonden – uitdrukkelijk is aangegeven dat de klassenraad de definitieve uitsluiting adviseert. Dit, en de geboden mogelijkheid om binnen een termijn van vijf schooldagen hierover een onderhoud te hebben, kan niet anders worden begrepen dan dat een tuchtprocedure tot definitieve uitsluiting is ingezet. De regelgeving schrijft niet voor dat deze kennisgeving in sacrale bewoordingen dient te gebeuren en verbindt aan de niet-naleving ervan ook geen sanctie. De beroepscommissie is van oordeel dat het normdoel is bereikt. Wat de organisatie van de hoorzitting betreft, blijkt uit het aangetekend schrijven van 21 oktober 2021 dat de leerling is uitgenodigd, dat werd gewezen op het recht op bijstand en dat inzage in het dossier is verleend. De leerling spreekt bovendien niet tegen dat het tuchtdossier op 22 oktober 2021 ook reeds per e-mail is meegedeeld. De rechten van verdediging zijn aldus gevrijwaard, wat ook blijkt uit het gemotiveerd verzoekschrift dat namens de leerling werd ingediend en de argumenten die bijkomend op de hoorzitting werden opgeworpen. De leerling kan niet worden bijgetreden in zijn stelling dat de kennisgeving van het voornemen om een tuchtsanctie op te leggen eensdeels, en de mededeling van de voormelde elementen inzake de rechten van verdediging anderdeels, op straffe van nietigheid in één en hetzelfde schrijven moeten zijn vervat. Inzake de termijnen, inzonderheid deze binnen dewelke de hoorzitting moet plaatsvinden, stelt de beroepscommissie vast dat het schoolreglement aan die termijn geen sanctie verbindt. Het gaat bijgevolg om een termijn van orde, en niet van verval. Bovendien heeft de leerling, niettegenstaande het tijdig verzonden aangetekend schrijven van 12 oktober 2021, niet binnen de daarin aangegeven termijn gevraagd om te worden gehoord. Het middel is niet gegrond.” In zoverre verzoeker aanvoert dat de beroepscommissie heeft geweigerd haar door artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO opgedragen controletaak te vervullen, mist het middel dus feitelijke grondslag. De beroepscommissie heeft verzoekers grieven wel degelijk onderzocht en beoordeeld.
  35. Het voorgaande belet niet dat eventuele onwettigheden in de tuchtprocedure in eerste administratieve aanleg kunnen afkleuren op de bestreden beslissing. Het valt echter verzoeker toe om daarvan te overtuigen. Gelet op de beoordeling in de bestreden beslissing, moet hij in dat geval aantonen dat de beroepscommissie de betrokken procedurele aspecten niet correct heeft beoordeeld IX-9996-17/25 of dat de administratieve beroepsprocedure niet uit haar aard zelf remedieert aan die onwettigheid.
  36. Los van het gegeven dat verzoeker de motieven van de beroepscommissie amper betrekt bij zijn wettigheidskritiek, moet worden vastgesteld dat hij er niet in slaagt om aan te tonen dat de beroepscommissie de procedurele aspecten foutief heeft beoordeeld.
  37. Vooreerst maakt verzoeker niet aannemelijk dat de tuchtprocedure nietig is vanwege het niet vermelden van de intentie tot het opleggen van een tuchtmaatregel in de brief van 5 oktober
  38. De beroepscommissie overweegt dienaangaande terecht dat de brief van 5 oktober 2021 dateert van voor de bijeenkomst van de klassenraad zodat de door verzoeker aangehaalde bepaling uit punt 5.3.2 ‘Tuchtprocedure’ van het schoolreglement niet kan zijn miskend. Eveneens terecht stelt de beroepscommissie dat artikel 123/9 VCSO geen bijzondere vormvoorschriften of een termijn koppelt aan de schriftelijke kennisgeving van de intentie tot het opleggen van een tuchtmaatregel. Bovendien blijkt dat in de brief van 5 oktober 2021 onder meer wordt gesteld: “Gezien het zeer ernstige karakter van de feiten wordt [verzoeker] vanaf dinsdag 5 oktober 2021 preventief geschorst in afwachting van een klassenraad die zich zal uitspreken over een tuchtmaatregel.” Verzoeker kan dan ook niet beweren in het ongewisse te verkeren over de intentie van de directie om een eventuele tuchtmaatregel op te leggen. Het gegeven dat daarbij niet wordt vermeld welke specifieke tuchtmaatregel de directie overweegt, kan haar niet zonder meer ten kwade worden geduid. Het inleiden van de tuchtprocedure, met inbegrip van het bepalen van de uiteindelijke tuchtmaatregel, mag immers worden geacht afhankelijk te zijn van het advies van de klassenraad. In de bestreden beslissing stelt de beroepscommissie overigens terecht dat geen bepaling voorschrijft dat de kennisgeving van de intentie tot het opleggen van een tuchtmaatregel in “sacrale IX-9996-18/25 bewoordingen” moet worden opgesteld. De brief van 5 oktober 2021 geeft voldoende duidelijk te kennen dat de directie een tuchtmaatregel overweegt.
  39. Voorts toont verzoeker niet aan dat de tuchtprocedure nietig is vanwege een vermeende fout bij de oproeping voor een hoorzitting of gesprek bij de directeur van de school. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de verwerende partij in de brief van 12 oktober 2021, waarmee het advies van de klassenraad aan verzoeker ter kennis is gebracht, aangeeft dat “de mogelijkheid [bestaat] om […] nog een onderhoud te hebben” en dat verzoeker “hiervoor 5 schooldagen de tijd [heeft] na de ontvangst van deze brief”. Het enkele gegeven dat deze brief het horen van verzoeker of zijn ouders niet imperatief formuleert maar als een mogelijkheid, houdt geen schending in van punt 5.3.2, § 2, 2°, van het schoolreglement. Het staat immers buiten betwisting dat de tuchtoverheid in eerste administratieve aanleg (de ouders van) verzoeker heeft uitgenodigd voor een gesprek en hen dus te kennen heeft gegeven dat zij het recht hadden om te worden gehoord. Het gegeven dat verzoeker of diens ouders niet binnen de voorgeschreven termijn gevraagd hebben om te worden gehoord, heeft de directeur er overigens niet van weerhouden om, na de ontvangst van de brief van verzoeker van 19 oktober 2021, verzoeker alsnog op te roepen met een brief van 21 oktober 2021 voor een hoorzitting op 25 oktober
  40. De directeur heeft dan ook, zoals de beroepscommissie vaststelt, net het recht van verdediging van verzoeker willen vrijwaren door hem alsnog op te roepen voor een hoorzitting. De beroepscommissie stelt ook terecht dat het schoolreglement geen sanctie verbindt aan het niet naleven van de termijn voor de organisatie van een hoorzitting. Verzoeker duidt geen enkele normatieve bepaling aan waaruit blijkt dat de tuchtprocedure zou vervallen in het geval van het niet naleven van deze termijn. De in punt 5.3.2, § 2, 3°, van het schoolreglement bepaalde termijn van vijf dagen waarbinnen een hoorzitting of gesprek met verzoeker of diens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-19/25 ouders moet worden georganiseerd, moet dan ook worden beschouwd als een termijn van orde waarvan het niet naleven geen weerslag heeft op de wettigheid van de tuchtprocedure. Minstens toont verzoeker geen belangenschade aan. Dat de betrokken bepalingen van het schoolreglement gericht zouden zijn op een snelle afhandeling van de tuchtprocedure en het overschrijden van de termijn een weerslag zou hebben op het recht van de leerling op onderwijs in de school van keuze, doet daaraan geen afbreuk. Met de organisatie van een hoorzitting buiten de in het schoolreglement bepaalde termijn, heeft de verwerende partij een snelle afhandeling van de tuchtprocedure en het recht van verdediging van verzoeker in evenwicht willen houden. Dat kan de directie van de school moeilijk kwalijk worden genomen.
  41. Die vaststelling geldt ook voor de kennisgeving van de mogelijkheid tot inzage in het tuchtdossier. De beroepscommissie overweegt hieromtrent terecht dat aan verzoeker recht op inzage in het tuchtdossier is verleend vóór de hoorzitting van 25 oktober
  42. Het tuchtdossier is immers via een e-mail van 22 oktober 2021 aan verzoeker meegedeeld. In dat opzicht mocht de beroepscommissie van de verwerende partij in de bestreden beslissing tot de conclusie komen dat verzoekers recht van verdediging is gewaarborgd.
  43. Tot slot heeft de beroepscommissie ook terecht overwogen dat het niet gelijktijdig vermelden van het recht op inzage van het tuchtdossier in de kennisgeving van het advies van de klassenraad niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Ook wat dit punt betreft, diende de beroepscommissie niet over te gaan tot het nietig verklaren van de tuchtprocedure.
  44. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel IX-9996-20/25
  45. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO, het recht van verdediging en het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de beroepscommissie tekort is geschoten aan de haar door artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO opgedragen controletaak om na te gaan of de beslissing van de directie in overeenstemming is met de decretale en onderwijsbepalingen. Het recht van verdediging is volgens verzoeker een onderdeel van die bepalingen, aangezien hem een bestraffende maatregel wordt opgelegd. Met verwijzing naar een gesprek van 5 oktober 2021 tussen de adjunct-directeur, verzoeker en zijn vader en de brieven van 5 en 12 oktober 2021 stelt verzoeker dat de directie van de school zich reeds een definitief oordeel over het dossier had gevormd en daardoor aan de hoorzitting elk nut heeft ontnomen. De directeur van de school heeft zonder enig voorbehoud definitieve standpunten verkondigd over verzoekers gedrag. Nochtans dient, aldus verzoeker, iemand die een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij een zaak zich te onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces. Een dergelijk belang kan ook een moreel belang zijn dat ontstaat wanneer iemand zich reeds vroeger over de aangelegenheid een mening heeft gevormd in zoverre dat hij niet meer in staat kan worden geacht om de zaak in alle objectiviteit te beoordelen of opnieuw te beoordelen. Volgens verzoeker is dit te dezen het geval en diende de beroepscommissie de beslissing te vernietigen.
  46. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het middel niet steunt op een schending van de motiveringsplicht. Hij betoogt dat hij de motieven in de bestreden beslissing waarmee hij het niet eens is nog steeds kan laten toetsen door de Raad van State. Volgens verzoeker kleeft de onwettigheid net aan de bestreden beslissing zelf doordat de beroepscommissie tekort is geschoten in haar taak om na te gaan of de beslissing van de directie in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen. Beoordeling IX-9996-21/25
  47. Zoals uiteengezet bij de beoordeling van het tweede middel, impliceert de bevoegdheid van de beroepscommissie dat de tuchtbeslissing van de directeur in eerste administratieve aanleg uit het rechtsverkeer verdwijnt en de beslissing van de beroepscommissie in de plaats daarvan komt. Verzoeker heeft in beginsel dan ook geen belang bij het inroepen van een schending van het onpartijdigheidsbeginsel in hoofde van de tuchtoverheid in eerste administratieve aanleg, aangezien het niet die overheid is die de bestreden beslissing heeft genomen. De eventuele onpartijdigheid in hoofde van de tuchtoverheid in eerste administratieve aanleg kleurt ook niet zonder meer af op de bestreden beslissing. Verzoeker toont zulks alleszins niet aan.
  48. In zoverre verzoeker in het middel aanvoert dat de beroepscommissie de haar door artikel 123/13, § 2, derde lid, 6°, VCSO opgedragen controletaak niet heeft uitgevoerd, mist het middel feitelijke grondslag. In de bestreden beslissing oordeelt de beroepscommissie immers omtrent de door verzoeker aangevoerde partijdigheid in hoofde van de directie en zijn stelling dat aan de hoorzitting daardoor elk nut is ontnomen: “In een derde middel beroept de leerling zich op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. […] Er wordt – samengevat – aangevoerd dat de adjunct-directeur en de directeur van de school vooraf reeds te kennen hadden gegeven dat de leerling best een andere school zoekt, dat de samenwerking op basis van wederzijds vertrouwen zo goed als onmogelijk wordt, dat [verzoeker] zeer zwaar in de fout is gegaan en dat hij door zijn gedrag de veiligheid van andere leerlingen ernstig in gevaar brengt. Door deze standpunten in te nemen, heeft de directeur volgens de leerling elk nut aan de hoorzitting ontnomen. De beroepscommissie wijst erop dat zij krachtens artikel 123/13, § 2, laatste lid, 4° van de Codex Secundair Onderwijs ‘autonoom [beslist] over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven.’ Daarnaast bepaalt artikel 5.3.7 van het schoolreglement dat de beroepscommissie volheid van bevoegdheid heeft en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Niettegenstaande het gegeven dat de beroepscommissie in tuchtzaken niet over een hervormingsbevoegdheid beschikt, volgt uit het bovenstaande dat een procedure voor de beroepscommissie ook in tuchtzaken een devolutief karakter heeft, dat de beroepscommissie in geval van bevestiging van de definitieve uitsluiting de motieven van de bestreden beslissing mag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 IX-9996-22/25 aanvullen of vervangen door haar eigen motieven, en dat de beslissing van de beroepscommissie in het rechtsverkeer in de plaats treedt van de bestreden beslissing van de directeur. Bij gebreke aan een andersluidend voorschrift, zijn grieven inzake vooringenomenheid, partijdigheid of een gebrek aan objectiviteit die zijn gericht tegen andere organen die in de procedure zijn tussengekomen – de klassenraad (die hoe dan ook slechts een niet-bindend advies verleent), of de directeur – dan ook niet dienstig. De beroepscommissie steunt haar beoordeling op de stukken van het dossier, en haar eindbeslissing kan slechts zijn aangetast door een miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel wanneer een structurele of subjectieve partijdigheid wordt verweten aan de beroepscommissie zelf, dan wel een of meer van haar leden. Een dergelijk[e] partijdigheid voert de leerling niet aan, en ter zitting beklemtoont de raadsman integendeel dat de grieven van het derde middel zich niet tot de beroepscommissie uitstrekken. Het middel kan dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.”
  49. In zoverre verzoeker in het middel zou aanvoeren dat de beroepscommissie zijn beroepsargumenten niet correct heeft beoordeeld, kan worden opgemerkt dat, gelet op wat hiervóór is uiteengezet, de beroepscommissie de bestreden beslissing afdoende en draagkrachtig motiveert met de overweging dat verzoekers grief zich niet uitstrekt tot de beroepscommissie zelf. De zogenaamde devolutieve werking van het administratief beroep remedieert de door verzoeker aangevoerde kritiek. De beroepscommissie heeft dan ook terecht niet tot de nietigheid van de tuchtprocedure besloten op grond van verzoekers grief dat hij zich niet voor een onpartijdig tuchtorgaan heeft kunnen verdedigen.
  50. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9996-23/25
  53. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9996-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-9996-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.215 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.