id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.297 Rolnummer: A. 243315/IX-10568 Zaak: Arrest 261297 - Examens (onderwijs) - 06/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-13 05:17 Fiche Arrest nr 261.297 van 6 november 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 261.297 van 6 november 2024 in de zaak A. 243.315/IX-10.568 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroedersstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS HALEN – HERK-DE-STAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laura Kempeneers kantoor houdend te 3730 Hoeselt Dorpsstraat 3 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 oktober 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Halen – Herk-de-Stad van 11 oktober 2024 waarbij (
(2x)ten overstaan van LPD-nummers 9, 13, 17, 24 en 29. Dit wringt met de conclusie dat de kansen van [verzoeker] in een doorstroomrichting van het 1ste jaar van de 2de graad ‘zo goed als onmogelijk zijn’. o Op dit punt stelt de leerkracht vervolgens in tegenstrijdige termen dat dit gegeven de kansen ‘ernstig beperkt’. Ernstig beperken is uiteraard niet gelijk te stellen aan ‘zo goed als onmogelijk zijn’. o De leerkracht stelt op te algemene wijze verder dat [verzoeker] onvoldoende abstractievermogen heeft zonder dit te staven met concrete elementen van het dossier. Haar stelling houdt overigens geen stand tegen de objectieve vaststelling dat [verzoeker] 27 leerplandoelstellingen wel heeft behaald en bovendien wel degelijk een significante progressie heeft gemaakt van het 2de naar het 3de trimester (grote toets: 39=>59%; algemeen: 34% => 49%). De leerkracht maakt daarbij ook geen onderscheid tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroom-finaliteit, te weten domeinoverschrijdende en IX-10.568-26/64 domeingebonden richtingen, waarbij de abstractiekenmerken nochtans wezenlijk verschillend zijn. o Dat [verzoeker] overigens in de dubbele finaliteit ‘betere kansen’ heeft om te slagen voor wiskunde is de evidentie zelf. Dat de leerkracht ten slotte zelfs voor de dubbele finaliteit op de rem gaat staan en ‘bezorgdheid’ uit over de slaagkansen van [verzoeker] in de dubbele finaliteit maakt de analyse tendentieus en ongeloofwaardig. o Op gebied van geloofwaardigheid is het tenslotte veelzeggend dat de leerkracht in de analyse een geheel andere duiding en interpretatie geeft aan haar vakcommentaren dan de gebruikelijke betekenis van haar woorden. Voor verzoekers (en iedereen die ze onder ogen kreeg) behoefden de commentaren geen verduidelijking: ‘Stel volgend jaar zeker vragen indien je iets niet begrijpt en ga in op alle remediëringsmomenten die worden aangeboden. Als je dit alles in acht neemt, zal je zien dat je punten aanzienlijk zullen stijgen.’ Dit betekent niet meer en niet minder dan dat de leerkracht de tekorten – in tempore non suspecto – toeschreef aan een te passieve houding m.b.t. het stellen van vragen en het deelnemen aan aangeboden remediëringsmomenten en bovenal dat zij een aanzienlijke verbeteringsmarge zag als [verzoeker] dit alles in acht zou nemen. Indien zij het gebrek aan abstractievermogen als eindconclusie helder voor ogen had, is het vreemd dat zij dat niet in alle eerlijkheid heeft vermeld als commentaar op het einde van het schooljaar. Ook op het individueel syntheseblad worden de resultaten verklaard door te weinig inzet en niet door een gebrek aan abstractievermogen. Betreffende het aanvullend stuk van de vakleerkracht Frans o Het moet benadrukt dat [verzoeker] een jaarslaagcijfer behaalde voor dit vak en derhalve geacht kan worden dat hij de leerplandoelen in voldoende mate heeft bereikt om over te gaan naar het volgend schooljaar. Als de beroepscommissie het anders ziet dient zij dat op ‘zeer overtuigende wijze’ aan te tonen aan de hand van concrete en objectieve elementen uit het leerlingendossier. o Hij duidt een aantal niet-behaalde leerplandoelstellingen aan. De wel behaalde doelstellingen laat hij echter onbesproken, hoewel de beroepscommissie uitdrukkelijk had gevraagd ook de wel behaalde leerplandoelstellingen op te lijsten. o Ongeacht het feit dat [verzoeker] voor Frans geslaagd is, put de leerkracht zich uit om alle tekorten aan te stippen om ten slotte te besluiten dat [verzoeker] slechts 5 van de 10 leerplandoelstellingen heeft bereikt wat ‘de slaagkansen van [verzoeker] sterk verklein[t]’. ‘Sterk verkleinde slaagkansen’ is niet hetzelfde als zo goed als onbestaande kansen. Het feit dat de leerstof niet zou worden herhaald in de 2de graad is overigens manifest onjuist. Ook hier maakt de leerkracht geen onderscheid tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit (DO/DG). Betreffende het aanvullend stuk van de vakleerkracht Nederlands o De leerkracht komt tot de conclusie dat hij ‘absolute zekerheid heeft dat het advies binnen de dubbele finaliteit het enige juiste advies is.’ (sic) IX-10.568-27/64 o Hij somt een vijftal leerplandoelstelling op waarvan het niet duidelijk is of [verzoeker] deze nu behaald heeft of niet. Hij heeft het over leerplandoelstellingen die weliswaar behaald zijn, maar met zwakke resultaten. Dit weerlegt niet het gegeven dat [verzoeker] een jaarslaagcijfer behaalde en derhalve de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. Of dit als dan niet met eerder ‘zwakke’ cijfers gebeurde is niet relevant en ondersteunt alleszins niet de stelling dat [verzoeker] onvoldoende abstractievermogen zou hebben. De cijfers zijn een momentopname van een moeilijk leerjaar waarin de leerling met concentratieproblemen en motivatie te kampen had hetgeen zich uitte in onvoldoende inzet. [D]e cijfers sluiten niet uit dat er progressiemarge is. o De leerkracht hanteert theoretische richtlijnen maar legt geen concreet verband met evaluatiestukken (zoals toetsen). Onvolledig dus en niet te verifiëren. o Ook deze leerkracht legde in eerste instantie een verband tussen de zwakke cijfers en het gebrek aan inzet. Niet aan een gebrek aan abstractievermogen. Betreffende het aanvullend stuk van de leerlingbegeleider en de klassenleraar van het eerste leerjaar: o Het psychosociaal functioneren wordt ter sprake gebracht maar op school werd op dit vlak zo goed als niets ondernomen. Verzoekers werden desbetreffend alleszins niet in kennis gesteld. De link die gelegd wordt naar het cognitief functioneren is ongefundeerd bij gebrek aan enig valabel onderzoeksresultaat. o Verzoekers zijn op zoek gegaan naar ondersteuning en hadden de beroepscommissie andere bevindingen van externe experten kunnen voorleggen die een geheel ander licht werpen op de aanwezige problematiek. Hun visie weerspreekt wat de door de beroepscommissie bevraagde leerkrachten verklaren in de door hen opgestelde aanvullende dossierstukken. o [Verzoeker] staat op advies van professionals op de wachtlijst voor diagnostisch onderzoek naar mogelijke leer- of aandachtsstoornissen. De geraadpleegde externen zijn allen expert in hun vakgebied, m.n. een psychiater, een klinisch orthopedagoog en een leraar wiskunde-chemie met een master in de educatieve studies en in de biostatistiek die geacht worden met kennis van zaken te spreken. (zie stukken 22, 23 en 24).” 8.3.2. De verwerende partij doet in haar nota met opmerkingen vooreerst gelden dat verzoeker zich ook hier enkel beroept op een schending van de hoorplicht en dat hij zelf aangeeft niet te verwachten dat de Raad van State over zijn grieven standpunt inneemt. Wat de door verzoeker uitgeschreven kritiek op de bijkomende verklaringen van de leerkrachten betreft, werpt de verwerende partij een exceptie IX-10.568-28/64 obscuri libelli op, omdat “de punten van kritiek dermate summier en op niet onderbouwde wijze worden weergegeven dat het voor verwerende partij nagenoeg onmogelijk is om op deze kritieken te antwoorden”. Ondergeschikt antwoordt de verwerende partij, wat die kritieken betreft, het volgende: “21. In zijn puntgewijze kritiek gaat verzoekende partij allereerst in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde (stuk 1.a): Hierover stelt verzoekende partij dat de behaalde leerplandoelen buiten beschouwing gelaten werden en dat als hij de kans gehad zou hebben dat hij dan de behaalde leerplandoelen zou hebben afgezet tegen de niet behaalde en dat hij overlappingen zou hebben aangeduid. Dit heeft verzoekende partij thans niet gedaan in diens verzoekschrift. Nochtans kan verzoekende partij de behaalde leerplandoelen zeer duidelijk afleiden uit het Leerplan Wiskunde voor de 1ste graad A-stroom.[…] Verzoekende partij toont derhalve op geen enkele wijze aan dat de onderbouwde conclusie van de vakleerkracht wiskunde op basis van de niet-behaalde leerplandoelen onjuist zou zijn. Evenmin wordt aangetoond dat de motivering van de beroepscommissie op dit punt niet draagkrachtig of niet deugdelijk zou zijn. In zijn tweede punt haalt verzoekende partij aan dat zogenaamd maar 4 niet-behaalde leerplandoelen rechtstreeks te koppelen zijn aan belangrijk geachte leerplandoelen van het volgend leerjaar in een doorstroomrichting. Dit zou zogenaamd wringen met de conclusie die hieraan gekoppeld wordt. Deze kritiek getuigt evenwel van een onvolledige lezing van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde en van de bestreden beslissing. De vakleerkracht wiskunde licht immers ook nog bijkomend toe welke onderdelen niet behandeld worden in de dubbele finaliteit en zij licht ook nog toe hoe de huidige tekortkomingen van verzoekende partij in de basisdoelen van het leerplan in de eerste graad directe gevolgen hebben voor zijn kansen in de doorstroomfinaliteit. Ook in de bestreden beslissing wordt er nog bijkomend op gewezen dat de niet behaalde leerplandoelen zich situeren in alle rubrieken van het Leerplan Wiskunde voor de 1ste graad A-stroom. Ook het derde punt van kritiek getuigt opnieuw van een onvolledige lezing van deze verklaring. De vakleerkracht komt uiteindelijk immers tot de eindbeoordeling dat verzoekende partij niet zal slagen voor wiskunde voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit. In diens vierde punt van kritiek geeft verzoekende partij aan dat op te algemene wijze zou worden gesteld dat verzoekende partij onvoldoende abstractievermogen heeft, maar ook dit is niet correct. De vakleerkracht wiskunde legt heel nauwkeurig uit waar de tekortkomingen van verzoekende partij zich juist situeren en licht duidelijk toe dat er geen slaagkansen voor wiskunde zijn voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit. IX-10.568-29/64 Als vijfde punt van kritiek geeft verzoekende partij aan dat de analyse van de vakleerkracht wiskunde tendentieus en ongeloofwaardig zou zijn, omdat zij nog bezorgdheid uit over de slaagkansen van verzoekende partij binnen de dubbele finaliteit. Nochtans toont verzoekende partij op geen enkele manier de ongeloofwaardigheid van de stellingen van de vakleerkracht wiskunde aan, noch toont verzoekende partij aan dat er onterecht bezorgdheid geuit wordt. Tot slot trekt verzoekende partij de geloofwaardigheid van de vakleerkracht wiskunde ook nog in twijfel, omdat zij nadere toelichting geeft bij haar vakcommentaar op het jaarrapport. Er is evenwel geen enkele reden om aan de waarachtigheid van de verklaring van de vakleerkracht wiskunde of haar deskundigheid terzake te twijfelen. Het gegeven dat de vakleerkracht wiskunde verzoekende partij niet volledig heeft willen afbreken in haar vakcommentaar op het jaarrapport hoewel er een waslijst van werkpunten gegeven werd, getuigt enkel en alleen van de coachende houding die een vakleerkracht aanneemt. De schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde maakt evenwel voor eens en voor altijd duidelijk dat deze vakleerkracht, die geacht wordt kennis van zaken te hebben en die geacht wordt deskundig te zijn, van oordeel is dat verzoekende partij voor wiskunde geen slaagkansen heeft binnen de doorstroomfinaliteit. Het blijkt duidelijk dat verzoekende partij de bekwaamheid, deskundigheid en geloofwaardigheid van de vakleerkracht wiskunde in twijfel trekt, zonder hier enige reden toe te hebben. Daarnaast blijkt uit de voorgaande overwegingen dat verzoekende partij de schriftelijk verklaring van de vakleerkracht wiskunde onvolledig en onjuist gelezen heeft, waardoor geen van de aangevoerde kritieken pertinent is. 22. Vervolgens gaat verzoekende partij in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans (stuk 1.b): Hierover stelt verzoekende partij in eerste instantie louter dat er sprake was van een jaarslaagcijfer, waardoor de beroepscommissie op zeer overtuigende wijze zou moeten aantonen aan de hand van concrete en objectieve elementen uit het dossier waarom verzoekende partij toch de kans moet worden ontzegd om over te gaan naar een volgend schooljaar binnen de doorstroomfinaliteit. De beroepscommissie heeft dit echter uitvoerig gedaan, waardoor dit niet nader onderbouwde punt meteen van de hand gewezen kan worden. Verder haalt verzoekende partij louter aan dat de behaalde leerplandoelen niet besproken werden door de vakleerkracht Frans, maar hij licht niet toe waarom dit een probleem zou zijn of waarom dit zou leiden tot de onwettigheid van de tweede deelbeslissing van de bestreden beslissing. De vakleerkracht Frans heeft voor haar analyse trouwens gebruik gemaakt van de eindtermen, de niet-behaalde eindtermen vermeld en toegelicht en tevens een overzicht van alle eindtermen bij haar schriftelijke verklaring gevoegd. Het is derhalve evenzeer duidelijk welke eindtermen wel behaald werden. In het derde en laatste punt van kritiek op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans geeft verzoekende partij aan dat de IX-10.568-30/64 vakleerkracht Frans louter spreekt van sterk verkleinde slaagkansen voor Frans. Om deze reden spreekt ook de beroepscommissie in haar bestreden beslissing evenwel ook van het feit dat verzoekende partij geen redelijke slaagkansen voor Frans heeft. Het is niet duidelijk welke tegenstrijdigheid verzoekende partij de vakleerkracht Frans of de beroepscommissie aldus verwijt. De vakleerkracht Frans heeft in haar verklaring evenmin gesteld dat de leerstof niet zou worden herhaald in de 2de graad. Zij heeft louter gesteld dat binnen de doorstroomfinaliteit minder aandacht wordt besteed aan herhaling. Verder geeft de vakleerkracht Frans in haar schriftelijke verklaring ook duidelijk te kennen dat haar analyse betrekking heeft op alle leerplannen van de tweede graad voor Frans binnen de doorstroomfinaliteit. Al de kritieken van verzoekende partij in dit punt getuigen aldus opnieuw van een onvolledige lezing van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans en van een onvolledige lezing van de bestreden beslissing. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat verzoekende partij ook de schriftelijk[e] verklaring van de vakleerkracht Frans onvolledig en onjuist gelezen heeft, waardoor geen van de aangevoerde kritieken pertinent is. 23. Verzoekende partij gaat ook nog in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands (stuk 1.c): In diens eerste punt wordt vooreerst geen kritiek geuit. Het is dus niet duidelijk wat verzoekende partij hiermee bedoelt. In het tweede punt van kritiek stelt verzoekende partij dat er sprake is van onduidelijkheid in de verklaring van de vakleerkracht Nederlands, maar dit komt louter door de onvolledige lezing die verzoekende partij aan elke schriftelijke verklaring geeft. Daarnaast waagt verzoekende partij zich aan opportuniteitsoordelen die opnieuw geen rekening houden met de volledige draagwijdte van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands. De vakleerkracht Nederlands licht nochtans duidelijk toe waarom de slaagkansen van verzoekende partij binnen de doorstroomfinaliteit onvoldoende gegarandeerd kunnen worden. In het derde punt van kritiek wordt de leerkracht Nederlands verweten dat het verband niet zou worden gelegd met evaluatiestukken. Nochtans volstaat het dat de vakleerkracht een analyse maakt op basis van de leerplandoelen. De vakleerkracht Nederlands deed overigens meer dan dat en verwees ook naar de drie indicatoren volgens het Katholiek Onderwijs Vlaanderen die te maken hebben met abstractie, autonomie en complexiteit en die kunnen helpen bij de oriëntering van de leerling. Er kan de vakleerkracht Nederlands bijgevolg geenszins verweten worden dat diens analyse onvolledig of onvoldoende onderbouwd zou zijn. Het gaat te ver om van de leerkrachten te eisen dat elk evaluatiestuk van het afgelopen schooljaar afzonderlijk besproken wordt. In het vierde punt van kritiek stelt verzoekende partij tot slot nog dat de vakleerkracht Nederlands in eerste instantie een verband legde tussen de zwakke cijfers en het gebrek aan inzet en niet aan een gebrek aan abstractievermogen. Dit is evenwel niet correct. De vakleerkracht IX-10.568-31/64 Nederlands heeft ook op het individueel syntheseblad van de delibererende klassenraad duidelijk aangegeven waar de pijnpunten bij verzoekende partij juist zitten, net zoals uitgebreider het geval is in de schriftelijke verklaring. (stuk 6) 24. Tot slot gaat verzoekende partij ook nog in op de aanvullende stukken van de leerlingenbegeleider en de klassenleraar van het eerste leerjaar (stuk 23 en 24): Verzoekende partij stelt dat het psychosociaal functioneren ter sprake gebracht wordt en dat de school op dit vlak zo goed als niets ondernomen heeft. Het is evenwel geheel niet duidelijk wat verzoekende partij de leerlingenbegeleider of verwerende partij in dit verband concreet verwijt. Waar gaat dit punt van kritiek juist over? De leerlingenbegeleider bespreekt de zaken die hij en de vakleerkrachten bij verzoekende partij hebben opgemerkt en welke verdere begeleiding geboden werd aan verzoekende partij. Ook stelt verzoekende partij dat de link die gelegd wordt met het cognitief functioneren ongefundeerd is bij gebrek aan enig valabel onderzoeksresultaat. Verzoekende partij spreekt in raadselen en licht geenszins concreet toe wat hij bedoelt, waardoor niet duidelijk is wat verwerende partij juist verweten wordt. In zijn tweede punt van kritiek haalt verzoekende partij aan dat op zoek gegaan werd naar ondersteuning en dat verzoekende partij de beroepscommissie andere bevindingen van zijn externe experten had kunnen voorleggen wat de verklaringen van de vakleerkrachten zou weerspreken. Verzoekende partij laat evenwel na verder toe te lichten wat hij concreet bedoelt of om naar bevindingen van externe experten te verwijzen, waardoor verwerende partij opnieuw in het duister tast en dus niet weet wat verzoekende partij de beroepscommissie juist verwijt. Tot slot wordt in het laatste punt van kritiek aangehaald dat verzoekende partij op de wachtlijst staat voor diagnostisch onderzoek naar mogelijke leer- of aandachtstoornissen. Er wordt benadrukt dat de geraadpleegde externen allen expert zijn in hun vakgebied. Opnieuw is evenwel niet duidelijk wat verzoekende partij de beroepscommissie, de leerkrachten of de leerlingenbegeleider juist verwijt. Er wordt in dit punt niet op de minste wijze aannemelijk gemaakt dat er niet correct gehandeld zou zijn door de verschillende organen van verwerende partij, laat staan dat de zogenaamde onwettigheid van de bestreden beslissing op dit vlak op enige wijze wordt onderbouwd.” Beoordeling 9.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet op het eerste gezicht het volgende worden vastgesteld. 9.2. De leerling oefent het recht om zijn standpunt nuttig naar voren IX-10.568-32/64 te brengen uit volgens de regels van de Codex Secundair Onderwijs, namelijk bij het overleg, vervolgens door middel van het geschreven en gemotiveerde bezwaarschrift bij het schoolbestuur en ten slotte door het horen in persoon door de beroepscommissie. 9.3. Artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, van de vóórmelde Codex luidt: “[…] 3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie; 4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder ‘stappen’ kan onder meer worden verstaan:
- a)het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
- b)het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
- c)het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling […].” 9.4. Niet wordt betwist dat verzoeker is gehoord. Dat gebeurde zelfs tweemaal: vóór het nemen van de initiële beslissing van de beroepscommissie op 21 augustus 2024 en vervolgens op 3 oktober 2024, voorafgaand aan de thans bestreden beslissing. 9.5.1. Prima facie lijkt, wat de draagwijdte van de hiervóór aangehaalde bepaling betreft, te gelden wat de Raad van State eerder reeds heeft overwogen in de arresten ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.350 en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518. Noch in artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs, noch in een andere codexbepaling is, zo lijkt, te lezen dat de “stappen” die de beroepscommissie vermag te zetten, onderworpen zijn aan tegenspraak. De beroepscommissie beschikt over eigen onderzoeksbevoegdheden en de stukken die zij toevoegt aan het dossier – stukken die zij heeft opgevraagd bij de leden van de IX-10.568-33/64 klassenraad of die zij zelf heeft uitgewerkt – zijn bijgevolg op het eerste gezicht geen stukken die vanuit het oogpunt van haar beslissing post factum zijn opgesteld. De door de beroepscommissie op grond van artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs na te leven hoorplicht houdt prima facie niet in dat die stukken aan de leerling ter kennis moeten worden gebracht of dat de leerling daarover standpunt moet kunnen innemen, alvorens de beroepscommissie tot haar beslissing komt. Met het nemen van een beslissing die mede steunt op aanvullende informatie die zij zelf heeft verzameld, schept de beroepscommissie mogelijk enkel voor zichzelf het risico dat de leerling zich in het kader van het schorsingsverzoek tegen de evaluatiebeslissing kan beroepen op de onjuistheid van die informatie waarop de beroepscommissie steunt – dat vormt te dezen ook het voorwerp van het tweede middelonderdeel – maar dit kan prima facie op zich de evaluatiebeslissing niet vitiëren op grond van de hoorplicht. Voor zover verzoeker artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs – op zich of in samenhang met de ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur – anders leest, overtuigt het eerste middelonderdeel vooralsnog niet. 9.5.2. De conclusie kan, wat de hoorplicht betreft, anders luiden wanneer het gaat om stukken die niet door de beroepscommissie worden toegevoegd, maar die ab initio van het leerlingendossier deel moeten uitmaken en waarvan de leerling desgevraagd inzage en kopie moet krijgen, zoals bijvoorbeeld de verbeterde examenkopijen. Het zijn in casu evenwel niet dergelijke stukken die het voorwerp van verzoekers grief uitmaken. Bovendien en louter ten overvloede kan op het eerste gezicht noch uit de nota die verzoeker op de hoorzitting van 3 oktober 2024 heeft neergelegd, noch uit het verslag van die hoorzitting worden opgemaakt dat verzoeker om het opstellen en toevoegen van de verklaringen van de leerkrachten heeft gevraagd, laat staan dat voor een repliek daarop enig voorbehoud is geformuleerd. IX-10.568-34/64 9.5.3. In dat opzicht overtuigt het eerste middelonderdeel in de huidige stand van het geding niet. 9.6.1. Waar verzoeker doet gelden dat er een gevaar van vooringenomenheid bestaat doordat hij de verklaringen van de leerkrachten niet door externe deskundigen heeft kunnen laten beoordelen om daaromtrent ten overstaan van de beroepscommissie standpunt in te nemen, lijkt aan verzoeker te moeten worden tegengeworpen dat deze “vooringenomenheid” niet nader wordt uitgewerkt en dat subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die aannemelijk maken dat het bestuur niet onpartijdig heeft gehandeld. Dergelijke overtuigende bewijzen liggen niet voor. Evenmin wordt in de huidige stand van de procedure aangenomen dat de beroepscommissie door haar handelwijze een tendentieuze doelstelling zou hebben nagestreefd. 9.6.2. Ook in dat opzicht is het middelonderdeel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 9.7.1. De “post factum toegevoegde analyses en zienswijzen van enkele leerkrachten” maken volgens verzoeker geen deel uit van het leerlingendossier. Dat dossier immers, zo stelt verzoeker, is het dossier dat in eerste instantie werd beoordeeld door de klassenraad. Voor zover verzoeker hiermee betoogt dat het dossier dat aan een deliberatiebeslissing van de klassenraad ten grondslag ligt een statisch gegeven is waarvan de inhoud na de beraadslaging door die klassenraad niet meer kan wijzigen, lijkt verzoeker zich te vergissen. Aangezien de beroepscommissie als orgaan van actief bestuur verplicht is om haar oordeel te steunen op alle haar bekende feitelijke gegevens, valt niet uit te sluiten dat zij daarbij nieuwe gegevens moet betrekken die aan de klassenraad nog niet bekend waren en in voorkomend geval moet uitleggen waarom die nieuwe gegevens niet relevant zouden zijn. Die IX-10.568-35/64 nieuwe gegevens kunnen, zoals sub 9.5.1 reeds is overwogen, in toepassing van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, van de Codex Secundair Onderwijs voortkomen uit de autonome onderzoeksbevoegdheid van de beroepscommissie, maar kunnen ook door de leerling worden aangevoerd. 9.7.2. In die zin is het eerste middelonderdeel evenmin ernstig. 9.8. Het eerste middelonderdeel is, voor zover prima facie ontvankelijk, niet ernstig. 10. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel overweegt de Raad van State wat volgt. 11.1. Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. 11.2. Naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (‘het organisatiebesluit’) betekent een B-attest dat – onder meer – de leerling het tweede leerjaar van de eerste graad “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”. Een clausulering betekent dan weer dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd” (artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit). De vaststelling dat een leerling het leerjaar “met vrucht” heeft beëindigd, doet vooralsnog aannemen dat de tekorten die hij heeft behaald géén reden waren om hem te beschouwen als niet-geslaagd voor het desbetreffende jaar. In dat geval zou hij immers een C-attest hebben gekregen. Het lijkt eveneens te doen aannemen dat de motivering van een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot een welbepaalde onderwijsvorm of finaliteit moet worden ontzegd. Het aanvechten van een B-attest binnen het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere IX-10.568-36/64 woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden. 11.3. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit), en wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen of zelfs een gehele onderwijsvorm of finaliteit niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dát schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling – of van zijn ouders. Een klassenraad of een beroepscommissie kan op basis van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent, verkiest echter in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroeps-commissie bij het uitreiken van een B-attest tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is immers geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. De vooruitblik van de beroepscommissie is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet zij deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke IX-10.568-37/64 slaagkansen van een leerling in een volgend jaar relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. Artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit bepaalt nog dat de clausulering “studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk [mag] verengen”. 11.4. Uit wat voorafgaat volgt, samengevat, dat van een beroeps-commissie die beslist een clausulering op te leggen, een sterk doorgedreven motivering mag worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt – de uitdrukkelijke en afdoende vermelding van de motieven in de beslissing – als vanuit materieel oogpunt – de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag van die beslissing in het dossier. De beroepscommissie zal met overtuigende motieven moeten aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting of een studierichting binnen een bepaalde finaliteit zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting of in een andere studierichting binnen die finaliteit aan te vatten. 12. Toegepast op de voorliggende zaak, moet in de huidige stand van de procedure worden vastgesteld wat volgt. 13. Voor zover verzoeker opnieuw doet gelden dat de verklaringen van de leerkrachten aanleiding hadden moeten geven tot een nieuwe hoorzitting, zonder dewelke de motivering van de bestreden beslissing “gebrekkig en niet afdoende” is, kan worden verwezen naar wat hiervóór sub 9.5.1 bij de bespreking van het eerste middelonderdeel voorlopig is geoordeeld. De werkwijze van de beroepscommissie an sich lijkt dan ook geen schending van het zorgvuldigheids-beginsel of de materiëlemotiveringsplicht te kunnen worden verweten. IX-10.568-38/64 14. Verzoeker bekritiseert de clausulering van alle studierichtingen in de doorstroomfinaliteit aan de hand van de sub 8.3.1 aangehaalde kritiek op de bijkomende verklaringen van de vakleerkrachten wiskunde, Frans en Nederlands en de leerlingbegeleider. Anders dan de verwerende partij betoogt, kunnen deze grieven van verzoeker prima facie niet enkel op de hoorplicht, maar ook op de door verzoeker aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht worden betrokken. De verwerende partij kan op het eerste gezicht evenmin worden bijgevallen in haar stelling dat verzoeker met betrekking tot zijn kritiek in het geheel geen beoordeling van de Raad van State verwacht. Verzoeker erkent terecht, zo lijkt, dat het niet aan de Raad toevalt om zich in de plaats van de beroepscommissie te stellen en zich inhoudelijk over de kritiek uit te spreken, maar dit verhindert op het eerste gezicht niet dat de Raad, zoals verzoeker vraagt, een gebrek in de motivering mag onderzoeken. Verzoekers kritiek lijkt ook voldoende duidelijk en concreet om te kunnen worden begrepen – ook door de verwerende partij overigens, die er concreet op ingaat – zodat de exceptie obscuri libelli vooralsnog wordt verworpen. 15. De vakleerkracht wiskunde, daarin bijgevallen door de beroepscommissie, steunt haar inschatting dat verzoeker voor dat vak niet zal slagen binnen de doorstroomfinaliteit – samengevat – op een gebrek aan de vereiste abstractie en complexiteit, wat dan weer berust op de vaststelling dat verzoeker voor 14 van de 41 basisleerplandoelen niet is geslaagd en dat die zich binnen alle onderdelen of rubrieken van het leerplan bevinden. Met een jaarcijfer van 44% mag in beginsel worden aangenomen dat verzoeker de leerplandoelen van het vak wiskunde in het tweede jaar van de eerste graad niet in voldoende mate heeft behaald. De beroepscommissie lijkt de feitelijke gegevens in het leerlingendossier van verzoeker niet te miskennen wanneer zij, mogelijk streng maar daarom niet onwettig, oordeelt dat dit resultaat verantwoordt dat bepaalde studierichtingen in het eerste jaar van de tweede graad van verzoekers principiële keuze moeten worden uitgesloten. IX-10.568-39/64 Waar verzoeker de beroepscommissie verwijt dat de analyse van de vakleerkracht voorbijgaat aan het feit dat hij behaalde leerplandoelstellingen heeft afgezet tegen de niet-behaalde en bepaalde overlappingen heeft aangeduid, moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat een dergelijk betoog niet in het bezwaar of het verzoekschrift is uiteengezet. In dat opzicht lijkt het middel feitelijke grondslag te missen. Waar verzoeker stelt dat de vakleerkracht geen onderscheid maakt tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit – namelijk domeinoverschrijdende dan wel domeingebonden richtingen – lijkt verzoeker voorbij te gaan aan het gegeven dat in de verklaring van de vakleerkracht uitdrukkelijk is aangegeven dat op bepaalde niet-behaalde leerplandoelen wordt voortgebouwd in het leerplan van de doorstroomfinaliteit, met uitdrukkelijke vermelding (leerplandoelen 9, 17 en 24) van de door verzoeker beoogde studierichting ‘bedrijfswetenschappen’. Ook in dat opzicht mist het middel prima facie feitelijke grondslag. Vooralsnog wordt aangenomen dat de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht niet miskent wanneer zij in het vak wiskunde een aanleiding ziet om een clausulering te overwegen. 16.1. Voor Frans (53%), Nederlands (57%) en geschiedenis (58%) behaalde verzoeker een slaagcijfer. Die punten moeten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Aangenomen moet worden dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer, ook wanneer de klassenraad of de beroepscommissie IX-10.568-40/64 dat cijfer ‘zwak’ of ‘nipt’ noemt. Daaruit volgt, in beginsel, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt hij ook geslaagd verklaard. Wil een klassenraad of een beroepscommissie aan een leerling een oriënteringsattest B toekennen en dus de studiekeuze van die leerling beperken op grond van bepaalde deeltekorten binnen één of meer vakken waarvoor de leerling in globo wel een slaagcijfer liet optekenen, dan dient die beslissing, zoals sub 11.4 reeds aangegeven, met de grootste zorgvuldigheid te worden onderbouwd en gemotiveerd. 16.2. Voor Frans heeft verzoeker, volgens de verklaring van de vakleerkracht, vijf ‘eindtermen’ niet behaald. Welke eindtermen verzoeker wél heeft behaald en hoe die zich tot de niet-behaalde eindtermen verhouden, valt uit die verklaring niet te vernemen. Aldus blijkt op het eerste gezicht niet dat in het eerste jaar van de tweede graad in de doorstroomfinaliteit op de wél behaalde eindtermen net minder zou worden voortgebouwd. De door de beroepscommissie bijgevallen conclusie dat verzoeker – die op grond van vijf van de tien behaalde eindtermen het voorbije schooljaar een slaagcijfer behaalde – tegen “zeer sterk verkleind[e]” slaagkansen zou aankijken – of, in de woorden van de beroepscommissie zelfs “geen redelijke slaagkansen” heeft – lijkt vooralsnog niet op afdoende concrete elementen in het dossier te berusten. In het bijzonder laat de verklaring van de vakleerkracht Frans prima facie niet toe te besluiten dat verzoekers slaagkansen voor dit vak in álle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit op dezelfde wijze kunnen worden benaderd, zodat vooralsnog met verzoeker wordt meegegaan in zijn betoog dat, voor zover het vak Frans daartoe wordt aangehaald, de omvang van de clausulering niet op deugdelijke motieven lijkt te berusten. 16.3. Voor Nederlands behaalde verzoeker, zoals gezien, een jaarcijfer van 57%. Uit de verklaring van de vakleerkracht kan op het eerste gezicht IX-10.568-41/64 niet met zekerheid worden afgeleid of verzoeker één of meer leerplandoelen niet heeft behaald. Zelfs indien moet worden aangenomen dat de zin “[d]aarnaast zijn er enkele leerplandoelen die bereikt zijn” wordt voorafgegaan door de niet bereikte leerplandoelen, dan moet worden vastgesteld, zo lijkt, dat dit er slechts drie van de achttien zijn. Alvast bij het eerste daarvan – leerplandoel ‘I-NEDa 4 (uitbreidingsdoel 02.02)’ – lijkt niets te zijn vermeld dat zelfs maar impliciet doet aannemen dat verzoeker die doelstelling niet heeft bereikt, laat staan waarom. Ook wat dit vak betreft wordt verzoeker voorlopig bijgevallen in zijn kritiek dat de bestreden beslissing de omvang van de clausulering niet deugdelijk onderbouwt. 17. Het tweede onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. 18. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, behoort het tot de bevoegdheid en de opdracht van de beroepscommissie om na heroverweging een nieuwe beslissing te nemen. Het staat niet aan de Raad van State om daarop vooruit te lopen. Slechts in algemene zin derhalve, en aansluitend op wat sub 16.1 reeds in herinnering is gebracht, overweegt de Raad wat volgt. De Raad van State gaat uit van het vermoeden van deskundigheid dat, tot weerlegging ervan, kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht. Wat de evaluatiebeslissing van de klassenraad betreft, is dat vermoeden thans ook opgenomen in artikel 115/6, § 2, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs. Aangenomen wordt immers dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens of grote toetsen hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben IX-10.568-42/64 verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Met die uitgangspunten lijkt moeilijk verenigbaar, een beslissing die aan een leerling uit het tweede jaar van de eerste graad A-stroom, spijts een slaagcijfer voor alle vakken uitgezonderd één, een dermate ruime clausulering oplegt dat alle opleidingen binnen de doorstroomfinaliteit worden uitgesloten. Het in voldoende mate bereiken van de leerplandoelen voor een vak – en dus het behalen van een slaagcijfer – sluit immers op het eerste gezicht in beginsel ook in dat de leerling wat dat vak betreft, voldoende is voorbereid om een volgend leerjaar aan te vatten. Tot slot stipt de Raad van State nog aan dat artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit het delibererend orgaan erop wijst dat clausulering studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk mag verengen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 19. Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt: IX-10.568-43/64 “26. De beroepscommissie beslist met een zeer uitvoerige formele motivering om het oriënteringsattest B met clausulering voor alle richtingen van de doorstroomfinaliteit te handhaven. Bij lezing van deze motivering komen verzoekers tot de conclusie dat een zorgvuldige beroepscommissie na een dergelijke uiteenzetting van zoveel tekorten en niet-behaalde leerplandoelstellingen tot een C-attest zou besluiten. Alvast zou een C-attest vreemd genoeg de studiekeuzevrijheid in hoofde van verzoekers in mindere mate beperken. 27. Het is dan ook in eerste instantie grievend voor verzoekers dat de beroepscommissie – ook al produceert zij voor de handhaving van het B-attest bladzijden aan motieven – desalniettemin halsstarrig blijft vasthouden aan het negatief advies voor overzitten. Zij is weliswaar ingevolgde art. 82 § 1 van het Organisatiebesluit verplicht om desbetreffende een gunstig of ongunstig advies te geven. Wil zij een dergelijke voor verzoekers zeer beperkende beslissing handhaven, dient zij dit met grootste precisie te motiveren aan de hand van feitelijke elementen uit het dossier. Nattevingerwerk en veronderstellingen zijn niet dienstig. 28. De beroepscommissie verwijst op de eerste plaats naar een ‘analyse van wetenschappelijk onderzoek’ over zittenblijven waaruit volgens haar zou blijken dat zittenblijven geen effectieve maatregel is. Daarom, zo geeft zij aan, dat zij ‘geneigd is om het advies over overzitten ernstig te nemen’ en ‘niet standaard op gunstig te zetten’. (sic) Het valt evenwel niet in te zien hoe een analyse van wetenschappelijk onderzoek als theoretisch gegeven een deugdelijk motief kan zijn voor een deliberatiebeslissing over een leerling die bij uitstek dient rekening te houden met alle gegevens van het concrete dossier zijnde niet enkel de cijfermatige resultaten, maar ook de individuele context van elke leerling afzonderlijk. De beroepscommissie schendt hiermee de individuele rechten van de leerling. De analyse van het wetenschappelijk onderzoek in kwestie stelt bovendien niet dat overzitten in het algemeen een slechte maatregel is. Het besluit is veel genuanceerder, namelijk dat overzitten weliswaar gemiddeld genomen geen effectieve maatregel is, maar niet dat overzitten in geen geval een aangewezen maatregel zou zijn. Het gaat trouwens niet over een aparte studie maar over een optelsom van de resultaten van verschillende studies die op hun beurt een samenvatting zijn van een aantal studies. Telkens wordt benadrukt dat al dan niet overzitten uiteraard individueel moet worden beoordeeld. Men stelt in die studies vast dat er voor bepaalde groepen van leerlingen wel degelijk positieve effecten zijn en dat ook heel wat afhangt van de wijze waarop onderwijs wordt gegeven. De beroepscommissie lijkt dan ook al van in den beginne van de verkeerde aanname uit te gaan dat overzitten geen effectieve maatregel is en dus ook niet voor [verzoeker]. 29. De motivering van de beroepscommissie om het bindend negatief advies voor overzitten te handhaven is in hoofdzaak gesteund op de aanname dat overzitten voor [verzoeker] een aantal negatieve consequenties zal hebben. IX-10.568-44/64 Deze assumpties zijn louter hypothetisch en volstrekt speculatief. Op pagina 20 voorlaatste alinea van het beslissingsstuk bijvoorbeeld slaagt de beroepscommissie erin om in één zin achtereenvolgens drie veronderstellingen te vermelden: ‘zou aldus’ + ‘aanleiding kunnen geven’ + ‘wat kan leiden tot’. Deze aannames vinden bovendien geen objectieve steun in het leerlingendossier, wel integendeel. De motivering van dit onderdeel van de beslissing (bindend negatief advies voor overzitten) valt overigens niet te rijmen met de breedvoerige motivering tot handhaving van het B-attest met clausulering voor alle richtingen van de doorstroomfinaliteit. 30. Zo stelt de beroepscommissie eerstens dat [verzoeker] een ‘gebrek aan uitdaging’ zal hebben wat, volgens de beroepscommissie, kan leiden tot verveling en onderprestatie. Dit argument klinkt vreemd in het licht van het groot aantal werkpunten en tekorten die de beroepscommissie heeft weerhouden, niet alleen voor het vak wiskunde, maar ook voor Frans, Nederlands en geschiedenis. De kans op verveling lijkt dan ook veeleer gering, zo niet uitgesloten omdat in het dossier zeker geen steun te vinden is voor de aanname dat [verzoeker] bij overzitten lange tijd onder zijn niveau zou moeten werken en geen faalervaringen meer zou kunnen ervaren. De vrees voor een ‘gebrek aan motivatie’ is eveneens ongegrond. Een gebrek aan motivatie kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, wat in casu zoals gezegd onwaarschijnlijk is, maar het kan ook aan de leerling zelf of in de thuisomgeving liggen. Welnu uit het dossier blijkt integendeel dat [verzoeker] zelf gemotiveerd is om over te zitten in de studierichting met basisoptie economie en organisatie én dat hij gekozen heeft voor een internaat. (zie ook stuk 20 en 23) Daarbij komt dat een gebrek aan uitdaging, met mogelijk als gevolg verveling en onderprestatie, evengoed kan gelden in de dubbele finaliteit waarin [verzoeker] thans gedwongen werd zich in te schrijven. Verzoekers merken overigens op dat de eerste tekenen zich manifesteren in de huidige studierichting. Het motief dat de basisvorming 27 uur identiek is aan het vorige schooljaar is feitelijk onjuist. Niet alleen zijn er andere leermiddelen en methoden, er is ook de mogelijkheid om te differentiëren als dat in het belang van de leerling is. Dit staat trouwens in de leerplannen ingeschreven. In het specifiek geval van [verzoeker] is dat overigens een aangewezen methodiek om enerzijds in te zetten op het bijwerken van bestaande tekorten en anderzijds in voldoende uitdaging te voorzien voor vakken waarin [verzoeker] geen tekorten heeft. Bovendien zal [verzoeker] nieuwe vakken uit de basisoptie economie en organisatie hebben die 5 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijken. Deze vakken sluiten bovendien meer aan bij zijn interesses wat het risico op verveling beperkt en bijgevolg veeleer gunstige gevolgen zal hebben op het vlak van inzet en motivatie. Het risico op een gebrek aan uitdaging is geen deugdelijk motief. Het vindt geen steun in de gegevens en concrete context van het voorliggend leerlingendossier. IX-10.568-45/64 31. Vervolgens stelt de beroepscommissie dat ‘de herhaling van alle leerstof of nagenoeg alle leerstof’ geenszins efficiënt is voor [verzoeker] omdat hij zal geconfronteerd worden met ‘heel wat leerstof die hij reeds beheerst’. Ook dit motiefonderdeel klinkt vreemd en zelfs ronduit contradictorisch in het licht van de motieven ter ondersteuning van de handhaving van het B-attest. Het motief is pertinent ondeugdelijk om dezelfde redenen als onder nummer 30 vermeld. [Verzoeker] zit bovendien in een andere school met andere lesmethoden waar wel meer ruimte is voor daadwerkelijk differentiërend onderwijs. Verder is geheel niet duidelijk wat de beroepscommissie bedoelt met de ‘unieke leersituatie’ en ‘specifieke leerbehoeften en leerstijl’ van [verzoeker]. Er is blijkens het leerlingendossier weliswaar een problematiek van inzet en motivatie waarop pas werd ingespeeld naar het einde van het derde trimester en die nota bene een voor de hand liggende verklaring biedt voor de ‘zwakke’ slaagresultaten en het jaartekort voor wiskunde. De beroepscommissie verwijst hier voor het eerst bij wijze van stijlformule naar specifieke leerbehoeften en leerstijl terwijl daarvan in het leerlingendossier niets van terug te vinden is. Bovendien ziet de beroepscommissie, zoals hoger reeds aangehaald, heel wat tekorten, zelfs voor de vakken waar slaagcijfers werden behaald. Het valt dan ook niet te begrijpen op welke wijze dit een geldig motief zou kunnen zijn om een negatief bindend advies voor overzitten te onderbouwen. 32. De beroepscommissie valt in herhaling met het motief dat in geval van overzitten de schoolse vooruitgang van [verzoeker] zal belemmerd worden. Dat de beroepscommissie er op dit punt op wijst dat [verzoeker] immers het tweede leerjaar wel met vrucht (en weliswaar met clausulering) heeft beëindigd, is, zo niet cynisch dan toch contradictorisch. Verzoekers merken opnieuw op dat dergelijk hypothetisch motief geen steun vindt in het leerlingendossier en derhalve niet deugdelijk is. Het is in het licht van de opgesomde tekorten (wiskunde en andere algemene vakken) niet ernstig om voor te houden dat het overzitten zal leiden tot ‘een zekere stagnatie van academische en persoonlijke ontwikkelingen’ van [verzoeker]. Nu reeds blijkt proefondervindelijk dat in de dubbele finaliteit sprake is van een zekere stagnatie, terwijl het overzitten integendeel wel de kans biedt om te komen tot een volledige ‘academische ontwikkeling’. 33. De beroepscommissie stelt verder, alweer gebaseerd op een wetenschappelijke theorie (?) dat de negatieve invloed van het overzitten op het zelfvertrouwen ‘niet te onderschatten is’. Zij vergeet evenwel dat [verzoeker] zelf ‘vragende partij’ is om over te zitten in de studierichting die beter aansluit bij zijn interesses dan STEM. De beroepscommissie gaat volledig voorbij aan het feit dat een ‘de facto verplichting’ om een studierichting te volgen waarvoor weinig of geen interesse bestaat bij de leerling pas echt demotiverend werkt. En nogmaals, [verzoeker] is vragende partij en heeft meermaals aangegeven te willen overschakelen naar economie en organisatie met als motivatie om volgend jaar te kunnen overgaan naar bedrijfswetenschappen. Van stigmatiseren is in hoofde van [verzoeker] alleszins geen sprake. De hypothese dat mogelijks andere leerlingen [verzoeker] zullen stigmatiseren IX-10.568-46/64 (lees: pesten) is in grote mate afhankelijk van het schoolbeleid en kan zeker geen argument zijn om een bindend negatief advies voor overzitten op te schragen. De beroepscommissie blijft blind voor de objectieve gegevens van het dossier die aangeven dat het welbevinden, de motivatie en inzet van [verzoeker] het voorbije schooljaar hoofdzakelijk in negatieve zin werden gedetermineerd door een foutieve studiekeuze. Het feit dat in het voorbije schooljaar geheel nieuwe leerstof werd aangeboden kon dit klaarblijkelijk niet verhinderen. 34. De beroepscommissie verwijst naar een verklaring van de klassenbegeleider van [verzoeker] in zijn eerste leerjaar waaruit zou blijken dat hij