← België

Arrest 261297 - Examens (onderwijs) - 06/11/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.297 Rolnummer: A. 243315/IX-10568 Zaak: Arrest 261297 - Examens (onderwijs) - 06/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-13 05:17 Fiche Arrest nr 261.297 van 6 november 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 261.297 van 6 november 2024 in de zaak A. 243.315/IX-10.568 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroedersstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS HALEN – HERK-DE-STAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laura Kempeneers kantoor houdend te 3730 Hoeselt Dorpsstraat 3 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 oktober 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Halen – Herk-de-Stad van 11 oktober 2024 waarbij (

  1. i)de eerdere beslissing van de beroepscommissie van 21 augustus 2024 wordt ingetrokken, (
  2. ii)het aan verzoeker toegekende oriënteringsattest B met clausulering voor de studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit wordt gehandhaafd en (iii) een ongunstig advies voor overzitten wordt gegeven. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.568-1/64 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2024, om 14.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laura Kempeneers en Cindy Helears, lid van de beroeps-commissie, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het tweede leerjaar A van de eerste graad, richting STEM-wetenschappen in de Sint-Martinusscholen te Herk-de-Stad, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker een jaartotaal van 61%, met één jaartekort voor wiskunde (44%). Het jaarrapport toont de volgende resultaten: IX-10.568-2/64 De klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor de studierichtingen in de finaliteit ‘door-stroom’ en met ongunstig advies voor overzitten. De motivering luidt als volgt: “(
  3. a)Resultaat van de stemming (indien stemming): nihil (
  4. b)Globaal resultaat: 61% (
  5. c)Vakken waarvoor onvoldoende of zeer zwak gepresteerd werd: Vak: wiskunde Eindresultaat: 44% Evolutie: variabel (48%-34%-49%) Vak: Frans Eindresultaat: 53% Evolutie: dalend (56%-52%-49%) Vak: Nederlands Eindresultaat: 57% Evolutie: dalend (64%-59%-47%) Vak: geschiedenis Eindresultaat: 58% Evolutie: dalend (64%-60%-48%) Oorzaken/opmerkingen: Wiskunde: Je behaalde dit schooljaar zwakke resultaten voor wiskunde. In het 1ste trimester behaalde je een onvoldoende op bewerkingen met rationale getallen (LPD12), haakjes wegwerken (haakjesregel en distributieve eigenschap (LPD13), vraagstukken met vergelijkingen oplossen (LPD 34, LPD 1), informatie uit grafieken halen (LPD 37), ruimtemeetkunde (LPD 8, LPD 26), transformaties (LPD 22), symmetrie (LPD 26). In het 2de trimester behaalde je een onvoldoende op evenredigheden (noteren en oplossen, LPD 36), vraagstukken oplossen aan de hand van recht en omgekeerd evenredig grootheden (LPD 30, LPD 8, LPD1), de theorie over hoofdeigenschap van evenredigheden (LPD 6), bewijs van de som van de hoeken in een driehoek (LPD 6), rekenregels van machten in woorden en IX-10.568-3/64 symbolen LPD 30), hoeken berekenen en verklaren (LPD 6, LPD 8), heuristieken (ga alle mogelijkheden na, LPD 1). In het 3de trimester behaalde je een onvoldoende op merkwaardige producten (LPD 33), zelf een bewijs opstellen met congruentie (LPD 24), de constructie van vierhoeken (LPD 20) en hoeken berekenen (LPD 6). Ondanks het aangeboden remediëringstraject en extra individuele begeleiding, kwam er te weinig ernstige inzet van [verzoeker] zelf. Regelmatig werd vastgesteld dat oefeningen niet verbeterd werden of dat oefeningen foutief van het bord werden overgeschreven. De verdere zelfstandige verwerking en inoefening van de leerstof die thuis moest gebeuren bleef achterwege of gebeurde niet grondig genoeg. Frans: [Verzoeker] heeft onvoldoende basiskennis van de woordenschat en grammatica. Hij beheerst de basisgrammatica niet. De vervoeging van zowel regelmatige als onregelmatige werkwoorden zijn voor [verzoeker] een groot probleem. De verschillende tijden van het werkwoord heeft [verzoeker] onvoldoende onder de knie. Ook de basisvocabulaire beheerst hij niet volledig. Daardoor bereikt [verzoeker] een heel aantal leerplandoelen niet. Er werd niet altijd schriftelijk gestudeerd. [Verzoeker] is pas ingegaan op aangeboden remediëringen in het laatste trimester. Nederlands: [Verzoeker] heeft nog moeite met de kennis van en inzicht in het taalsysteem en in strategieën in te zetten in het taalgebruik. Binnen het morfologische domein zijn de woordsoorten onvoldoende gekend. Binnen het syntactisch domein is de kennis van enkelvoudige en samengestelde zinnen onvoldoende. Ook herkennen van zinsdelen verloopt moeizaam. Binnen het orthografisch domein heeft [verzoeker] moeite met het toepassen van de regels en strategieën van spelling. De spelling van de werkwoorden blijft een moeilijke. Daarnaast heeft [verzoeker] bij de receptieve vaardigheden moeilijkheden met het inzetten van de strategieën. Structuuraanduiders en verbanden in een tekst kan hij moeilijk terugvinden. Ook heeft hij moeite met het vinden van betekenisrelaties van woorden in een tekst. Synoniemen kan hij onvoldoende terugvinden in een tekst. Bij de productieve vaardigheden blijkt opnieuw dat [verzoeker] moeite heeft met het correct inzetten van spelling en zinsbouw. [Verzoeker] vertoont weinig inzet in de les. Hij neemt weinig initiatief om actief mee te werken in de les. Geschiedenis: Niet bereikte leerdoelen:  het kritisch redeneren met en over historische bronnen  beargumenteren van historische beeldvorming  reflecteren over de relatie heden-verleden  gebruik van de dimensies van het historisch referentiekader.” Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. IX-10.568-4/64 3.3. Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. Dat bezwaar leidt tot een beslissing van 21 augustus 2024 waarbij de beroepscommissie het oriënteringsattest B met clausulering voor de studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit handhaaft, evenals het ongunstig advies voor overzitten. Bij arrest nr. 260.624 van 13 september 2024 beveelt de Raad van State de schorsing, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. 3.4. Op 11 oktober 2024 beslist de beroepscommissie om eensdeels haar beslissing van 21 augustus 2024 in te trekken en anderdeels opnieuw aan verzoeker een oriënteringsattest B met clausulering voor de studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit toe te kennen, met handhaving van het ongunstig advies voor overzitten. De beroepscommissie overweegt daarbij wat volgt: “[…]  Er wordt vooraf door de beroepscommissie opgemerkt dat zowel leerplandoelen als eindtermen valabele referentiepunten zijn om een inschatting van de slaagkansen van [verzoeker] te maken. De eindtermen worden via de leerplandoelen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen gerealiseerd.  [Verzoeker] behaalde een jaartekort op het hoofd- en richtingsvak wiskunde, wat maar liefst 4 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijkt. Meer bepaald haalde [verzoeker] slechts een jaartotaal van 44% op wiskunde. Dit cijfer vormt een representatief beeld van de kennis en de vaardigheden van [verzoeker] op het gebied van wiskunde. Het gegeven dat er sprake is van een jaartekort voor wiskunde impliceert dat [verzoeker] de leerplandoelen voor wiskunde op onvoldoende wijze bereikt heeft. Als gekeken wordt naar de verschillende periodes binnen het schooljaar, dan wordt vastgesteld dat de tekorten voor wiskunde zowel te situeren zijn binnen het dagelijks werk als binnen enkele grote toetsen. Uit de aangeleverde schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde (bijlage 1), dewelke deel uitmaakt van de motivering voor onderhavige beslissing, blijkt na nader onderzoek door de betrokken vakleerkracht dat [verzoeker] 14 van de 41 basisleerplandoelen niet bereikt heeft. Voor het overzicht van de niet-behaalde basisleerplandoelen wordt verwezen naar de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde, die als bijlage 1 bij onderhavige beslissing gevoegd wordt. Het valt de beroepscommissie hierbij op dat IX-10.568-5/64 de niet-behaalde basisleerplandoelen zich situeren in alle rubrieken (4.1 Problemen oplossen; 4.2 Wiskundig redeneren, argumenteren en communiceren; 4.3: Getallenleer; 4.4: Meetkunde & metend rekenen; 4.5: Algebra; 4.6: Data & onzekerheid) van het Leerplan Wiskunde 1ste graad A-stroom van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. De achterstand van [verzoeker], ingevolge de niet-behaalde basisleerplandoelen, situeert zich derhalve binnen alle onderdelen of rubrieken van het leerplan wiskunde. De beroepscommissie leidt hier uit af dat de basis van [verzoeker] in het algemeen niet goed zit, wat het vak wiskunde betreft. De vakleerkracht wiskunde werd door de beroepscommissie tevens gevraagd om in haar schriftelijke verklaring aan te geven wat de behaalde en de niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak wiskunde in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. De vakleerkracht wiskunde heeft hieraan gevolg gegeven door: o een analyse te maken aan de hand van leerplandoelen voor wiskunde in de tweede graad binnen de doorstroomfinaliteit; o een analyse te maken van de onderdelen die niet worden behandeld in de dubbele finaliteit en dus wel in de doorstroomfinaliteit; o een algemene analyse voor haar vak te maken aan de hand van de door Katholiek Onderwijs Vlaanderen aangereikte handvaten voor wiskunde voor een oriëntering naar de doorstroom- of dubbele finaliteit (…). Voor de weerslag van deze analyses wordt verwezen naar bijlage 1 bij onderhavige beslissing. Hierbij komt de vakleerkracht wiskunde tot de volgende conclusie in haar schriftelijke verklaring: ‘Omwille van [verzoekers] tekortkomingen in de basisleerplandoelen in de eerste graad en het gebrek aan de vereiste abstractie en complexiteit, zal [verzoeker] niet slagen in alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit. De combinatie van zijn gebrek aan fundamentele vaardigheden, logica en het vermogen om abstracte concepten toe te passen wijst erop dat [verzoeker] beter zijn schoolloopbaan voortzet binnen een richting van de dubbele finaliteit.’ De beroepscommissie merkt aldus op dat de vakleerkracht wiskunde, voor wat haar eigen vak betreft, tot de onderbouwde conclusie komt dat [verzoeker] niet zal slagen binnen de doorstroomfinaliteit. De beroepscommissie sluit zich aan bij de analyse en de onderbouwde conclusie van de vakleerkracht wiskunde en komt op basis van deze analyse tot het oordeel dat de bagage van [verzoeker] voor wiskunde te beperkt is om enige slaagkansen te hebben voor wiskunde in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit, gelet op de niet-behaalde basisleerplandoelen in het tweede leerjaar van de eerste graad die zich situeren in alle rubrieken van het Leerplan Wiskunde voor de 1ste graad A-stroom. In volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit wordt er overigens van uit gegaan dat de leerlingen de basisleerplandoelen onder de knie hebben en wordt hier op verder gebouwd aan een tempo en een niveau dat voor [verzoeker] IX-10.568-6/64 niet haalbaar is. De vakleerkracht wiskunde heeft in haar schriftelijke verklaring duidelijk gewezen op het feit dat de tekortkomingen van [verzoeker] in de basisleerplandoelen duiden op een gebrek aan de nodige vaardigheden om de complexiteit van de wiskunde in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit aan te kunnen. Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde blijkt wel dat zij van oordeel is dat [verzoeker] slaagkansen heeft binnen de dubbele finaliteit (zie bijlage 1 bij onderhavige beslissing). De vakleerkracht wiskunde komt na een uitvoerige toelichting omtrent de slaagkansen van [verzoeker] voor wiskunde binnen de dubbele finaliteit tot de volgende conclusie in haar schriftelijke verklaring: ‘De kenmerken van de dubbele finaliteit bieden [verzoeker] een omgeving waarin hij kan groeien en zijn wiskundige vaardigheden kan ontwikkelen, wat zijn kansen op succes in het vak aanzienlijk vergroot. Dit kan hem helpen om uiteindelijk zijn doelen te bereiken en zelfverzekerder te worden in zijn wiskundige capaciteiten.’ Wel licht de vakleerkracht verderop in haar schriftelijke verklaring nog toe dat [verzoeker] zijn slaagkansen binnen de dubbele finaliteit sterk afhangen van zijn bereidheid om zijn tekortkomingen aan te pakken en zich actief in te zetten en ook hier sluit de beroepscommissie zich bij aan. De beroepscommissie sluit zich volledig aan bij het onderbouwd oordeel van de vakleerkracht wiskunde, zoals weergegeven in haar schriftelijke verklaring in bijlage 1 bij onderhavige beslissing.  [Verzoeker] behaalde een jaartotaal van slechts 53% op Frans, wat eveneens een hoofdvak is dat maar liefst 3 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijkt. Er sprake van een slaagcijfer, hetgeen impliceert dat [verzoeker] de leerplandoelen voor Frans zeer nipt op voldoende wijze bereikt heeft. Als gekeken wordt naar de verschillende periodes binnen het schooljaar, dan wordt vastgesteld dat er sprake is van tekorten voor Frans in het dagelijks werk en dat [verzoeker] niet geslaagd was op zijn grote toets Frans in juni. De beroepscommissie dient vast te stellen dat een jaartotaal van 53% een zwak cijfer is. Bijgevolg heeft de beroepscommissie nadere vragen gesteld aan de vakleerkracht Frans, teneinde te achterhalen wat dit cijfer en de achterliggende behaalde en niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit of binnen de dubbele finaliteit. Uit de aangeleverde schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans (bijlage 2), dewelke deel uitmaakt van de motivering voor onderhavige beslissing, blijkt vooreerst dat de vakleerkracht Frans heeft aangegeven waarom zij bij haar analyse eerder is uitgegaan van de eindtermen, dan van de leerplandoelen. De vakleerkracht Frans geeft aan dat [verzoeker] meerdere belangrijke eindtermen niet behaald heeft. Voor het overzicht van de niet-behaalde eindtermen en de wijze waarop deze niet behaald werden, wordt verwezen naar de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans, die als bijlage 2 bij onderhavige beslissing gevoegd wordt. IX-10.568-7/64 De vakleerkracht Frans werd door de beroepscommissie tevens gevraagd om in haar schriftelijke verklaring aan te geven wat de behaalde en de niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak Frans in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. De vakleerkracht Frans heeft hieraan gevolg gegeven, maar zoals hogerop reeds aan bod kwam, heeft zij hierbij gebruik gemaakt van de eindtermen. Voor de analyse van de slaagkansen van [verzoeker] voor Frans binnen de doorstroomfinaliteit aan de hand van de eindtermen wordt verwezen naar bijlage 2 bij onderhavige beslissing. Hierbij komt de vakleerkracht Frans tot de volgende conclusie in haar schriftelijke verklaring: ‘Hoewel [verzoeker] een jaartotaal van 53% behaalde voor Frans, behaalde hij slechts 5 van de 10 eindtermen voor Frans. In de leer-plannen van de tweede graad voor Frans binnen de doorstroomfinaliteit bouwen de eindtermen verder op de eindtermen van de eerste graad die door [verzoeker] niet bereikt werden. Hierdoor worden de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak Frans binnen de doorstroomfinaliteit aldus zeer sterk verkleind. In de doorstroom-finaliteit wordt immers minder aandacht besteed aan herhaling en gaat men ervan uit dat de eindtermen van de eerste graad bereikt zijn.’ De beroepscommissie merkt aldus op dat de vakleerkracht Frans, voor wat haar eigen vak betreft, tot de onderbouwde conclusie komt dat de slaagkansen van [verzoeker] voor Frans binnen de doorstroomfinaliteit zeer sterk verkleind worden. De beroepscommissie sluit zich aan bij de analyse en de onderbouwde conclusie van de vakleerkracht Frans en komt op basis van deze analyse tot het oordeel dat de bagage van [verzoeker] voor Frans te beperkt is om redelijke slaagkansen te hebben voor Frans in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans kan wel worden afgeleid dat zij van oordeel is dat [verzoeker] slaagkansen heeft binnen de dubbele finaliteit (zie bijlage 2 bij onderhavige beslissing). De beroepscommissie volgt de vakleerkracht Frans in dit oordeel en is bijgevolg eveneens van oordeel dat voor [verzoeker] slaagkansen voor Frans zijn weggelegd binnen de dubbele finaliteit. Voor de toelichting van de slaagkansen van [verzoeker] voor Frans binnen de dubbele finaliteit wordt verwezen naar bijlage 2 bij onderhavige beslissing. De beroepscommissie sluit zich volledig aan bij het onderbouwd oordeel van de vakleerkracht Frans, zoals weergegeven in haar schriftelijke verklaring in bijlage 2 bij onderhavige beslissing.  [Verzoeker] behaalde verder een jaartotaal van slechts 57% op Nederlands, wat eveneens een hoofdvak is dat maar liefst 4 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijkt. Er is sprake van een slaagcijfer, hetgeen impliceert dat [verzoeker] de leerplandoelen voor Nederlands eerder nipt op voldoende wijze bereikt heeft. Als gekeken wordt naar de verschillende periodes binnen het schooljaar, dan wordt vastgesteld dat er sprake is van tekorten voor Nederlands in het dagelijks werk en IX-10.568-8/64 dat [verzoeker] niet geslaagd was op zijn grote toets Nederlands in juni. De beroepscommissie dient vast te stellen dat een jaartotaal van 57% een zwak cijfer is. Bijgevolg heeft de beroepscommissie nadere vragen gesteld aan de vakleerkracht Nederlands, teneinde te achterhalen wat dit cijfer en de achterliggende behaalde en niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit of binnen de dubbele finaliteit. Uit de aangeleverde schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands (bijlage 3), dewelke deel uitmaakt van de motivering voor onderhavige beslissing, blijkt na nader onderzoek door de betrokken vakleerkracht dat [verzoeker] meerdere belangrijke leerplandoelen niet bereikt heeft. Voor het overzicht van de niet-behaalde leerplandoelen, het onderscheid tussen de minimumdoelen en de verdiepingsdoelen en de wijze waarop deze niet behaald werden, wordt verwezen naar de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands, die als bijlage 3 bij onderhavige beslissing gevoegd wordt. De vakleerkracht Nederlands werd door de beroepscommissie tevens gevraagd om in zijn schriftelijke verklaring aan te geven wat de behaalde en de niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak Nederlands in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. De vakleerkracht Nederlands heeft hieraan gevolg gegeven door reeds deels in diens overzicht van de niet-behaalde leerplandoelen per leerdoel aan te geven wat dit zegt over de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak Nederlands binnen de doorstroomfinaliteit. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 3 bij onderhavige beslissing. Daarnaast heeft de vakleerkracht Nederlands eveneens een algemene analyse uitgewerkt van de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak Nederlands binnen de doorstroomfinaliteit. Ook hiervoor wordt verwezen naar bijlage 3 bij onderhavige beslissing. Hierbij komt de vakleerkracht Nederlands tot de volgende conclusie in zijn schriftelijke verklaring: ‘Ik ben op basis van bovenstaande vaststellingen dan ook ten stelligste overtuigd dat de slaagkansen van [verzoeker] binnen een doorstroomfinaliteit onvoldoende gegarandeerd kunnen worden. Dit rekening houdend met de mogelijke groei van de leerling binnen de tweede graad is naar mijn overtuiging te weinig basis aanwezig om succesvolle groei mogelijk te maken. Het gebrek aan autonomie en het uitvallen op de belangrijkste en meest relevante leerplandoelen bevestigen hiermee het correcte advies voor een studierichting binnen een dubbele finaliteit.’ De beroepscommissie merkt aldus op dat de vakleerkracht Nederlands, voor wat zijn eigen vak betreft, tot de onderbouwde conclusie komt dat de slaagkansen van [verzoeker] voor Nederlands binnen de doorstroomfinaliteit onvoldoende gegarandeerd zijn. De beroepscommissie sluit zich aan bij de analyse en de onderbouwde conclusie van de vakleerkracht Nederlands en komt op basis van deze analyse tot het oordeel dat de bagage van [verzoeker] voor Nederlands IX-10.568-9/64 te beperkt is om redelijke slaagkansen te hebben voor Nederlands in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands kan wel worden afgeleid dat hij van oordeel is dat [verzoeker] slaagkansen heeft binnen de dubbele finaliteit (zie bijlage 3 bij onderhavige beslissing). De beroepscommissie volgt de vakleerkracht Nederlands in dit oordeel en is bijgevolg eveneens van oordeel dat voor [verzoeker] slaagkansen voor Nederlands zijn weggelegd binnen de dubbele finaliteit. De beroepscommissie sluit zich volledig aan bij het onderbouwd oordeel van de vakleerkracht Nederlands, zoals weergegeven in zijn schriftelijke verklaring in bijlage 3 bij onderhavige beslissing.  Op het vak geschiedenis behaalde [verzoeker] een jaartotaal van slechts 58%, wat toch ook een bijvak is dat 2 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijkt. Daarenboven zijn de resultaten binnen het vak geschiedenis een nuttige voorspeller voor het slagen in de doorstroomfinaliteit, ook voor minder wiskundige richtingen. Voor het vak geschiedenis is het immers nodig dat leerlingen talig sterk zijn, complexe verbanden kunnen leggen en vanuit abstracte inhouden kunnen redeneren. Er is sprake van een slaagcijfer, hetgeen impliceert dat [verzoeker] de leerplandoelen voor geschiedenis eerder nipt op voldoende wijze bereikt heeft. Als gekeken wordt naar de verschillende periodes binnen het schooljaar, dan wordt vastgesteld dat er sprake is van tekorten voor geschiedenis in het dagelijks werk en dat [verzoeker] niet geslaagd was op zijn grote toets geschiedenis in juni. De beroepscommissie dient vast te stellen dat een jaartotaal van 58% een zwak cijfer is. Bijgevolg heeft de beroepscommissie nadere vragen gesteld aan de vakleerkracht geschiedenis, teneinde te achterhalen wat dit cijfer en de achterliggende behaalde en niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit of binnen de dubbele finaliteit. Uit de aangeleverde schriftelijke verklaring van de vakleerkracht geschiedenis (bijlage 4), dewelke deel uitmaakt van de motivering voor onderhavige beslissing, blijkt na nader onderzoek door de betrokken vakleerkracht dat [verzoeker] meerdere belangrijke basisleerplandoelen niet bereikt heeft en daarnaast ook 1 verdiepingsdoel niet bereikt heeft. Voor het overzicht van de niet-behaalde leerplandoelen, wordt verwezen naar de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht geschiedenis, die als bijlage 4 bij onderhavige beslissing gevoegd wordt. De vakleerkracht geschiedenis werd door de beroepscommissie tevens gevraagd om in haar schriftelijke verklaring aan te geven wat de behaalde en de niet-behaalde leerplandoelen zeggen over de slaagkansen van [verzoeker] voor het vak geschiedenis in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. De vakleerkracht geschiedenis heeft hieraan gevolg gegeven door toelichting te geven bij de verschillende leerplannen voor geschiedenis in de tweede graad. IX-10.568-10/64 Hierbij komt de vakleerkracht geschiedenis tot de volgende conclusie in haar schriftelijke verklaring: ‘Met oog op de behaalde resultaten (kennis en vaardigheden), de onvoldoende behaalde leerdoelen binnen de krachtlijnen van het vak, de leerhouding en de jaarevolutie voor het vak geschiedenis in het tweede jaar schat ik de slaagkansen voor [verzoeker] binnen de doorstroomfinaliteit (domeingebonden + domeinoverschrijdend) daarom lager in dan in de dubbele finaliteit.’ De beroepscommissie merkt aldus op dat de vakleerkracht geschiedenis, voor wat haar eigen vak betreft, tot de onderbouwde conclusie komt dat zij de slaagkansen van [verzoeker] voor geschiedenis binnen de doorstroomfinaliteit lager inschat voor [verzoeker] dan binnen de dubbele finaliteit. De beroepscommissie sluit zich aan bij de analyse van de vakleerkracht geschiedenis en komt op basis van deze analyse tot het oordeel dat de slaagkansen van [verzoeker] voor geschiedenis in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit, ingevolge de tekortkomingen in zijn bagage, aan de lagere kant zijn. Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht geschiedenis kan wel worden afgeleid dat zij van oordeel is dat [verzoeker] slaagkansen heeft binnen de dubbele finaliteit (zie bijlage 4 bij onderhavige beslissing). De beroepscommissie volgt de vakleerkracht geschiedenis in dit oordeel en is bijgevolg eveneens van oordeel dat voor [verzoeker] slaagkansen voor geschiedenis zijn weggelegd binnen de dubbele finaliteit.  Voor het overige behaalde [verzoeker] wel redelijke slaagcijfers voor zijn andere vakken (op muziek na, waar er ook sprake was van een zwak jaarcijfer, en op aardrijkskunde na waar het jaarcijfer eerder redelijk tot zwak is), wat leidt tot een algemeen jaartotaal van 61%. Dit cijfer kan niet beschouwd worden als een goed cijfer, maar is eerder te beschouwen als redelijk tot zwak. Als alle cijfers in overweging genomen worden, dan komt de beroepscommissie alsnog tot de beoordeling dat de basis van [verzoeker] onvoldoende is om een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit aan te vatten. Er kan immers niet omheen gegaan worden dat samenvattend het volgende uit de bovenstaande beoordelingen, gebaseerd op een analyses van de vakleerkrachten in hun schriftelijke verklaringen, blijkt: o [verzoeker] zijn slaagkansen voor het hoofdvak wiskunde in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit zijn nagenoeg onbestaande; o [verzoeker] heeft voor de hoofdvakken Frans en Nederlands in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit geen redelijke slaagkansen; o De slaagkansen van [verzoeker] voor het bijvak geschiedenis in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit zijn aan de lagere kant. Al deze gegevens samengenomen wijzen er reeds op dat [verzoeker] zijn kansen op slagen in zijn geheel genomen in volgend leerjaar binnen eender welke studierichting binnen de doorstroomfinaliteit IX-10.568-11/64 dermate miniem is, dat [verzoeker] zelfs niet de mogelijkheid geboden mag worden een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit aan te vatten. In de bovenstaande beoordelingen en de analyses waarop deze gebaseerd zijn, werd ook nagegaan welke mogelijkheden wel voor [verzoeker] zijn weggelegd op basis van zijn vaardigheden en zijn abstractieniveau. Meer specifiek, heeft elk van de bevraagde vakleerkrachten duidelijk te kennen gegeven dat zij wel kansen zien voor [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de dubbele finaliteit. De beroepscommissie sluit zich hier ook bij aan en verwacht dat [verzoeker] zal kunnen groeien binnen de dubbele finaliteit, opnieuw succeservaringen zal kunnen opdoen in zijn studies en verder zijn kennis en vaardigheden zal ontwikkelen, mits hij zich hiervoor inzet.  Daarnaast merkt de beroepscommissie op dat uit het dossier zeer duidelijk blijkt dat de school ruim voldoende remediëring heeft aangeboden, alsook herhalingsbundels, inhaallessen, 1 op 1-lessen voor wiskunde, ... Deze inspanningen werden niet altijd opgevolgd door [verzoeker]. De aanwezigheid van [verzoeker] tijdens remediëringen en inhaallessen was beter in het derde trimester, maar echte participatie aan het lesgebeuren bleef vaak alsnog uit, zoals ook blijkt uit de schriftelijke verklaring van de leerlingenbegeleider van [verzoeker]. De leerlingenbegeleider verklaart tevens nog het volgende in diens schriftelijk verklaring: ‘Zowel leerkrachten als ikzelf merkten duidelijk dat [verzoeker] met de extra aangereikte hulpmiddelen thuis niet genoeg aan de slag ging, hoewel dit essentieel is voor het welslagen van de door de school geleverde inspanningen.’ M.a.w. heeft de school de nodige inspanningen geleverd om [verzoeker] te ondersteunen. Ondanks de geleverde inspanningen moet de beroepscommissie thans vaststellen dat dit voor de vakken Nederlands en Frans niet tot enige verbetering geleid heeft. Wel integendeel, moet vastgesteld worden dat [verzoeker] zijn resultaten voor deze vakken als volgt evolueerden gedurende het schooljaar: Vak Resultaat Herfst Resultaat Kerst Resultaat Pasen Resultaat juni Frans 50% 56% 52% 49% Nederlands 59% 64% 59% 47% Ondanks de geleverde inspanningen van de school en de grotere aanwezigheid van [verzoeker] tijdens de remediëringen en de inhaallessen van het derde trimester, behaalde [verzoeker] de slechtste resultaten voor Frans en Nederlands van het hele jaar in juni, waarbij hij in juni nota bene voor elk van deze vakken een onvoldoende behaalde. De bijkomende inspanningen van de school en van [verzoeker] in het derde trimester hebben geenszins kunnen verhinderen dat [verzoeker] uiteindelijk een heel aantal belangrijke leerplandoelen voor Frans en Nederlands niet behaald heeft. Deze inspanningen hebben zelfs geen verbetering in de resultaten van [verzoeker] voor Frans en Nederlands teweeg gebracht. Ook voor wiskunde werden er tal van inspanningen door de school geleverd (13 lesuren 1 op 1-les in het derde trimester, tal van IX-10.568-12/64 inhaallessen, remediëringen, ... ), maar ook hier is de evolutie in de resultaten van [verzoeker] onvoldoende: Vak Resultaat Herfst Resultaat Kerst Resultaat Pasen Resultaat juni Wiskunde 57% 48% 34% 49% De resultaten van [verzoeker] verbeterden aldus wel in juni ten opzichte van het resultaat van Pasen, maar dit neemt niet weg dat [verzoeker] nog steeds niet geslaagd was voor wiskunde in juni. Bovendien hebben de geleverde inspanningen door de school en door [verzoeker] niet kunnen verhinderen dat [verzoeker] voor wiskunde de basisleerplandoelen niet op voldoende wijze behaald heeft en aldus een onvoldoende behaalde op zijn jaartotaal voor wiskunde. De 1 op 1 lessen zijn opgestart om [verzoeker] te kunnen remediëren, maar zijn ook het uitgelezen instrument om de reden van minder functioneren beter te kunnen inschatten. In de lessen 1 op 1 bleek dat de slechte resultaten voor wiskunde inderdaad het gevolg zijn van een gebrek aan kennis, vaardigheden en inzicht en niet het gevolg zijn van sterke cognitieve capaciteiten die niet tot uiting komen door bv. demotivatie. Tijdens de remediëringslessen gaf [verzoeker] immers geen blijk van sterk inzicht dat mogelijks voorheen niet tijdens lessen opgemerkt zou zijn. Er kan dus bijkomend geconcludeerd worden dat uit het traject dat [verzoeker] heeft afgelegd in het afgelopen leerjaar blijkt dat [verzoeker] voor enkele belangrijke vakken niet over het vereiste abstractieniveau beschikt om diens studie verder te zetten in een studierichting binnen de doorstroomfinaliteit. Al de geleverde inspanningen en aangeboden ondersteuning hebben immers niet kunnen vermijden dat [verzoeker] heel wat essentiële leerplandoelen (zie hogerop in de motivering) voor wiskunde, Frans en Nederlands niet bereikt heeft. Dit heeft determinerende gevolgen voor de slaagkansen van [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit.  De beroepscommissie benadrukt ook dat van een leerling binnen de doorstroomfinaliteit een grotere mate van autonomie verwacht wordt dan van een leerling binnen de dubbele finaliteit. In dit verband wordt verwezen naar punt 2.2.2 uit de ‘Handvaten voor de oriëntering naar een finaliteit na de 1ste graad A-stroom vanuit de leerplannen algemene vorming’ uitgaande van de Dienst Curriculum & vorming van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen. […] Uit het traject dat [verzoeker] heeft afgelegd in het afgelopen leerjaar en dat hogerop geschetst werd blijkt dat [verzoeker] wel degelijk een vergaande ondersteuning nodig heeft en dat hij zich er maar moeilijk zelf toe kan aanzetten om over te gaan tot de verdere verwerking en het inoefenen van de leerstof thuis (Zie in dit verband ook de schriftelijke verklaring van de leerlingenbegeleider). Dit strookt niet met de grotere mate van autonomie die binnen de doorstroomfinaliteit verwacht wordt. Ook om deze reden is het aangewezen en noodzakelijk de studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit te clausuleren.  De begeleidende klassenraad gaf bij Pasen reeds als voorlopig advies dat [verzoeker] zijn studies beter zou verderzetten binnen de dubbele IX-10.568-13/64 finaliteit (elektrotechnieken, mechanische technieken of elektromechanische technieken, dit laatste mits 100% inzet, zeker voor wiskunde). Onderhavige beslissing vindt hier aldus aansluiting bij. Ingevolge dit eerdere voorlopige advies van de begeleidende klassenraad bij Pasen, kan het aldus geen verrassing zijn voor de ouders van [verzoeker] dat thans een clausulering voor de doorstroomfinaliteit wordt opgelegd.  In hun beroepsschrift van 9 juli 2024 stellen [de ouders van verzoeker] dat er sprake was van een gebrek aan een positieve deliberatiehouding bij de delibererende klassenraad. Thans heeft de beroepscommissie een volledig nieuw en eigen onderzoek naar de slaagkansen van [verzoeker] bij de verderzetting van zijn studies gedaan, waardoor de kritiek op de deliberatiehouding van de delibererende klassenraad niet langer relevant is. De beroepscommissie heeft in het kader van haar eigen onderzoek oog gehad voor het volledige dossier van [verzoeker] (waaronder alle jaarcijfers van [verzoeker]) en zowel oog gehad voor wat wel mogelijk is voor [verzoeker] als voor wat niet mogelijk is voor [verzoeker]. De [ouders van verzoeker] stellen in hun beroepsschrift op verschillende plaatsen ook dat de motivering van de delibererende klassenraad voor het oriënteringsattest B met clausulering voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit niet dragend is. Daarnaast zou deze te statisch zijn en een prospectieve benadering missen. Ook hier geldt dat de beroepscommissie door middel van huidige beslissing een nieuwe beslissing neemt met een nieuwe motivering, waardoor de kritiek op de motivering van de delibererende klassenraad niet langer relevant is. De beroepscommissie heeft bij het nemen van onderhavige beslissing een uitgebreid prospectief onderzoek naar de mogelijkheden van [verzoeker ] gedaan. Voor de volledigheid merkt de beroepscommissie nog op dat een prospectief onderzoek, conform de APR 3 van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen […], het inschatten betreft van de groei en slaagkansen naar een volgend leerjaar toe op basis van de vorderingen die de leerling gedurende het voorbije schooljaar gemaakt heeft, waarbij men zich baseert op objectieve gegevens uit het dossier. De [ouders van verzoeker] pikken in op de vakcommentaren van de leerkrachten in het jaarrapport (dit doen zij ook in de nota die werd neergelegd op de hoorzitting van 3 oktober 2024) en menen hieruit te kunnen afleiden dat de kansen van [verzoeker] op significant betere resultaten reëel zijn, waardoor de voorafname dat [verzoeker] de leerplandoelen binnen de doorstroomfinaliteit niet zou kunnen behalen feitelijke grondslag zou missen. De beroepscommissie heeft de vakleerkrachten hierover bevraagd: o Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde in bijlage 1 bij onderhavige beslissing blijkt dat zij de tips en werkpunten in het jaarrapport specifiek heeft meegegeven voor een verderzetting van de studies van [verzoeker] binnen de dubbele finaliteit. De vakleerkracht geeft in haar schriftelijk verklaring zeer duidelijk aan dat [verzoeker] niet over de IX-10.568-14/64 basisvaardigheden beschikt die nodig zijn voor de doorstroomfinaliteit. o Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans blijkt dat zij in haar vakcommentaar de tekortkomingen van [verzoeker] heeft willen verklaren en hierbij heeft zij tips gegeven om hiermee aan de slag te gaan. De vakleerkracht Frans geeft in haar schriftelijke verklaring evenwel duidelijk te kennen dat voor het vak Frans de groei onvoldoende is voor de doorstroomfinaliteit. o Uit de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands blijkt dat deze met zijn vakcommentaar constructieve tips wil geven voor een volgend schooljaar, maar de vakleerkracht Nederlands merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de tip om de leerstof bij te houden niet is te interpreteren als een mogelijkheid om het tekort aan inzicht voor de doorstroomfinaliteit weg te werken. De tip is volgens de vakleerkracht Nederlands enkel te interpreteren als een motiverende start om binnen de dubbele finaliteit vlot te starten. o De vakleerkracht geschiedenis licht in haar schriftelijke verklaring concreet toe waarop zij zich gebaseerd heeft om haar vakcommentaren te formuleren voor de verschillende rapporten. Hieruit blijkt evenwel ook dat vakleerkracht geschiedenis achter een verderzetting van de studies van [verzoeker] binnen de dubbele finaliteit staat. Het is bijgevolg duidelijk dat de gegeven tips in de vakcommentaren getuigen van de coachende houding die leerkrachten aannemen en dat deze in hun context begrepen moeten worden. Bovendien worden de vakcommentaren besproken tijdens groeigesprekken met de leerlingen en tijdens oudercontacten met ouders, waardoor de werkelijke toedracht van de vakcommentaren voor de ouders duidelijk zou moeten zijn. De leraren geven hierin feedback en feedforward. De vakcommentaren kunnen en mogen derhalve niet zo geïnterpreteerd worden dat deze zouden wijzen op slaagkansen binnen de doorstroomfinaliteit. Nog los van de vakcommentaren blijkt uit de hoger vermelde analyse aan de hand van de leerplandoelen of eindtermen dat de slaagkansen van [verzoeker] in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit dermate miniem zijn, dat hem de toegang tot een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit moet worden ontzegd. De vakcommentaren op het jaarrapport doen hier, mede gelet op de schriftelijke verklaringen van bepaalde vakleerkrachten, geen afbreuk aan. De [ouders van verzoeker] menen dat de delibererende klassenraad voorbij zou zijn gegaan aan de slaagcijfers van [verzoeker] en het gegeven dat [verzoeker] voor die vakken de leerplandoelen op voldoende wijze behaald heeft. De beroepscommissie heeft het dossier aan een volledige nieuwe beoordeling en een eigen onderzoek met oog voor de slaagcijfers onderworpen, waardoor deze kritiek aan het adres van de delibererende klassenraad niet langer relevant is. IX-10.568-15/64 Het beroepsschrift verwijst naar de positieve evolutie in de studiehouding van [verzoeker]. De positieve evolutie in het derde trimester heeft, zoals hogerop reeds aan bod kwam, niet kunnen vermijden dat [verzoeker] heel wat leerplandoelen voor wiskunde, Frans, Nederlands en geschiedenis niet bereikt heeft met determinerende gevolgen voor zijn slaagkansen binnen de doorstroomfinaliteit in een volgend leerjaar, waardoor op basis van deze positieve evolutie in de studiehouding niet tot een ander besluit gekomen kan worden. De mate van ondersteuning die overigens nodig was om leerstof begrijpbaar te maken voor [verzoeker] is niet wat verwacht kan worden binnen de doorstroomfinaliteit. Bovendien moet de positieve evolutie in de studiehouding van [verzoeker] in het derde trimester ook vanuit een juist perspectief bekeken worden. Zo heeft de leerlingenbegeleider in zijn schriftelijke verklaring duidelijk aangegeven dat [verzoeker] in het derde trimester wel meer lijfelijk aanwezig was tijdens de inhaallessen en de remediëringen, maar dat echte participatie aan het lesgebeuren wat uitbleef. Ook wijst de leerlingenbegeleider erop dat [verzoeker] thuis niet genoeg aan de slag ging met de extra aangereikte hulpmiddelen. Verder leidt de beroeps-commissie uit het leerlingvolgsysteem af dat de inzet van [verzoeker] opnieuw afnam naarmate het derde trimester verstreek. De [ouders van verzoeker] wijzen er ook nog op dat [verzoeker] als 14-jarige nog volop in ontwikkeling is en dat hij een laatbloeier is. Het gegeven dat [verzoeker] nog in volle ontwikkeling is, doet geen afbreuk aan het gegeven dat uit de analyse aan de hand van de leerplandoelen blijkt dat de slaagkansen van [verzoeker] in volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit dermate miniem zijn dat hem zelfs niet de mogelijkheid geboden mag worden een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit aan te vatten. [Verzoeker] beschikt over onvoldoende bagage om een volgend leerjaar binnen de doorstroom-finaliteit aan te vatten ongeacht de staat van zijn ontwikkeling. Tevens geldt voor bijzonder veel (of nagenoeg alle) leerlingen in het tweede leerjaar van de eerste graad dat zij in volle ontwikkeling zijn en er zijn wel meer laatbloeiers onder de leerlingen in dat leerjaar. Dit argument kan de beroepscommissie derhalve niet tot een ander oordeel brengen. In antwoord op de bezwaren van [de ouders van verzoeker] merkt de beroepscommissie ook nog dat zij bij het nemen van haar nieuwe beslissing eveneens rekening heeft gehouden met de diverse richtlijnen en handvaten van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen. De [ouders van verzoeker] stellen dat een minder verregaande beslissing genomen kan worden, zoals een A-attest met remediërings-initiatieven tijdens het volgende schooljaar of tijdens de vakantie, en zij hebben verwezen naar de adviesmogelijkheden van de delibererende klassenraad. De beroepscommissie komt op basis van haar beoordeling in de bovenstaande overwegingen tot de conclusie dat een minder vergaande maatregel dan een B-attest met clausulering voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit niet aan de orde is. Daarnaast wordt nog het volgende opgemerkt: IX-10.568-16/64 o Uit de uitgebreide analyse aan de hand van de leerplandoelen blijkt dat [verzoeker] te weinig bagage heeft om een volgend leerjaar in eender welke studierichting binnen de doorstroom-finaliteit aan te vatten. o Het traject in het afgelopen schooljaar heeft aangetoond dat remediëringen e.d.m. onvoldoende soelaas bieden voor [verzoeker] binnen de doorstroomfinaliteit. Bijgevolg is de beroepscommissie ervan overtuigd dat hij de tekorten in zijn bagage om door te stromen binnen de doorstroomfinaliteit niet zal kunnen wegwerken door remediëringsinitiatieven. o Hogerop kwam ook reeds aan bod dat [verzoeker] niet over de vereiste graad van autonomie beschikt om te kunnen slagen in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie aldus geen optie om [verzoeker] een A-attest toe te kennen met tal van remediëringsinitiatieven om zijn gebrek aan bagage weg te werken. Het dossier van [verzoeker] leert dat ook nadere ondersteuning voor [verzoeker] vereist is voor het verwerken van de nieuwe leerstof. Dit blijkt onder meer uit: o het gegeven dat [verzoeker] ondanks de 13 1 op 1-lesuren voor wiskunde in het derde trimester nog steeds geen globaal slaagcijfer had voor wiskunde op zijn rapport voor juni; o de verklaring van de leerlingenbegeleider van [verzoeker], daar waar deze stelt dat de vakleerkrachten hem al vroeg op het jaar contacteerden met de boodschap dat voor [verzoeker] nog extra inspanningen nodig waren. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie dan ook onbegonnen werk om een jongen zoals [verzoeker] naar de doorstroomfinaliteit te sturen met enerzijds de taak om via remediëringsinitiatieven tijdens het volgende schooljaar zijn gebrek aan bagage weg te werken en daarnaast ook nog eens al de nieuwe leerstof te verwerken (die in de tweede graad aan vlotter tempo gegeven wordt), wat ook niet zonder nadere ondersteuning zal lukken zoals uit het afgelopen schooljaar gebleken is. Dit is voor [verzoeker] niet haalbaar en de verwachting van de beroepscommissie is dat [verzoeker] in dat geval een nieuwe achterstand zal opbouwen. Bovendien vreest de beroepscommissie dat dit de motivatie van [verzoeker] verder zal aantasten, met alle nadelige gevolgen vandien. Er mag ook niet uit het oog verloren worden dat [verzoeker] tijdens elk van de afgelopen 2 schooljaren al veel begeleiding gekregen heeft. Voor het eerste leerjaar blijkt dit concreet uit de schriftelijke verklaring van mevrouw [E.F.] en voor het tweede leerjaar uit het volledige leerlingenvolgsysteem, waarvan ouders delen kunnen raadplegen via Smartschool gedurende het hele schooljaar. Ook een A-attest met remediëringsinitiatieven tijdens de zomer was geen optie geweest. Het is niet geloofwaardig dat [verzoeker] in 2 maanden zomervakantie op eigen houtje erin zou slagen zijn achterstand weg te werken, terwijl dit tijdens het vorige leerjaar met intense begeleiding van zijn leerkrachten niet gelukt is. Bij een verderzetting van de studies binnen de dubbele finaliteit daarentegen, IX-10.568-17/64 zal [verzoeker] wel de kans krijgen om de leerstof nogmaals te herhalen en in te oefenen. Uiteraard wordt er binnen de dubbele finaliteit ook nieuwe leerstof aangebracht, maar dit gebeurt op een rustiger tempo, zodat de leerling zich gestaag kan voorbereiden op de derde graad. De [ouders van verzoeker] gaven op de hoorzitting van 3 oktober 2024 te kennen dat zij niet langer aandringen op een A-attest, maar dat zij minstens vragen om een beperktere clausulering dan de volledige doorstroomfinaliteit. Uit de eerdere overwegingen blijkt duidelijk dat dit eveneens geen optie is. Tijdens de hoorzittingen die plaatsvonden op 21 augustus 2024 en op 3 oktober 2024 werd door [de ouders van verzoeker] aangegeven dat zij [verzoeker] op internaat zouden sturen in een volgende schooljaar, zodat hij meer structuur heeft. Aangezien [verzoeker] over te weinig bagage beschikt om een volgend leerjaar in een studierichting binnen de doorstroomfinaliteit aan te vatten, zal ook de structuur die een internaat mogelijk biedt geen soelaas bieden. Meer structuur vormt bovendien ook geen garantie dat [verzoeker] de op internaat voorziene studie-uren ook effectief nuttig zal gebruiken om de geziene leerstof te verwerken. Bovendien merkt de beroepscommissie op dat de aanpak van internaten verschilt. Sommige internaten hanteren een meer gestructureerde en ondersteunende aanpak, terwijl andere internaten meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan de leerlingen. Nog los van dit verschil in aanpak, zal het op internaat zetten van [verzoeker] er niet toe leiden dat hij wel redelijke slaagkansen heeft in een volgend leerjaar binnen de doorstroomfinaliteit. In de nota die voor [verzoeker], vertegenwoordigd door zijn ouders, op de hoorzitting van 3 oktober 2024 werd neergelegd, wordt voornamelijk kritiek geuit op de eerdere beslissing van de beroepscommissie van 21 augustus 2024. Ook in het relaas van de vertegenwoordigers van [verzoeker] op de hoorzitting van 3 oktober 2024 werd voornamelijk kritiek geuit op deze eerdere beslissing van de beroepscommissie. Deze eerdere beslissing van de beroepscommissie wordt middels onderhavige beslissing ingetrokken en het dossier werd aan een nieuw onderzoek van de beroepscommissie onderworpen, wat aanleiding geeft tot onderhavige beslissing. Bijgevolg is de kritiek op de eerdere beslissing van de beroeps-commissie niet langer relevant. Tijdens de hoorzitting van 3 oktober 2024 wezen de vertegen-woordigers van [verzoeker] erop dat uit het dossier blijkt dat er verbeterkansen en -mogelijkheden zijn voor [verzoeker]. De beroepscommissie merkt op dat de resultaten van [verzoeker] voor wiskunde effectief gestegen zijn in juni ten opzichte van deze bij Pasen. Het één en ander neemt evenwel niet weg dat [verzoeker] in juni nog steeds een tekort had voor wiskunde en dat hij bovendien over het gehele jaar de leerplandoelen voor wiskunde onvoldoende bereikt heeft, wat ook blijkt uit zijn jaarcijfer van 44% op wiskunde. Wat Frans en Nederlands betreft, moet de beroepscommissie zelfs vaststellen dat ondanks inhaallessen, remediëringen, e.d.m. tijdens het derde trimester de resultaten van [verzoeker] voor deze vakken zelfs IX-10.568-18/64 achteruit gingen. [Verzoeker] behaalde in juni immers zowel een onvoldoende op Frans als op Nederlands. Het lijkt er aldus op dat de groei binnen één vak bij [verzoeker] ten koste gaat van zijn andere vakken. [Verzoeker] zal zijn schoolse vooruitgang wellicht kunnen verbeteren binnen de dubbele finaliteit, als hij actief aan de slag gaat met de gegeven tips door de vakleerkrachten, maar voor een verderzetting van zijn studies binnen de doorstroomfinaliteit heeft [verzoeker] te weinig bagage. III. Derde beslissing - De beroepscommissie beslist tevens om het negatief advies voor overzitten te handhaven. Deze beslissing wordt gerechtvaardigd door de volgende motieven:  De beroepscommissie merkt op dat de delibererende klassenraad en thans zijzelf ingevolge artikel 82, §1, van het Organisatiebesluit verplicht is om een gunstig of een ongunstig advies te geven voor het overzitten van het leerjaar.  Vooraleer de beroepscommissie ingaat op de redenen van haar beslissing om specifiek [verzoeker] zijn tweede leerjaar niet te laten overzitten, merkt de beroepscommissie algemeen op dat uit een analyse van wetenschappelijk onderzoek over zittenblijven bij 27408 leerlingen (339 studies) door John Hattie blijkt dat zittenblijven geen effectieve maatregel is. Zittenblijven komt overeen met een effectgrootte van -0,29 […]. Vandaar dat de beroepscommissie geneigd is om het advies over overzitten ernstig te nemen en niet standaard op gunstig te zetten. In het geval van [verzoeker] blijkt uit de overwegingen hierna dat het ongunstig of negatief advies voor overzitten gegrond is.  De beroepscommissie is van oordeel dat het overzitten van het tweede leerjaar van de eerste graad voor [verzoeker] de volgende negatieve consequenties zal hebben: o Het overzitten van het tweede leerjaar zal voor [verzoeker] tot gevolg hebben dat er voor een aantal vakken (waarvoor thans wel redelijke slaagcijfers voorliggen, zoals natuurwetenschappen, Engels, techniek, godsdienst, ... ) sprake zal zijn van een gebrek aan uitdaging, wat kan leiden tot verveling en onderprestatie. Het overzitten van het leerjaar impliceert dat [verzoeker] opnieuw dezelfde leerstof zal moeten doornemen. Dit is ook het geval als [verzoeker] bij het overzitten van het tweede zou veranderen naar de basisoptie Economie en Organisatie, aangezien 27 uur per week bestaat uit basisvorming, die identiek is aan de basisvorming die [verzoeker] gekregen heeft binnen de basisoptie STEM- wetenschappen. Het opnieuw doornemen van dezelfde leerstof zou aldus voor bepaalde vakken aanleiding kunnen geven tot verveling, wat kan leiden tot desinteresse en gebrek aan motivatie. Uit het dossier blijkt bovendien dat het gebrek aan motivatie iets is waar [verzoeker] het nu al bijzonder moeilijk mee heeft. Doordat de leerstof niet nieuw of voor bepaalde vakken niet meer uitdagend genoeg is bij het overzitten van het tweede IX-10.568-19/64 leerjaar, bestaat het risico dat [verzoeker] zich minder zal inspannen en zijn volledige potentieel niet zal benutten. Dit kan op zijn beurt leiden tot onderprestatie en een verminderde inzet voor schoolwerk. o Het overzitten van het tweede leerjaar zal voor [verzoeker] bovendien tot gevolg hebben dat zijn schoolse vooruitgang belemmerd wordt. Het herhalen van hetzelfde jaar (zelfs indien [verzoeker] zijn jaar zou overzitten binnen de basisoptie Economie en Organisatie) zal tot gevolg hebben dat [verzoeker] niet of nauwelijks (bij verandering van de basisoptie) zal blootgesteld worden aan nieuwe concepten en vaardigheden die hem zouden helpen groeien en die leiden tot het boeken van vooruitgang in zijn opleiding en dit terwijl [verzoeker] zijn tweede leerjaar thans wel met vrucht en weliswaar met clausulering beëindigd heeft. Deze onmogelijkheid om schoolse vooruitgang te boeken aan de hand van nieuwe concepten en vaardigheden zal leiden tot een zekere stagnatie van de academische en persoonlijke ontwikkeling van [verzoeker]. o De herhaling van alle leerstof of nagenoeg alle leerstof (als overgeschakeld wordt naar de basisoptie Economie en Organisatie) is naar het oordeel van de beroepscommissie geenszins efficiënt voor [verzoeker]. [Verzoeker] zal immers geconfronteerd worden met de situatie dat hij opnieuw door heel wat leerstof heen moet, die hij reeds beheerst. Deze herhaling biedt aldus weinig ruimte voor gepersonaliseerd leren. In plaats van een aangepaste benadering die zich richt op de specifieke behoeften en leerstijl van [verzoeker], wordt een standaard curriculum herhaald wanneer hij zijn tweede leerjaar overzit, wat niet effectief is voor de unieke leersituatie van [verzoeker]. [Verzoeker] heeft reeds een gebrek aan motivatie getoond in het voorbije leerjaar en uit zijn dossier blijkt dat hij al extra aanmoediging nodig heeft. De beroepscommissie is mede omwille van deze reden van oordeel dat het geen goede keuze is om [verzoeker] zijn tweede leerjaar te laten overdoen. Zoals uit de motivering voor de beslissing om het oriënteringsattest B met clausulering voor alle studierichtingen binnen de doorstroom-finaliteit blijkt, zijn zowel een heel aantal vakleerkrachten van [verzoeker] als de beroepscommissie het erover eens dat de unieke leersituatie van [verzoeker] beter past bij een studierichting binnen de dubbele finaliteit. Op deze manier wordt het studietraject van [verzoeker] verdergezet op een aangepaste wijze die naar het oordeel van de beroepscommissie wel aansluit bij zijn specifieke behoeften en leerstijl. o Bovendien is ook de negatieve invloed van het overzitten op het zelfvertrouwen en zelfbeeld van een leerling niet te onder-schatten. Het louter herhalen van alle of nagenoeg alle leerstof van het tweede leerjaar zal [verzoeker] weinig voldoening geven en hem het gevoel geven dat hij gefaald heeft. IX-10.568-20/64 Dit terwijl een verderzetting van het studietraject binnen de dubbele finaliteit volgens de beroepscommissie wel zal zorgen voor nieuwe succeservaringen op basis van nieuwe leerstof en de bijhorende nieuwe concepten en vaardigheden. Daarnaast ligt bij het overzitten van een leerjaar ook het gevaar van stigmatisering op de loer, zowel door [verzoeker] zelf als door anderen. Dit kan leiden tot een negatief zelfbeeld, verminderd zelfvertrouwen, lagere studiemotivatie en een slechter schools welbevinden. [Verzoeker] heeft er reeds een moeilijk schooljaar opzitten wat zijn schoolprestaties betreft, waardoor de beroepscommissie het zeer reëel acht dat deze gevaren voor [verzoeker] op de loer liggen als hij zijn tweede leerjaar overzit. o Uit de schriftelijke verklaring van de klassenbegeleider van [verzoeker] in zijn eerste leerjaar blijkt dat [verzoeker] ook een zeer moeizaam traject heeft afgelegd in zijn eerste leerjaar. De beroepscommissie meent dan ook dat het haar verantwoordelijkheid is om nu in te grijpen. [Verzoeker] is toe aan een schooljaar waarin hij zichzelf verder kan ontwikkelen en opnieuw succeservaringen kan opdoen en dit in een studierichting binnen de dubbele finaliteit wat aansluit bij de noden van [verzoeker]. Deze kans om zich verder te ontwikkelen en nieuwe succeservaringen op te doen is onvoldoende voor [verzoeker] weggelegd als hij zijn tweede leerjaar overzit, omdat er in dat geval geen of nauwelijks nieuwe leerstof aan bod komt (afhankelijk van de basisoptie waarbinnen [verzoeker] zijn tweede leerjaar zou overzitten). Kortom, het overzitten van het tweede leerjaar is contraproductief en geenszins de aangewezen oplossing voor [verzoeker], waardoor het in het eigen belang is van [verzoeker] dat hem de mogelijkheid om zijn tweede leerjaar over te zitten wordt ontnomen.  In hun beroepsschrift stellen de [ouders van verzoeker] dat het negatief advies voor overzitten geen steun zou vinden in het dossier. Uit de overwegingen hierboven blijkt evenwel dat het overzitten van het tweede leerjaar voor [verzoeker] niet aangewezen is en de beroepscommissie zich hiervoor baseert op de gegevens van het dossier van [verzoeker], zoals het gebrek aan motivering bij [verzoeker], het gegeven dat [verzoeker] zijn leerjaar met vrucht maar wel clausulering beëindigd heeft, het gegeven dat [verzoeker] voor bepaalde vakken redelijke slaagcijfers behaald heeft, ... Mede op basis van de positieve elementen (de redelijke slaagcijfers voor bepaalde vakken) in het dossier van [verzoeker] is het af te raden dat [verzoeker] zijn tweede leerjaar overzit, zoals hierboven concreet werd toegelicht. De ouders van [verzoeker] geven aan dat [verzoeker] gemerkt heeft dat zijn interesse meer aansluit bij de basisoptie Economie & Organisatie, waardoor [verzoeker] bij het overzitten van zijn tweede leerjaar voor deze basisoptie zou kiezen. De beroepscommissie is er evenwel niet van overtuigd dat dit [verzoeker] meer zal kunnen stimuleren en motiveren. Zoals hogerop aan bod kwam, blijft de basisvorming van 27 lesuren per week bij het volgen van het tweede leerjaar A-stroom IX-10.568-21/64 binnen de basisoptie Economie & Organisatie identiek ten opzichte van deze binnen de basisoptie STEM-wetenschappen. Als [verzoeker] zich tijdens het vorige schooljaar dus al niet kon motiveren voor de 27 lesuren basisvorming binnen de basisoptie STEM-wetenschappen, dan zal [verzoeker] dit evenmin kunnen voor dezelfde 27 lesuren per week basisvorming binnen de basisoptie Economie & Organisatie. Zoals reeds aan bod kwam, meent de beroepscommissie dat het opnieuw doornemen van dezelfde leerstof aldus voor bepaalde vakken juist aanleiding zou kunnen geven tot verveling, wat kan leiden tot desinteresse en gebrek aan motivatie, wat nu al een probleem is bij [verzoeker]. Overzitten binnen de basisoptie Economie & Organisatie zou [verzoeker] dus niet meer kunnen motiveren en stimuleren gezien het zeer kleine verschil tussen de betrokken basisopties. Het gebrek aan motivatie in het afgelopen schooljaar verantwoorden door een zogenaamd verkeerde keuze in basisoptie, is bijgevolg te kort door de bocht. De beroepscommissie stelt ook vast [dat] de ouders van [verzoeker] in hun beroepsschrift nog kritiek uiten op de motivering van de delibererende klassenraad om een negatief bindend advies voor het overzitten te geven. Door deze nieuwe beslissing van de beroepscommissie die gebaseerd is op een eigen onderzoek van het dossier en een eigen motivering, is deze kritiek niet langer relevant. De ouders van [verzoeker] halen in hun beroepsschrift ook nog aan dat [verzoeker] ingevolge het negatief advies voor overzitten gedwongen wordt om over te gaan in een ongewenste richting. De beroeps-commissie is evenwel van oordeel dat het overzitten van het tweede leerjaar door [verzoeker] veel nadeligere gevolgen heeft voor zijn schoolse carrière en ontwikkeling dan het overgaan naar een studierichting binnen de dubbele finaliteit, zoals Bedrijf & Organisatie. Dit is één van de kernen die voortvloeit uit de motivering van onder-havige beslissing. Bovendien kan bezwaarlijk gesteld worden dat bv. de studierichting Bedrijf & Organisatie een ongewenste studierichting is. Deze sluit wel degelijk aan bij het interessegebied van [verzoeker]. De studierichting Bedrijf & Organisatie, die eerder door de delibererende klassenraad werd aanbevolen, behoort immers ook tot het studiedomein economie en organisatie, net als de studierichting Bedrijfswetenschappen uit de doorstroomfinaliteit. Alleen verschillen deze twee studierichtingen van abstractieniveau. Hogerop in de beslissing kwam aan bod dat [verzoeker] voor enkele belangrijke vakken niet het vereiste abstractieniveau voor een studierichting binnen de doorstroomfinaliteit heeft. De ouders van [verzoeker] haalden ook tijdens de hoorzitting van 3 oktober 2024 nog aan dat [verzoeker] nu in een andere school op internaat zit, in een richting binnen de dubbele finaliteit waar [verzoeker] niet zou willen zitten en waar hij met gemak uitstekende cijfers zou behalen. Aangezien [verzoeker] niet langer op onze school zit, kan de beroepscommissie weliswaar niet verifiëren of [verzoeker] effectief tegen zijn zin in de betrokken studierichting zit en dat hij met het grootste gemak uitstekende cijfers behaalt. Bovendien is het IX-10.568-22/64 nieuwe schooljaar nog maar net begonnen. Alleszins meent de beroeps-commissie dat het een goede zaak is dat [verzoeker] reeds succes-ervaringen in zijn nieuwe studierichting gehad heeft. Dit steunt de beroepscommissie in haar standpunt dat zij eerder en ook nu de juiste beslissingen neemt. De beroepscommissie blijft erbij dat als [verzoeker] zijn tweede leerjaar overdoet hij geenszins dezelfde succeservaringen (op basis van nieuwe leerstof) zal beleven, wat zijn motivatie niet ten goede komt. In de nota die voor [verzoeker], vertegenwoordigd door zijn ouders, op de hoorzitting van 3 oktober 2024 werd neergelegd, wordt nog kritiek geuit op de motivering aangaande het negatief advies voor overzitten in de eerdere beslissing van de beroepscommissie. Deze eerdere beslissing wordt evenwel ingetrokken middels onderhavige beslissing en er wordt tevens een nieuwe motivering uitgewerkt, waardoor deze kritiek niet langer relevant is.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp 4. In haar nota met opmerkingen doet de verwerende partij gelden dat verzoeker de volledige beslissing van de beroepscommissie viseert, maar dat geen van de aangevoerde middelen betrekking heeft op het eerste onderdeel van die beslissing – namelijk de intrekking van de eerdere beslissing van de beroepscommissie van 21 augustus 2024 – en dat verzoeker hoe dan ook bij het bestrijden van dat aspect geen belang heeft. 5.1. De verwerende partij kan op het eerste gezicht worden bijge-vallen in haar opmerking. Ter terechtzitting ziet verzoeker het overigens eender. 5.2. In de huidige stand van de procedure kunnen verzoekers grieven enkel op ontvankelijke wijze worden betrokken op de beslissing om eensdeels een oriënteringsattest B met clausulering voor de studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit toe te kennen en anderdeels een ongunstig advies voor overzitten te verlenen. IX-10.568-23/64 Wanneer hierna wordt verwezen naar ‘de bestreden beslissing’, dan worden daarmee het toegekende oriënteringsattest B en het ongunstig advies over zittenblijven bedoeld. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid 7. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet in vraag gesteld. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 8.1. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van het recht om op nuttige wijze te worden gehoord, het recht op tegenspraak, de “algemene zorgvuldigheidsplicht” en de materiëlemotiveringsplicht. 8.2.1. In wat voorkomt als een eerste middelonderdeel brengt verzoeker in herinnering dat artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs de beroepscommissie verplicht om “de betrokken personen IX-10.568-24/64 en de leerling in kwestie” te horen. Verzoeker ziet in dat voorschrift een parafrase van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het beginsel – zoals het door verzoeker wordt verwoord – dat de leerling die een beroep instelt tegen een ongunstige evaluatiebeslissing “op een nuttig tijdstip inzage in of kopie moet krijgen van het volledige dossier waarop de beroeps-commissie haar oordeel zal steunen”. Verzoeker betoogt dat de beroepscommissie na de hoorzitting op 3 oktober 2024 nog zes schriftelijke verklaringen van leerkrachten en de leerlingenbegeleider aan het dossier heeft toegevoegd en haar beslissing ook op die stukken steunt, terwijl verzoeker van die stukken geen kennis had en er bijgevolg ook geen tegenspraak over kon voeren. Deze verklaringen zijn voor verzoeker nieuwe en essentiële stukken die hem voorafgaand aan de hoorzitting moesten zijn meegedeeld. Door haar handelwijze geeft de beroeps-commissie volgens verzoeker blijk van een tendentieuze opstelling. Verzoeker ziet ook een gevaar voor vooringenomenheid omdat hem de mogelijkheid werd ontnomen om deze stukken door externe deskundigen te laten beoordelen en daaromtrent bij de beroepscommissie dan standpunt in te nemen. Verzoeker besluit dat de “post factum toegevoegde analyses en zienswijzen van enkele leerkrachten […] in wezen dan ook geen deel [uitmaken] van het leerlingendossier” en een achteraf-interpretatie vormen en dat het hoorrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden. 8.2.2. In haar nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij in essentie dat verzoeker door de beroepscommissie werd gehoord en dat bijkomende stukken die het gevolg zijn van de eigen onderzoeksdaden van de beroepscommissie niet voorafgaand aan de bestreden beslissing aan verzoeker moesten worden voorgelegd. De verwerende partij stipt nog aan dat de bijkomende verklaringen van leerkrachten aan verzoeker werden toegezonden vóór het instellen van de huidige schorsingsprocedure, zodat verzoeker in de mogelijkheid was om er wettigheidsbezwaren tegen aan te voeren. Tot slot weerspreekt de verwerende partij dat de beroepscommissie door haar werkwijze blijk geeft van tendentieuze bedoelingen. IX-10.568-25/64 8.3.1. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing wat de clausulering betreft in belangrijke mate steunt op het aangevuld administratief dossier zonder dat daarbij een nieuwe hoorzitting werd georganiseerd, zodat de motivering “gebrekkig is en niet afdoende onderbouwd”. Verzoeker zet voorts – weliswaar onder de toevoeging dat “het niet aan de Raad van State toekomt om zich in de plaats van de beroepscommissie te stellen en zich er over uit te spreken” – uiteen welk verweer hij ten overstaan van de beroepscommissie met betrekking tot de hiervóór vermelde verklaringen zou hebben gevoerd, had hij daartoe de kans gekregen: “Betreffende het aanvullend stuk van de vakleerkracht wiskunde: o Zelfs als aangenomen kan worden dat [verzoeker] de leerplandoelstelling voor dit vak onvoldoende heeft behaald, wat in beginsel blijkt uit het jaartekort, dan nog blijkt uit de analyse van de leerkracht niet overtuigend dat er sprake is van een onoverkomelijk gebrek aan abstractievermogen. De leerkracht gaat weliswaar dieper in op de niet-behaalde leerplandoelstelling (15/41), maar laat de behaalde leerplandoelstellingen volledig buiten beschouwing. Het merendeel van de leerplandoelstellingen werd nochtans wel behaald (26/41). Verzoekers hadden de behaalde leerplandoelstellingen afgezet tegen de niet-behaalde en bepaalde overlappingen aangeduid. o Daarnaast is het opmerkelijk dat uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de leerkracht slechts 4 niet-behaalde leerplandoelstellingen rechtstreeks kan koppelen aan belangrijk geachte leerplan-doelstellingen van het volgend schooljaar in een doorstroomrichting, nl. LPD-nummers 24, 22, 36

(2x)en 33
(2x)ten overstaan van LPD-nummers 9, 13, 17, 24 en 29. Dit wringt met de conclusie dat de kansen van [verzoeker] in een doorstroomrichting van het 1ste jaar van de 2de graad ‘zo goed als onmogelijk zijn’. o Op dit punt stelt de leerkracht vervolgens in tegenstrijdige termen dat dit gegeven de kansen ‘ernstig beperkt’. Ernstig beperken is uiteraard niet gelijk te stellen aan ‘zo goed als onmogelijk zijn’. o De leerkracht stelt op te algemene wijze verder dat [verzoeker] onvoldoende abstractievermogen heeft zonder dit te staven met concrete elementen van het dossier. Haar stelling houdt overigens geen stand tegen de objectieve vaststelling dat [verzoeker] 27 leerplandoelstellingen wel heeft behaald en bovendien wel degelijk een significante progressie heeft gemaakt van het 2de naar het 3de trimester (grote toets: 39=>59%; algemeen: 34% => 49%). De leerkracht maakt daarbij ook geen onderscheid tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroom-finaliteit, te weten domeinoverschrijdende en IX-10.568-26/64 domeingebonden richtingen, waarbij de abstractiekenmerken nochtans wezenlijk verschillend zijn. o Dat [verzoeker] overigens in de dubbele finaliteit ‘betere kansen’ heeft om te slagen voor wiskunde is de evidentie zelf. Dat de leerkracht ten slotte zelfs voor de dubbele finaliteit op de rem gaat staan en ‘bezorgdheid’ uit over de slaagkansen van [verzoeker] in de dubbele finaliteit maakt de analyse tendentieus en ongeloofwaardig. o Op gebied van geloofwaardigheid is het tenslotte veelzeggend dat de leerkracht in de analyse een geheel andere duiding en interpretatie geeft aan haar vakcommentaren dan de gebruikelijke betekenis van haar woorden. Voor verzoekers (en iedereen die ze onder ogen kreeg) behoefden de commentaren geen verduidelijking: ‘Stel volgend jaar zeker vragen indien je iets niet begrijpt en ga in op alle remediëringsmomenten die worden aangeboden. Als je dit alles in acht neemt, zal je zien dat je punten aanzienlijk zullen stijgen.’ Dit betekent niet meer en niet minder dan dat de leerkracht de tekorten – in tempore non suspecto – toeschreef aan een te passieve houding m.b.t. het stellen van vragen en het deelnemen aan aangeboden remediëringsmomenten en bovenal dat zij een aanzienlijke verbeteringsmarge zag als [verzoeker] dit alles in acht zou nemen. Indien zij het gebrek aan abstractievermogen als eindconclusie helder voor ogen had, is het vreemd dat zij dat niet in alle eerlijkheid heeft vermeld als commentaar op het einde van het schooljaar. Ook op het individueel syntheseblad worden de resultaten verklaard door te weinig inzet en niet door een gebrek aan abstractievermogen. Betreffende het aanvullend stuk van de vakleerkracht Frans o Het moet benadrukt dat [verzoeker] een jaarslaagcijfer behaalde voor dit vak en derhalve geacht kan worden dat hij de leerplandoelen in voldoende mate heeft bereikt om over te gaan naar het volgend schooljaar. Als de beroepscommissie het anders ziet dient zij dat op ‘zeer overtuigende wijze’ aan te tonen aan de hand van concrete en objectieve elementen uit het leerlingendossier. o Hij duidt een aantal niet-behaalde leerplandoelstellingen aan. De wel behaalde doelstellingen laat hij echter onbesproken, hoewel de beroepscommissie uitdrukkelijk had gevraagd ook de wel behaalde leerplandoelstellingen op te lijsten. o Ongeacht het feit dat [verzoeker] voor Frans geslaagd is, put de leerkracht zich uit om alle tekorten aan te stippen om ten slotte te besluiten dat [verzoeker] slechts 5 van de 10 leerplandoelstellingen heeft bereikt wat ‘de slaagkansen van [verzoeker] sterk verklein[t]’. ‘Sterk verkleinde slaagkansen’ is niet hetzelfde als zo goed als onbestaande kansen. Het feit dat de leerstof niet zou worden herhaald in de 2de graad is overigens manifest onjuist. Ook hier maakt de leerkracht geen onderscheid tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit (DO/DG). Betreffende het aanvullend stuk van de vakleerkracht Nederlands o De leerkracht komt tot de conclusie dat hij ‘absolute zekerheid heeft dat het advies binnen de dubbele finaliteit het enige juiste advies is.’ (sic) IX-10.568-27/64 o Hij somt een vijftal leerplandoelstelling op waarvan het niet duidelijk is of [verzoeker] deze nu behaald heeft of niet. Hij heeft het over leerplandoelstellingen die weliswaar behaald zijn, maar met zwakke resultaten. Dit weerlegt niet het gegeven dat [verzoeker] een jaarslaagcijfer behaalde en derhalve de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. Of dit als dan niet met eerder ‘zwakke’ cijfers gebeurde is niet relevant en ondersteunt alleszins niet de stelling dat [verzoeker] onvoldoende abstractievermogen zou hebben. De cijfers zijn een momentopname van een moeilijk leerjaar waarin de leerling met concentratieproblemen en motivatie te kampen had hetgeen zich uitte in onvoldoende inzet. [D]e cijfers sluiten niet uit dat er progressiemarge is. o De leerkracht hanteert theoretische richtlijnen maar legt geen concreet verband met evaluatiestukken (zoals toetsen). Onvolledig dus en niet te verifiëren. o Ook deze leerkracht legde in eerste instantie een verband tussen de zwakke cijfers en het gebrek aan inzet. Niet aan een gebrek aan abstractievermogen. Betreffende het aanvullend stuk van de leerlingbegeleider en de klassenleraar van het eerste leerjaar: o Het psychosociaal functioneren wordt ter sprake gebracht maar op school werd op dit vlak zo goed als niets ondernomen. Verzoekers werden desbetreffend alleszins niet in kennis gesteld. De link die gelegd wordt naar het cognitief functioneren is ongefundeerd bij gebrek aan enig valabel onderzoeksresultaat. o Verzoekers zijn op zoek gegaan naar ondersteuning en hadden de beroepscommissie andere bevindingen van externe experten kunnen voorleggen die een geheel ander licht werpen op de aanwezige problematiek. Hun visie weerspreekt wat de door de beroepscommissie bevraagde leerkrachten verklaren in de door hen opgestelde aanvullende dossierstukken. o [Verzoeker] staat op advies van professionals op de wachtlijst voor diagnostisch onderzoek naar mogelijke leer- of aandachtsstoornissen. De geraadpleegde externen zijn allen expert in hun vakgebied, m.n. een psychiater, een klinisch orthopedagoog en een leraar wiskunde-chemie met een master in de educatieve studies en in de biostatistiek die geacht worden met kennis van zaken te spreken. (zie stukken 22, 23 en 24).” 8.3.2. De verwerende partij doet in haar nota met opmerkingen vooreerst gelden dat verzoeker zich ook hier enkel beroept op een schending van de hoorplicht en dat hij zelf aangeeft niet te verwachten dat de Raad van State over zijn grieven standpunt inneemt. Wat de door verzoeker uitgeschreven kritiek op de bijkomende verklaringen van de leerkrachten betreft, werpt de verwerende partij een exceptie IX-10.568-28/64 obscuri libelli op, omdat “de punten van kritiek dermate summier en op niet onderbouwde wijze worden weergegeven dat het voor verwerende partij nagenoeg onmogelijk is om op deze kritieken te antwoorden”. Ondergeschikt antwoordt de verwerende partij, wat die kritieken betreft, het volgende: “21. In zijn puntgewijze kritiek gaat verzoekende partij allereerst in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde (stuk 1.a):  Hierover stelt verzoekende partij dat de behaalde leerplandoelen buiten beschouwing gelaten werden en dat als hij de kans gehad zou hebben dat hij dan de behaalde leerplandoelen zou hebben afgezet tegen de niet behaalde en dat hij overlappingen zou hebben aangeduid. Dit heeft verzoekende partij thans niet gedaan in diens verzoekschrift. Nochtans kan verzoekende partij de behaalde leerplandoelen zeer duidelijk afleiden uit het Leerplan Wiskunde voor de 1ste graad A-stroom.[…] Verzoekende partij toont derhalve op geen enkele wijze aan dat de onderbouwde conclusie van de vakleerkracht wiskunde op basis van de niet-behaalde leerplandoelen onjuist zou zijn. Evenmin wordt aangetoond dat de motivering van de beroepscommissie op dit punt niet draagkrachtig of niet deugdelijk zou zijn.  In zijn tweede punt haalt verzoekende partij aan dat zogenaamd maar 4 niet-behaalde leerplandoelen rechtstreeks te koppelen zijn aan belangrijk geachte leerplandoelen van het volgend leerjaar in een doorstroomrichting. Dit zou zogenaamd wringen met de conclusie die hieraan gekoppeld wordt. Deze kritiek getuigt evenwel van een onvolledige lezing van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde en van de bestreden beslissing. De vakleerkracht wiskunde licht immers ook nog bijkomend toe welke onderdelen niet behandeld worden in de dubbele finaliteit en zij licht ook nog toe hoe de huidige tekortkomingen van verzoekende partij in de basisdoelen van het leerplan in de eerste graad directe gevolgen hebben voor zijn kansen in de doorstroomfinaliteit. Ook in de bestreden beslissing wordt er nog bijkomend op gewezen dat de niet behaalde leerplandoelen zich situeren in alle rubrieken van het Leerplan Wiskunde voor de 1ste graad A-stroom.  Ook het derde punt van kritiek getuigt opnieuw van een onvolledige lezing van deze verklaring. De vakleerkracht komt uiteindelijk immers tot de eindbeoordeling dat verzoekende partij niet zal slagen voor wiskunde voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit.  In diens vierde punt van kritiek geeft verzoekende partij aan dat op te algemene wijze zou worden gesteld dat verzoekende partij onvoldoende abstractievermogen heeft, maar ook dit is niet correct. De vakleerkracht wiskunde legt heel nauwkeurig uit waar de tekortkomingen van verzoekende partij zich juist situeren en licht duidelijk toe dat er geen slaagkansen voor wiskunde zijn voor alle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit. IX-10.568-29/64  Als vijfde punt van kritiek geeft verzoekende partij aan dat de analyse van de vakleerkracht wiskunde tendentieus en ongeloofwaardig zou zijn, omdat zij nog bezorgdheid uit over de slaagkansen van verzoekende partij binnen de dubbele finaliteit. Nochtans toont verzoekende partij op geen enkele manier de ongeloofwaardigheid van de stellingen van de vakleerkracht wiskunde aan, noch toont verzoekende partij aan dat er onterecht bezorgdheid geuit wordt.  Tot slot trekt verzoekende partij de geloofwaardigheid van de vakleerkracht wiskunde ook nog in twijfel, omdat zij nadere toelichting geeft bij haar vakcommentaar op het jaarrapport. Er is evenwel geen enkele reden om aan de waarachtigheid van de verklaring van de vakleerkracht wiskunde of haar deskundigheid terzake te twijfelen. Het gegeven dat de vakleerkracht wiskunde verzoekende partij niet volledig heeft willen afbreken in haar vakcommentaar op het jaarrapport hoewel er een waslijst van werkpunten gegeven werd, getuigt enkel en alleen van de coachende houding die een vakleerkracht aanneemt. De schriftelijke verklaring van de vakleerkracht wiskunde maakt evenwel voor eens en voor altijd duidelijk dat deze vakleerkracht, die geacht wordt kennis van zaken te hebben en die geacht wordt deskundig te zijn, van oordeel is dat verzoekende partij voor wiskunde geen slaagkansen heeft binnen de doorstroomfinaliteit. Het blijkt duidelijk dat verzoekende partij de bekwaamheid, deskundigheid en geloofwaardigheid van de vakleerkracht wiskunde in twijfel trekt, zonder hier enige reden toe te hebben. Daarnaast blijkt uit de voorgaande overwegingen dat verzoekende partij de schriftelijk verklaring van de vakleerkracht wiskunde onvolledig en onjuist gelezen heeft, waardoor geen van de aangevoerde kritieken pertinent is. 22. Vervolgens gaat verzoekende partij in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans (stuk 1.b):  Hierover stelt verzoekende partij in eerste instantie louter dat er sprake was van een jaarslaagcijfer, waardoor de beroepscommissie op zeer overtuigende wijze zou moeten aantonen aan de hand van concrete en objectieve elementen uit het dossier waarom verzoekende partij toch de kans moet worden ontzegd om over te gaan naar een volgend schooljaar binnen de doorstroomfinaliteit. De beroepscommissie heeft dit echter uitvoerig gedaan, waardoor dit niet nader onderbouwde punt meteen van de hand gewezen kan worden.  Verder haalt verzoekende partij louter aan dat de behaalde leerplandoelen niet besproken werden door de vakleerkracht Frans, maar hij licht niet toe waarom dit een probleem zou zijn of waarom dit zou leiden tot de onwettigheid van de tweede deelbeslissing van de bestreden beslissing. De vakleerkracht Frans heeft voor haar analyse trouwens gebruik gemaakt van de eindtermen, de niet-behaalde eindtermen vermeld en toegelicht en tevens een overzicht van alle eindtermen bij haar schriftelijke verklaring gevoegd. Het is derhalve evenzeer duidelijk welke eindtermen wel behaald werden.  In het derde en laatste punt van kritiek op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans geeft verzoekende partij aan dat de IX-10.568-30/64 vakleerkracht Frans louter spreekt van sterk verkleinde slaagkansen voor Frans. Om deze reden spreekt ook de beroepscommissie in haar bestreden beslissing evenwel ook van het feit dat verzoekende partij geen redelijke slaagkansen voor Frans heeft. Het is niet duidelijk welke tegenstrijdigheid verzoekende partij de vakleerkracht Frans of de beroepscommissie aldus verwijt. De vakleerkracht Frans heeft in haar verklaring evenmin gesteld dat de leerstof niet zou worden herhaald in de 2de graad. Zij heeft louter gesteld dat binnen de doorstroomfinaliteit minder aandacht wordt besteed aan herhaling. Verder geeft de vakleerkracht Frans in haar schriftelijke verklaring ook duidelijk te kennen dat haar analyse betrekking heeft op alle leerplannen van de tweede graad voor Frans binnen de doorstroomfinaliteit. Al de kritieken van verzoekende partij in dit punt getuigen aldus opnieuw van een onvolledige lezing van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Frans en van een onvolledige lezing van de bestreden beslissing. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat verzoekende partij ook de schriftelijk[e] verklaring van de vakleerkracht Frans onvolledig en onjuist gelezen heeft, waardoor geen van de aangevoerde kritieken pertinent is. 23. Verzoekende partij gaat ook nog in op de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands (stuk 1.c):  In diens eerste punt wordt vooreerst geen kritiek geuit. Het is dus niet duidelijk wat verzoekende partij hiermee bedoelt.  In het tweede punt van kritiek stelt verzoekende partij dat er sprake is van onduidelijkheid in de verklaring van de vakleerkracht Nederlands, maar dit komt louter door de onvolledige lezing die verzoekende partij aan elke schriftelijke verklaring geeft. Daarnaast waagt verzoekende partij zich aan opportuniteitsoordelen die opnieuw geen rekening houden met de volledige draagwijdte van de schriftelijke verklaring van de vakleerkracht Nederlands. De vakleerkracht Nederlands licht nochtans duidelijk toe waarom de slaagkansen van verzoekende partij binnen de doorstroomfinaliteit onvoldoende gegarandeerd kunnen worden.  In het derde punt van kritiek wordt de leerkracht Nederlands verweten dat het verband niet zou worden gelegd met evaluatiestukken. Nochtans volstaat het dat de vakleerkracht een analyse maakt op basis van de leerplandoelen. De vakleerkracht Nederlands deed overigens meer dan dat en verwees ook naar de drie indicatoren volgens het Katholiek Onderwijs Vlaanderen die te maken hebben met abstractie, autonomie en complexiteit en die kunnen helpen bij de oriëntering van de leerling. Er kan de vakleerkracht Nederlands bijgevolg geenszins verweten worden dat diens analyse onvolledig of onvoldoende onderbouwd zou zijn. Het gaat te ver om van de leerkrachten te eisen dat elk evaluatiestuk van het afgelopen schooljaar afzonderlijk besproken wordt.  In het vierde punt van kritiek stelt verzoekende partij tot slot nog dat de vakleerkracht Nederlands in eerste instantie een verband legde tussen de zwakke cijfers en het gebrek aan inzet en niet aan een gebrek aan abstractievermogen. Dit is evenwel niet correct. De vakleerkracht IX-10.568-31/64 Nederlands heeft ook op het individueel syntheseblad van de delibererende klassenraad duidelijk aangegeven waar de pijnpunten bij verzoekende partij juist zitten, net zoals uitgebreider het geval is in de schriftelijke verklaring. (stuk 6) 24. Tot slot gaat verzoekende partij ook nog in op de aanvullende stukken van de leerlingenbegeleider en de klassenleraar van het eerste leerjaar (stuk 23 en 24):  Verzoekende partij stelt dat het psychosociaal functioneren ter sprake gebracht wordt en dat de school op dit vlak zo goed als niets ondernomen heeft. Het is evenwel geheel niet duidelijk wat verzoekende partij de leerlingenbegeleider of verwerende partij in dit verband concreet verwijt. Waar gaat dit punt van kritiek juist over? De leerlingenbegeleider bespreekt de zaken die hij en de vakleerkrachten bij verzoekende partij hebben opgemerkt en welke verdere begeleiding geboden werd aan verzoekende partij. Ook stelt verzoekende partij dat de link die gelegd wordt met het cognitief functioneren ongefundeerd is bij gebrek aan enig valabel onderzoeksresultaat. Verzoekende partij spreekt in raadselen en licht geenszins concreet toe wat hij bedoelt, waardoor niet duidelijk is wat verwerende partij juist verweten wordt.  In zijn tweede punt van kritiek haalt verzoekende partij aan dat op zoek gegaan werd naar ondersteuning en dat verzoekende partij de beroepscommissie andere bevindingen van zijn externe experten had kunnen voorleggen wat de verklaringen van de vakleerkrachten zou weerspreken. Verzoekende partij laat evenwel na verder toe te lichten wat hij concreet bedoelt of om naar bevindingen van externe experten te verwijzen, waardoor verwerende partij opnieuw in het duister tast en dus niet weet wat verzoekende partij de beroepscommissie juist verwijt.  Tot slot wordt in het laatste punt van kritiek aangehaald dat verzoekende partij op de wachtlijst staat voor diagnostisch onderzoek naar mogelijke leer- of aandachtstoornissen. Er wordt benadrukt dat de geraadpleegde externen allen expert zijn in hun vakgebied. Opnieuw is evenwel niet duidelijk wat verzoekende partij de beroepscommissie, de leerkrachten of de leerlingenbegeleider juist verwijt. Er wordt in dit punt niet op de minste wijze aannemelijk gemaakt dat er niet correct gehandeld zou zijn door de verschillende organen van verwerende partij, laat staan dat de zogenaamde onwettigheid van de bestreden beslissing op dit vlak op enige wijze wordt onderbouwd.” Beoordeling 9.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet op het eerste gezicht het volgende worden vastgesteld. 9.2. De leerling oefent het recht om zijn standpunt nuttig naar voren IX-10.568-32/64 te brengen uit volgens de regels van de Codex Secundair Onderwijs, namelijk bij het overleg, vervolgens door middel van het geschreven en gemotiveerde bezwaarschrift bij het schoolbestuur en ten slotte door het horen in persoon door de beroepscommissie. 9.3. Artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, van de vóórmelde Codex luidt: “[…] 3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie; 4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder ‘stappen’ kan onder meer worden verstaan:
  1. a)het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
  2. b)het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
  3. c)het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling […].” 9.4. Niet wordt betwist dat verzoeker is gehoord. Dat gebeurde zelfs tweemaal: vóór het nemen van de initiële beslissing van de beroepscommissie op 21 augustus 2024 en vervolgens op 3 oktober 2024, voorafgaand aan de thans bestreden beslissing. 9.5.1. Prima facie lijkt, wat de draagwijdte van de hiervóór aangehaalde bepaling betreft, te gelden wat de Raad van State eerder reeds heeft overwogen in de arresten ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.350 en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518. Noch in artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs, noch in een andere codexbepaling is, zo lijkt, te lezen dat de “stappen” die de beroepscommissie vermag te zetten, onderworpen zijn aan tegenspraak. De beroepscommissie beschikt over eigen onderzoeksbevoegdheden en de stukken die zij toevoegt aan het dossier – stukken die zij heeft opgevraagd bij de leden van de IX-10.568-33/64 klassenraad of die zij zelf heeft uitgewerkt – zijn bijgevolg op het eerste gezicht geen stukken die vanuit het oogpunt van haar beslissing post factum zijn opgesteld. De door de beroepscommissie op grond van artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs na te leven hoorplicht houdt prima facie niet in dat die stukken aan de leerling ter kennis moeten worden gebracht of dat de leerling daarover standpunt moet kunnen innemen, alvorens de beroepscommissie tot haar beslissing komt. Met het nemen van een beslissing die mede steunt op aanvullende informatie die zij zelf heeft verzameld, schept de beroepscommissie mogelijk enkel voor zichzelf het risico dat de leerling zich in het kader van het schorsingsverzoek tegen de evaluatiebeslissing kan beroepen op de onjuistheid van die informatie waarop de beroepscommissie steunt – dat vormt te dezen ook het voorwerp van het tweede middelonderdeel – maar dit kan prima facie op zich de evaluatiebeslissing niet vitiëren op grond van de hoorplicht. Voor zover verzoeker artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs – op zich of in samenhang met de ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur – anders leest, overtuigt het eerste middelonderdeel vooralsnog niet. 9.5.2. De conclusie kan, wat de hoorplicht betreft, anders luiden wanneer het gaat om stukken die niet door de beroepscommissie worden toegevoegd, maar die ab initio van het leerlingendossier deel moeten uitmaken en waarvan de leerling desgevraagd inzage en kopie moet krijgen, zoals bijvoorbeeld de verbeterde examenkopijen. Het zijn in casu evenwel niet dergelijke stukken die het voorwerp van verzoekers grief uitmaken. Bovendien en louter ten overvloede kan op het eerste gezicht noch uit de nota die verzoeker op de hoorzitting van 3 oktober 2024 heeft neergelegd, noch uit het verslag van die hoorzitting worden opgemaakt dat verzoeker om het opstellen en toevoegen van de verklaringen van de leerkrachten heeft gevraagd, laat staan dat voor een repliek daarop enig voorbehoud is geformuleerd. IX-10.568-34/64 9.5.3. In dat opzicht overtuigt het eerste middelonderdeel in de huidige stand van het geding niet. 9.6.1. Waar verzoeker doet gelden dat er een gevaar van vooringenomenheid bestaat doordat hij de verklaringen van de leerkrachten niet door externe deskundigen heeft kunnen laten beoordelen om daaromtrent ten overstaan van de beroepscommissie standpunt in te nemen, lijkt aan verzoeker te moeten worden tegengeworpen dat deze “vooringenomenheid” niet nader wordt uitgewerkt en dat subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die aannemelijk maken dat het bestuur niet onpartijdig heeft gehandeld. Dergelijke overtuigende bewijzen liggen niet voor. Evenmin wordt in de huidige stand van de procedure aangenomen dat de beroepscommissie door haar handelwijze een tendentieuze doelstelling zou hebben nagestreefd. 9.6.2. Ook in dat opzicht is het middelonderdeel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 9.7.1. De “post factum toegevoegde analyses en zienswijzen van enkele leerkrachten” maken volgens verzoeker geen deel uit van het leerlingendossier. Dat dossier immers, zo stelt verzoeker, is het dossier dat in eerste instantie werd beoordeeld door de klassenraad. Voor zover verzoeker hiermee betoogt dat het dossier dat aan een deliberatiebeslissing van de klassenraad ten grondslag ligt een statisch gegeven is waarvan de inhoud na de beraadslaging door die klassenraad niet meer kan wijzigen, lijkt verzoeker zich te vergissen. Aangezien de beroepscommissie als orgaan van actief bestuur verplicht is om haar oordeel te steunen op alle haar bekende feitelijke gegevens, valt niet uit te sluiten dat zij daarbij nieuwe gegevens moet betrekken die aan de klassenraad nog niet bekend waren en in voorkomend geval moet uitleggen waarom die nieuwe gegevens niet relevant zouden zijn. Die IX-10.568-35/64 nieuwe gegevens kunnen, zoals sub 9.5.1 reeds is overwogen, in toepassing van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, van de Codex Secundair Onderwijs voortkomen uit de autonome onderzoeksbevoegdheid van de beroepscommissie, maar kunnen ook door de leerling worden aangevoerd. 9.7.2. In die zin is het eerste middelonderdeel evenmin ernstig. 9.8. Het eerste middelonderdeel is, voor zover prima facie ontvankelijk, niet ernstig. 10. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel overweegt de Raad van State wat volgt. 11.1. Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. 11.2. Naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (‘het organisatiebesluit’) betekent een B-attest dat – onder meer – de leerling het tweede leerjaar van de eerste graad “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”. Een clausulering betekent dan weer dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd” (artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit). De vaststelling dat een leerling het leerjaar “met vrucht” heeft beëindigd, doet vooralsnog aannemen dat de tekorten die hij heeft behaald géén reden waren om hem te beschouwen als niet-geslaagd voor het desbetreffende jaar. In dat geval zou hij immers een C-attest hebben gekregen. Het lijkt eveneens te doen aannemen dat de motivering van een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot een welbepaalde onderwijsvorm of finaliteit moet worden ontzegd. Het aanvechten van een B-attest binnen het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere IX-10.568-36/64 woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden. 11.3. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit), en wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen of zelfs een gehele onderwijsvorm of finaliteit niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dát schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling – of van zijn ouders. Een klassenraad of een beroepscommissie kan op basis van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent, verkiest echter in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroeps-commissie bij het uitreiken van een B-attest tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is immers geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. De vooruitblik van de beroepscommissie is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet zij deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke IX-10.568-37/64 slaagkansen van een leerling in een volgend jaar relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. Artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit bepaalt nog dat de clausulering “studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk [mag] verengen”. 11.4. Uit wat voorafgaat volgt, samengevat, dat van een beroeps-commissie die beslist een clausulering op te leggen, een sterk doorgedreven motivering mag worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt – de uitdrukkelijke en afdoende vermelding van de motieven in de beslissing – als vanuit materieel oogpunt – de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag van die beslissing in het dossier. De beroepscommissie zal met overtuigende motieven moeten aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting of een studierichting binnen een bepaalde finaliteit zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting of in een andere studierichting binnen die finaliteit aan te vatten. 12. Toegepast op de voorliggende zaak, moet in de huidige stand van de procedure worden vastgesteld wat volgt. 13. Voor zover verzoeker opnieuw doet gelden dat de verklaringen van de leerkrachten aanleiding hadden moeten geven tot een nieuwe hoorzitting, zonder dewelke de motivering van de bestreden beslissing “gebrekkig en niet afdoende” is, kan worden verwezen naar wat hiervóór sub 9.5.1 bij de bespreking van het eerste middelonderdeel voorlopig is geoordeeld. De werkwijze van de beroepscommissie an sich lijkt dan ook geen schending van het zorgvuldigheids-beginsel of de materiëlemotiveringsplicht te kunnen worden verweten. IX-10.568-38/64 14. Verzoeker bekritiseert de clausulering van alle studierichtingen in de doorstroomfinaliteit aan de hand van de sub 8.3.1 aangehaalde kritiek op de bijkomende verklaringen van de vakleerkrachten wiskunde, Frans en Nederlands en de leerlingbegeleider. Anders dan de verwerende partij betoogt, kunnen deze grieven van verzoeker prima facie niet enkel op de hoorplicht, maar ook op de door verzoeker aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht worden betrokken. De verwerende partij kan op het eerste gezicht evenmin worden bijgevallen in haar stelling dat verzoeker met betrekking tot zijn kritiek in het geheel geen beoordeling van de Raad van State verwacht. Verzoeker erkent terecht, zo lijkt, dat het niet aan de Raad toevalt om zich in de plaats van de beroepscommissie te stellen en zich inhoudelijk over de kritiek uit te spreken, maar dit verhindert op het eerste gezicht niet dat de Raad, zoals verzoeker vraagt, een gebrek in de motivering mag onderzoeken. Verzoekers kritiek lijkt ook voldoende duidelijk en concreet om te kunnen worden begrepen – ook door de verwerende partij overigens, die er concreet op ingaat – zodat de exceptie obscuri libelli vooralsnog wordt verworpen. 15. De vakleerkracht wiskunde, daarin bijgevallen door de beroepscommissie, steunt haar inschatting dat verzoeker voor dat vak niet zal slagen binnen de doorstroomfinaliteit – samengevat – op een gebrek aan de vereiste abstractie en complexiteit, wat dan weer berust op de vaststelling dat verzoeker voor 14 van de 41 basisleerplandoelen niet is geslaagd en dat die zich binnen alle onderdelen of rubrieken van het leerplan bevinden. Met een jaarcijfer van 44% mag in beginsel worden aangenomen dat verzoeker de leerplandoelen van het vak wiskunde in het tweede jaar van de eerste graad niet in voldoende mate heeft behaald. De beroepscommissie lijkt de feitelijke gegevens in het leerlingendossier van verzoeker niet te miskennen wanneer zij, mogelijk streng maar daarom niet onwettig, oordeelt dat dit resultaat verantwoordt dat bepaalde studierichtingen in het eerste jaar van de tweede graad van verzoekers principiële keuze moeten worden uitgesloten. IX-10.568-39/64 Waar verzoeker de beroepscommissie verwijt dat de analyse van de vakleerkracht voorbijgaat aan het feit dat hij behaalde leerplandoelstellingen heeft afgezet tegen de niet-behaalde en bepaalde overlappingen heeft aangeduid, moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat een dergelijk betoog niet in het bezwaar of het verzoekschrift is uiteengezet. In dat opzicht lijkt het middel feitelijke grondslag te missen. Waar verzoeker stelt dat de vakleerkracht geen onderscheid maakt tussen de verschillende studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit – namelijk domeinoverschrijdende dan wel domeingebonden richtingen – lijkt verzoeker voorbij te gaan aan het gegeven dat in de verklaring van de vakleerkracht uitdrukkelijk is aangegeven dat op bepaalde niet-behaalde leerplandoelen wordt voortgebouwd in het leerplan van de doorstroomfinaliteit, met uitdrukkelijke vermelding (leerplandoelen 9, 17 en 24) van de door verzoeker beoogde studierichting ‘bedrijfswetenschappen’. Ook in dat opzicht mist het middel prima facie feitelijke grondslag. Vooralsnog wordt aangenomen dat de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht niet miskent wanneer zij in het vak wiskunde een aanleiding ziet om een clausulering te overwegen. 16.1. Voor Frans (53%), Nederlands (57%) en geschiedenis (58%) behaalde verzoeker een slaagcijfer. Die punten moeten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Aangenomen moet worden dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer, ook wanneer de klassenraad of de beroepscommissie IX-10.568-40/64 dat cijfer ‘zwak’ of ‘nipt’ noemt. Daaruit volgt, in beginsel, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt hij ook geslaagd verklaard. Wil een klassenraad of een beroepscommissie aan een leerling een oriënteringsattest B toekennen en dus de studiekeuze van die leerling beperken op grond van bepaalde deeltekorten binnen één of meer vakken waarvoor de leerling in globo wel een slaagcijfer liet optekenen, dan dient die beslissing, zoals sub 11.4 reeds aangegeven, met de grootste zorgvuldigheid te worden onderbouwd en gemotiveerd. 16.2. Voor Frans heeft verzoeker, volgens de verklaring van de vakleerkracht, vijf ‘eindtermen’ niet behaald. Welke eindtermen verzoeker wél heeft behaald en hoe die zich tot de niet-behaalde eindtermen verhouden, valt uit die verklaring niet te vernemen. Aldus blijkt op het eerste gezicht niet dat in het eerste jaar van de tweede graad in de doorstroomfinaliteit op de wél behaalde eindtermen net minder zou worden voortgebouwd. De door de beroepscommissie bijgevallen conclusie dat verzoeker – die op grond van vijf van de tien behaalde eindtermen het voorbije schooljaar een slaagcijfer behaalde – tegen “zeer sterk verkleind[e]” slaagkansen zou aankijken – of, in de woorden van de beroepscommissie zelfs “geen redelijke slaagkansen” heeft – lijkt vooralsnog niet op afdoende concrete elementen in het dossier te berusten. In het bijzonder laat de verklaring van de vakleerkracht Frans prima facie niet toe te besluiten dat verzoekers slaagkansen voor dit vak in álle studierichtingen binnen de doorstroomfinaliteit op dezelfde wijze kunnen worden benaderd, zodat vooralsnog met verzoeker wordt meegegaan in zijn betoog dat, voor zover het vak Frans daartoe wordt aangehaald, de omvang van de clausulering niet op deugdelijke motieven lijkt te berusten. 16.3. Voor Nederlands behaalde verzoeker, zoals gezien, een jaarcijfer van 57%. Uit de verklaring van de vakleerkracht kan op het eerste gezicht IX-10.568-41/64 niet met zekerheid worden afgeleid of verzoeker één of meer leerplandoelen niet heeft behaald. Zelfs indien moet worden aangenomen dat de zin “[d]aarnaast zijn er enkele leerplandoelen die bereikt zijn” wordt voorafgegaan door de niet bereikte leerplandoelen, dan moet worden vastgesteld, zo lijkt, dat dit er slechts drie van de achttien zijn. Alvast bij het eerste daarvan – leerplandoel ‘I-NEDa 4 (uitbreidingsdoel 02.02)’ – lijkt niets te zijn vermeld dat zelfs maar impliciet doet aannemen dat verzoeker die doelstelling niet heeft bereikt, laat staan waarom. Ook wat dit vak betreft wordt verzoeker voorlopig bijgevallen in zijn kritiek dat de bestreden beslissing de omvang van de clausulering niet deugdelijk onderbouwt. 17. Het tweede onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. 18. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, behoort het tot de bevoegdheid en de opdracht van de beroepscommissie om na heroverweging een nieuwe beslissing te nemen. Het staat niet aan de Raad van State om daarop vooruit te lopen. Slechts in algemene zin derhalve, en aansluitend op wat sub 16.1 reeds in herinnering is gebracht, overweegt de Raad wat volgt. De Raad van State gaat uit van het vermoeden van deskundigheid dat, tot weerlegging ervan, kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht. Wat de evaluatiebeslissing van de klassenraad betreft, is dat vermoeden thans ook opgenomen in artikel 115/6, § 2, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs. Aangenomen wordt immers dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens of grote toetsen hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben IX-10.568-42/64 verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Met die uitgangspunten lijkt moeilijk verenigbaar, een beslissing die aan een leerling uit het tweede jaar van de eerste graad A-stroom, spijts een slaagcijfer voor alle vakken uitgezonderd één, een dermate ruime clausulering oplegt dat alle opleidingen binnen de doorstroomfinaliteit worden uitgesloten. Het in voldoende mate bereiken van de leerplandoelen voor een vak – en dus het behalen van een slaagcijfer – sluit immers op het eerste gezicht in beginsel ook in dat de leerling wat dat vak betreft, voldoende is voorbereid om een volgend leerjaar aan te vatten. Tot slot stipt de Raad van State nog aan dat artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit het delibererend orgaan erop wijst dat clausulering studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk mag verengen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 19. Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt: IX-10.568-43/64 “26. De beroepscommissie beslist met een zeer uitvoerige formele motivering om het oriënteringsattest B met clausulering voor alle richtingen van de doorstroomfinaliteit te handhaven. Bij lezing van deze motivering komen verzoekers tot de conclusie dat een zorgvuldige beroepscommissie na een dergelijke uiteenzetting van zoveel tekorten en niet-behaalde leerplandoelstellingen tot een C-attest zou besluiten. Alvast zou een C-attest vreemd genoeg de studiekeuzevrijheid in hoofde van verzoekers in mindere mate beperken. 27. Het is dan ook in eerste instantie grievend voor verzoekers dat de beroepscommissie – ook al produceert zij voor de handhaving van het B-attest bladzijden aan motieven – desalniettemin halsstarrig blijft vasthouden aan het negatief advies voor overzitten. Zij is weliswaar ingevolgde art. 82 § 1 van het Organisatiebesluit verplicht om desbetreffende een gunstig of ongunstig advies te geven. Wil zij een dergelijke voor verzoekers zeer beperkende beslissing handhaven, dient zij dit met grootste precisie te motiveren aan de hand van feitelijke elementen uit het dossier. Nattevingerwerk en veronderstellingen zijn niet dienstig. 28. De beroepscommissie verwijst op de eerste plaats naar een ‘analyse van wetenschappelijk onderzoek’ over zittenblijven waaruit volgens haar zou blijken dat zittenblijven geen effectieve maatregel is. Daarom, zo geeft zij aan, dat zij ‘geneigd is om het advies over overzitten ernstig te nemen’ en ‘niet standaard op gunstig te zetten’. (sic) Het valt evenwel niet in te zien hoe een analyse van wetenschappelijk onderzoek als theoretisch gegeven een deugdelijk motief kan zijn voor een deliberatiebeslissing over een leerling die bij uitstek dient rekening te houden met alle gegevens van het concrete dossier zijnde niet enkel de cijfermatige resultaten, maar ook de individuele context van elke leerling afzonderlijk. De beroepscommissie schendt hiermee de individuele rechten van de leerling. De analyse van het wetenschappelijk onderzoek in kwestie stelt bovendien niet dat overzitten in het algemeen een slechte maatregel is. Het besluit is veel genuanceerder, namelijk dat overzitten weliswaar gemiddeld genomen geen effectieve maatregel is, maar niet dat overzitten in geen geval een aangewezen maatregel zou zijn. Het gaat trouwens niet over een aparte studie maar over een optelsom van de resultaten van verschillende studies die op hun beurt een samenvatting zijn van een aantal studies. Telkens wordt benadrukt dat al dan niet overzitten uiteraard individueel moet worden beoordeeld. Men stelt in die studies vast dat er voor bepaalde groepen van leerlingen wel degelijk positieve effecten zijn en dat ook heel wat afhangt van de wijze waarop onderwijs wordt gegeven. De beroepscommissie lijkt dan ook al van in den beginne van de verkeerde aanname uit te gaan dat overzitten geen effectieve maatregel is en dus ook niet voor [verzoeker]. 29. De motivering van de beroepscommissie om het bindend negatief advies voor overzitten te handhaven is in hoofdzaak gesteund op de aanname dat overzitten voor [verzoeker] een aantal negatieve consequenties zal hebben. IX-10.568-44/64 Deze assumpties zijn louter hypothetisch en volstrekt speculatief. Op pagina 20 voorlaatste alinea van het beslissingsstuk bijvoorbeeld slaagt de beroepscommissie erin om in één zin achtereenvolgens drie veronderstellingen te vermelden: ‘zou aldus’ + ‘aanleiding kunnen geven’ + ‘wat kan leiden tot’. Deze aannames vinden bovendien geen objectieve steun in het leerlingendossier, wel integendeel. De motivering van dit onderdeel van de beslissing (bindend negatief advies voor overzitten) valt overigens niet te rijmen met de breedvoerige motivering tot handhaving van het B-attest met clausulering voor alle richtingen van de doorstroomfinaliteit. 30. Zo stelt de beroepscommissie eerstens dat [verzoeker] een ‘gebrek aan uitdaging’ zal hebben wat, volgens de beroepscommissie, kan leiden tot verveling en onderprestatie. Dit argument klinkt vreemd in het licht van het groot aantal werkpunten en tekorten die de beroepscommissie heeft weerhouden, niet alleen voor het vak wiskunde, maar ook voor Frans, Nederlands en geschiedenis. De kans op verveling lijkt dan ook veeleer gering, zo niet uitgesloten omdat in het dossier zeker geen steun te vinden is voor de aanname dat [verzoeker] bij overzitten lange tijd onder zijn niveau zou moeten werken en geen faalervaringen meer zou kunnen ervaren. De vrees voor een ‘gebrek aan motivatie’ is eveneens ongegrond. Een gebrek aan motivatie kan het gevolg zijn van te weinig uitdaging in de taken, wat in casu zoals gezegd onwaarschijnlijk is, maar het kan ook aan de leerling zelf of in de thuisomgeving liggen. Welnu uit het dossier blijkt integendeel dat [verzoeker] zelf gemotiveerd is om over te zitten in de studierichting met basisoptie economie en organisatie én dat hij gekozen heeft voor een internaat. (zie ook stuk 20 en 23) Daarbij komt dat een gebrek aan uitdaging, met mogelijk als gevolg verveling en onderprestatie, evengoed kan gelden in de dubbele finaliteit waarin [verzoeker] thans gedwongen werd zich in te schrijven. Verzoekers merken overigens op dat de eerste tekenen zich manifesteren in de huidige studierichting. Het motief dat de basisvorming 27 uur identiek is aan het vorige schooljaar is feitelijk onjuist. Niet alleen zijn er andere leermiddelen en methoden, er is ook de mogelijkheid om te differentiëren als dat in het belang van de leerling is. Dit staat trouwens in de leerplannen ingeschreven. In het specifiek geval van [verzoeker] is dat overigens een aangewezen methodiek om enerzijds in te zetten op het bijwerken van bestaande tekorten en anderzijds in voldoende uitdaging te voorzien voor vakken waarin [verzoeker] geen tekorten heeft. Bovendien zal [verzoeker] nieuwe vakken uit de basisoptie economie en organisatie hebben die 5 lesuren van de 32 lesuren per week bestrijken. Deze vakken sluiten bovendien meer aan bij zijn interesses wat het risico op verveling beperkt en bijgevolg veeleer gunstige gevolgen zal hebben op het vlak van inzet en motivatie. Het risico op een gebrek aan uitdaging is geen deugdelijk motief. Het vindt geen steun in de gegevens en concrete context van het voorliggend leerlingendossier. IX-10.568-45/64 31. Vervolgens stelt de beroepscommissie dat ‘de herhaling van alle leerstof of nagenoeg alle leerstof’ geenszins efficiënt is voor [verzoeker] omdat hij zal geconfronteerd worden met ‘heel wat leerstof die hij reeds beheerst’. Ook dit motiefonderdeel klinkt vreemd en zelfs ronduit contradictorisch in het licht van de motieven ter ondersteuning van de handhaving van het B-attest. Het motief is pertinent ondeugdelijk om dezelfde redenen als onder nummer 30 vermeld. [Verzoeker] zit bovendien in een andere school met andere lesmethoden waar wel meer ruimte is voor daadwerkelijk differentiërend onderwijs. Verder is geheel niet duidelijk wat de beroepscommissie bedoelt met de ‘unieke leersituatie’ en ‘specifieke leerbehoeften en leerstijl’ van [verzoeker]. Er is blijkens het leerlingendossier weliswaar een problematiek van inzet en motivatie waarop pas werd ingespeeld naar het einde van het derde trimester en die nota bene een voor de hand liggende verklaring biedt voor de ‘zwakke’ slaagresultaten en het jaartekort voor wiskunde. De beroepscommissie verwijst hier voor het eerst bij wijze van stijlformule naar specifieke leerbehoeften en leerstijl terwijl daarvan in het leerlingendossier niets van terug te vinden is. Bovendien ziet de beroepscommissie, zoals hoger reeds aangehaald, heel wat tekorten, zelfs voor de vakken waar slaagcijfers werden behaald. Het valt dan ook niet te begrijpen op welke wijze dit een geldig motief zou kunnen zijn om een negatief bindend advies voor overzitten te onderbouwen. 32. De beroepscommissie valt in herhaling met het motief dat in geval van overzitten de schoolse vooruitgang van [verzoeker] zal belemmerd worden. Dat de beroepscommissie er op dit punt op wijst dat [verzoeker] immers het tweede leerjaar wel met vrucht (en weliswaar met clausulering) heeft beëindigd, is, zo niet cynisch dan toch contradictorisch. Verzoekers merken opnieuw op dat dergelijk hypothetisch motief geen steun vindt in het leerlingendossier en derhalve niet deugdelijk is. Het is in het licht van de opgesomde tekorten (wiskunde en andere algemene vakken) niet ernstig om voor te houden dat het overzitten zal leiden tot ‘een zekere stagnatie van academische en persoonlijke ontwikkelingen’ van [verzoeker]. Nu reeds blijkt proefondervindelijk dat in de dubbele finaliteit sprake is van een zekere stagnatie, terwijl het overzitten integendeel wel de kans biedt om te komen tot een volledige ‘academische ontwikkeling’. 33. De beroepscommissie stelt verder, alweer gebaseerd op een wetenschappelijke theorie (?) dat de negatieve invloed van het overzitten op het zelfvertrouwen ‘niet te onderschatten is’. Zij vergeet evenwel dat [verzoeker] zelf ‘vragende partij’ is om over te zitten in de studierichting die beter aansluit bij zijn interesses dan STEM. De beroepscommissie gaat volledig voorbij aan het feit dat een ‘de facto verplichting’ om een studierichting te volgen waarvoor weinig of geen interesse bestaat bij de leerling pas echt demotiverend werkt. En nogmaals, [verzoeker] is vragende partij en heeft meermaals aangegeven te willen overschakelen naar economie en organisatie met als motivatie om volgend jaar te kunnen overgaan naar bedrijfswetenschappen. Van stigmatiseren is in hoofde van [verzoeker] alleszins geen sprake. De hypothese dat mogelijks andere leerlingen [verzoeker] zullen stigmatiseren IX-10.568-46/64 (lees: pesten) is in grote mate afhankelijk van het schoolbeleid en kan zeker geen argument zijn om een bindend negatief advies voor overzitten op te schragen. De beroepscommissie blijft blind voor de objectieve gegevens van het dossier die aangeven dat het welbevinden, de motivatie en inzet van [verzoeker] het voorbije schooljaar hoofdzakelijk in negatieve zin werden gedetermineerd door een foutieve studiekeuze. Het feit dat in het voorbije schooljaar geheel nieuwe leerstof werd aangeboden kon dit klaarblijkelijk niet verhinderen. 34. De beroepscommissie verwijst naar een verklaring van de klassenbegeleider van [verzoeker] in zijn eerste leerjaar waaruit zou blijken dat hij

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.