id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.299 Rolnummer: A. 232265/IX-9801 Zaak: Arrest 261299 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 04:26 Fiche Arrest nr 261.299 van 6 november 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.299 van 6 november 2024 in de zaak A. 232.265/IX-9.801 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep Waasland bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.
(1)of allereerst (2-8) in rekening gebracht. In het rapport wordt op vlak van sociaal-emotionele ontwikkeling en communicatie aangegeven dat er na de medicamenteuze aanpassingen een positieve evolutie merkbaar was. Echter, toch bleef het op veel momenten (toiletbezoeken, crea momenten, wandelingen, atelierwerking en levensbeschouwing) nog steeds zeer moeilijk (overprikkeling). De momenten waar er continue 1 op 1 begeleiding kon geboden worden (samen met de knikkerbaan spelen, samen houten parels op een stokje rijgen, samen de plantjes water geven) kon dan wel weer wat rust brengen. Echter, binnen een schoolse context (ook die van het buitengewoon onderwijs) is het geen mogelijkheid om voor elke leerling continue 1 op 1 begeleiding te voorzien, ook al hebben deze jongeren hier nood aan vanuit hun problematiek. In een klas zijn er namelijk 7 leerlingen, 1 leerkracht en 1 kinderverzorgster (die niet continu aanwezig is gezien de verzorgingen plaatsvinden in een ander lokaal). Wat betreft de informatie die wij ontvangen hebben omtrent de periode van lockdown (maart-juni 2020) is de klassenraad van mening dat deze berichtgeving onze beslissing van zowel 20 januari als 2 juli bevestigt. In die zin dat een andere omgeving (in dit geval de thuisomgeving), met veel minder drukte en prikkels, een positief effect heeft op het gedrag en gemoed van [verzoeker]. Eveneens zijn er bij [verzoeker] tijdens deze periode geen depressieve klachten waargenomen, waar er initieel wel angst voor was bij de ouders. Hierbij verwijzen we naar volgende neerslag van telefonisch contact in de periode maart-april 2020 (zie leerlingvolgsysteem): Papa vertelde nog eens heel het verhaal vanaf het laatste bezoek bij de psychiater tot op heden met volgende positieve gevolgen: [verzoeker] wordt ’s nachts maar 1 keer meer wakker, hij is sneller weer tevreden en kan weer genieten van zijn snoezelruimte. Dagelijks gaat papa een uur wandelen met [verzoeker] en vertelt hem dan heel wat leuke verhalen over de familie e.d.: dit vindt [verzoeker] super. [Verzoeker] is over het algemeen rustiger en hij lacht wat vaker, leuk! Ook de verslaggeving die we ontvangen hebben van de zomerkampen bevestigen voor de klassenraad de argumenten (overprikkeling, fysieke en verbale onrust) die we zowel in januari als juli aangehaald hebben om [verzoeker] niet meer te laten aansluiten binnen een schoolse context. Tijdens beide zomerkampen is er uitsluitend positief gedrag van [verzoeker] waargenomen. De klassenraad is van mening dat dit kan toegeschreven worden aan de rust die de setting (in dit geval het vakantieverblijf specifiek voor jongeren en volwassenen met een verstandelijke beperking) brengt. Zo heeft elke deelnemer zijn eigen kamer, zijn er meerdere ruimtes ter beschikking om activiteiten aan te IX-9801-10/28 bieden, kan er rechtstreeks (en onder direct toezicht) een aanbod voorzien worden buiten,… Daarnaast willen we ook verwijzen naar het feit dat de groep deelnemers even groot was als de groep van begeleiders. Waardoor continue 1 op 1 begeleiding mogelijk was. Zowel de fysieke context alsook de begeleidingsmogelijkheden zijn helaas binnen een schoolse context geen haalbare kaart omwille van praktische organisatie (zoals hierboven reeds vermeld werd). Op 1 september 2020 werd er vanuit de verpleging van de school contact opgenomen met de ouders van [verzoeker]. Dit om nogmaals na te gaan of er geen medisch consult geweest is bij Dr. [D.] na 14 maart
- Tijdens dit telefonisch consult werd aangegeven dat de medische en psychische toestand van [verzoeker] in de periode maart-augustus 2020 in die mate positief was dat een opvolg consult bij de psychiater niet aan de orde was. Ook dit bevestigt voor ons het gegeven dat het niet participeren binnen een schoolse context een positieve invloed heeft op het gemoed en gedrag van [verzoeker]. Gezien we als klassenraad onze beslissing moeten nemen in functie van het aan te bieden onderwijs blijven we het unaniem eens dat een schoolse context niet meer passend is voor [verzoeker] en keuren we bijgevolg geen derde verlenging goed. Huidige beslissing is een heroverweging, maar de klassenraad komt tot de bevinding dat de motivering van de beslissing van 2 juli 2020 – ook in het licht van de nu besproken bijkomende gegevens – inhoudelijk correct is. De klassenraad beschouwt de inhoud van deze eerdere beslissing als herhaald en deel uitmakend van de motivering van de huidige beslissing. Deze beslissing van 2 juli 2020 werd reeds eerder meegedeeld. Wel wordt er vanuit de klassenraad geadviseerd om de mogelijkheid tot permanent onderwijs aan huis te onderzoeken om toch vanuit de school nog aanbod te kunnen doen in een thuiscontext die veel meer rust kan bieden dan een schoolse setting en waar we tijdens dit contact ook de nodige continue 1 op 1 begeleiding kunnen garanderen. Op die manier hopen we de periode tot het volledig ontvangen van een PVB (in een positief scenario Dat is de bestreden beslissing. 3.
- Op 28 september 2020 dient verzoeker een aanvraag tot permanent onderwijs aan huis in bij de onderwijsinspectie van de Vlaamse overheid. Na een gunstig advies van Zorgpunt wordt aan verzoeker permanent onderwijs aan huis aangeboden door de school voor buitengewoon onderwijs ‘De leerexpert’ te Antwerpen, waar verzoeker sinds 23 november 2020 is ingeschreven. IX-9801-11/28 3.
- Bij arrest nr. 249.581 van 25 januari 2021 vernietigt de Raad van State de klassenraadbeslissing van 2 juli
- IV. Ontvankelijkheid - belang Standpunt van de partijen
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang, omdat permanent onderwijs aan huis werd toegekend en een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing voor verzoeker niet de mogelijkheid heropent om in het buitengewoon onderwijs les te volgen. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, is het belang van verzoeker erin gelegen dat hij naar school kan gaan in de voor hem vertrouwde schoolomgeving. Dat belang werd evenwel door verzoekers eigen keuze om enkel de nietigverklaring – en niet tevens de schorsing – van de bestreden beslissing te vragen, niet tijdens het schooljaar benaarstigd. Ook daarin ziet de verwerende partij een teloorgang van dat belang.
- Verzoeker betwist in de memorie van wederantwoord vooreerst dat de toekenning van onderwijs aan huis een terugkeer naar het regulier buitengewoon onderwijs uitsluit. Hij stipt bovendien aan dat er een verschil in lestijden is tussen het voltijds buitengewoon secundair onderwijs en het permanent onderwijs aan huis. Voorts betoogt verzoeker met verwijzing naar arrest nr. 105/2020 van het Grondwettelijk Hof dat het feit dat door het verstrijken van de tijd het beoogde voordeel – een derde verlenging van het leerrecht in SBSO De Baken – niet langer kan worden verkregen, niet noodzakelijk betekent dat hij het actuele belang bij de annulatieprocedure heeft verloren. Verzoeker stelt dat hij minstens een moreel belang bij de nietigverklaring behoudt, ook los van de IX-9801-12/28 vordering tot schadevergoeding tot herstel die hij in de memorie van wederantwoord instelt.
- In zijn laatste memorie licht verzoeker toe dat hij ondertussen een persoonsvolgend budget ontvangt en dat “dit betekent dat verzoeker bijgevolg strikt genomen niet meer in aanmerking kan komen voor een verlenging van zijn leerrecht na 21 jaar en dus in die zin geen gunstige beslissing van [de] verwerende partij meer kan bekomen”. In die zin, zo erkent verzoeker, kan het beroep tot nietigverklaring hem inderdaad geen voordeel meer opleveren. Verzoeker handhaaft evenwel zijn standpunt dat hij nog steeds blijk geeft van een afdoend moreel belang om de vernietiging van de bestreden beslissing na te streven. Beoordeling
- Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert.
- Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Het voordeel moet in beginsel méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. IX-9801-13/28
- Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Wel ligt het op de weg van een verzoekende partij, wanneer er twijfel rijst omtrent haar actueel belang en zeker wanneer daarover een onderbouwde exceptie wordt opgeworpen, om aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die kunnen aantonen dat zij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt. Met wat een verzoekende partij desgevraagd voor de Raad doet gelden, schetst zij zelf de contouren waarom het haar (nog) te doen is en de Raad moet met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. 10.
- Het voordeel dat verzoeker met het voorliggende beroep oorspronkelijk nastreefde, bestond er essentieel in door de nietigverklaring van de bestreden beslissing na de leeftijd van 21 jaar opnieuw toegang te krijgen tot het buitengewoon secundair onderwijs. Artikel 293, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs luidt als volgt: “Een klassenraad van een leerling aangewezen op opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, kan, indien zij hiertoe een schriftelijke verlengings-aanvraag krijgt van de betrokken personen, een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs in functie van het behalen van het attest. Dit is mogelijk indien deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Deze verlengingsaanvraag moet uiterlijk op 1 IX-9801-14/28 september voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is.” Uit deze bepaling volgt dat een verlenging van het leerrecht slechts mogelijk is indien de leerling nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart. 10.
- In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat hij “inmiddels het noodzakelijke persoonsvolgend budget ontvangen heeft” en dus geen aanspraak meer kan maken op een verlenging van het leerrecht. De Raad begrijpt uit dit laatste dat ook aan de voorwaarde dat de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart, is voldaan. Aan verzoeker werd bovendien het recht op permanent onderwijs aan huis – en dus, zij het via het onderwijs aan huis, toegang tot het buitengewoon secundair onderwijs – toegekend. 10.
- Een vernietiging van de bestreden beslissing kan verzoeker derhalve niet meer het beoogde voordeel opleveren, zodat hij in dat opzicht geen blijk geeft van het rechtens vereiste actueel belang.
- Verzoeker beroept zich in zijn laatste memorie op een nog bestaand moreel belang “zoals uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord” en hij voert nog aan dat de bestreden beslissing een grote impact had op hemzelf en op zijn gezin.
- Zoals reeds aangestipt, moet het voordeel voor verzoeker in beginsel méér zijn dan de morele genoegdoening die hij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissingen, inzonderheid om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk. IX-9801-15/28 13.
- In de memorie van wederantwoord omschrijft verzoeker zijn moreel belang als volgt: “Een onwettige beslissing heeft immers verhinderd dat hij nog (tijdig) kon worden toegelaten tot het regulier buitengewoon onderwijs in SBSO Baken, wat heeft geresulteerd in een (noodgedwongen) aanvraag tot [permanent] thuisonderwijs. Hoewel dit thuisonderwijs op zich zonder noemens-waardige problemen verloopt is het wel zo dat [verzoeker] zo veel minder uren aan schoolse begeleiding en leermomenten heeft (in plaats van voltijds school naar 4 x 50min per week) én is weggehaald uit zijn vertrouwde schoolse omgeving waar hij reeds 10 jaar vertoefde, zodat deze omschakeling alles behalve evident is en verzoeker de nodige schade heeft toegebracht. Verzoeker heeft bovendien maanden in onzekerheid geleefd, waar er normaal in februari of maart 2020 al duidelijkheid had moeten zijn over het verdere traject van verzoeker. Bovendien zijn er heel wat tijd en kosten in extra administratie en contacten met personen gekropen. Niet in het minste wordt dit alles nog versterkt door het gegeven dat de school een absoluut gebrek aan hulp en geen bereidheid tot overleg kan worden verweten.” 13.
- De bestreden beslissing berust, gelet op de context waarbinnen ze tot stand is gekomen, onvermijdelijk op het gedrag van verzoeker, maar ze steunt niet op een afkeuring van zijn persoonlijk handelen. In dat opzicht levert verzoeker niet het bewijs van een moreel belang dat verder gaat dan de morele genoegdoening zoals beschreven sub
- 13.
- Voor zover verzoeker aanvoert dat “de nodige schade” werd toegebracht door het feit dat hij door de bestreden beslissing is “weggehaald uit zijn vertrouwde schoolse omgeving waar hij reeds 10 jaar vertoefde”, moet worden opgemerkt dat, onverminderd wat sub 10.2 reeds is opgemerkt, een vernietiging van die beslissing verzoeker hoe dan ook geen afdwingbaar recht op een nieuwe inschrijving in SBSO Baken verschaft. 13.
- Het betoog dat de omschakeling naar de nieuwe school niet evident was, dat verzoeker maanden in onzekerheid heeft geleefd en dat “heel wat tijd en kosten in extra administratie en contacten met personen [zijn] gekropen” – versterkt door het gegeven dat de school een gebrek aan hulp en gemis aan bereidheid tot overleg wordt verweten – kan in het licht van de vereiste van het IX-9801-16/28 actueel belang evenmin overtuigen. Een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan immers de klok niet terugdraaien en biedt evenmin vergoeding voor de aangevoerde kosten. 13.
- Het gegeven dat verzoeker door de overschakeling naar permanent onderwijs aan huis minder lestijden onderwijs heeft genoten, kan ten slotte evenmin worden beschouwd als een moreel nadeel dat op enige wijze door een nietigverklaring van de bestreden beslissing zou kunnen worden gekeerd, zodat ook op grond daarvan verzoeker geen afdoend actueel belang aantoont.
- De conclusie luidt dan ook dat verzoeker geen blijk geeft van het rechtens vereiste actueel belang bij het beroep tot nietigverklaring, dat bijgevolg onontvankelijk is.
- Een beoordeling van het enige middel is evenwel nog steeds vereist, met het oog op het onderzoek van verzoekers vordering tot betaling van een schadevergoeding tot herstel. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker steunt een enig middel op een schending van artikel 293, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (Organisatiebesluit 2002), het schoolreglement, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht.
- In wat kan worden beschouwd als een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing in wezen steunt op een principiële beslissing van de directeur om geen derde verlenging van het leerrecht toe te staan. Verzoeker voert aan dat de weigering tot verlenging van het leerrecht reeds in een nota opgesteld naar aanleiding van een overleg met verzoekers ouders en aan hen IX-9801-17/28 toegezonden op 20 december 2019, en dus vóór de beslissing van de klassenraad, uitdrukkelijk in het vooruitzicht was gesteld en dat het schoolreglement geen bepaling bevat die een principiële weigering van een derde verlenging mogelijk maakt.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de klassenraad unaniem tot een eigen beoordeling is gekomen en in de beslissing van 2 juli 2020 reeds uitdrukkelijk heeft aangegeven zich daarbij niet gebonden te achten door “enige algemene richtlijn of veto van de schooldirectie”. Dat de klassenraad zich niettemin door het principiële standpunt van de directeur zou hebben laten leiden, blijft volgens de verwerende partij onbewezen.
- In wat voorkomt als een tweede middelonderdeel, bekritiseert verzoeker de zorgvuldigheid van de feitenvinding en de materiële motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker stelt zich ernstige vragen bij het uitgangspunt dat zijn situatie erger en zelfs onbeheersbaar was geworden. Hij voert aan dat hij tijdens zijn laatste weken op school herhaaldelijk en voor langere tijd preventief in een prikkelarme ruimte (PAR) werd geplaatst, terwijl dit enkel als allerlaatste redmiddel zou mogen worden ingezet. Bovendien werden verzoekers ouders hierover niet ingelicht en liggen geen stukken voor die aantonen dat een plaatsing in de PAR noodzakelijk was. Het gebruik van de PAR kan voor verzoeker dan ook niet als bewijs voor problematisch gedrag – en dus als motief voor de bestreden beslissing – worden aangevoerd. Bovendien, zo stelt verzoeker, komt de bestreden beslissing niet tegemoet aan de overwegingen die hebben geleid tot het schorsingsarrest van 28 juli
- De beslissing steunt immers ten eerste enkel op observaties tussen december 2019 en januari 2020, zonder rekening te houden met evoluties die zich nadien hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen in medicatie en de weerslag daarvan op verzoekers gedrag. Nochtans wordt een positieve evolutie ter zake uitdrukkelijk vermeld in het perioderapport 2 (januari-juni 2020). Ten tweede IX-9801-18/28 betoogt verzoeker dat de klassenraad hem weliswaar, ter uitvoering van het vóórmelde schorsingsarrest, heeft uitgenodigd om bijkomende documenten neer te leggen, maar vervolgens nalaat om heel wat van die documenten inhoudelijk bij de beoordeling te betrekken. Ten derde en daarbij aansluitend, is het voor verzoeker al te kort door de bocht dat de klassenraad uit een aantal stukken afleidt dat verzoeker (enkel) door een één-op-één-begeleiding – die de school stelt niet te kunnen bieden – tot rust kon komen, hetzij tijdens een zomerkamp, hetzij thuis. Ter zake wijst verzoeker er op dat uit het rapport voor de periode september-december 2018 blijkt dat de school wél één-op-één-begeleiding kan bieden en dat, omgekeerd, die begeleiding tijdens de zomerkampen of bij de thuisopvang niét voortdurend aanwezig was. De overweging van de klassenraad gaat volgens verzoeker bovendien voorbij aan het gegeven dat er, dankzij een aanpassing in de medicatie, ook binnen de schoolse context reeds een positieve verandering in zijn gedrag werd waargenomen. De verdere verbetering die de verhoging van de medicatie na medio maart 2020 nog tot gevolg had, kon door de school niet meer worden waargenomen omwille van de lockdown ten gevolge van de coronacrisis. Dit medisch aspect blijft volgens verzoeker ten onrechte geheel onbesproken. Overigens, zo stelt verzoeker, was er zelfs vóór de aanpassing van de medicatie en de invoering van een actieplan al een positieve evolutie merkbaar – wat erop duidt dat verzoekers wisselend en soms problematisch gedrag, veroorzaakt door zijn specifieke aandoening, niet nieuw was en integendeel zijn hele schoolcarrière kenmerkt. Verzoeker besluit dat de klassenraad zich bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte heeft gefocust op de periode van januari 2020 tot 13 maart 2020 en dat de positieve evolutie in zijn gedrag in de volgende maanden ten onrechte buiten beschouwing is gelaten, waarbij niet de moeite werd genomen om de door verzoeker aangeleverde bijkomende stukken ter beoordeling aan het (para)medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel van de school voor te leggen.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat verzoekers ouders ervan op de hoogte waren dat verzoeker regelmatig werd afgezonderd en dat het gebruik van de PAR ook met hen werd overlegd. Van een louter preventieve inzet van de PAR is volgens de verwerende partij geen sprake. IX-9801-19/28 Voorts stelt de verwerende partij dat verzoeker in het schooljaar 2018-2019 steeds vaker en ernstiger gedrag vertoonde, dat afbreuk doet aan de schoolse omgeving voor verzoeker én voor de andere leerlingen, en dat uit het verslag van 13 maart 2020 blijkt dat verzoekers medicatie geen langdurig positief effect had. Uit de navolgende verhoging van de dosis leidt de verwerende partij af dat ook de kans op neveneffecten is verhoogd. Van de navolgende periode wordt volgens de verwerende partij geen enkel objectief stuk voorgebracht. Daarnaast betoogt de verwerende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk tegemoetkomt aan de overwegingen van het méérvermelde schorsingsarrest van 28 juli 2020: er werd immers bijkomende informatie opgevraagd en die werd ook inhoudelijk besproken. De verwerende partij meent dat uit de motieven van de bestreden beslissing eveneens blijkt dat rekening werd gehouden met het rapport over de periode januari-juni 2020 en dat het daarin weergegeven problematisch gedrag in de schoolse context niet wordt weggenomen door bepaalde vastgestelde verbeteringen. In de goedkeuring van de aanvraag tot permanent onderwijs aan huis ziet de verwerende partij de bevestiging van de wettigheid van de bestreden beslissing, omdat dit veronderstelt dat het volgen van secundair onderwijs op school “permanent” onmogelijk is. Tot slot zet de verwerende partij uiteen dat de wijzigingen in verzoekers gedrag eigen zijn aan zijn aandoening, en dus voorzienbaar: met het ouder worden is er een stagnatie en terugval in de leercurve, wat leidt tot frustratie en overprikkeling. In dat geval, zo stelt de verwerende partij, is de school geen geschikte plaats meer en moet worden overgeschakeld op een één-op-één-begeleiding in de zorgsector.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de toekenning van het recht op permanent onderwijs aan huis binnen het decretaal kader de terugkeer naar het voltijds buitengewoon secundair onderwijs uitsluit. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, bevestigt de toekenning van het recht op POAH dat verzoeker zich in de permanente onmogelijkheid bevindt om onderwijs op school te volgen. Wat de motivering van de bestreden beslissing betreft, stelt de IX-9801-20/28 verwerende partij nog dat aan de klassenraad slechts een beperkt stukkenbundel werd overgemaakt en dat bij de beoordeling daarvan aan de zorgvuldigheidsplicht werd voldaan. Aan de invloed van verzoekers medicatie werd niet voorbijgegaan, aangezien de klassenraad overweegt dat er na de medicamenteuze aanpassingen een positieve evolutie merkbaar was, maar dat het op veel momenten nog steeds zeer moeilijk bleef door overprikkeling en dat ogenblikken van één-op-één-begeleiding wat rust konden brengen. Beoordeling
- De Raad van State merkt vooreerst op dat verzoeker nalaat om uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing artikel 3 van het Organisatiebesluit 2002 zou schenden. In dat opzicht is het enige middel bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede moet worden aangestipt dat dit besluit luidens zijn artikel 1 van toepassing is “op het voltijds gewoon secundair onderwijs en op opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs” en dus niet op opleidingsvorm 1 van het buitengewoon secundair onderwijs waarin verzoeker was ingeschreven. Voor zover het enige middel steunt op het Organisatiebesluit 2002 is het derhalve alleszins ongegrond.
- Wat het eerste middelonderdeel betreft, volgt uit artikel 293, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs dat wanneer geen bepaling in het schoolreglement is opgenomen dat verlengingen van het leerrecht nooit worden toegestaan, de klassenraad bij elke individuele aanvraag ter zake over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing, zoals sub 3.6 aangehaald, blijkt dat de klassenraad tot een eigen inhoudelijke beoordeling van verzoekers aanvraag is gekomen, waarin – onverminderd wat hierna ten aanzien van het tweede middelonderdeel wordt overwogen – in concreto wordt ingegaan op de door verzoeker voorgelegde stukken. Die beslissing verwijst noch uitdrukkelijk, noch impliciet naar een beslissing van de directeur en uit niets blijkt IX-9801-21/28 dat het eerder door de directeur ingenomen standpunt de beslissing van de klassenraad op doorslaggevende wijze heeft beïnvloed. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft, valt over verzoekers gedrag op school in het “verslag schools functioneren in het kader van consultatie bij psychiater […]” van 7 februari 2020 het volgende te lezen: “[Verzoeker] komt dagelijks naar school. Hij maakt deel uit van een belevingsgerichte klas van 7 leerlingen waarin een aanbod gegeven wordt op vlak van communicatie, sensomotoriek, sociaal-emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling en zelfredzaamheid. Het aanbod is voor alle domeinen afgestemd op een ontwikkelingsleeftijd tussen 0 tot 24 maanden, waarbij [verzoeker] gemiddeld gezien kan gescoord worden op een ontwikkelings-leeftijd van 12 maanden. Het gedrag van [verzoeker] op school is zeer wisselend. Op momenten is hij heel rustig en vrolijk, maar door externe prikkels kan dit gedrag snel omslaan in onrust. Vaak verandert zijn gedrag als andere leerlingen onrustig zijn of als er iemand plots aan de deur staat en de klas binnenkomt. Hij gaat dan wenen/roepen/krijsen, bijt in zijn arm/hand en/of slaat op andere leerlingen en begeleiding. Bijna dagelijks wordt er gebruik gemaakt van onze snoezelruimte, waar [verzoeker] individueel en in alle rust muziek kan luisteren en weer kalm kan worden. De speeltijden blijven een moeilijk moment voor [verzoeker] en het is niet aangenaam voor hem om op de speelplaats te vertoeven. Het alternatief is dat hij naar de rustige speelruimte kan gaan of in de gang kan zitten op een stoel. Sinds begin december 2019 is er een negatieve verandering merkbaar in het gedrag van [verzoeker]. Waar er voordien nog rustige en vrolijke momenten waren, zijn deze op heden bijna niet meer aanwezig. Hij stelt dan bovengenoemd gedrag (wenen/roepen/krijsen, bijten in zijn arm/hand, slaan op andere leerlingen en begeleiding) en vlucht weg uit de klas, de snoezelruimte, … Ook tijdens momenten dat er een rustig leer- en leefklimaat is. Het wegvluchten uit de situatie is absoluut een nieuw gegeven op school. In het kader daarvan zijn we sinds kort (27/01/2020) van start gegaan met rustmomenten in te bouwen in onze prikkelarme ruimte (PAR). Deze kan [verzoeker] niet zelf verlaten. [Verzoeker] gaat hier bij aanvang van de schooldag en tijdens alle speeltijden naar toe. Waar we tijdens de eerste week vaak een zeer rustige [verzoeker] konden observeren (zitten, liggen en slapen), zien we nu ook hier meer een onrustige [verzoeker] (staan, zitten, naar de deur gaan, wenen/roepen/krijsen en bijten in zijn arm/hand). Mits alle praktische aanpassingen die er binnen de schoolse context doorgevoerd zijn, merken we weinig tot geen verandering in het gedrag van [verzoeker]. Hij blijft op zijn manier aangeven zich niet goed te voelen.” IX-9801-22/28 Die beoordeling steunt, zo niet uitsluitend dan toch in zeer grote mate, op observaties tijdens de maanden december 2019 en januari
- In het licht van verzoekers argument dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de gunstige evolutie na januari 2020, leert het perioderapport 2 (januari-juni 2020) – dat omwille van de lockdown slechts strekt tot 13 maart 2020 – het volgende: “
- Sociaal-economische ontwikkeling: […] Periode 2: januari 2020 – 13 maart 2020 Het was een onrustige start van het nieuwe jaar voor [verzoeker]. We merkten dat het moeilijk was voor hem om [verzoeker] rust in de klas te vinden. […] Hij kwam bijna niet tot een of andere klasactiviteit tijdens deze periode omdat de onrust in hem dat niet toeliet. […] Na intern overleg en een aantal extra klassenraden omtrent het probleemgedrag van [verzoeker] werd er een actieplan opgesteld io met de ouders: - afspraak met psychiater [Dr. D.] - aanpassing huidige medicatie - verblijf in de PAR op vaste momenten - verblijf in de snoezelruimte op vaste momenten - halve week mee op bosklassen - informatie omtrent drukvest inwinnen - mogelijkheid tot time-out Deze actiepunten, waaronder ook een aanpassing en verhoging van zijn medicatie, zorgden er al snel voor dat we een positieve verandering merkten in zijn gedrag. [Verzoeker] was rustiger en het was opvallend dat hij langer aan tafel kon blijven zitten om te eten of om deel te nemen aan de activiteiten. Je zag hem af en toe weer genieten doordat hij ging lachen of een dansje deed als de radio wat harder ging. Kort na deze aanpassingen zijn we in lockdown gegaan omwille van het Coronavirus.” en “
- Communicatie: […] Na de aanpassingen zoals hierboven omschreven was dit duidelijk beter: hij werd minder opdringerig en je zag hem weer meer luisteren doordat hij zijn hoofd draaide en weer oogcontact maakte.”
- Hieruit blijkt dat twee ingrepen tot een “positieve verandering” in verzoekers gedrag hebben geleid: eensdeels met betrekking tot de medische opvolging (een afspraak met de psychiater en een aanpassing van de medicatie) en anderdeels aanpassingen in de schoolse context (verblijf in de PAR op vaste IX-9801-23/28 momenten, verblijf in de snoezelruimte op vaste momenten, halve week mee op bosklassen, informatie inwinnen over drukvest en mogelijkheid tot time-out). De effecten van navolgende aanpassingen in de medicatie kon de klassenraad niet meer vaststellen, aangezien de school kort na 13 maart 2020 in lockdown is gegaan. Wat de periode vanaf de lockdown betreft, zijn – onder andere – twee relevante contacten met verzoekers ouders voorhanden. Met een e-mail van 15 maart 2020 deelt verzoekers vader aan de school mee dat een bezoek aan de psychiater heeft geleid tot een verhoging van de voorgeschreven medicatie en een verbetering van het slaappatroon. Uit een nota over een gesprek tussen verzoekers ouders en de school van 23 maart 2020 blijkt dat de positieve gevolgen van de voormelde medicamenteuze aanpassingen zich bestendigen. Mogelijke bijwerkingen zullen worden besproken met de psychiater, maar verzoeker slaapt beter, is rustiger en beter geluimd. Een mindere periode na de paasvakantie schrijven de ouders toe aan de gevolgen van de lockdown, waardoor verzoeker school, familie en uitstapjes begint te missen. 26.
- In de bestreden beslissing motiveert de klassenraad, die verzoeker sinds de lockdown niet meer op school heeft opgevolgd, zijn beslissing tot weigering van de verlenging van het leerrecht aan de hand van de volgende overwegingen. De klassenraad stelt vooreerst dat er na de medicamenteuze aanpassingen een positieve evolutie merkbaar was, maar dat het op veel momenten zeer moeilijk bleef en dat de school de voor verzoeker noodzakelijke één-op-één-begeleiding niet kan bieden. Die beschouwing heeft betrekking op de periode van januari tot 13 maart
- Ter zake moet worden opgemerkt dat de klassenraad – nog steeds – stilzwijgend blijft over de bijstellingen in verzoekers medicatie ná 13 maart 2020 en de door verzoekers ouders gemelde positieve gevolgen daarvan. Dat getuigt niet van een behoorlijke feitenvinding. Waar de verwerende partij aan verzoeker verwijt geen “objectief stuk” over die periode voor te leggen of geen nieuwe consultaties bij de psychiater te hebben IX-9801-24/28 georganiseerd, moet worden opgemerkt dat de zorgvuldigheidsplicht bij het verzamelen van de nodige relevante gegevens om verzoekers situatie te beoordelen in de eerste plaats op de klassenraad rust en die bewijslast niet naar verzoeker kan worden verschoven. Bovendien hébben verzoekers ouders op verzoek van de klassenraad bijkomende informatie aangeleverd, met inbegrip van een toelichting waarom er geen nieuwe consultatie bij de psychiater heeft plaatsgevonden – namelijk dat verzoekers toestand tot augustus dermate was verbeterd dat dit niet nodig werd geacht. De klassenraad heeft in de bestreden beslissing niet aangegeven dat hij door leemten in de beschikbare informatie verhinderd was om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Het euvel dat de aanpassingen in verzoekers medicatie en de gevolgen daarvan onbesproken blijven, ondergraaft ook de volgende overweging van de klassenraad, namelijk dat de positieve evolutie in verzoekers gedrag alleen aan de overschakeling naar een thuissituatie wordt toegeschreven. Waar de klassenraad voorts de positieve evolutie in verzoekers gedrag thuis en tijdens de zomerkampen uitsluitend toeschrijft aan het voorhanden zijn van een één-op-één-begeleiding – wat door verzoeker overigens wordt betwist – moet worden vastgesteld dat de klassenraad nalaat om de wijzigingen in verzoekers medicatie en de gedragswijziging die daaraan wordt toegeschreven, bij die beoordeling te betrekken. 26.
- Door de beschikbare informatie over verzoekers toestand na 13 maart 2020 niet in concreto bij zijn beslissing te betrekken, miskent de klassenraad de materiëlemotiveringsplicht.
- De stelling van de verwerende partij dat uit de goedkeuring van de aanvraag tot POAH ipso facto volgt dat de beslissing van de klassenraad correct is, overtuigt niet. De plicht tot naleving van de materiëlemotiveringsplicht rust op de klassenraad op het ogenblik van het nemen van de beslissing. Hiervóór is vastgesteld dat de klassenraad heeft nagelaten om de meest recente informatie IX-9801-25/28 omtrent verzoekers (medische) toestand bij zijn beoordeling te betrekken. Dat euvel kan, om verschillende redenen, niet post factum worden goedgemaakt door te verwijzen naar een latere beslissing van de onderwijsinspectie omtrent het toekennen van het recht op POAH. Deze laatste beslissing is immers niet alleen op een ander tijdstip genomen, ze steunt ook op andere stukken en heeft bovenal geen betrekking op de vraag die de klassenraad uitgerekend wél diende te beantwoorden, namelijk of verzoeker in concreto in SBSO Baken nog een derde jaar verlengd leerrecht kon krijgen.
- Het tweede middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Kosten
- De vaststelling van een onwettigheid verantwoordt dat de verwerende partij tot de gedingkosten wordt veroordeeld en dat verzoeker met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding als de in het gelijk gestelde partij moet worden beschouwd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State heropent het debat over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9801-26/28 IX-9801-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-9801-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.299 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div