id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.311 Rolnummer: A. 240817/IX-10396 Zaak: Arrest 261311 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 08/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-12 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 04:27 Fiche Arrest nr 261.311 van 8 november 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.311 van 8 november 2024 in de zaak A. 240.817/IX-10.396 In zake: de DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/23-0268 van de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 1 december
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.719 van 29 januari 2024 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.396-1/16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met de thans bestreden beslissing BC/23-0268 doet de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen op 1 december 2023 uitspraak over een beroep van huidige verweerder in cassatie IX-10.396-2/16 tegen een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen – huidige verzoeker in cassatie – van 17 oktober 2023 tot hernieuwing van de plaatsing van verweerder in een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”). In de bestreden beslissing schetst de beroepscommissie de nuttige feiten ter beoordeling van het beroep. Dit feitenrelaas leert het volgende. Verweerder komt op 14 oktober 2022 aan in de penitentiaire instelling te Beveren nadat hij vanuit Zwitserland uitgeleverd was aan België. Op 10 november 2022 neemt de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een beslissing tot IBVR, die door de beroepscommissie wordt vernietigd. Op 22 december 2022 neemt de directeur-generaal een nieuwe beslissing tot IBVR. Op 17 februari 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van de plaatsing in IBVR. Op 23 maart 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep van verweerder hiertegen gedeeltelijk gegrond, wat het glasbezoek van de ouders van verweerder betreft. Ter uitvoering van deze beslissing van de beroepscommissie neemt de directeur-generaal op 29 maart 2023 een nieuwe beslissing, waarin hij verwijst naar vertrouwelijke informatie om het bezoek achter glas voor de ouders te handhaven. Verweerder tekent opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie verklaart dat beroep op 15 april 2023 gegrond. Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. IX-10.396-3/16 Op 20 april 2023 besluit de directeur-generaal tot een hernieuwing van het IBVR van 22 december
- De beroepscommissie verklaart verweerders beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond op 15 juni
- Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. Op 1 juni 2023 hernieuwt de directeur-generaal het IBVR. De maatregel van beperking van bezoek wordt gemilderd om tegemoet te komen aan verweerders vraag om bezoek van zijn minderjarige kind te ontvangen. Op 19 juni 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor de periode van 20 juni 2023 tot 18 augustus
- Op 28 juli 2023 verklaart de beroepscommissie verweerders beroep tegen deze beslissing ongegrond. Op 18 augustus 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor de periode van 19 augustus 2023 tot 17 oktober
- Op 26 september 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond voor wat het aspect betreft van het ontnemen of onthouden van scherpe of gevaarlijke voorwerpen. Op 17 oktober 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor een periode van twee maanden. Het IBVR omvat de volgende maatregelen: “- Uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten; - Systematische controle van inkomende en uitgaande briefwisseling; - Glasbezoek; • Deze maatregel is niet van toepassing voor het bezoek van zijn advocaat. • Het bezoek van de eigen ouders en de partner en het kind van [verweerder] kunnen doorgaan onder de vorm van individueel tafelbezoek in de juryberaadslagingsruimte, onder begeleiding van 2 penitentiair beambten. Er geldt een verbod van overdracht van IX-10.396-4/16 documenten en voorwerpen en fysiek contact is beperkt tot een korte begroeting bij aanvang en einde van het bezoek. • Eenmaal per week is een videobezoek van 20 minuten met de partner van [verweerder] toegestaan onder auditief en visueel toezicht; - Gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon; - Systematische toepassing van het onderzoek aan de kledij; - Observatie om de 120 minuten, met uitzondering in de periode tussen 21u en 6u10; - Verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte.” Op 1 december 2023 vernietigt de beroepscommissie deze beslissing op vordering van huidige verweerder in cassatie. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 118, §§ 2, 3 en 7, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”): “
- Art. 118 § 1 van de Basiswet voorziet dat de beslissing tot plaatsing in een IBVR door de directeur-generaal wordt genomen en dit op voorstel van de directeur.
- Art. 118 § 2 van de Basiswet voorziet dat het voorstel dat de directeur formuleert aan de directeur-generaal wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde.
- Art. 118 § 3 van de Basiswet voorziet dat – alvorens de directeur zijn voorstel indient bij de directeur-generaal – de directeur de gedetineerde in kennis stelt van de inhoud en de motieven van zijn voorstel en hem de gelegenheid geeft zijn verweermiddelen te laten gelden.
- Art. 118 § 7 van de Basiswet voorziet dat bij een hernieuwing van het IBVR het voorstel van de directeur aan de directeur-generaal dient vergezeld te zijn van een psycho-medisch verslag, waarbij ook de bepalingen van §§ 1 tot 4 gelden. IX-10.396-5/16
- De Beroepscommissie stelt in de bestreden beslissing dat het voorstel van de directeur omtrent de hernieuwing van het IBVR een psycho- medisch verslag moet omvatten, waaruit zij besluit dat het psycho- medisch verslag een inherent en onlosmakelijk deel uitmaakt van het voorstel van de directeur en zodoende ook aan de wederpartij had moeten overgemaakt worden in het kader van de hoorplicht.
- De Basiswet vermeldt nergens dat het psycho-medisch advies voorzien in art. 118 § 4 moet opgesteld zijn voorafgaand aan de hoorzitting met de gedetineerde en al zeker niet dat dit verslag dan voorafgaandelijk aan de hoorzitting aan de gedetineerde zou moeten worden meegedeeld. De Beroepscommissie heeft een voorwaarde aan art. 118 van de Basiswet toegevoegd en het aldus geschonden.” Verzoeker licht toe dat uit de formulering van artikel 118, § 7, van de basiswet blijkt dat het psycho-medisch verslag een afzonderlijk stuk is dat bij het voorstel van de directeur dient te worden gevoegd en dat de beide stukken aan de directeur-generaal worden bezorgd. Zowel paragraaf 2 als paragraaf 7 vermelden uitdrukkelijk dat het medisch verslag, casu quo het psycho-medisch verslag het voorstel vergezellen. Er wordt nergens vermeld dat de medische of psycho-medische verslagen één geheel vormen met het voorstel zelf. In de wet staat niet wanneer dit medisch/psycho-medisch verslag wordt opgesteld. Het verslag dient te zijn opgesteld uiterlijk bij het toezenden van het voorstel door de directeur aan de directeur-generaal. Nergens in de wet staat dat de directeur op het medisch of het psycho-medisch verslag steunt bij zijn voorstel tot plaatsing in een IBVR. Nergens in de wet wordt bepaald dat de directeur het medisch verslag aan de gedetineerde dient mee te delen. Ter gelegenheid van de hoorzitting kan de gedetineerde zijn verweermiddelen laten gelden met betrekking tot het voorstel van de directeur, niet wat het medisch/psycho-medisch verslag betreft. Door te bepalen dat de directeur het medisch verslag of psycho-medisch verslag dient mee te delen aan de gedetineerde en a fortiori door te bepalen dat deze mededeling aan de hoorzitting dient vooraf te gaan, legt de beroepscommissie de directeur een verplichting op die niet in de wet staat. Het toevoegen van deze voorwaarde aan artikel 118, § 3, van de basiswet schendt dit artikel.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat noch artikel 118 van de basiswet, noch enige andere bepaling “voorziet dat de IX-10.396-6/16 medische verslagen de motieven zijn van het voorstel van de directeur met betrekking tot de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde”. De medische verslagen vermelden slechts of de door de directeur voorgestelde maatregelen verenigbaar zijn met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. Ze zijn zelf niet de motieven van de maatregelen die worden voorgesteld. De motieven van de voorgestelde maatregelen zijn de concrete omstandigheden of gedragingen van de gedetineerde die toelaten te denken dat de betrokkene een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid. Er dient dan ook geenszins aan de gedetineerde de mogelijkheid te worden geboden om zijn verweermiddelen te laten gelden ten aanzien van de medische verslagen, daar ze niet de inhoud noch de motieven zijn van het voorstel van de directeur aan de directeur-generaal. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel 6.
- Verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending is aangevoerd van de paragrafen 2 en 7 van artikel 118 van de basiswet, omdat verzoeker verzuimt toe te lichten op welke wijze de bestreden uitspraak die paragrafen schendt. 6.
- Het verzoekschrift bevat niet alleen een omstandige samenvatting van het middel waarin naar alle geschonden geachte wetsbepalingen wordt verwezen, maar tevens een uitgebreide toelichting waarin verzoeker uiteenzet waarom naar zijn mening de beroepscommissie artikel 118, §§ 2, 3 en 7, van de basiswet schendt door er een voorwaarde aan toe te voegen, namelijk door te oordelen dat bij hernieuwing van een IBVR het vereiste psycho- medisch verslag aan de gedetineerde moet worden bezorgd vóór de beslissing over de hernieuwing wordt genomen aangezien de verslagen een inherent en onlosmakelijk deel uitmaken van het voorstel tot hernieuwing zelf. IX-10.396-7/16 6.
- De exceptie wordt verworpen. 7.
- Verweerder werpt voorts op dat verzoeker een nieuw middel aanvoert – namelijk een middel dat niet of niet op ontvankelijke wijze voor de bodemrechter is aangevoerd – dat daarom niet voor het eerst kan worden aangevoerd in graad van administratieve cassatie. Volgens verweerder kan de administratieve bodemrechter niet verweten worden niet te zijn ingegaan op bepaalde elementen, indien is nagelaten die elementen aan deze rechter voor te leggen. Volgens verweerder dient de Raad van State vast te stellen dat dit eerste middel in verzoekers verweer voor de bodemrechter “slechts heel summier werd uitgewerkt in louter een passage van drie zinnen en in onderhavig administratief cassatieberoep bij uw Raad van State een uitgebreidere invulling krijgt in de vorm van een administratief cassatiemiddel”. Het betreft dan ook een nieuw middel dat als onontvankelijk moet worden verworpen. 7.
- Vooreerst dient te worden opgemerkt dat huidige verzoeker in cassatie de verwerende partij was in de procedure voor de beroepscommissie. In die zin lag het niet op de weg van huidige verzoeker in cassatie om middelen “aan te voeren” voor de bodemrechter, maar om zich te verweren – door de genomen beslissing te verdedigen – binnen de perken van de middelen opgeworpen door de indiener van het beroep. Uit het dossier van het rechtscollege waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt voorts dat verzoeker voor de beroepscommissie een verweer voerde over de inhoud van artikel 118 van de basiswet, inzonderheid over de kwestie van de voorafgaande mededeling van het psycho-medisch verslag en dat dit rechtspunt finaal ook de motivering van de thans bestreden uitspraak mee bepaalde, zodat verzoeker in het eerste cassatiemiddel geen rechtsvraag opwerpt die nog niet in het debat was voor de bodemrechter. 7.
- De exceptie wordt verworpen. IX-10.396-8/16 IX-10.396-9/16 b. gegrondheid
- Artikel 118, §§ 1 tot 7, van de basiswet, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden uitspraak, luidt: “§
- De beslissing tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime wordt genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, op voorstel van de directeur. §
- Het voorstel vermeldt de concrete omstandigheden of gedragingen van de gedetineerde waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid. Het voorstel vermeldt de concrete nadere regels van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, met omstandige motivering van elk van de voorgestelde maatregelen. Het voorstel wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. §
- Alvorens het voorstel in te dienen, stelt de directeur de gedetineerde in kennis van de inhoud en de motieven van het voorstel en geeft hem de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman of door een door de directeur daartoe aanvaarde zelf gekozen vertrouwenspersoon, zijn verweermiddelen te laten gelden. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing. §
- De beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime vermeldt de nadere regels betreffende de plaatsing, met omstandige motivering van elk van de maatregelen. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de directeur, van de gedetineerde en, wanneer de beslissing betrekking heeft op een verdachte, van de onderzoeksrechter. De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar, ongeacht of er al dan niet hoger beroep wordt ingesteld. §
- De gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime die zijn afzondering uit de gemeenschap tot gevolg heeft, wordt minstens eenmaal per week bezocht door de directeur en een arts, die zich vergewissen van de toestand van de gedetineerde en nagaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft. §
- Elke beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime en elke aanpassing van het regime door de directeur- generaal wordt bijgehouden door de penitentiaire administratie in een centraal register en door de directeur in een lokaal register, met vermelding van de identiteit van de gedetineerde en de afwijkingen van het normale regime die door de directeur-generaal worden beslist. IX-10.396-10/16 Voor de ganse duur van de plaatsing wordt door de directeur per week het verloop van de plaatsing in het lokaal register genoteerd. Naar aanleiding van het bezoek dat de directeur en een arts hem brengt krachtens § 5, kan de gedetineerde zelf opmerkingen met betrekking tot zijn toestand en situatie doen optekenen in dat register. Personen of instanties die belast zijn met het toezicht en de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel kunnen zich gedurende de ganse duur van de plaatsing dit register doen voorleggen. Zij kunnen er hun eigen opmerkingen optekenen evenals deze van de gedetineerde. §
- De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime geldt voor een door de directeur-generaal bepaalde termijn van maximaal twee maanden die eventueel hernieuwbaar is. Eenmaal per maand brengt de directeur aan de directeur-generaal omstandig verslag uit betreffende het verloop van de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime. Op basis hiervan kan de directeur-generaal beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen. De beslissing kan slechts worden hernieuwd, mits een voorafgaand verzoek van de directeur, vergezeld van een psycho-medisch verslag, en met inachtneming van de bepalingen van §§ 1 tot 4.”
- Het middel gaat terug op de volgende beoordeling van de beroepscommissie: “Art. 118 § 3 van de basiswet voorziet een plicht om de gedetineerde te horen over het voorstel van de directie. De hoorplicht heeft twee doelen: enerzijds het bestuur toelaten om een geïnformeerde beslissing te kunnen nemen en anderzijds de gedetineerde toelaten zijn opmerkingen te formuleren en op die manier een voor hem ongunstige beslissing te vermijden.[…] De Raad van State vereist dat de bestuurde, en dus in dit geval de gedetineerde, op een nuttige wijze voor zijn standpunt kan opkomen.[…] Dat houdt onder meer in dat de gedetineerde inzage moet kunnen krijgen van het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt voorgelegd, zodat hij met betrekking tot alle stukken zijn standpunt kenbaar kan maken.[…] Om de gedetineerde toe te laten om zijn verweer op een nuttige en effectieve manier te laten gelden, moet men hem dus in kennis stellen van de stukken waar het voorstel van de directie op gebaseerd is, of die worden bezorgd aan de directeur-generaal ten behoeve van diens beslissing. Er is geen reden waarom dat niet ook voor de medische adviezen in het kader van een IBVR zou gelden.[…] Het voorstel van de directie omtrent de hernieuwing van een IBVR moet een psychomedisch verslag omvatten.[…] De beroepscommissie is daarom van oordeel dat dat verslag een inherent en onlosmakelijk deel uitmaakt van het voorstel van de directie. De medische adviezen dateren van voor de hoorzitting, zodat er op dat punt geen bezwaar was om ze te kunnen overmaken aan de IX-10.396-11/16 beroepsindiener. Bovendien heeft de beroepsindiener meermaals (en al tijdens de hoorzitting zelf) de vraag gesteld om deze stukken te kunnen inzien, maar is men niet ingegaan op deze vraag. Inzage in de vertrouwelijke informatie in de zin van art. 8 van de basiswet valt hier niet onder, aangezien de kennisgeving van deze informatie aan de beroepsindiener de veiligheid in het gedrang zou kunnen brengen. Uit het verweer van de directeur-generaal blijkt dat het medisch en psycho-medisch verslag pas zijn betekend aan de beroepsindiener op 31 oktober 2023, dat wil zeggen nog nadat de bestreden beslissing genomen is en nadat hiertegen een beroep ingediend werd. De directeur-generaal geeft in zijn verweer zelf aan dat dat niet de bedoeling is. De beroepscommissie besluit dat men hiermee de hoorplicht miskend heeft.”
- De beroepscommissie acht het bij artikel 118 van de basiswet aan de gedetineerde gewaarborgde hoorrecht geschonden omdat “[om] de gedetineerde toe te laten om zijn verweer op een nuttige en effectieve manier te laten gelden, […] men hem [...] in kennis [moet] stellen van de stukken waar het voorstel van de directie op gebaseerd is, of die worden bezorgd aan de directeur- generaal ten behoeve van diens beslissing”, terwijl “het medisch en psycho- medisch verslag pas zijn betekend aan de beroepsindiener op 31 oktober 2023, dat wil zeggen nog nadat de bestreden beslissing genomen is en nadat hiertegen een beroep ingediend werd” en niet omdat het voorstel van de directie en het medisch of psycho-medisch verslag één enkel document moeten zijn. Het middel dat van een andere opvatting uitgaat, geeft aan de uitspraak een verkeerde lezing en mist feitelijke grondslag.
- Uit artikel 118, §§ 2, 3 en 7, van de basiswet volgt dat de gedetineerde de gelegenheid moet krijgen om “zijn verweermiddelen te laten gelden” over de voorgenomen verlenging van het IBVR alvorens de directeur zijn voorstel indient bij de directeur-generaal. Dat voorstel moet zijn vergezeld van een medisch advies of een psycho-medisch verslag met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. IX-10.396-12/16
- Wanneer in de hoorplicht normatief is voorzien, maar de inhoud ervan niet nader of niet volledig is bepaald, moet ze worden omgeven met dezelfde waarborgen als die welke het bestuur dient na te leven op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht. De betrokkene kan zijn standpunt slechts “nuttig” uiteenzetten als hij voorafgaandelijk kennis krijgt van de maatregel die wordt overwogen en van de motieven die het bestuur ertoe aanzetten om de maatregel in overweging te nemen en indien hij inzage krijgt in het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt overgelegd, zodat hij met betrekking tot elk van de bestanddelen ervan zijn standpunt kenbaar kan maken. De basiswet kent hierop uitzonderingen, inzonderheid voor een motivering die “de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen” (artikel 8, § 1, van de basiswet) – en zo ook voor de aan die motivering onderliggende vertrouwelijke stukken.
- Aangezien de directeur-generaal zijn beslissing neemt met inachtneming van het gemotiveerde voorstel van de directeur, maar ook van het medisch of psycho-medisch verslag en de verweermiddelen van de gedetineerde, en aangezien de gedetineerde enkel de gelegenheid heeft om te worden gehoord alvorens de directeur zijn voorstel indient, kan de gedetineerde enkel dan nuttig zijn standpunt over de voorgenomen beslissing weergeven, wat de kennis vereist van de stukken van het dossier, inclusief de medische verslagen waarvan de vertrouwelijkheid niet is ingeroepen. De bewering van verzoeker dat de directeur zijn voorstel niet op die verslagen steunt, doet daaraan geen afbreuk. Zelfs dan zijn het, zoals de beroepscommissie terecht opmerkt, stukken “die worden bezorgd aan de directeur-generaal ten behoeve van diens beslissing”. IX-10.396-13/16
- De beroepscommissie, door in de voorliggende zaak te oordelen dat verweerder kennis moet hebben van de (niet-vertrouwelijke) medische verslagen met betrekking tot de verlenging van zijn IBVR om nuttig zijn verweermiddelen te laten gelden, voegt geen voorwaarde toe aan artikel 118 van de basiswet. Het middel faalt naar recht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 8 van de basiswet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’: “1 Art.8 Basiswet voorziet dat – behalve in bepaalde in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen opgesomde gevallen – alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen dienen met redenen te zijn omkleed.
- De Beroepscommissie oordeelt in de bestreden beslissing dat art. 8 van de Basiswet geschonden is daar in de beslissing tot hernieuwing van de plaatsing in IBVR wordt verwezen naar de medische adviezen ter staving van de beslissing zonder dat de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen gekend is door de wederpartij of zonder dat dit hem tijdig ter kennis is gebracht.
- De Beroepscommissie oordeelt dat aldus de motiveringsplicht vervat in art. 8 Basiswet is geschonden.
- Wanneer het advies waarnaar verwezen wordt samen met de eindbeslissing ter kennis wordt gebracht is voldaan aan de formele motiveringsplicht, wanneer dit advies ofwel bij de beslissing is gevoegd als bijlage ofwel is weergegeven in de beslissing zelf. In dat laatste geval is niet vereist dat het advies integraal wordt overgenomen.
- De beslissing van 17 oktober 2023 tot hernieuwing van de plaatsing van de wederpartij in IBVR geeft het medisch advies waarnaar wordt verwezen weer.
- De Beroepscommissie die de beslissing van 17 oktober 2023 vernietigt om reden dat de motiveringsplicht voorzien in art. 8 Basiswet niet zou vervuld zijn, schendt aldus artikel 8 Basiswet en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.” IX-10.396-14/16 Verzoeker betoogt dat de beslissing van 17 oktober 2023 verwijst naar de medische adviezen die werden opgesteld in het kader van de hernieuwing van de plaatsing van verweerder in een IBVR. Vervolgens wordt bijna het ganse psycho-medisch advies overgenomen in de tekst van de beslissing. De inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen is dan ook aan verweerder ter kennis gebracht. Het advies waarnaar wordt verwezen is zelf afdoende gemotiveerd: het psycho-medisch advies omschrijft voor elk van de voorgenomen veiligheidsmaatregelen waarom de psychiater meent dat er geen contra-indicaties zijn. Het medisch verslag en het psycho-medisch verslag vermelden beide dat er voor de voorgenomen veiligheidsmaatregelen geen contra-indicaties zijn. Ze zijn niet tegenstrijdig. Uiteindelijk zijn de adviezen gevolgd. Aldus zijn volgens verzoeker de voorwaarden vervuld waarbij een motivering door verwijzing volstaat om tegemoet te komen aan de formelemotiveringsplicht, zodat de beroepscommissie ten onrechte oordeelt dat de beslissing van 17 oktober 2023 de motiveringsplicht bedoeld in artikel 8 van de basiswet schendt. Beoordeling
- Het tweede cassatiemiddel levert kritiek op een motief in de bestreden uitspraak die niet tot nietigverklaring kan leiden, omdat de bestreden uitspraak dan nog steeds op een geldig motief zal steunen, zijnde het motief dat de toetsing aan het eerste cassatiemiddel heeft doorstaan. De eventuele omstandigheid dat het tweede cassatiemiddel gegrond is, kan geen afbreuk doen aan de wettigheid van de vernietiging van de beslissing van de directeur-generaal, waartoe de beroepscommissie is overgegaan in het beschikkend gedeelte van de bestreden uitspraak.
- Het tweede middel is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING IX-10.396-15/16
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.396-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.311 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.