id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 Rolnummer: A. 240364/IX-10363 Zaak: Arrest 261312 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 08/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-12 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-17 04:27 Fiche Arrest nr 261.312 van 8 november 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 no lien 279918 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.312 van 8 november 2024 in de zaak A. 240.364/IX-10.363 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 tegen:
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
- de DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/23-0201 van de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 26 september
- II. Verloop van de rechtspleging IX-10.363-1/27
- Bij beschikking nr. 15.658 van 16 november 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met de thans bestreden beslissing BC/23-0201 doet de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen op 26 IX-10.363-2/27 september 2023 uitspraak over een beroep van huidige verzoeker in cassatie tegen een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen van 18 augustus 2023 tot hernieuwing van de plaatsing van verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”). In de bestreden beslissing schetst de beroepscommissie de nuttige feiten ter beoordeling van het beroep. Dit feitenrelaas leert het volgende. Verzoeker komt op 14 oktober 2022 aan in de penitentiaire instelling te Beveren nadat hij vanuit Zwitserland uitgeleverd was aan België. Op 10 november 2022 neemt de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een beslissing tot IBVR, die door de beroepscommissie wordt vernietigd. Op 22 december 2022 neemt de directeur-generaal een nieuwe beslissing tot IBVR. Op 17 februari 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van de plaatsing in IBVR. Op 23 maart 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep van verzoeker hiertegen gedeeltelijk gegrond, wat het glasbezoek van de ouders van verzoeker betreft. Ter uitvoering van deze beslissing van de beroepscommissie neemt de directeur-generaal op 29 maart 2023 een nieuwe beslissing, waarin hij verwijst naar vertrouwelijke informatie om het bezoek achter glas voor de ouders te handhaven. Verzoeker tekent opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie verklaart dat beroep op 15 april 2023 gegrond. Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. IX-10.363-3/27 Op 20 april 2023 besluit de directeur-generaal tot een hernieuwing van het IBVR van 22 december
- De beroepscommissie verklaart verzoekers beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond op 15 juni
- Zij stelt haar beslissing in de plaats, zodat het bezoek van de ouders niet meer zou moeten plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand om de bezoekers te scheiden. Op 1 juni 2023 hernieuwt de directeur-generaal het IBVR. De maatregel van beperking van bezoek wordt gemilderd om tegemoet te komen aan verzoekers vraag om bezoek van zijn minderjarige kind te ontvangen. Op 19 juni 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor de periode van 20 juni 2023 tot 18 augustus
- Op 28 juli 2023 verklaart de beroepscommissie verzoekers beroep tegen deze beslissing ongegrond. Op 18 augustus 2023 neemt de directeur-generaal een beslissing tot hernieuwing van het IBVR voor de periode van 19 augustus 2023 tot 17 oktober
- Het IBVR omvat dezelfde maatregelen als het vorige IBVR: “- Uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten; - Systematische controle van inkomende en uitgaande briefwisseling; - Glasbezoek, behalve voor zijn advocaat. Het bezoek van [het kind] en de eigen ouders van [verzoeker] kan doorgaan in de vorm van individueel bezoek aan tafel, onder volgende strikte en dwingende voorwaarden: • het individueel tafelbezoek vindt plaats in de jury- beraadslagings-ruimte (waar ook, op andere momenten, het bezoek met zijn advocaten doorgaat) • het bezoek vindt plaats in aanwezigheid van 2 leden van het penitentiair bewakingspersoneel en met een verbod van overdracht van documenten en voorwerpen • fysiek contact is beperkt tot een korte begroeting bij aanvang en einde van het bezoek. - Gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon - Systematisch toepassing van het onderzoek aan de kledij - Ontnemen of onthouden van scherpe voorwerpen - Observatie om de 120 minuten. Tussen 21u en 6u10 wordt deze controle niet uitgevoerd om de nachtrust maximaal te respecteren. - Verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte.” IX-10.363-4/27 IX-10.363-5/27 Op 26 september 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep hiertegen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt: “◦ Vernietigt de beroepscommissie de beslissing van de directeur-generaal van 18 augustus 2023, maar enkel voor wat betreft de maatregel van het ontnemen of onthouden van voorwerpen; ◦ Draagt de beroepscommissie de directeur-generaal op om met betrekking tot dat punt een nieuwe beslissing te nemen overeenkomstig de artikelen 158 § 3, 1° juncto 162 § 3 van de basiswet met inachtneming van deze uitspraak, binnen de zeven dagen na de betekening van deze uitspraak.” Zij wijst het beroep voor het overige af als ongegrond. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, was geen partij in het geschil bij de beroepscommissie. Enkel de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen was betrokken als verwerende partij. Daaruit volgt dat enkel de laatstgenoemde te beschouwen is als verweerder in cassatie en dat de Belgische Staat buiten de zaak moet worden gesteld. Hierna wordt met “de verwerende partij” enkel nog de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen bedoeld.
- De verwerende partij verklaart dat de memorie van antwoord, ingediend door de Belgische Staat, ook aan haar toegerekend mag worden. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- Verzoeker beschikt volgens de verwerende partij niet (meer) over het vereiste belang. Hij kan met een vernietiging niets bereiken. De gevolgen van het ondergane veiligheidsregime kunnen niet meer ongedaan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 IX-10.363-6/27 worden gemaakt: de maatregel werd immers al ondergaan en is verstreken. Een eventuele vernietiging van een beslissing tot het opleggen van een IBVR in het verleden zou aan verzoeker geen rechtstreeks voordeel meer opleveren dat is verbonden aan het verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde. Die vernietiging zou voor het verleden immers in rechte geen enkel rechtstreeks gevolg meer hebben: voor de betrokken periode kan geen ander regime meer worden georganiseerd. De bestreden beslissing was reeds achterhaald op het ogenblik dat verzoeker het cassatieberoep instelde: het bestreden IBVR verstreek op 17 oktober 2023 en werd vervangen door een nieuwe beslissing IBVR die inging op 18 oktober
- Inmiddels is er ook reeds een nieuwe beslissing van 7 december 2023 tot plaatsing in een IBVR. Het louter nastreven van een precedentwaarde verleent aan verzoeker geen belang, vermits artikel 6 GerW aan de rechterlijke uitspraken precedentwaarde ontzegt. De eventuele intentie om op grond van een uitspraak van de Raad van State een vordering tot schadevergoeding in te stellen, houdt geen voldoende en rechtstreeks belang in. De latere beslissingen van de directeur-generaal inzake de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime zijn geen loutere verlenging van de beslissing van 18 augustus
- Elke nieuwe beslissing inzake IBVR is een op zichzelf staande beslissing, waarbij alle formele en inhoudelijke voorwaarden van een eerste beslissing vervuld moeten zijn. De beslissing kan slechts worden hernieuwd na een voorafgaand verzoek van de directeur, dat vergezeld gaat van een psycho-medisch verslag en met inachtneming van de bepalingen van artikel 118, §§ 1 tot 4, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”). Beoordeling
- Met de exceptie lijkt de verwerende partij ervan uit te gaan dat verzoeker met huidig cassatieberoep de vernietiging vordert van de plaatsing in IBVR, terwijl het voorwerp van zijn vordering de vernietiging is van de beslissing van de beroepscommissie. IX-10.363-7/27
- De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige uitspraak van het administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstigere uitspraak van dat rechtscollege.
- Dat verzoeker de hem opgelegde maatregel volledig heeft ondergaan op het ogenblik van de uitspraak over zijn cassatieberoep, ontneemt hem niet het belang bij zijn beroep. De mogelijkheid om na cassatie bij de beroepscommissie een gunstigere beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State de voorliggende beslissing van de beroepscommissie, dan zal deze laatste in functie van de vernietigingsgrond kunnen of moeten vaststellen dat de beslissing van 18 augustus 2023 onwettig aan verzoeker is opgelegd. Voor zover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kan zij in voorkomend geval aan verzoeker een niet-financiële tegemoetkoming toekennen (artikel 158, § 4, iuncto artikel 162, § 3, van de basiswet). De verwerende partij toont niet aan dat de beroepscommissie na een eventuele vernietiging van de bestreden uitspraak noodzakelijk zal moeten besluiten tot verwerping wegens een gebrek aan belang bij het beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal, inzonderheid omdat de bestreden maatregel zijn volle uitwerking heeft gehad.
- Verzoeker heeft als partij die in het geding voor de beroepscommissie in het ongelijk is gesteld het vereiste belang bij het instellen van zijn cassatieberoep. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel IX-10.363-8/27
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene.
- Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 25 augustus 2023[…] aangevoerd dat diens medisch dossier in strijd met het medisch beroepsgeheim niet enkel met de directeur van de gevangenis werd gedeeld maar ook met een attaché-jurist van de FOD Justitie. Dienaangaande heeft de verzoekende partij in hetzelfde beroep dan ook een schending ingeroepen van de artikelen 3 en 8 EVRM tegen de beslissing van 18 augustus
- De bestreden beslissing beantwoordt dit middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel gegrond op de aangevoerde schending van de artikelen 3 en 8 EVRM niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.” Verzoeker wijst erop dat hij in zijn beroep heeft opgeworpen “dat het medisch dossier van verzoeker niet enkel met de directeur van de gevangenis werd gedeeld, maar ook met een attaché-jurist van de FOD Justitie”, wat een manifeste schending uitmaakt van het medisch beroepsgeheim. De bestreden beslissing stelt louter dat het zou gaan om een uittreksel van de nota’s van de arts over zijn controle in het kader van het IBVR. In de bestreden beslissing wordt vervolgens louter gesteld dat deze notities van de arts specifiek zouden zijn opgemaakt ten behoeve van de directie. Echter, de bestreden beslissing antwoordt niet op de opgeworpen schending van het medisch beroepsgeheim vermits het medisch dossier niet enkel met de directeur van de gevangenis werd gedeeld, maar ook met een attaché-jurist van de FOD Justitie.
- In zijn memorie van wederantwoord onderstreept verzoeker dat uit de motivering van de beroepscommissie aangaande de aangevoerde schending van het medisch beroepsgeheim niet volgt dat zij tevens heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van schending van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (“EVRM”). IX-10.363-9/27 IX-10.363-10/27 Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de beroepscommissie.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. De bodemrechter is niet ertoe gehouden te antwoorden op de argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. IX-10.363-11/27 Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt.
- Verzoeker heeft in een eerste klacht voor de beroepscommissie de schending aangevoerd van het medisch beroepsgeheim en van de artikelen 3 en 8 EVRM. Het eerste middel gaat terug op de volgende beoordeling van verzoekers grief over de schending van het medisch beroepsgeheim in de bestreden uitspraak van de beroepscommissie: “De beroepsindiener argumenteert dat er een schending is van het medisch beroepsgeheim door het overmaken van medische stukken aan een attaché van de FOD Justitie en het aanwenden van deze informatie om de hernieuwing van het IBVR te verantwoorden. Zoals de directeur-generaal aanhaalt gaat het evenwel om een uittreksel van de nota’s van de arts in zijn controle in het kader van het IBVR. De aantekeningen vermelden namelijk de code nr. 2, die wijst op een opvolging in het kader van een IBVR. Ook zijn de aantekeningen gemaakt op een bijlage van de collectieve brief nr.
- De wet voorziet in een wekelijks bezoek van de directeur en de arts, die zich vergewissen van de toestand van de gedetineerde en die nagaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren hebben. De directeur moet het verloop van de plaatsing in het lokaal register bijhouden en de gedetineerde kan zelf opmerkingen doen optekenen in dat register.[…] De collectieve brief nr. 116 geeft de rol van de arts in dat kader weer en stelt het volgende[…]: ▪ vervolgens ontmoet de arts de gedetineerde minimaal 1 keer per week; de arts beslist of deze ontmoetingen plaatsvinden in de cel van de gedetineerde of in zijn dokterskabinet; ▪ bij deze gelegenheid: - informeert de arts naar de gezondheidstoestand van de patiënt en biedt, zo nodig, zorg aan; - zal de arts eventuele opmerkingen van de gedetineerde op medisch vlak inwinnen; ▪ de arts zal nauwgezet de opmerkingen en aanbevelingen voor de directie en de door de gedetineerde geformuleerde opmerkingen noteren in een ad hoc register […]; het spreekt voor zich dat in dringende gevallen de arts daarenboven onmiddellijk contact opneemt met de directeur; IX-10.363-12/27 Deze notities van de arts zijn dus specifiek opgemaakt ten behoeve van de directie en bovendien ter bescherming van de gedetineerde tijdens een IBVR. Om een belangenafweging te kunnen maken tussen enerzijds welke maatregelen nodig zijn ter bescherming van de veiligheid en anderzijds wat proportioneel en redelijk is gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene, is het belangrijk dat de directeur-generaal beschikt over alle nodige info om op die manier een geïnformeerde beslissing te nemen. Nu de nota’s door de arts net genomen waren om het verloop van het IBVR te monitoren en de directeur ook toegang heeft tot dat register, kon de directeur-generaal zich hier volgens de beroepscommissie ook op baseren. Bovendien herhaalt de beroepscommissie dat een IBVR geen disciplinaire sanctie is, maar een veiligheidsmaatregel. De vaststellingen van de arts worden dan ook niet gebruikt om de gedetineerde te bestraffen, maar gelden wel integendeel net als beschermingsmechanisme voor de gedetineerde, in die zin dat de arts ook net aanbevelingen kan doen rekening houdend met de gezondheidstoestand van de gedetineerde.[…] De beroepscommissie volgt de beroepsindiener niet waar hij stelt dat het medisch advies van 8 augustus 2023 een partijdigheid van de medische dienst bevestigt. Het advies stelt namelijk heel duidelijk dat de beroepsindiener geen contact wilde met de arts (‘Betrokkene weigert tijdens dit gesprek elk contact met mezelf of een andere huisarts’) en dat het advies in die context is opgemaakt (‘Gelet op mijn vaststellingen tijdens dit contact met betrokkene omtrent zijn houding, verzorgdheid, wijze van spreken en formuleren van de weigering, alsook mijn informatie uit zijn medisch dossier’). Wel benadrukt de beroepscommissie dat de gedetineerde en desgevallend zijn advocaat tegenspraak moet kunnen doen gelden op alle stukken die de directie overmaakt als voorstel voor plaatsing of hernieuwing. Dat geldt dus ook over de medische stukken. Deze stukken moeten hem dus ter beschikking worden gesteld voor de hoorzitting, opdat hij ook hierover zijn verweer kan laten gelden.”
- Verzoeker betwist in het middel niet de beoordeling van de beroepscommissie over de nota’s van de arts die “genomen waren om het verloop van het IBVR te monitoren” en “specifiek [zijn] opgemaakt ten behoeve van de directie”, dat “de directeur ook toegang heeft tot dat register” en dat “de directeur-generaal zich hier volgens de beroepscommissie ook op [kon] baseren” omdat “het belangrijk [is] dat de directeur-generaal beschikt over alle nodige info om op die manier een geïnformeerde beslissing te nemen”. IX-10.363-13/27
- Volgens verzoeker evenwel is niet geantwoord op zijn argument dat de artikelen 3 en 8 EVRM geschonden zijn, omdat zijn medisch dossier ook is gedeeld met een attaché-jurist van de FOD Justitie.
- Zelfs in de veronderstelling dat de mededeling van medische gegevens aan een derde aanleiding geeft tot een schending van de aangevoerde verdragsbepalingen, kan dit de regelmatigheid van de beslissing van de directeur- generaal niet aantasten, nu die laatste beslissing blijkens een door verzoeker niet bekritiseerd motief steunt op de kennisneming ervan door de directeur, volgens een procedure waarvan verzoeker de wettigheid niet betwist.
- De beroepscommissie moet niet antwoorden op een argument dat de strekking van haar antwoord niet vermag te beïnvloeden.
- Het middel faalt naar recht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene.
- Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 25 augustus 2023[…] aangevoerd dat de beslissing van de Directeur-Generaal van 18 augustus 2023 gesteund is op vertrouwelijke informatie, maar dat minstens een gedeelte van deze informatie niet meer vertrouwelijk dient te worden gehouden gelet op de beslissing van de Beroepscommissie van 23 maart 2023[…] waarin werd geoordeeld dat een gedeelte van de informatie niet langer kan of moet vertrouwelijk gehouden worden. De verzoekende partij heeft dan ook aangevoerd dat hij tot op heden deze informatie niet heeft ontvangen en dat alleen al deze vaststelling noopt tot de vernietiging ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 IX-10.363-14/27 van de bestreden beslissing van 18 augustus 2023 wegens de schending van artikel 6 EVRM. De bestreden beslissing beantwoordt dit middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.” Verzoeker stelt dat hij in zijn beroep heeft opgeworpen dat minstens een gedeelte van de zogenaamd vertrouwelijke informatie waarop de beslissing van de directeur-generaal steunt niet meer vertrouwelijk dient te worden gehouden. Hij heeft daartoe verwezen naar een beslissing van de beroepscommissie van 23 maart 2023 waarin werd geoordeeld dat een gedeelte van deze informatie “door de directeur-generaal ten aanzien van de beroepsindiener en zijn raadslieden niet langer kan of moet vertrouwelijk gehouden […] worden”. Ondanks een verzoek aan de directeur-generaal om kennis te kunnen nemen van deze niet langer vertrouwelijke informatie, heeft hij noch een antwoord noch de gevraagde informatie ontvangen. Dit vormt een schending van artikel 6 EVRM. Daar de bestreden beslissing niet ingaat op deze aangevoerde schending, vormt dit eveneens een schending van artikel 149 van de Grondwet.
- In zijn memorie van wederantwoord verdedigt verzoeker zijn stelling dat de bestreden beslissing dit middel uit het beroep niet beantwoordt, “terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep”. Het betreft volgens verzoeker “een afzonderlijk middel met juridische betwisting in vergelijking met de overige ingeroepen betwistingen”. Beoordeling
- Het argument van verzoeker dat zijn rechten van verdediging en artikel 6 EVRM zijn geschonden, inzonderheid omdat “minstens een gedeelte van deze [vertrouwelijke] informatie” niet meer vertrouwelijk dient te worden gehouden gelet op de beslissing van de beroepscommissie van 23 maart 2023, IX-10.363-15/27 kadert in de derde klacht van zijn bezwaarschrift, waarin hij de schending aanvoert van “artikel 116 en verdere van de Basiswet” omdat uit de beoordeling van de concrete omstandigheden en zijn gedragingen volgens hem niet blijkt dat de hernieuwing van het IBVR noodzakelijk en wettig verantwoord is.
- Verzoeker betwist niet dat de beroepscommissie in de bestreden uitspraak op deze derde klacht heeft geantwoord, zoals hierna aangehaald sub 31.
- Het cassatiemiddel steunt uitsluitend op het uitblijven van een reactie op een ter ondersteuning van het middel aangevoerd argument, niet op het nalaten van een reactie op het middel zelf. Alleen dit laatste vormt een schending van artikel 149 van de Grondwet. Het cassatiemiddel is onontvankelijk.
- Overigens heeft de beroepscommissie in haar uitspraak specifiek de volgende overweging over het vertrouwelijke karakter van de politionele informatie opgenomen, op grond waarvan verzoeker kan achterhalen waarom zijn argumentatie is verworpen: “De beroepscommissie is van oordeel dat de motivering van de directeur- generaal in dit dossier voldoende elementen bevat, die wijzen op een nog steeds actuele bedreiging van de veiligheid. […] De directeur-generaal kan zich in dat kader terecht beroepen op de geactualiseerde vertrouwelijke informatie die hij verkrijgt van de veiligheidsdiensten. Ook collusiegevaar, zoals aangehaald door de directeur-generaal, kan een bedreiging vormen voor de interne en externe veiligheid. […] De beroepscommissie besluit dat de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling of aan andere gemeenschappelijke activiteiten (zoals bijvoorbeeld fitness met enkele medegedetineerden) voldoende gedragen wordt door de beslissing van de directeur-generaal en de elementen die hij daarin voordraagt, inclusief de vertrouwelijke informatie. Omtrent het vertrouwelijk karakter van de politionele informatie herhaalt de beroepscommissie haar eerder standpunt. Het is nog steeds gerechtvaardigd om de informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 IX-10.363-16/27 gevangenisinstelling in het bijzonder in gevaar zou kunnen brengen. Opnieuw benadrukt de beroepscommissie dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de basiswet de waarborgen van de gedetineerde zeer ernstig neemt en de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, zodat er geen sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging.” C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkstelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene. Redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig indien ze elkaar tenietdoen of opheffen. [3]. Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 25 augustus 2023[…] tegen de beslissing van 18 augustus 2023 een schending ingeroepen van het proportionaliteitsbeginsel zoals vervat in de artikelen 158, § 2, 2° iuncto artikel 166, § 2 van de Basiswet, specifiek voor wat betreft het toelaten van verzoekende partij gedurende minstens één keer per week aan deelname aan gemeenschappelijke wandelingen en verzoekende partij uiterst ondergeschikt toe te laten onder strikt toezicht van cipiers gelijktijdig en in dezelfde ruimte als 2 à drie medegedetineerden te sporten zoals ook gesuggereerd door de geneesheer-psychiater in het verslag van 15 juni
- IX-10.363-17/27 In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat het regime van verzoekende partij sinds zijn aankomst in de gevangenis bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. Doch, wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat verzoekende partij nog steeds wordt uitgesloten van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling of aan andere gemeenschappelijke activiteiten. Desalniettemin wordt geoordeeld dat via geleidelijk aangebrachte versoepelingen rekening gehouden wordt met de bezwaren die beroepsindiener uit. Nochtans uitte verzoekende partij net bezwaar in zijn beroepsschrift[…] op het gebrek aan deelname aan gemeenschappelijke activiteiten. De motivering is op dat punt dan ook tegenstrijdig gezien beide redenen elkaar derhalve tegenspreken, zodat de bestreden beslissing niet kon beslissen dat er geen redenen te zien zijn om het redelijk en billijk karakter van de voor de bodemrechter bestreden beslissing in vraag te stellen. Minstens is de motivering op dat punt onduidelijk.” Verzoeker licht toe dat hij in zijn beroep een schending van het proportionaliteitsbeginsel heeft aangevoerd, specifiek met betrekking tot het niet toelaten tot gemeenschappelijke wandelingen of het onder strikte supervisie sporten met enkele medegedetineerden. Niettegenstaande in de bestreden uitspraak wordt erkend dat het regime van verzoeker sinds zijn aankomst in de gevangenis enige versoepelingen heeft ondergaan, wordt tegelijkertijd vastgesteld dat hij wordt uitgesloten van gemeenschappelijke activiteiten. Dit terwijl er ook wordt opgemerkt dat het gebrek aan sociale contacten psychisch belastend is en opvolging vereist. De beroepscommissie stelt vervolgens dat er met zijn bezwaren rekening wordt gehouden door geleidelijke versoepelingen, wat tegenstrijdig lijkt met de vaststelling dat hij nog steeds uitgesloten is van gemeenschappelijke activiteiten. Deze tegenstrijdigheid in de motivering, of op zijn minst de onduidelijkheid ervan, maakt dat de bestreden beslissing volgens verzoeker artikel 149 van de Grondwet schendt. Beoordeling
- De beroepscommissie oordeelt “dat de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling of aan andere gemeenschappelijke activiteiten (zoals bijvoorbeeld fitness met enkele medegedetineerden) voldoende gedragen wordt door de beslissing van de directeur-generaal en de elementen die IX-10.363-18/27 hij daarin voordraagt, inclusief de vertrouwelijke informatie”. Zij vraagt de directeur-generaal wel “om na te gaan hoe men hieraan [dat is: “het gemis van de sociale contacten”] in de toekomst tegemoet kan komen, binnen de huidige veiligheidsbeperkingen en eventueel onder verscherpt toezicht”. Zij merkt evenwel op dat het gebrek aan contact met medegedetineerden “niet automatisch [impliceert] dat er niet voldoende zinvol contact is”, wat “ook [kan] gebeuren door contact met personeelsleden, gezondheidsmedewerkers of familieleden, bijvoorbeeld via de telefoon of via het bezoek”. Zij “stelt vast dat de penitentiaire administratie [zich] hier, mede gelet op de reeds doorgevoerde versoepelingen, wel degelijk bewust van is en hieraan zoveel mogelijk probeert tegemoet te komen”.
- Door vast te stellen dat de penitentiaire administratie zoveel mogelijk aan verzoekers bezwaren poogt tegemoet te komen, is niet gezegd dat met al zijn bezwaren rekening is gehouden. Het middel gaat uit van een verkeerde lezing van de uitspraak en mist feitelijke grondslag. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene.
- Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 25 augustus 2023[…] een schending ingeroepen van de artikelen 3 en 6 EVRM tegen de beslissing van 19 juni
- IX-10.363-19/27 De bestreden beslissing beantwoordt dit zelfstandig middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel gegrond op de aangevoerde schending van de artikelen 3 en 6 EVRM niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.” Verzoeker licht toe dat hij in zijn beroep heeft aangevoerd dat de beslissing van de directeur-generaal van 18 augustus 2023 een inbreuk vormt op de artikelen 3 en 6 EVRM. Dit betreft een afzonderlijk middel met juridische betwisting in vergelijking met de overige ingeroepen betwistingen. De bestreden beslissing antwoordt niet hierop.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de niet- proportionaliteit slechts een aspect is van de beweerde schending van artikel 3 EVRM, gericht op het verbieden van onmenselijke of vernederende behandeling. Hij voerde aan dat de opgelegde maatregelen leiden tot ernstige fysieke en psychosociale ongemakken en systematisch, in plaats van uitzonderlijk, worden toegepast, wat neerkomt op een onmenselijke en vernederende behandeling. De beroepscommissie heeft echter niet onderzocht of deze maatregelen dergelijke behandeling vormen. De commissie concludeerde enkel dat de uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten voldoende ondersteund wordt door de beslissing van de directeur-generaal en de aangevoerde elementen, inclusief vertrouwelijke informatie, zonder te onderzoeken of dit neerkomt op een onmenselijke en vernederende behandeling. De beroepscommissie heeft wel erkend dat (psycho-)medische adviezen het belang van humaan contact benadrukken en dat het ontbreken hiervan een psychische belasting vormt die opvolging vereist. Desondanks vraagt de commissie alleen aan de directeur-generaal om in de toekomst te onderzoeken hoe aan deze behoefte kan worden voldaan binnen de huidige veiligheidsbeperkingen, zonder dit expliciet te koppelen aan artikel 3 EVRM. Dit toont aan dat de bescherming onder artikel 3 EVRM, die absoluut is en geen uitzonderingen kent, niet adequaat is overwogen. IX-10.363-20/27 Wat de schending van artikel 6 EVRM betreft, gericht op het recht op een eerlijk proces, stelt verzoeker dat de bestreden uitspraak zijn recht op tegenspraak schendt, wat niet adequaat is beantwoord door de beroepscommissie. Hoewel de commissie stelt dat het recht op inzage in registers de rechten van verdediging garandeert, biedt dit geen afdoende antwoord op de specifieke klacht over het recht op tegenspraak. De focus van de beroepscommissie op haar eigen inzage in het register en de veronderstelde garantie van de rechten van verdediging volgens artikel 6 EVRM, biedt geen antwoord op de aangevoerde schending van het recht op tegenspraak van verzoeker. Beoordeling 31.
- Verzoeker heeft bij de beroepscommissie als vijfde klacht de schending aangevoerd van de artikelen 3 en 6 EVRM en van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”). Verzoeker zet hierin uiteen dat de bestreden beslissing van de directeur-generaal resulteert in “een lijden dat enig onvermijdbaar malaise van de hechtenis overschrijdt”. Hij merkt op dat de eenzame opsluiting zijn mentale gezondheid ernstig aantast. Hij wijst op de lange periode van isolement, het onbestaande contact met medegedetineerden, de beperking van educatieve activiteiten in de cel en de afwezigheid van zinvolle recreatiemogelijkheden. Eenzame opsluiting, zelfs in de gevallen waarin er slechts sprake is van relatieve isolatie, dient volgens verzoeker uitzonderlijk te blijven en “moet gebaseerd zijn op gegronde motieven”. De opgelegde maatregelen moeten “actueel verantwoord en proportioneel” zijn. Er is daarbij een “ernstige inhoudelijke motivering” vereist bij een verlengde periode van eenzame opsluiting en de beslissing moet het mogelijk maken “vast te stellen dat de autoriteiten een herbeoordeling hebben uitgevoerd”. Aan dit betoog voegt hij toe dat deze “dan ook” in strijd is met artikel 3 EVRM, “nu deze verzoeker blootstelt aan ontberingen die het onvermijdelijke lijden (dat inherent is aan detentie) te boven gaan en neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling”. Hij concludeert dat de hem IX-10.363-21/27 opgelegde maatregel “niet noodzakelijk noch wettig verantwoord is, minstens disproportioneel, onredelijk en onbillijk”. 31.
- Uit deze uiteenzetting mocht de beroepscommissie afleiden dat verzoeker doelt, eensdeels, op de eis tot motivering van de hernieuwing van de hem opgelegde maatregel en, anderdeels, op de proportionaliteit ervan. 31.
- De beroepscommissie oordeelt “[o]ver de schending van art. 116 ev van de basiswet, van art. 3 en 6 van het EVRM en van de proportionaliteitsvereiste” in de volgende bewoordingen: “Artikel 116 van de basiswet verbindt enkele inhoudelijke voorwaarden aan het opleggen of hernieuwen van een individueel bijzonder veiligheidsregime: - De betrokken persoon moet een voortdurende bedreiging voor de veiligheid uitmaken; - Dit moet blijken uit de concrete omstandigheden of gedragingen van de persoon; - De veiligheid kan op geen andere manier gevrijwaard worden. Bijzondere veiligheidsmaatregelen of ordemaatregelen zijn niet voldoende; - Het IBVR kan enkel worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke periode. Daarnaast moet de beroepscommissie ook beoordelen of de beslissing redelijk is, bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen.[…] De beslissing tot hernieuwing van een IBVR vereist een afweging van verschillende belangen, enerzijds het kunnen vrijwaren van de veiligheid binnen de gevangenis en anderzijds de toestand en de belangen van de gedetineerde. Het IBVR moet proportioneel zijn, zowel wat de duur als wat de omvang betreft.[…] Zoals blijkt uit de voorwaarden gebeurt het opleggen of hernieuwen van een IBVR niet met een bestraffend oogmerk, maar vanuit veiligheidsoverwegingen. Uit het feit dat deze maatregelen worden opgelegd kan geen repressief karakter worden afgeleid. Wel moet men nagaan of er effectief een concrete en voortdurende bedreiging van de veiligheid is. De beroepscommissie is van oordeel dat de motivering van de directeur- generaal in dit dossier voldoende elementen bevat, die wijzen op een nog steeds actuele bedreiging van de veiligheid. Het risico op ontvluchting, dat de directeur-generaal meermaals aanhaalt in zijn motivering, kan gelden als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid.[…] De beroepscommissie herhaalt dat het niet is omdat er nog geen incidenten zijn gebeurd, dat dat niet betekent dat er geen actuele dreiging is. De directeur-generaal kan zich in dat kader terecht beroepen op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 IX-10.363-22/27 geactualiseerde vertrouwelijke informatie die hij verkrijgt van de veiligheidsdiensten. Ook collusiegevaar, zoals aangehaald door de directeur-generaal, kan een bedreiging vormen voor de interne en externe veiligheid. Uit de motivering blijkt dat de directeur-generaal in zijn beoordeling wel degelijk rekening houdt met recente gegevens, zoals de geactualiseerde informatie van de veiligheidsdiensten, de elementen opgeworpen tijdens de hoorzitting en de laatste medische verslagen. De beroepscommissie volgt daarom niet dat de motivering louter een herhaling is van de voorgaande motiveringen, waaruit niet duidelijk blijkt dat het om een herbeoordeling gaat. De beroepscommissie besluit dat de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling of aan andere gemeenschappelijke activiteiten (zoals bijvoorbeeld fitness met enkele medegedetineerden) voldoende gedragen wordt door de beslissing van de directeur-generaal en de elementen die hij daarin voordraagt, inclusief de vertrouwelijke informatie. Omtrent het vertrouwelijk karakter van de politionele informatie herhaalt de beroepscommissie haar eerder standpunt. Het is nog steeds gerechtvaardigd om de informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder in gevaar zou kunnen brengen. Opnieuw benadrukt de beroepscommissie dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de basiswet de waarborgen van de gedetineerde zeer ernstig neemt en de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM wenst te garanderen, zodat er geen sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging. Wel moet men ook rekening houden met de (psycho)medische adviezen, die de nood aan humaan contact steeds benadrukken. Het psychiatrisch advies geeft aan dat het gemis van de sociale contacten het zwaarst doorweegt en dat dat een psychische belasting is die opvolging vereist. In dat kader vraagt de beroepscommissie de directeur-generaal dan ook om na te gaan hoe men hieraan in de toekomst tegemoet kan komen, binnen de huidige veiligheidsbeperkingen en eventueel onder verscherpt toezicht. Gelet op de duur van de isolatie, is het belangrijk om zoals de beroepsindiener ook aankaart, te zorgen voor voldoende zinvol humaan contact. Het gebrek aan contact met medegedetineerden, impliceert niet automatisch dat er niet voldoende zinvol contact is. Zinvol menselijk contact kan namelijk ook gebeuren door contact met personeelsleden, gezondheidsmedewerkers of familieleden, bijvoorbeeld via de telefoon of via het bezoek.[…] Daarnaast moet men ook, in de mate van het mogelijke, voorzien in een voldoende gevarieerd activiteitenpakket.[…] Dat kan men onder meer invullen door individuele fitness, contacten met personeel en anderen onder de genoemde maatregelen, het kunnen volgen van een opleiding, etc. Hoewel het aan de gedetineerde uiteraard ook zelf is om deze mogelijkheden en contacten maximaal te benutten, is het ook aan de penitentiaire administratie om dat mogelijk te maken. De beroepscommissie stelt vast dat de penitentiaire administratie hier, mede IX-10.363-23/27 gelet op de reeds doorgevoerde versoepelingen, wel degelijk bewust van is en hieraan zoveel mogelijk probeert tegemoet te komen. Wat de maatregel van het ontnemen van scherpe of gevaarlijke voorwerpen betreft, is de beroepscommissie echter van oordeel dat de directeur-generaal in zijn motivering niet voldoende aantoont waarom deze maatregel nog noodzakelijk is en dat het dus minstens onredelijk lijkt om deze maatregel te blijven handhaven. Uit het verslag van de hoorzitting over het voorstel van IBVR blijkt namelijk dat de beroepsindiener deze voorwerpen intussen op zijn cel heeft, zonder beperkingen in de tijd, hetgeen de directie niet tegenspreekt. De directie stelt daarover het volgende: ‘De formulering blijft erin staan zodat wij altijd de mogelijkheid hebben deze te ontnemen moest er een voorval zijn. De formulering an sich doet niets af aan uw recht gezien dit ruimte toelaat en u deze ruimte ook krijgt.’ Dat men de beroepsindiener reeds toelaat over zulke voorwerpen te beschikken, toont aan dat een beperkende maatregel hiervoor niet strikt noodzakelijk is ter bewaring van de veiligheid. Men kan de veiligheid met andere woorden met andere en minder beperkende maatregelen evengoed garanderen. In die mate is het slechts theoretisch blijven handhaven van deze beperkende maatregel niet noodzakelijk noch proportioneel. Deze beperkende maatregel thans weglaten, belet immers niet deze opnieuw op te leggen als er zich een voorval zou voordoen. Aan de plaatsing in of de hernieuwing van een IBVR zijn bovendien ook enkele procedurele voorwaarden gebonden. Zo stelt artikel 118 van de basiswet dat de beslissing slechts kan worden hernieuwd op verzoek van de directeur na het voorleggen van een psychomedisch verslag en voor een periode van twee maanden. De directeur moet de gedetineerde op de hoogte brengen van dit verzoek en hem de mogelijkheid bieden om zijn verweer te laten gelden. Uit het dossier blijkt dat ook de procedurele vereisten nageleefd zijn. De beroepscommissie herhaalt hierbij wel, zoals hierboven reeds vermeld, dat de gedetineerde en zijn advocaat over alle stukken moeten beschikken voor de hoorzitting. Uit de motivering van het IBVR blijkt dat de directeur-generaal voldoende rekening heeft gehouden met wat de beroepsindiener en zijn advocaat hebben opgeworpen tijdens de hoorzitting en dat hij hierop afdoende antwoordt. Er is een psycho- medisch verslag bijgevoegd en dat is voldoende gemotiveerd. Iedere afzonderlijke maatregel is afgetoetst met de gezondheidstoestand van de beroepsindiener. Dat het verslag van de arts van 8 augustus 2023 beperkter is, omdat de beroepsindiener het contact weigerde, maakt het IBVR niet onwettig, nu strikt genomen enkel een psycho-medisch verslag vereist is door de wet. Zowel uit het medisch als uit het psycho-medisch verslag blijkt dat er geen strikte medische contra-indicaties zijn. Wel geven zowel de psychiater als de arts mee dat er voldoende humaan contact moet zijn en dat het gemis aan de sociale contacten een psychische belasting vormt die opvolging vereist. Zoals hierboven reeds gezegd, vraagt de beroepscommissie de directeur-generaal om na te gaan hoe men hiermee kan omgaan. De beroepscommissie besluit dat er, buiten het aspect van het ontnemen van scherpe voorwerpen voor het overige geen elementen zijn om de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 IX-10.363-24/27 beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van het IBVR als onwettig of onredelijk te beschouwen.” 31.
- Hoewel de beroepscommissie in haar beoordeling geen expliciete melding maakt van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, kan uit de hiervóór aangehaalde motivering worden achterhaald waarom zij van oordeel is dat het aan verzoeker opgelegde IBVR het onvermijdelijke lijden niet te boven gaat, waardoor er volgens haar geen sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling. De beroepscommissie heeft eveneens aangegeven dat en waarom het IBVR volgens haar afdoende is gemotiveerd. Verzoeker mag het met die beoordeling oneens zijn, maar de beroepscommissie heeft hiermee voldaan aan de in het middel aangevoerde jurisdictionele motiveringsplicht. 32.
- Verzoeker heeft in zijn beroepschrift in zijn vijfde klacht naast een schending van artikel 3 EVRM ook de schending van “artikel 6 van het EVRM” vermeld omdat “geen enkele tegenspraak door verzoeker mogelijk is”, zonder evenwel te preciseren welk onderdeel van artikel 6 EVRM hij viseert en zonder die grief nader uit te werken. Deze grief vormt bijgevolg geen ontvankelijk argument waarop de beroepscommissie afzonderlijk moest antwoorden. 32.
- Weliswaar heeft verzoeker in zijn derde klacht, afgeleid uit de schending van “artikel 116 en verdere” van de basiswet, de motivering betwist die verwijst naar de veiligheidsrisico’s, welke volgens hem na de zoveelste verlenging van het veiligheidsregime geen actuele beoordeling uitmaakt van de concrete omstandigheden en zijn gedragingen. In het kader van die grief merkt hij op dat hij de bedoelde informatie niet kan toetsen op haar juistheid, wat volgens IX-10.363-25/27 hem een manifeste schending uitmaakt van zijn recht van verdediging zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. 32.
- Los van de vraag of deze opmerking wel een afzonderlijk argument is waarop de beroepscommissie een antwoord moest geven, is hiervóór sub 25 vastgesteld dat zij in de bestreden beslissing zich uitgesproken heeft over de rechten van verdediging van verzoeker. In zoverre is het middel ongegrond. IX-10.363-26/27 BESLISSING
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.363-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.312 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.