← België

Arrest 261323 - Examens (onderwijs) - 08/11/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.323 Rolnummer: A. 243289/IX-10567 Zaak: Arrest 261323 - Examens (onderwijs) - 08/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-12 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-17 04:27 Fiche Arrest nr 261.323 van 8 november 2024 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 261.323 van 8 november 2024 in de zaak A. 243.289/IX-10.567 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 oktober 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 9 oktober 2024 waarbij het beroep van verzoekster ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 126 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.548-1/31 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2024, om 11.00 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Regelgeving en feiten 3.
  4. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.548-2/31 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
  5. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2024’ (“WER”). IX-10.548-3/31 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. 3.
  6. Verzoekster neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt een score van 69 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 57 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 126 op 240 punten in het totaal. Bij de kennisgeving van deze punten wordt de volgende “[b]elangrijke toelichting” gegeven: “De examencommissie heeft beslist om vraag 4 van chemie uit het examenonderdeel Kennis en inzicht in de wetenschappen en vragen 3, 6 en 10 van VAARDIG uit het examenonderdeel Generieke competenties te neutraliseren voor alle deelnemers. Na beraadslaging heeft de examencommissie beslist om aan alle deelnemers 26 bijkomende punten toe te kennen, die gelijk verdeeld zijn over KIW (+13) en GC (+13).” Aangezien verzoekster ook na deze aanpassing van de scores van de deelnemers een onvoldoende behaalt voor het examenonderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking. IX-10.548-4/31 Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts (hierna: beroepsinstantie). 3.
  7. Op 27 augustus 2024 beslist de beroepsinstantie om het beroep van verzoekster ongegrond te verklaren. Op vordering van verzoekster schorst de Raad van State bij arrest nr. 260.871 van 1 oktober 2024 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van de voormelde beslissing. 3.
  8. Op 9 oktober 2024 trekt de beroepsinstantie haar beslissing van 27 augustus 2024 in en “[n]a grondige beraadslaging en heroverweging” beslist zij om het beroep van verzoekster andermaal ongegrond te verklaren. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  10. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid. IX-10.548-5/31 VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  11. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het motiverings- beginsel, van het [zorgvuldigheidsbeginsel] en het redelijkheidsbeginsel”. Zij vat dat middel als volgt samen: “Doordat de bestreden beslissing uitgaat van verschillende aannames die geen steun vinden in het administratief dossier: ○ Met betrekking tot de deskundigheid van de examencommissie; ○ Met betrekking tot het uitgangspunt van vraag CLE08; ○ Met betrekking tot de onderbouwing voor het vooropgestelde antwoord van vraag CLE08; ○ Met betrekking tot de interpretatie van het vooropgestelde antwoord van vraag CLE08; Doordat de bestreden beslissing het standpunt van prof B.J. met betrekking tot het vooropgestelde antwoord van vraag CLE08 niet beantwoordt; Doordat de bestreden beslissing blijft vasthouden aan het vooropgestelde antwoord van vraag CLE08; Terwijl verzoekster: ○ In het intern beroep had opgeworpen dat de examencommissie de deskundigheid ontbeert om CLEAR-vragen op te stellen en thans ook in antwoord op de bestreden beslissing weerlegt dat de examencommissie de juiste methodologie hanteerde bij het opstellen van de CLEAR-vragen; ○ Aanvoert dat vraag CLE08 zich niet afspeelt in een professionele context doch in een trusted context (school); ○ Aanvoert dat de ‘appropriate touch’ waaraan de beroepsinstantie refereert om tot de de-escalatie van een conflict te komen, niet blijkt uit het wetenschappelijk artikel dat de beroepsinstantie hiervoor aanvoert; ○ Aantoont dat de interpretatie van de beroepsinstantie dat vraag CLE08 uitsluitend inhoudt dat de kandidaat Charles vergezelt naar de ingang van het toilet en dat Charles vervolgens zelf zijn broek proper maakt, strijdt met de semantiek van het vooropgestelde antwoord; ○ Tevens aantoont dat de beroepsinstantie bij haar antwoord op de aangebrachte wetenschappelijke artikelen steeds vertrekt vanuit dit verkeerde uitgangspunt; IX-10.548-6/31 Terwijl prof. B.J. expliciet stelt dat het vooropgestelde antwoord van vraag CLE08 ongepast is vanuit het perspectief van gendervooroordelen en conflicthantering; Terwijl verzoekster aan de hand van wetenschappelijke literatuur aantoont dat het vooropgestelde antwoord ongepast is vanuit het perspectief van gendervooroordelen en conflicthantering; Terwijl geen andere beroepsinstantie die in dezelfde omstandigheden zou zijn geplaatst, deze beslissing zou nemen; Zodat het motiveringsbeginsel, het [zorgvuldigheidsbeginsel] en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden.” Verzoekster zet uiteen dat zij in haar bezwaarschrift heeft aangegeven dat de CLEAR-proef een Situational Judgement Test (“situationele beoordelingstest”) is, dat zij van oordeel is dat de examencommissie de noodzakelijke kwalificaties ontbeert om een dergelijke test op te stellen en dat zulks de betrouwbaarheid van de vragen van de CLEAR-proef aantast. De beroepsinstantie heeft toegelicht over welke expertise zij ter zake beschikt en welke methodologie bij het opstellen van de CLEAR-proef werd gehanteerd. Volgens verzoekster “deugt” het antwoord van de beroepsinstantie niet. Verzoekster stipt vooreerst aan dat de psycholoog die voorheen meewerkte aan het opstellen van de vragen voor de CLEAR-proef, daarbij thans niet meer wordt betrokken. Dat de beroepsinstantie het irrelevant vindt dat er geen psycholoog is betrokken bij het opstellen van de vragen, toont volgens verzoekster aan dat de verwerende partij ter zake onvoldoende expertise heeft. Er zijn, zo gaat verzoekster verder, twee soorten van situationele beoordelingstesten, namelijk een traditionele test en een construct driven test. De CLEAR-proef is een vorm van deze laatste soort, zo stelt verzoekster. Er worden persoonlijkheidseigenschappen getest, waarbij geen specifieke voorkennis vereist is. Daarom is het volgens verzoekster “imperatief” dat psychologen de vragen en contexten opstellen. Dat volgens de bestreden beslissing professor S. een bekwaamheidsproef huisartsengeneeskunde heeft ontwikkeld en dat daarin een onderdeel ‘situationele beoordeling’ voorkomt, bewijst naar verzoeksters inzichten niet dat dit ook aan de hand van de specifieke CLEAR-methodologie werd opgesteld. Het gaat daarbij trouwens om een traditionele test. Verzoekster gaat ook dieper in op de in de bestreden beslissing vermelde bijdragen van professor S. De ene bijdrage stelt dat pilot testing – dit is volgens verzoekster het IX-10.548-7/31 voorleggen van de test aan een uitgebreid publiek, voorafgaand aan de eigenlijke test – noodzakelijk is om een situationele beoordelingstest op te stellen. Dit is voor de CLEAR-proef van het toelatingsexamen arts niet gebeurd. De tweede bijdrage blijft beperkt tot een verwijzing naar de eerste bijdrage. Volgens verzoekster heeft professor S. 88 publicaties op haar naam staan. Geen daarvan gaat volgens haar over communication skills bij artsen. Het doet verzoekster besluiten dat de CLEAR-proef niet werd opgesteld door een psycholoog, noch door iemand met enige bekwaamheid ter zake. Aan dergelijke vragen kan volgens haar dan ook geen bijzondere deskundigheid kleven. De door de examencommissie gehanteerde methodologie acht verzoekster “niet correct”. Zij refereert aan een wetenschappelijke bijdrage van professor L. waarin wordt uiteengezet hoe zo een situationele beoordelingstest tot stand moet komen. De methodologie die de beroepsinstantie in de bestreden beslissing beschrijft, is “zelf gekozen” en “niet gesteund […] op wetenschappelijk onderzoek”. Het finale nazicht gebeurt niet door externen, maar door interne leden – een doctor in de pedagogische wetenschappen en een hoogleraar cellulaire en moleculaire geneeskunde. Een taaldeskundige wordt alleen ingeschakeld voor het nazicht op verwoording en begrijpbaarheid. Een psycholoog wordt niet betrokken. Er worden dus, anders dan in de bijdrage van professor L. beschreven, geen specialisten uit het werkveld betrokken bij de ontwikkeling van de antwoordopties. De noodzakelijke pilot testing wordt niet uitgevoerd. Ook dat doet verzoekster ertoe besluiten dat van de vragen van de CLEAR-proef geen bijzondere deskundigheid kan uitgaan. Vervolgens betoogt verzoekster dat de bestreden beslissing het schorsingsarrest van 1 oktober 2024 miskent door te herhalen dat alleen wetenschappelijke artikelen die “in het licht van het toelatingsexamen” zijn geschreven, inpasbaar zijn in de vraagstelling. Pas bij de bespreking van haar tweede grief, gaat de beroepsinstantie “uiteindelijk” erop in. IX-10.548-8/31 Met haar tweede grief voor de beroepsinstantie levert verzoekster kritiek op vraag 8 van de CLEAR-proef. Volgens verzoekster gaat de beroepsinstantie ten onrechte ervan uit dat deze vraag peilt naar het vermogen tot conflicthantering in een professionele context. Het gaat net om een trusted context. Dat leest zij eveneens verderop in de bestreden beslissing. Verzoekster verwijst naar haar eerdere uiteenzetting over de methodologie en stelt dat de vragen in een professionele context moeten worden geplaatst “met casussen uit het echte beroepsleven van artsen en niet uit de cafetaria van een middelbare school”. Verzoekster wijst vervolgens erop dat zij aan de beroepsinstantie heeft voorgelegd dat het vooropgestelde antwoord drie interventies bevat die “niet meer aangepast zijn aan de maatschappelijke realiteit en het normenkader anno 2024”. Met betrekking tot de eerste “interventie” – ‘Je neemt Charles bij de arm’ – verwijst de beroepsinstantie naar een wetenschappelijk artikel. Daarin leest verzoekster geen enkele verwijzing naar een appropriate touch als handeling om een conflict te de-escaleren. Verzoekster ziet bijgevolg niet in hoe uit dat artikel blijkt dat de aanraking van de arm het vooropgestelde doel – de de- escalatie van het conflict – kan worden bereikt. Ten onrechte gaat de beroepsinstantie ervan uit dat er slechts sprake is van een “kort lichamelijk contact”. Verzoekster herinnert eraan dat er samen naar het toilet wordt gegaan om de broek proper te maken. Dat wijst volgens haar op een “intensief lichamelijk contact”. Dat er geen gevaar schuilgaat in de vraagstelling, betwist verzoekster eveneens. Het algemeen principe in de zorgverlening luidt dat men zichzelf niet in gevaar mag brengen bij het verlenen van zorg. Het is volgens verzoekster niet omdat de kandidaat zelf geen ruzie heeft met Charles, dat deze zijn woede niet zou kunnen richten op de tussenkomende kandidaat. Verzoekster noemt het een naïef en niet-ondersteund uitgangspunt dat dit in een schoolse context niet zou kunnen gebeuren. Alleszins kan volgens haar niet worden uitgesloten dat kandidaten zo wél hebben geredeneerd. In de bestreden beslissing IX-10.548-9/31 legt de beroepsinstantie zelf de link naar de hulpverlening. Het standpunt dat de principes uit de zorgverlening hier niet ertoe doen, is volgens verzoekster een tegenstrijdigheid en een onzorgvuldigheid. Wat de twee andere handelingen betreft – ‘Zullen we samen samen even naar de wc gaan’ en ‘om dit proberen proper te maken’ – heeft verzoekster in haar bezwaarschrift een probleem van genderbias aangevoerd. Het proper maken van de broek in een toilet impliceert dat de kandidaat en Charles in een situatie terechtkomen die sociaal niet gewenst is, die niet comfortabel is en die potentieel als aanstootgevend grensoverschrijdend gedrag kan worden beschouwd. De beroepsinstantie schuift een alternatief scenario naar voor, waarbij de kandidaat Charles tot aan het toilet vergezelt en Charles alleen de toiletruimte binnengaat om zijn broek proper te maken. Dit scenario strijdt echter met de vraagstelling, vindt verzoekster. Mocht dat de bedoeling zijn geweest, dan zou “de onderwerpsvorm van meervoud ‘wij’ naar enkelvoud ‘jij’ gaan”, zo redeneert verzoekster. Samen de broek proper maken, impliceert dat beiden het toilet binnengaan. Meegaan in de redenering van de beroepsinstantie betekent minstens dat het vooropgestelde antwoord een fout bevat, zodat de vraag geen goed of fout antwoord kan opleveren en moet worden geneutraliseerd. Bovendien erkent de beroepsinstantie daarmee dat meerdere interpretaties mogelijk zijn. Dat de door de beroepsinstantie voorgestane interpretatie beter zou aansluiten bij de aspecten die in CLEAR aan bod komen, wordt volgens verzoekster niet gemotiveerd en is “eenvoudigweg onwaar”. Verzoekster meent dat het “gedrag” niet gaat over het meegaan naar het toilet, maar wel de suggestie doen om mee te gaan naar dat toilet. Die suggestie is een gedrag van de kandidaat en deze kan bij Charles een “zeer onveilig gevoel creëren”. Verzoekster vraagt zich af waarom het een constructieve houding is om te wachten bij de ingang van het toilet, waarom het niet-constructief is om mee naar binnen te gaan en waarom het een foute inschatting is om mee naar binnen te gaan als dat in de vraag besloten ligt. Het scenario dat de beroepsinstantie voorstelt beantwoordt niet aan de CLEAR- principes en het scenario van verzoekster wel. In communicatie moet worden vermeden dat de boodschap die je wil meegeven, als bedreigend kan worden IX-10.548-10/31 geïnterpreteerd. Om de communicatie niet te schaden, is het volgens verzoekster fout om de suggestie te maken om samen naar het toilet te gaan. Verzoekster betoogt voorts dat de itemresponsanalyse voor de betrokken vraag aangaf dat de meerderheid van zowel de mannelijke als vrouwelijke kandidaten het verkeerde antwoord gaven, wat betekent dat het vooropgestelde antwoord dus voor zowel mannelijke als vrouwelijke kandidaten problematisch is. Aldus onderschrijft de itemresponsanalyse de grief van verzoekster. Het antwoord van de beroepsinstantie op de wetenschappelijke literatuur die verzoekster heeft bijgebracht, kan verzoekster niet overtuigen “voornamelijk omdat zij uitgaat van een verkeerde lezing van het vooropgestelde antwoord”. De beroepsinstantie gaat ervan uit dat er geen sprake is van een sociaal ongewenste situatie van mogelijk grensoverschrijdend gedrag. Verzoekster ziet het anders. De motivering van de beroepsinstantie, die uitgaat van een verkeerde lezing van het vooropgestelde antwoord, is niet feitelijk onderbouwd en onzorgvuldig. Verzoekster betwist ook dat de literatuur waaraan zij heeft gerefereerd, geen definitie van seksueel overschrijdend gedrag van de World Health Organization (WHO) zou geven. Die definitie is er wel. Door het feit dat zowel de kandidaat als Charles in een situatie worden gebracht die mogelijk langs beide of één van beide zijden als “een daad of een poging tot een daad van seksuele aard” wordt beschouwd, die “mogelijks zal leiden tot fysieke, psychische en/of emotionele schade waarvoor geen toestemming werd gegeven”, kan het vooropgestelde antwoord worden opgevat als seksueel geweld, zoals gedefinieerd door de WHO. Terecht werd dit antwoord door de meerderheid van de kandidaten onmiddellijk uitgesloten. Volgens verzoekster gaat de bestreden beslissing niet in op het door haar aangevoerde “algemeen gegeven dat binnen andere culturen het allerminst vanzelfsprekend is om iemand van het andere geslacht aan te raken”. De beroepsinstantie stelt alleen dat een hulpverlener in zijn rol als IX-10.548-11/31 ‘communicator’ en ‘professional’ begrip moet tonen voor de diversiteit van patiënten en hun context. Daarmee wordt volgens verzoekster voorbijgegaan aan de niet-professionele context van de vraag. Het vooropgestelde antwoord is binnen een schoolse context niet te verantwoorden in het licht van diverse culturele achtergronden. Verzoekster stipt nog aan dat de beroepsinstantie hierover geen cijfers ter beschikking stelt, zodat niet is aangetoond dat deze culturele verschillen geen impact hebben gehad op de beantwoording van de vraag. Zij besluit dat de beroepsinstantie uitgaat van een verkeerde aanname – “professionele context versus schoolse context” – en dat om die reden de bestreden beslissing strijdt met de vraag. Met betrekking tot de verklaring van professor B.J., Professor of Management Practice in Negotiation and Mediation aan de Vlerick Business School, betoogt verzoekster dat de beroepsinstantie niet antwoord op zijn argument dat het juiste antwoord “zowel vanuit het perspectief van gendervooroordelen als van conflicthantering” “ongepast” is. Verzoekster erkent dat het “de-escalerend nuttig [kan] zijn door Charles weg te leiden”, maar zij vindt het “potentieel grensoverschrijdend, on(aan)gepast aan het huidige normenkader en om die reden niet deugdelijk”. De beroepsinstantie miskent op die manier de draagwijdte van de grief en haalt er volgens verzoekster alleen uit wat voor haar relevant is. Ten onrechte grijpt de beroepsinstantie aan dat de betrokken professor stelt dat er geen boek is dat precies zal vertellen hoe je moet reageren in dit geval en dat reacties kunnen verschillen, om te motiveren waarom het vooropgestelde antwoord juist is. De betrokken professor stelt volgens verzoekster wel degelijk dat het als juist beschouwde antwoord niet kan standhouden. Welk antwoord wel juist is, is voor discussie vatbaar en is niet terug te vinden in één handboek. Dat de beroepsinstantie het vooropgestelde antwoord op vraag 8 van het CLEAR-onderdeel als juist blijft beschouwen, maakt volgens verzoekster een “kennelijke beoordelingsfout” uit. De precieze en concrete gegevens aan de IX-10.548-12/31 hand waarvan verzoekster de vraag analyseerde en de deugdelijkheid ervan weerlegde, worden niet zorgvuldig onderzocht. Tot slot argumenteert verzoekster nog dat de beslissing kennelijk onredelijk is. Zij zet daarbij uiteen wat volgt: “Niet enkel geeft de gespecialiseerde vakliteratuur aan dat het vooropgestelde antwoord niet overeenstemt met een geweldloze conflictoplossing, het is tevens voor de vrouwelijke kandidaten en kandidaten van allochtone origine geen voor de hand liggende oplossing zodat deze eerder geëlimineerd werd dan het tweede antwoord (hetgeen blijkt uit de [itemresponsanalyse]). Professor B.J. past dit specifiek toe op de betwiste vraag CLE08 en komt tot dezelfde conclusie als verzoekster. In die omstandigheden vasthouden aan de vraag en het vooropgestelde antwoord, is niet ernstig. Geen andere interne beroepsinstantie, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou, wanneer ze zich geconfronteerd zag met deze argumenten, deze vraag handhaven.” Beoordeling
  12. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
  13. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden IX-10.548-13/31 aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en het WER, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
  14. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst […] op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen, die van die aard zijn de deugdelijkheid van de vragen te ontkrachten.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in IX-10.548-14/31 een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
  15. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord: “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de CLEAR-toets een “specifiek format” volgt: “Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Met een CLEAR-vraag wordt dus gepeild naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Voor elke vraag worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit is het juiste antwoord. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. De deelnemer moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het ‘beste’ antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige ‘juiste’ antwoord. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – IX-10.548-15/31 toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling.” De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examen- commissie niet [erom] te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.” 11.
  16. Verzoekster verwijt in eerste instantie de examencommissie een gebrek aan deskundigheid voor het opstellen van de vragen van de CLEAR-proef. Zij meent voorts ook dat de examencommissie bij het opstellen van die vragen niet de juiste methodologie heeft gehanteerd. Daarmee levert zij kritiek op de beoordeling van de beroepsinstantie onder “[m]iddel 1” van de bestreden beslissing. 11.
  17. Die beoordeling komt, zo lijkt, woordelijk overeen met wat daarover reeds in de eerder geschorste en thans ingetrokken beslissing van 27 augustus 2024 was te lezen. In de mate dat de kritiek van verzoekster een herhaling is van wat zij in de eerdere schorsingsprocedure heeft aangevoerd, heeft deze reeds een voorlopig antwoord gekregen van de Raad van State in de overwegingen 14.1 tot IX-10.548-16/31 15 van het voormelde arrest van 1 oktober 2024 en is deze als niet-ernstig afgedaan. Om dezelfde reden is die kritiek ook nu niet ernstig. In de mate dat het om nieuwe kritiek gaat, lijkt aan verzoekster te moeten worden tegengeworpen dat zij deze in beginsel reeds in de eerste procedure had moeten doen gelden. Verzoekster toont op het eerste gezicht alvast niet aan dat zij de nieuwe kritiek niet eerder kon doen gelden. De nieuwe kritiek is prima facie laattijdig geformuleerd. 11.
  18. In die mate is het middel niet ernstig.
  19. Verzoekster neemt voorts aanstoot eraan dat de bestreden beslissing herhaalt dat alleen wetenschappelijke artikelen die “in het licht van het toelatingsexamen” werden opgesteld, inpasbaar zijn in de vraagstelling. Vooreerst moet op het eerste gezicht worden opgemerkt dat de bestreden beslissing op dat punt de door verzoekster bedoelde wetenschappelijke artikelen niet ipso facto uitsluit. Te lezen is dat dergelijke wetenschappelijke artikelen “niet per definitie in de vraagstelling kunnen worden ingepast”. “Niet per definitie” betekent, volgens de spraakgebruikelijke betekenis, “niet vanzelfspre-kend”. De bestreden beslissing sluit het, zo lijkt, bijgevolg niet zonder meer uit. Getuige daarvan het feit dat verzoekster zelf erkent dat de beroepsinstantie verderop in de bestreden beslissing “uiteindelijk wel [erop] zal ingaan”. In zoverre lijkt verzoekster derhalve geen belang te hebben bij het middel.
  20. Vervolgens bekritiseert verzoekster vraag 8 van het CLEAR- onderdeel. Die vraag luidt: IX-10.548-17/31 “In de cafetaria van je school zie je twee personen die ruzie hebben. Julie, een klasgenote, was wat te uitbundig geweest en botste hierdoor tegen het dienblad van Charles waardoor zijn drankje omviel op zijn broek. Charles is boos en schreeuwt tegen Julie, die duidelijk geschrokken reageert. Welke van de onderstaande interventies is de meest effectieve om dit conflict te de-escaleren?
  21. Je gaat tussen Charles en Julie in staan en zegt tegen Charles: ‘Julie heeft dit niet zo bedoeld. Er is geen reden om je zo kwaad te maken.’
  22. Je gaat tussen Julie en Charles in staan en zegt tegen beiden: ‘Dit was een gewoon ongeluk. Laat ons alles opruimen.’
  23. Je neemt Julie bij de arm en zegt tegen Charles: ‘Zie je niet dat je haar bang maakt. Het is niet dat ze dit met opzet deed.’
  24. Je neemt Charles bij de arm en zegt tegen hem: ‘Ik merk dat je boos bent omdat Julie je drankje heeft omgegooid. Zullen we samen even naar de wc gaan om dit proberen proper te maken?’” Verzoekster heeft op haar examen reactie 2 ingevuld als het juiste antwoord. De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juist antwoord aangemerkt.
  25. Dat de beroepsinstantie van oordeel is dat met deze vraag wordt gepeild “naar het vermogen tot conflicthantering in een professionele context”, kon verzoekster al lezen in de – geschorste en thans ingetrokken – beslissing van de beroepsinstantie van 27 augustus
  26. Het verwijt dat die zienswijze niet juist is, dat het gaat om een trusted context en de argumentatie dat de vragen van het CLEAR-onderdeel in een professionele context hadden moeten worden opgesteld, lijkt verzoekster evenwel thans voor het eerst aan te voeren. Dat is, gelet op de eerdere schorsingsprocedure die zij heeft ingesteld, laattijdig. In die mate is het middel dus evenmin ernstig. 15.
  27. Wat de interventie ‘Je neemt Charles bij de arm’ betreft, betwist verzoekster vooreerst de wetenschappelijke grondslag van het antwoord. IX-10.548-18/31 15.
  28. Het antwoord van de beroepsinstantie op verzoeksters kritiek op die interventie luidt als volgt (met weglating van een voetnoot): “Ten eerste neemt het interne beroep aanstoot aan het fysiek aanraken van Charles (‘Je neemt Charles bij de arm’). De vermelding van lichamelijk contact in het juiste antwoord is evenwel geen argument tegen dit antwoord. Het eigen standpunt van [verzoekster] is algemeen en los van de concrete context van de vraag. Of een fysieke aanraking zonder impliciete toestemming van een boos persoon al dan niet bedreigend overkomt en aanzet tot een impulsieve reactie, hangt af van de context waarin deze fysieke aanraking gebeurt. Een kort lichamelijk contact zorgt immers in bepaalde omstandigheden ook voor verbondenheid en houdt een aanmoediging in om in te gaan op de daaropvolgende vraag (‘Zullen we samen even...?’). Dit staat gekend als een ‘appropriate touch’ wat wordt gezien als een interrelationele handeling om spanning te verlagen en de-escalatie te bekomen. De review van Gallace & Spence

(2010)is de basisreferentie voor ‘appropriate contact’ als nonverbaal communicatiemiddel. De review verwijst naar de fysiologische en psychosociale impact van intermenselijk fysiek contact en de gunstige impact op stressreacties. In het artikel wordt aangegeven dat het effect van aanraking context gebonden is en een vertrouwde/vertrouwelijke relatie veronderstelt. De examenvraag speelt zich af in dergelijke ‘trusted context’ (school) waarin een aanraking niet als bedreigend wordt gezien en waarin het ‘conflict’ ook weinig uitgesproken is. Voor alle duidelijkheid: in de vraagstelling zijn het niet de conflicterende partijen die elkaar aanraken, maar wel de derde interveniërende persoon die fysiek contact maakt met één van de conflicterende partijen. Ook gaat het niet om een agressief fysiek contact. Immers, de interveniërende persoon spreekt tegelijk Charles begripvol aan: ‘Ik merk dat je boos bent omdat Julie je drankje heeft omgegooid’. Het fysieke contact wordt dus gecontextualiseerd door eerst begrip uit te spreken en vervolgens een vraag te stellen. Er is dus anders dan het gegeven waarvan verzoekende partij uitgaat, geen enkele reden om uit te gaan van gevaar ten aanzien van de interveniërende persoon, zodat het principe uit de zorgverlening ‘Breng uzelf niet in gevaar bij het verlenen van zorg’ hier niet aan de orde is.” 15.
  1. De wetenschappelijke relevantie van de betrokken review voor de betwiste interventie is volgens de beroepsinstantie gelegen in de verwijzing naar “de fysiologische en psychosociale impact van intermenselijk fysiek contact en de gunstige impact op stressreacties”. In het artikel wordt aangegeven, zo gaat de bestreden beslissing voort, “dat het effect van aanraking context gebonden is IX-10.548-19/31 en een vertrouwde/vertrouwelijke relatie veronderstelt”, wat in deze examenvraag – gezien de trusted context in een school – het geval zou zijn. Ook al vindt verzoekster geen enkele (letterlijke) verwijzing naar de appropriate touch als handeling om een conflict te de-escaleren, zij spreekt op het eerste gezicht alvast niet tegen dat in dat artikel sprake is van de gunstige invloed van een contextgebonden aanraking op een stresssituatie. Die duiding voor ogen, vermocht de beroepsinstantie die interventie als niet-ongepast te beschouwen. 15.
  2. Dat er slechts sprake is van een “kort lichamelijk contact”, betwist verzoekster door te wijzen op de handelingen ‘samen naar het toilet gaan’ en ‘de broek proberen proper maken’. Die kritiek lijkt niet relevant. Immers, verzoekster deelt het vooropgestelde antwoord zelf op in verschillende “interventies”. Het bezwaar over de aanraking bij wat verzoekster zelf als een eerste interventie beschouwt, wordt door de beroepsinstantie beantwoord, onder meer door te stellen dat een “kort lichamelijk contact” in bepaalde omstandigheden voor verbondenheid kan zorgen en een aanmoediging kan inhouden. Verzoekster lijkt bezwaarlijk dat antwoord te kunnen tegenspreken door naar de andere door haar bekritiseerde interventies te verwijzen, terwijl uit de bestreden beslissing prima facie blijkt dat de beroepsinstantie dat argument slechts voor de door verzoekster betwiste aanraking in de eerste interventie heeft bedoeld. 15.
  3. Verzoekster meent voorts dat ten onrechte wordt gesteld dat van een dergelijke aanraking geen gevaar uitgaat. In dat verband heeft de beroepsinstantie toegelicht dat het om een trusted context – een schoolcontext – gaat, waarin de bedoelde aanraking “niet als bedreigend wordt gezien” en waarin “het ‘conflict’ ook weinig uitgesproken is”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat “het niet de conflicterende partijen [zijn] die elkaar aanraken, maar wel de derde interveniërende persoon die IX-10.548-20/31 fysiek contact maakt met één van de conflicterende partijen”. Het contact zelf is volgens de beroepsinstantie evenmin “agressief”: “tegelijk [wordt] Charles begripvol [aangesproken]”. De beroepsinstantie wijst erop dat het fysieke contact wordt “gecontextualiseerd door eerst begrip uit te spreken en vervolgens een vraag te stellen”. Verzoekster spreekt dat oordeel op het eerste gezicht niet op overtuigende wijze tegen door alleen te stellen dat het een “naïef uitgangspunt” is te veronderstellen dat “in een schoolse context” geen gevaar zou dreigen. Immers, de beroepsinstantie lijkt net op alle begeleidende elementen te wijzen waarom in deze context geen gevaar uitgaat van de door verzoekster bekritiseerde handeling: het conflict is weinig uitgesproken, het contact is niet agressief, de betrokkene wordt tegelijk begripvol aangesproken. Die elementen betrekt verzoekster prima facie niet in haar kritiek. 15.
  4. Tot slot, ontwaart de Raad van State op het eerste gezicht geen tegenstrijdigheid in de bestreden beslissing met betrekking tot het al dan niet van toepassing zijn van de principes uit de zorgverlening. De beroepsinstantie lijkt het principe ‘Breng uzelf niet in gevaar bij het verlenen van zorg’ niet aan de orde te achten omdat zij “geen enkele reden [ziet] om uit te gaan van gevaar ten aanzien van de interveniërende persoon”. Dat motief blijkt op het eerste gezicht niet in te sluiten dat de beroepsinstantie de principes uit de zorgverlening op de voorliggende vraag zonder meer niet van toepassing weet. Zoals hiervóór voorlopig vastgesteld, heeft verzoekster het standpunt dat geen gevaar uitgaat van de betwiste aanraking, overigens niet op overtuigende wijze tegengesproken. 15.
  5. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster prima facie niet aannemelijk maakt dat de beroepsinstantie met betrekking tot de door haar IX-10.548-21/31 betwiste handeling ‘Je neemt Charles bij de arm’ niet tot het voormelde oordeel vermocht te komen. 16.
  6. Verzoekster gaat vervolgens dieper in op wat zij opnieuw “interventies” noemt: ‘Zullen we samen even naar de wc gaan’ en ‘om dit proberen proper te maken’. 16.
  7. De Raad van State bedenkt vooreerst dat het vooropgestelde antwoord, naast het bij de arm nemen van Charles, op het eerste gezicht geen ‘interventies’, in de zin van ‘actieve handelingen’, bevat. Het enige wat gebeurt, lijkt te zijn dat de derde persoon (waarin de kandidaat zich moet verplaatsen) aan Charles zegt dat hij of zij merkt dat hij boos is omdat Julie zijn drankje heeft omgegooid en aan hem vraagt: “Zullen we samen even naar de wc gaan om dit proberen proper te maken?”. 16.
  8. Zoals verzoekster het heeft uiteengezet in haar bezwaarschrift voor de beroepsinstantie, ziet zij in die beide onderdelen van de vraag – samen naar het toilet gaan en proberen dit proper te maken – een “probleem van genderbias”. Daarvoor verwees zij in de eerste plaats naar het werk ‘Make it work! Prevention of sexual and gender-based violence in the European Reception and asylum sector’ van
  9. 16.
  10. In eerste instantie wijst de beroepsinstantie in de bestreden beslissing erop dat “uit de itemanalyse van deze vraag […] niet [blijkt] dat er een genderbias zou zijn”. Zij licht aan de hand van cijfermateriaal toe: “Vrouwelijke deelnemers hebben proportioneel meer voor het juiste antwoord dat de zgz gebiasede elementen bevat (samen naar de wc gaan, broek proper maken) gekozen dan de mannelijke deelnemers. 40% van de vrouwen kozen voor het juiste antwoord versus 30% van de mannen. Daarbij is de rangschikking van de gekozen antwoorden identiek voor mannen en vrouwen. De volgorde van meest gekozen naar minst gekozen antwoord is: Vrouwen: 2 > 4 > 1 > 3 IX-10.548-22/31 Mannen: 2 > 4 > 1 > 3 Deze cijfers staven niet de stelling dat vrouwen zouden afgeschrikt zijn door de vermelding van samen naar het toilet gaan in het juiste antwoord 4 en ontkrachten de bewering van genderdiscriminatie.” Waar verzoekster vervolgens tegenwerpt dat “de meerderheid van zowel de mannelijke als de vrouwelijke kandidaten het verkeerde antwoord
(2)gaven en niet het juiste antwoord
(4)en dat het vooropgestelde antwoord dus zowel voor mannelijke als vrouwelijke kandidaten problematisch is”, lijkt zij de discussie over het “probleem van genderbias” te verlaten. Zij bevestigt derhalve op het eerste gezicht de analyse van de beroepsinstantie dat de bijgebrachte cijfers niet aantonen “dat vrouwen zouden afgeschrikt zijn door de vermelding van samen naar het toilet gaan” en bijgevolg de bewering van genderdiscriminatie ontkrachten. 16.
  1. Specifiek met betrekking tot het door verzoekster aangehaalde werk, overweegt de beroepsinstantie vervolgens (met weglating van een voetnoot): “De verwijzing naar het werk van professor I. [K.] […] overtuigt ook niet. Vooreerst staat in dit werk, los van het feit dat verzoekster hierbij uitgaat van een verkeerde feitelijke context, nergens letterlijk vermeld dat het proper maken van de broek in een dames of herentoilet impliceert dat de kandidaat in een situatie terecht komt die sociaal niet gewenst is, die voor hem/haar niet comfortabel is en die potentieel als aanstootgevend grensoverschrijdend gedrag kan beschouwd worden. Verzoekster vermeldt na haar bewering onmiddellijk tussen haakjes het werk, doch laat na om de link te maken tussen haar bewering en de genoemde documenten. Daarenboven moet opgemerkt worden dat deze documenten refereren aan een heel specifieke context, met name seksuele agressie en fysiek geweld, al dan niet in het kader van asiel en migratie. Enige voorzichtigheid met de transpositie van bevindingen uit dit werk naar een schoolse situatie met een woordenwisseling tussen twee leerlingen zonder dat er sprake is van fysiek of seksueel geweld is dus gewettigd. Evenwel valt niet uit te sluiten dat deze documenten meer generieke informatie bevatten die potentieel van toepassing zijn op de context van vraag 8 van CLEAR, althans wanneer de context van vraag 8 en deze van het werk vergelijkbaar zouden zijn, wat hier niet het geval is. Hierbij dient dan in de eerste plaats gekeken te worden naar de positie van de hulpverlener, zijnde de persoon van wie een de-escalerende interventie in vraag 8 van CLEAR verwacht wordt.” IX-10.548-23/31 Verzoekster brengt prima facie alleen daartegen in dat de beroepsinstantie ervan uitgaat dat er geen sprake is van een sociaal ongewenste situatie van mogelijk grensoverschrijdend gedrag en dat zij dus uitgaat van een verkeerde lezing van het antwoord. Dat standpunt lijkt niet te kunnen overtuigen. Verzoekster maakt vooralsnog niet aannemelijk dat in het vooropgestelde antwoord de dadelijke suggestie ligt besloten dat grensoverschrijdend gedrag aan de orde zou zijn. Het viel, zo lijkt, haar toe om op grond van wetenschappelijke literatuur te overtuigen van wat het juiste uitgangspunt is: is er een probleem van genderbias of niet? Wanneer de beroepsinstantie vervolgens argumenteert waarom de aangevoerde literatuur niet relevant is – het werk vermeldt niet de situatie die zich in de betrokken vraag 8 voordoet, het werk gaat over een heel specifieke context (seksuele agressie en fysiek geweld in het kader van asiel en migratie) – en het door verzoekster gekozen uitgangspunt fout is, kan zij op het eerste gezicht niet volstaan met de enkele bedenking dat de beroepsinstantie van een verkeerd uitgangspunt vertrekt. Hetzelfde geldt, zo lijkt, voor de overige bijgebrachte literatuur. Steeds vertrekt verzoekster van het gegeven dat het vooropgestelde antwoord aanleiding geeft tot “een daad of een poging tot een daad van seksuele aard” die “mogelijks zal leiden tot fysieke, psychische en/of emotionele schade waarvoor geen toestemming werd gegeven”. Zoals gezien, maakt verzoekster op het eerste gezicht niet aannemelijk dat zulks in het vooropgestelde antwoord dadelijk besloten ligt. 16.
  2. In dat opzicht lijkt het voorts niet relevant welk scenario de beroepsinstantie thans nog naar voor schuift. Alleen relevant is of verzoekster kan overtuigen van de door haar voorgestane situatieschets. Zoals gezien, is dat vooralsnog niet het geval. IX-10.548-24/31 16.
  3. Ook in die mate is het middel niet ernstig. IX-10.548-25/31 17.
  4. Over de problematiek van discriminatie op basis van afkomst die verzoekster heeft aangekaart, leest de bestreden beslissing als volgt (met weglating van de voetnoten): “Het is inderdaad zo dat communicatie gekleurd is door context en cultuur, specifiek dan de context en cultuur waarin onze gezondheidszorg zich afspeelt. Studenten en zorgverleners worden opgeleid in cultuursensitief zorgen en communiceren. Ze behoren met andere woorden oog te hebben voor gewoonten en gedragingen die ingegeven zijn door culturele, etnische, religieuze of persoonlijke invloeden. Deze sensitiviteit houdt evenwel niet in dat er naargelang de culturele, etnische, religieuze of persoonlijke context andere of specifieke antwoorden zouden zijn. Uitgaande van de generieke en wetenschappelijk onderbouwde CLEAR-dimensies wordt van de deelnemer aan het toelatingsexamen verwacht om gedragingen, gevoelens en uitspraken te observeren, te benoemen en te exploreren in de gegeven context van de vraag. In tegenstelling tot wat beweerd wordt, vereist dit geen specifieke benadering of aanpak. Cultuursensitiviteit werkt dus in twee richtingen: enerzijds zich bewust zijn van culturele, etnische, religieuze of persoonlijke elementen bij de andere; anderzijds zich bewust zijn van de eigen achtergrond en afstand kunnen nemen van de eigen culturele bias. Van toekomstige studenten in een zorgopleiding wordt verwacht dat ze zich kunnen inleven in allerlei mogelijke situaties, ongeacht de (eigen) socioculturele context, cf het begrip culturele competentie. De CanMEDS rollen die gebruikt worden als competentiekader voor de medische praktijkvoering benadrukken de rol van de arts als ‘communicator’ en ‘professional’ die begrip toont voor de diversiteit van patiënten en hun context. Toegepast op vraag 8 van CLEAR impliceert afstand nemen van de eigen culturele bias dat bij de arm nemen van een persoon en deze wegleiden naar het toilet geen beletsel mag zijn om zo te handelen als dit de best mogelijke optie is. Binnen de context van deze vraag zijn de drie andere opties duidelijk minder wenselijk zoals eerder toegelicht. Samengevat, vanuit de bredere blik van cultuursensitiviteit kan het juiste antwoord op vraag 8 van CLEAR niet als problematisch geduid worden.” 17.
  5. De grief van verzoekster komt er wezenlijk op neer, zo lijkt, dat de beroepsinstantie is uitgegaan van een verkeerde context – een professionele context in plaats van een schoolse context. Dat van de kandidaten wordt verwacht dat zij een “professionele houding” aannemen – in die zin dat zij oog moeten hebben voor culturele, etnische, religieuze of persoonlijke elementen bij de andere, maar IX-10.548-26/31 anderzijds zich ook bewust moeten zijn van de eigen achtergrond en afstand kunnen nemen van de eigen culturele vooroordelen – in casussen die zich in diverse contexten afspelen, betekent op het eerste gezicht niet dat de beroepsinstantie daarmee op ondeugdelijke wijze contexten met elkaar vermengt of, zoals verzoekster beweert, voorbijgaat aan de specifieke schoolse context van vraag 8 van het CLEAR-onderdeel. 17.
  6. Verzoekster wijst er “overigens” – en, zo lijkt, bijgevolg ten overvloede – op dat geen cijfers worden bijgevoegd over de antwoorden met het oog op het beoordelen van eventuele culturele verschillen. In dat verband moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat, mochten die cijfers als voorhanden zijn – wat de verwerende partij betwist – verzoekster nooit heeft gezinspeeld op de vrijgave ervan. Alsdan lijkt zij zich bezwaarlijk over een gebrek aan cijfers te kunnen beklagen. Vooralsnog wordt aangenomen dat op de examencommissie of de beroepsinstantie evenmin de verplichting rust om die cijfers eigener beweging te verzamelen. 17.
  7. Ook in die mate is het middel niet ernstig. 18.
  8. Wat de verklaring van professor B.J. betreft, heeft de beroepsinstantie het volgende overwogen: “Randnummer 16 van het interne beroepsschrift citeert een geraadpleegde expert, professor B. [J.] – Vlerick Business School, die verwijst naar [W.U.] van Harvard University, auteur van een hele reeks boeken over conflicthantering (https://www.[...]). [W.U.] heeft zijn autoriteit te danken aan zijn academisch en professioneel werk over onderhandeling en bemiddeling met als bekendste werk wellicht ‘Getting to Yes’. Evenwel, vraag 8 van CLEAR betreft niet het tot een goed einde brengen van een gezamenlijke onderhandeling IX-10.548-27/31 (‘Getting to Yes’). Integendeel, het gaat om het de-escaleren van een situatie. Volgens het online Van Dale woordenboek staat ‘de-escaleren’ voor ‘stapsgewijs minder ernstig maken’. Onder ‘verzoenen’ wordt verstaan ‘weer tot vrede of vriendschap brengen’, terwijl ‘bemiddelen’ staat voor ‘tussenbeide komen om een geschil op te lossen’. Toegepast op deze vraag wil dat zeggen dat gepeild wordt naar de interventie met de meeste kans om de situatie (een boze en schreeuwende Charles, een geschrokken Julie) te ontmijnen. Er wordt niet gevraagd naar de interventie die het meest kansen biedt om beide partijen terug met elkaar te verzoenen. Hieruit volgt dat overwegingen of reflecties met betrekking tot het verzoenend effect van de interventie niet relevant zijn voor de beoordeling van de antwoordmogelijkheden in de specifieke context van deze vraag. Ook wordt verwezen naar een Youtube video ‘Transforming Conflict in Three Steps’ door [W.U.] https://www.youtube.com/[...]. De toelichting op Youtube bij deze video luidt als volgt: ‘in this keynote, [W.U.], Co- founder of the Harvard Program on Negotiation at Harvard University, shares a three-part framework for transforming conflict into cooperation: the Balcony, the Bridge, and the 3rd Side.’ […]. Het model dat [W.U.] in deze video aanreikt, heeft dus een veel verdergaande doelstelling, met name ‘transforming conflict into cooperation’ dan de vraagstelling in vraag 8 van CLEAR die peilt naar de beste interventie om het conflict te de-escaleren. De inhoud van de video kan dus niet zomaar getransponeerd worden naar deze specifieke vraag in het toelatingsexamen arts. Als dan toch iets uit deze video relevant is voor de betwisting van vraag 8 van CLEAR, dan is het de eerste stap in het model van [U.], met name ‘The Balcony’. Dit komt erop neer om, in geval van conflict, in eerste instantie even afstand te nemen van de situatie (‘take a step back from the situation’ passage op 07:52 in de video). Dit is net wat de persoon die tussenkomt in het conflict tussen Charles en Julie doet, met name Charles meenemen naar de spreekwoordelijke Balcony, in casu het toilet in de context van deze vraag. In zoverre relevant voor dit middelonderdeel, ondersteunt deze video dus de argumenten van de examencommissie, eerder dan van verzoekster. Prof. Dr. [B.J.] schrijft overigens zelf in zijn verklaring dat er geen enkel boek is dat exact zal vertellen hoe op de concrete vraag geantwoord moet worden en dat de antwoorden kunnen verschillen. Hiermee geeft hij zélf aan dat het hoogstens gaat om mogelijks uiteenlopende meningen van wetenschappers, hetgeen op zich niet volstaat om het vermoeden van deskundigheid aan het wankelen te brengen. Hierboven geeft de interne beroepsinstantie overigens ook duidelijk aangegeven waarom de samenvatting van [W.U.] van het Harvard Negotiation Project’s 5-step plan niet van die aard is om het door de examencommissie als juist beschouwde antwoord op vraag 8 CLEAR te weerleggen.” 18.
  9. Voor zover verzoekster zich erover beklaagt dat de bestreden beslissing niet antwoordt op de bemerking van professor B.J. dat “de IX-10.548-28/31 voorgestelde oplossingen […] ongepast [zijn] vanuit het perspectief van gendervooroordelen en conflicthantering”, bedenkt de Raad van State dat de betrokken professor evenmin uiteenzet waarom en hoe hij tot die conclusie is gekomen. Een volstrekt niet toegelicht standpunt, lijkt geen antwoord te vereisen, zelfs niet mogelijk te maken. Op dat punt is de verklaring op het eerste gezicht bijgevolg evenmin van aard om het deskundig standpunt van de examencommissie en van de beroepsinstantie te ondergraven. Op grond van de hiervóór aangehaalde zinsnede uit de verklaring van professor B.J. kan vooralsnog bezwaarlijk tot een kennelijke beoordelingsfout in hoofde van de examencommissie of de beroepsinstantie worden besloten. 18.
  10. Waar de verklaring verwijst naar een ‘5-stappenplan’ van een andere academicus, antwoordt de beroepsinstantie dat dit plan hoogstens relevant is in de mate dat het bevestigt dat het wegleiden van Charles een eerste stap is in de conflicthantering. Voor het overige reikt dat plan verder dan wat met de thans betwiste vraag 8 van het CLEAR-onderdeel wordt beoogd, namelijk de de- escalatie van een conflict. Verzoekster erkent zulks met zoveel woorden. Zij betoogt alleen dat het “potentieel grenoverschrijdend, on(aan)gepast aan het huidige normenkader en om die reden niet deugdelijk” is om voor te stellen om de arm aan te raken en samen naar het toilet te gaan om de broek proper te maken. Daarmee lijkt verzoekster zelf in te zien dat de verwijzing naar het voormelde ‘5-stappenplan’ haar niet van nut kan zijn. 18.
  11. Het middel is in die mate evenmin ernstig.
  12. Aan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geeft verzoekster op het eerste gezicht geen eigen invulling. De kritiek dat het een IX-10.548-29/31 “kennelijke beoordelingsfout” is om aan het betrokken antwoord te blijven vasthouden en dat “[d]e precieze en concrete gegevens” die zij heeft aangevoerd “niet zorgvuldig [werden] onderzocht”, lijkt samen te vallen met – minstens dadelijk voort te vloeien uit – de andere aangevoerde beginselen. Het middel is bijgevolg in die mate evenmin ernstig.
  13. Wat de schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, zoekt verzoekster andermaal aansluiting bij haar eerder aangevoerde wettigheids- kritieken. Zij voegt daaraan niets toe. Om dezelfde redenen als waarom de voorgaande kritieken niet konden slagen, kan verzoekster bijgevolg en op het eerste gezicht ook niet van een schending van het redelijkheidsbeginsel overtuigen. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
  14. Het enige middel is in zijn geheel niet ernstig. VII. Conclusie
  15. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt de vordering.
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht IX-10.548-30/31 van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.548-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.323 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.