id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.373 Rolnummer: A. 239786/IX-10303 Zaak: Arrest 261373 - Tucht (openbaar ambt) - 19/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-17 04:23 Fiche Arrest nr 261.373 van 19 november 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.373 van 19 november 2024 in de zaak A. 239.786/IX-10.303 In zake:
- de HOGESCHOOL GENT
- P.V.
- K.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGESCHOOL GENT Tussenkomende partij: G.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroedersstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van het college van beroep inzake tucht van de Hogeschool Gent van 24 mei 2023, ter kennis gebracht op 05 juni 2023, waarbij de tuchtsanctie van ontslag van 16 maart 2023 wordt hervormd naar een schorsing van 05 juni 2023 tot en met het einde van het academiejaar 2022- 2023”. IX-10.303-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier neergelegd. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. G.R. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-10.303-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De tussenkomende partij is vastbenoemd docent bij de Hogeschool Gent. Het bestuurscollege legt haar op 16 maart 2023 de tuchtstraf van ontslag op. Op beroep van de tussenkomende partij beslist het college van beroep inzake tucht op 24 mei 2023 om de tuchtmaatregel van het ontslag niet te bevestigen en om de tussenkomende partij te schorsen voor een termijn vanaf de kennisgeving van de beslissing tot het einde van het academiejaar 2022-
- Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- Volgens de tussenkomende partij is het beroep onontvankelijk. Eerste verzoekster, de Hogeschool Gent, toont niet aan dat zij met de nietigverklaring een voordeel nastreeft. Daarenboven kan de hogeschool niet opkomen tegen haar eigen beslissing. Het beroep “gaat geheel voorbij aan de wettelijke regeling van het intern administratief beroep die zijn rechtsgrond vindt in de Codex Hoger Onderwijs”: aan het college van beroep is volheid van bevoegdheid toebedeeld. Met haar beroep tot nietigverklaring streeft de hogeschool aldus de nietigverklaring na van haar eigen eindbeslissing, namelijk deze van haar college van beroep, beslissing die nochtans volgens de eigen IX-10.303-3/9 procedurele regels op wettige wijze tot stand is gekomen. Met deze procedure komt eerste verzoekster bijgevolg op tegen een beslissing van haar eigen orgaan, wat uiteraard in dit kader niet mogelijk is. Tweede en derde verzoeker beroepen zich op hun vermeend functioneel belang vanuit hun hoedanigheid van bestuurder en ambtshalve lid van het bestuurscollege van de Hogeschool Gent. Een functioneel belang vereist dat zij in hun middelen aanvoeren en aantonen dat hun prerogatieven als bestuurder zijn geschonden en de schending ervan door het vernietigingsarrest ongedaan kan worden gemaakt. Een beroep gesteund op een functioneel belang vereist dat minstens één middel wordt aangevoerd dat betrekking heeft op de schending van het mandaat of de bevoegdheden van het orgaan waarvan tweede en derde verzoeker lid zijn. De tussenkomende partij ontwaart in het beroepschrift tot nietigverklaring in ieder geval geen middel dat dergelijke schending aantoont. Derhalve is hun beroep onontvankelijk bij gebrek aan functioneel belang. Daarenboven, zo stelt de tussenkomende partij, kunnen tweede en derde verzoeker zich niet beroepen op een persoonlijk belang. Zij worden immers niet persoonlijk geraakt door de bestreden beslissing. Deze levert hun geen persoonlijk voor- of nadeel op en is te hunnen aanzien niet griefhoudend.
- In hun toelichtende memorie antwoorden de verzoekers als volgt: “De eerste verzoekende partij heeft belang als werkgever, die oorspronkelijk de tuchtstraf van ontslag heeft opgelegd, om een vordering tot nietigverklaring in te dienen tegen een besluit van het college van beroep inzake tucht, onafhankelijk beroepsorgaan, waarbij de tuchtstraf van ontslag zonder enige motivering wordt omgevormd tot een schorsing van 05 juni 2023 tot het einde van het academiejaar 2022-2023, terwijl de tuchtfeiten voor bewezen worden gehouden en de bezwaren van de beroepsindiener (minstens) impliciet worden afgewezen. Het academiejaar 2022-2023 loopt af op 24 september
- Het college van beroep inzake tucht heeft immers (eveneens) vastgesteld dat er een problematische omgang bestaat tussen [GR] en zijn studenten. Evenwel stelt de eerste verzoekende partij vast dat het bestreden besluit op geen enkele manier motiveert waarom de sanctie van schorsing wordt opgelegd, behoudens de vermelding van één enkele zin. IX-10.303-4/9 Dit terwijl de eerste verzoekende partij als werkgever een actief beleid tegen grensoverschrijdend gedrag voert. Als werkgever heeft de eerste verzoekende partij belang om een dergelijke kennelijk onwettig gemotiveerde beslissing te bestrijden bij uw Raad. De eerste verzoekende partij heeft op heden geen kennis van een beroep tot nietigverklaring door [GR] tegen het bestreden besluit, waardoor deze tuchtbeslissing ten opzichte van zijn persoon definitief is geworden. Op grond van het voorgaande is de eerste verzoekende partij gerechtigd aan te nemen dat [GR] zich heeft neergelegd bij de beoordeling van het college van beroep inzake tucht. Het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring en de betwisting blijft dan ook beperkt tot de motivering van de straftoemeting. […] De eerste verzoekende partij streeft wel degelijk een voordeel na met het voorliggend beroep tot nietigverklaring. De vernietiging op grond van de vastgestelde manifest ontoereikende motivering van de straftoemeting betekent dat het college van beroep een nieuwe beslissing zal moeten nemen waarbij de straftoemeting wel degelijk (beter) moet worden gemotiveerd. Het is daarbij mogelijk dat desgevallend wel degelijk alsnog tot de tuchtstraf van ontslag wordt gekomen. Het college van beroep behoudt haar autonome beslissingsbevoegdheid – ook over de straftoemeting, maar moet de keuze van de strafmaat motiveren. […] De eerste verzoekende partij komt op zich niet op tegen ‘haar eigen beslissing’, maar tegen een beslissing van een onafhankelijk college van beroep bestaande uit externen die belast is met de opdracht om in graad van beroep een tuchtbeslissing te nemen die de beslissing van het bestuurscollege. De eerste verzoekende partij heeft als rechtspersoon / werkgever die een actief beleid tegen grensoverschrijdend gedrag voert een rechtstreeks en persoonlijk belang om een kennelijk onwettig gemotiveerde beslissing van het college van beroep te betwisten bij uw Raad. De onafhankelijkheid van het college van beroep wordt uiteraard onverlet gelaten. De eerste verzoekende partij heeft echter wel degelijk een belang om een onwettige beslissing aan te vechten. Een tuchtbeslissing in graad van beroep kan maar worden aanvaard wanneer het college van beroep de op haar rustende motiveringsverplichting heeft nageleefd in plaats van manifest miskend. […] Het voorgaande gaat evenzeer op voor de tweede en derde verzoekende partij die zich beroepen op hun functioneel belang vanuit hun hoedanigheid als (ambtshalve) lid van het bestuurscollege van de Hogeschool Gent, tuchtoverheid in eerste aanleg. De belangen van (de leden van) het bestuurscollege, bevoegde tuchtoverheid in eerste aanleg, worden negatief geraakt door zonder deugdelijke motivering een tuchtbeslissing te hervormen. Een efficiënt en effectieve handhaving van de orde en tucht is niet meer mogelijk wanneer IX-10.303-5/9 niet wordt opgekomen tegen een willekeurige, niet gemotiveerde sanctie. Elke (morele) autoriteit van de (leden van de) bevoegde tuchtoverheid in eerste aanleg wordt gefnuikt wanneer beslissingen zonder enige motivering worden hervormd. […] Het gegeven dat de bestreden beslissing een willekeurige, niet gemotiveerde sanctie is, des te meer in vergelijking met de uitvoerig gemotiveerde beslissing van het bestuurscollege kan niet ernstig worden betwist. Zulks is vatbaar voor eenvoudige feitelijke vaststelling. In die zin wordt bovendien wel degelijk elke morele autoriteit van de leden van het bestuurscollege gefnuikt. Als lid van het bestuurscollege worden de tweede en derde verzoekende partij wel degelijk persoonlijk en rechtstreeks geraakt. De bestreden beslissing schendt in die zin wel degelijk de prerogatieven van de tweede en derde verzoekende partij. Ondanks de motiveringsverplichting die op het college van beroep rust wordt een uitgebreid verantwoorde beslissing van het bestuurscollege naar de prullenmand verwezen zonder daaromtrent één woord toelichting te verschaffen. Impliciet houdt het college van beroep voor dat de beslissing van het bestuurscollege onregelmatig / onwettig is zonder dat ook maar enige motivering wordt gegeven voor de eigen zienswijze van het college van beroep, waartoe zij weliswaar is gerechtigd.” Beoordeling a. eerste verzoekster: de Hogeschool Gent
- De bestreden beslissing is genomen door het college van beroep, optredend als orgaan van de Hogeschool Gent en is om die reden aan de Hogeschool Gent toe te rekenen. De Hogeschool Gent kan niet optreden in twee hoedanigheden, namelijk als verwerende partij die als rechtspersoon uiteindelijk het arrest zal moeten uitvoeren en die derhalve ook verantwoordelijk is voor de verdediging van de bestreden beslissing én als verzoekende partij die in eigen naam de nietigverklaring ervan nastreeft. Nu de bestreden beslissing moet worden toegerekend aan de Hogeschool Gent als rechtspersoon, beschikt zij niet over de hoedanigheid om “als werkgever” tegelijk die beslissing in rechte te bestrijden. Voorts kan zij haar hoedanigheid niet staven op grond van een functioneel belang – daarin begrepen een institutioneel belang – dat zij immers niet aanvoert. IX-10.303-6/9 De exceptie is in zoverre gegrond. b. tweede en derde verzoeker: leden van het bestuurscollege
- Tweede en derde verzoeker beroepen zich in het inleidend verzoekschrift als lid van het bestuurscollege uitsluitend op een functioneel belang. Zoals zij zelf niet tegenspreken, vermogen zij zich slechts op zo een belang te beroepen, indien en in de mate dat zij een middel aanvoeren dat steunt op de miskenning van hun prerogatieven of de prerogatieven van het orgaan waarvan zij deel uitmaken. In het enige middel evenwel doen zij zulks niet. Het middel is geput uit de schending van de formelemotiveringsplicht, van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel – in wezen omdat de straftoemeting niet deugdelijk zou zijn verantwoord. Zo een onwettigheid betreft enkel de interne wettigheid van de bestreden beslissing, waarvan niet wordt betwist dat ze aan het college van beroep toevalt, en laat de prerogatieven van deze verzoekers om in eerste aanleg uitspraak te doen over de tuchtmaatregel geheel onverlet. In hun latere processtukken stellen deze verzoekers het zo voor dat zij ook op een persoonlijk belang steunen, maar opnieuw beschouwen zij dat belang als “lid van het bestuurscollege”: “zij hebben wel degelijk een functioneel en persoonlijk belang dat de oorspronkelijke beslissing van het bestuurscollege enkel voor onwettig kan worden gehouden, minstens ongedaan wordt gemaakt door het college van beroep mits naleving van de motiveringsplicht die zonder meer op beide organen rust.” Tweede en derde verzoeker tonen hiermee niet aan dat de bestreden beslissing hen persoonlijk raakt. Het mag dan zo zijn dat zij zich gefnuikt voelen in hun morele autoriteit als leden van het bestuurscollege, zoals gezien vermogen zij zich op die functie enkel te beroepen ter staving van hun belang, op voorwaarde dat voorbijgegaan is aan de prerogatieven van hun mandaat of van het orgaan waartoe zij behoren. Kritiek op de motieven van de bestreden beslissing is vreemd aan dat functioneel belang. IX-10.303-7/9 Ook in die mate is de exceptie gegrond. IX-10.303-8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.303-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.