id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.403 Rolnummer: A. 239168/X-18400 Zaak: Arrest 261403 - Kerkfabrieken - 22/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-29 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 04:24 Fiche Arrest nr 261.403 van 22 november 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Kerkfabrieken Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 261.403 van 22 november 2024 in de zaak A. 239.168/X-18.400 In zake : K. V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de KERKFABRIEK ONZE-LIEVE-VROUW GEBOORTE NAZARETH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Desrumaux kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- D. T.
- S. V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Desrumaux en Benjamin Demuynck kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring “van het besluit van de Kerkraad van de Kerkfabriek Onze-Lieve-Vrouw Geboorte (VL-Nazareth) dd. 5 december 2022 houdende goedkeuring van een pachtoverdracht op verzoek van [R. B.] aan [D. T.] m.b.t. percelen landbouwgrond gelegen te Nazareth […]”. X-18.400-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. D. T. en S. V. hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst van D. T. is toegestaan bij beschikking van 5 september
- Beiden hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en D. T. hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Tanguy Waelkens, die loco advocaat Stefaan Desrumaux verschijnt voor de verwerende partij en tevens loco advocaten Stefaan Desrumaux en Benjamin Demuynck verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Raad van State-wet). X-18.400-2/9 III. Feiten 3.
- R. B. en A. A. pachten van de kerkfabriek Onze-Lieve-Vrouw Geboorte Nazareth percelen landbouwgrond te Nazareth. Met een schrijven van 15 september 2022 delen zij aan de kerkfabriek mee de pacht met ingang van 1 januari 2023 te willen overdragen aan D. T. en S. V. Op 17 oktober 2022 verklaren R. B. en A. A. de pacht over te dragen aan D. T. en S. V., die aanvaarden, en stemt de kerkfabriek met de overdracht in. De kerkraad beslist op 5 december 2022: “De overdracht is op verzoek van [R. B.] overgedragen aan [D. T.] vanaf 1 januari 2023.” 3.
- Met een e-mail van 19 januari 2023 vraagt verzoeker of de percelen die R. B. “op 25 december 2022 zal stoppen met pachten”, al verpacht zijn. Hij zegt zelf geïnteresseerd te zijn en, indien de percelen al verpacht zijn, graag een kopie van de beslissing te krijgen. De kerkfabriek antwoordt op 24 januari 2023 onder andere dat zij is “ingegaan op de vraag van de uittredende pachter om de pacht over te dragen aan iemand anders” en dat de overeenkomst tussen de kerkfabriek, de uittredende pachter, en de nieuwe pachter vertrouwelijk is en niet met derden wordt gedeeld. 3.
- Met een brief van 24 februari 2023 dient verzoeker bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen bezwaar in tegen de overdracht. Hij vraagt “om het besluit van de Kerkraad van OLV Geboorte (Nazareth) van ongekende datum, waarmee er door de Kerkraad akkoord werd gegaan met overdracht van de pacht van pachter [R. B.], te schorsen” omdat volgens hem “de afgaande pachter geen opvolgers heeft in de zin van art. 34 Pachtwet, zodat de Kerkfabriek om die reden gehouden is [om] een openbare verpachting te organiseren waarbij elke betrokken landbouwer uit de omgeving kans krijgt om X-18.400-3/9 diens kandidatuur te stellen”. Een dergelijke openbare verpachting werd niet gehouden. In haar antwoord van 18 april 2023 deelt de gouverneur mee dat de kerkraad op 5 december 2022 heeft beslist goedkeuring te verlenen aan de pachtoverdracht aan D. T. Aangezien, voorts, verzoekers bezwaar pas werd ingediend na de laatste dag waarop de gouverneur de beslissing van de kerkraad kon schorsen, is het te laat en niet ontvankelijk. Gevolg gevend aan verzoekers vraag van 25 april 2023 bezorgt het agentschap Binnenlands Bestuur van het Vlaamse Gewest hem een afschrift van de beslissing van de kerkfabriek van 5 december
- 3.
- Op 24 mei 2023 stelt verzoeker tegen de beslissing van de kerkraad van 5 december 2022 het voorliggende beroep in. In een enig middel betoogt hij in essentie dat de kerkfabriek heeft verzuimd na te gaan of met betrekking tot de pachtoverdracht voldaan is aan alle bepalingen in de pachtwet hieromtrent en dat alleszins R. B. “op geen enkele wijze beschouwd [kan] worden als bevoorrecht familielid in de zin van art. 34 Pachtwet”. IV. Tussenkomst
- D. T. en S. V. hebben gevraagd in het debat te mogen tussenkomen. Uit het feitenrelaas blijkt dat hun belangen bij de zaak betrokken zijn. Nadat eerder al D. T. (voorlopig) werd toegelaten in het debat tussen te komen, is er reden het verzoek tot tussenkomst ook in te willigen wat S. V. betreft. X-18.400-4/9 V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De kerkfabriek en de tussenkomende partijen werpen verzoeker tegen dat het beroep te laat is ingesteld. Toegelicht wordt dat verzoeker minstens al op 24 januari 2023 van de beslissing van de kerkfabriek op de hoogte is. Exact een maand later dient hij – laattijdig – een klacht in bij de provinciegouverneur, waarin van de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt. Bijgevolg begint de beroepstermijn minstens op 24 februari 2023 te lopen, waardoor hij ten laatste verstreken is op 23 april
- Verzoeker antwoordt hierop in de memorie van wederantwoord dat hij geen kennisgeving van bestreden beslissing door de kerkfabriek heeft ontvangen en dat de notulen met vermelding van de bestreden beslissing hem zijn toegestuurd op 18 april
- Gelet op artikel 88 van het algemeen procedurereglement, was dan ook de laatste nuttige dag van de beroepstermijn 19 juni
- Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de voorwaarden in artikel 19, tweede lid, van de Raad van State-wet. Verzoeker heeft nog steeds geen kennisgeving ontvangen die aan deze voorwaarden voldoet.
- In de laatste memorie voegt verzoeker daar aan toe dat hem op 24 januari 2023 geen andere mededeling werd gedaan dan “dat er een overeenkomst zou zijn gesloten tussen [de] verweerder, de tussenkomende partij en de afgaande pachter”. Een vraag naar een kopie van de beslissing tot verpachting werd ontwijkend beantwoord met de mededeling dat de overeenkomst vertrouwelijk is. Verzwegen werd dus dat de kerkfabriek op 5 december 2022 een beslissing had genomen. Van het bestaan van die beslissing wordt voor het eerst melding gemaakt in de “beslissing” van de gouverneur van 18 april
- Gelet op het “misleidende” antwoord van de kerkfabriek op verzoekers vraag van 19 januari 2023 om een kopie van de beslissing tot verpachting, “kan er in voorliggend geval niet verondersteld worden dat de verzoeker minstens reeds op 24 februari 2023 op de hoogte zou zijn geweest van ‘het bestaan, de aard en draagwijdte van de X-18.400-5/9 bestreden beslissing’”. Pas uit de “beslissing” van de gouverneur van 18 april 2023 blijkt uiteindelijk dat de kerkfabriek een beslissing nam tot goedkeuring van de pachtoverdracht “en dit reeds op 5 december 2022”. Dat verzoeker “voor alle zekerheid” een klacht indiende bij de gouverneur, kan niet volstaan om te oordelen dat hij op dat ogenblik, 24 februari 2023, al op de hoogte was van de juiste aard en draagwijdte van de pachtoverdracht. Pas ten gevolge van de kennisgeving van de “beslissing” van de gouverneur van 18 april 2023 krijgt verzoeker met zekerheid kennis “van
(1)het daadwerkelijke bestaan van dergelijke beslissing rond pachtoverdracht,
(2)van de datum van deze beslissing,
(3)van de identiteit van de opkomende pachter,
(4)van het feit wie deze beslissing heeft genomen,
(5)van de ingangsdatum van de pachtoverdracht en
(6)van de opname in en verzending van de notulen van [de] verwerende partij aan de gouverneur”. De identiteit van de opkomende pachter is “een cruciaal gegeven om na te gaan wat de aard en draagwijdte van [de] pachtoverdracht zou betreffen”. Pachtoverdracht aan de bevoorrechte familieleden kan geschieden zonder toestemming van de verpachter. Doordat de kerkfabriek niet de identiteit van de opkomende pachter specificeerde en in het midden liet dat er een goedkeuring was verleend, kan niet worden gesteld dat verzoeker reeds op 24 februari 2023 op de hoogte was van de aard en draagwijdte van de pachtoverdracht. Bovendien heeft, naar de mening van verzoeker, zijn klacht bij de gouverneur de termijn voor het indienen van een annulatieberoep gestuit. Op grond daarvan nam deze termijn slechts een aanvang na 18 april
- Beoordeling
- De bestreden beslissing tot instemming van de kerkfabriek met de overdracht van pacht van R. B. en A. A. is er geen die aan verzoeker individueel ter kennis moest worden gebracht. X-18.400-6/9 Zijn beroepstermijn ertegen gaat in vanaf zijn voldoende feitelijke kennis ervan.
- Volgens verzoeker kon hij die voldoende feitelijke kennis niet putten uit het antwoord van de kerkfabriek van 24 januari 2023 op zijn vraag of de percelen die R. B. niet meer zou pachten vanaf 25 december 2022, al opnieuw verpacht werden. Integendeel zou de kerkfabriek een ontwijkend en zelfs misleidend antwoord hebben gegeven, en het bestaan van een beslissing “verzwegen” hebben.
- De Raad van State volgt die zienswijze niet. Het antwoord van de kerkfabriek mag dan niet van grote inschikkelijkheid getuigen, het is wel duidelijk en – op de naam van de nieuwe pachter na – ook volledig. Namelijk bevestigt de kerkfabriek expliciet dat zij is ingegaan op de vraag van de uittredende pachter om de pacht over te dragen aan iemand anders. Dat is een quasi letterlijke herhaling van de integrale bestreden beslissing.
- Dat verzoekers kennis van de bestreden beslissing onvoldoende was omdat ze niet de naam van de nieuwe pachter omvatte, overtuigt niet. Naar verzoeker uitlegt, is die kennis van belang omdat een voorafgaande beslissing van de kerkraad niet nodig is in het geval van een overdracht, overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 34 van de pachtwet, aan bevoorrechte familieleden. Aangezien een bevoorrechte pachtoverdracht geen toestemming van de verpachter behoeft, volgt logischerwijs uit de mededeling van de kerkfabriek dat zij inging op de vraag van de uittredende pachter tot overdracht van de pacht, dat het om een niet bevoorrechte pachtoverdracht ging. Niet verwonderlijk dan ook schrijft verzoeker zelf in zijn bezwaar van 24 februari 2022 bij de gouverneur dat de afgaande pachter geen opvolgers heeft in de zin van artikel 34 van de pachtwet. X-18.400-7/9
- Blijkt aldus dat verzoeker al op 24 januari 2023, of ten laatste op 24 februari 2023, wist of moest weten dat de kerkfabriek positief besliste op de vraag van R. B. om, na 25 december 2022, zijn pacht over te dragen aan een niet-bevoorrechte persoon. Deze kennis volstaat om de beroepstermijn voor verzoeker te doen aanvangen.
- Verkeerdelijk meent verzoeker dat zijn bezwaar in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht bij de gouverneur, de annulatietermijn heeft gestuit tot aan de ontvangst van het antwoord van de gouverneur van 18 april
- Immers is voor een stuiting ten gevolge van een bezwaar bij de toezichthoudende overheid die bevoegd is om het algemeen bestuurlijk toezicht uit te oefenen, vereist dat het bezwaar wordt ingediend vóór het verstrijken van de beroepstermijn en vóór het verstrijken van de termijn waarover de toezichthoudende overheid beschikt voor het uitoefenen van haar schorsings- of vernietigingsbevoegdheid. Aan die laatste voorwaarde is te dezen niet voldaan. Het blijkt niet, en wordt door verzoeker ook niet beweerd, dat de gouverneur in haar brief van 18 april 2023 ten onrechte heeft overwogen wat volgt: “In toepassing van artikel 58 van het eredienstendecreet beschikt mijn ambt over een termijn van 30 dagen nadat de notulen zijn ingekomen om een beslissing van de kerkraad te schorsen. […] De notulen van [de beslissing van de kerkraad van 5 december 2022] kwamen in op 7 januari
- Dit betekent dat de laatste dag om een ontvankelijke klacht in te dienen bij de toezichthoudende overheid 6 februari 2023 was. Aangezien u [uw] klacht pas op 6 maart 2023 heeft ingediend, is de klacht laattijdig en dus niet ontvankelijk. De klacht kan dus geen aanleiding meer geven tot een toezichtsmaatregel.”
- De slotsom luidt dat de besproken exceptie gegrond is. Het beroep is niet ontvankelijk want te laat ingesteld. X-18.400-8/9 BESLISSING
- Naast D. T. wordt ook S. V. toegelaten om in het debat tussen te komen.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Johan Lust X-18.400-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div