id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.580 Rolnummer: A. 237602/X-18264 Zaak: Arrest 261580 - Wegenwezen - 29/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-06 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-17 04:08 Fiche Arrest nr 261.580 van 29 november 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 261.580 van 29 november 2024 in de zaak A. 237.602/X-18.264 In zake :
- J.S.
- A.S.
- E.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de GEMEENTE BERLAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken dd. 24 augustus 2022 houdende ongegrondbevinding van het beroep dat beroepers bij de Vlaamse Regering instelden, gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Berlaar dd. 20 januari 2022 houdende goedkeuring tracé en aanleg wegenis voor de aanleg van de Heestenweg als fietsstraat met gescheiden riolering (2021_GR_00136)”. X-18.264-1/22 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
- Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Massoels, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Enya Hicquet, die loco advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 27 augustus 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn (mede-)eigenaren en bewoners van percelen gelegen aan de Heestenweg. X-18.264-2/22 3.
- Op 16 juli 2021 dient de gemeente Berlaar een omgevingsvergunningsaanvraag in voor de inrichting van de rijweg van de Heestenweg als fietsstraat in combinatie met de aanleg van een gescheiden riolering met betrekking tot een terrein gelegen te Heestenweg, Berlaar. 3.
- Op 20 januari 2022 neemt de gemeenteraad van de gemeente Berlaar een beslissing omtrent de zaak van de wegen. Het gemeenteraadsbesluit stelt onder meer het volgende: “De Heestenweg is een doodlopende gemeenteweg bestaande uit kasseiverharding, die 300 m lang en 4,5 m breed is. Ter realisatie van een fietsostrade F104 met volwaardige fietsvoorzieningen tussen Lier en Aarschot, zal de Heestenweg worden heraangelegd als fietsstraat. Bijkomend zullen ook een gescheiden rioleringssysteem, voetpaden en parkeervakken worden aangelegd. Om deze plannen te kunnen realiseren dienen de rooilijnen van de Heestenweg verbreed te worden. […] • Algemeen De Heestenweg is momenteel een doodlopende gemeenteweg, bestaande uit een kasseiverharding met een lengte van 300m en een breedte van 4,5m. Een rooilijnplan werd hiervoor niet vastgesteld, zodat de feitelijke grenzen van deze gemeenteweg de actuele rooilijnen vormen. Met de wijziging van de Heestenweg wordt een verbreding van deze gemeenteweg beoogd, middels een verplaatsing van de rooilijnen. Dit wordt noodzakelijk geacht om de geplande wegenis- en rioleringswerken te kunnen uitvoeren. Enerzijds zal er een gescheiden rioleringsstelsel worden voorzien, met anderzijds de aanleg van een fietsstraat en voetpad met parkeervakken. Reeds [i]n 2001 heeft de provincie Antwerpen, in samenwerking met de gemeenten en steden, het Bovenlokaal functioneel Fietsroutenetwerk (hierna: BFF) uitgetekend in opdracht van de Vlaamse overheid. Dit BFF is hiërarchisch opgebouwd uit drie soorten routes: • fietsostrades; • bovenlokale routes; • alternatieve bovenlokale routes, Fietsostrades vormen de ruggengraat van het netwerk. Zij staan voor vlot en comfortabel fietsen, ook over langere afstanden, veelal langs rechtlijnige infrastructuren. Fietsostrades kennen een zeer hoog ambitieniveau, waarbij de nood aan fietsvriendelijke en kwalitatieve fietsvoorzieningen hoog wordt ingeschat. Daarnaast verbeteren zij ook de verkeersleefbaarheid. Deze verkeersleefbaarheid kan alleen maar bevorderd worden door aandacht te hebben voor de zachte weggebruikers, wat fietsers zijn. X-18.264-3/22 De aanleg van een fietsstraat in de Heestenweg kadert in een globaal plan tot het realiseren van een fietsostrade tussen Lier en Aarschot. Deze fietsostrade F104 beantwoordt enerzijds aan de verwachtingen en noden die fietsers heden hebben en anderzijds aan de richtlijnen uit het Fietsvademecum. Bijkomend wordt in één beweging de slechte staat van de Heestenweg aangepakt, alsook het gebrek aan gescheiden rioleringen verholpen. Hetgeen verklaart en verantwoordt waarom dit onderdeel van de voorziene F104 nu reeds wordt aangevraagd door de gemeente. Het tracé tussen de Beatrijslaan in Lier en het station van Aarschot is momenteel niet ingericht als fietsostrade: • Een aantal segmenten zijn nog niet uitgerust met degelijke infrastructuur • Op een aantal segmenten is de infrastructuur deels gerealiseerd, echter met gemengd verkeer • Op een aantal segmenten is de fietsinfrastructuur gerealiseerd maar niet volgens de kwaliteitseisen van een fietsostrade. Het optimale trace van de fietsostrade werd bepaald, waarbij de voorkeur voor dit onderdeel uitgaat naar de Heestenweg in Berlaar. Dit omdat de fietsostrade een westelijke ligging kent, waardoor de rechtlijnigheid omwille van de ligging naast een spoorlijn het best gevrijwaard blijft. Een oostelijke ligging voor dit gedeelte zou een dubbele kruising met de spoorweg betekenen, hetgeen niet aangewezen is. De Heestenweg is een kleine doodlopende zijstraat van de Melkouwensteenweg, die parallel loopt aan spoorlijn 16 Lier-Aarschot. Het gaat om een smalle kasseiweg die momenteel doodloopt op een onverharde weg richting achterliggende velden. De aanleg van een fie[t]sstraat in de Heestenweg is een deelproject dat versneld uitgevoerd zal worden in combinatie met een rioleringsproject. Zo zal in opdracht van Pidpa een gescheiden rioleringsstelsel worden aangelegd waarbij alle woningen volledig zullen worden afgekoppeld. Bijkomend zullen ook diverse te saneren leidingen worden verplaatst en ondergronds gebracht en zal worden voorzien in de aanleg van openbare verlichting op straat. De Heestenweg kwalificeert als een gemeenteweg in de zin van het Decreet Gemeentewegen. Teneinde de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen op haar grondgebied te vrijwaren en te verbeteren, en in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voorzien overeenkomstig artikel 3 van het Decreet Gemeentewegen, beoogt de gemeente Berlaar de heraanleg van de Heestenweg. Tot slot wat de eventuele opname in het openbaar domein betreft, wordt door de aanvrager in de aankoop dan wel onteigening van de grondstroken binnen de nieuwe rooilijnen voorzien. Zodat de opname in het openbaar domein beoogd wordt, hetgeen ook aangewezen is. Het opleggen van een kosteloze grondafstand als last bij deze vergunning is niet mogelijk, gezien de grondstroken binnen de nieuwe rooilijnen in eigendom van de aangelande eigenaars zijn en dus niet de aanvrager.” X-18.264-4/22 3.
- Op 1 maart 2022 dienen onder meer de verzoekende partijen bij de bevoegde Vlaamse minister een bestuurlijk beroep in tegen het gemeenteraadsbesluit van 20 januari 2022 over de zaak der wegen. 3.5.
- Bij ministerieel besluit van 24 augustus 2022 wordt het beroep afgewezen, onder meer op grond van de hierna vermelde motieven, waarin de diverse beroepsgrieven worden besproken: 3.5.
- - wat betreft de beroepskritiek dat de gemeenteraad onbevoegd zou zijn: “Overeenkomstig artikel 8 van het Decreet Gemeentewegen kan […] niemand een gemeenteweg aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad. […] Zonder voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad kan voornoemde gemeenteweg niet worden verbreed om nadien mee ingeschakeld te worden voor het gemeentegrensoverschrijdend gebruik ervan als fietsostrade F
- De Heestenweg is een gemeenteweg en zal ook na de verbreding ervan en na gebruik als fietsostrade een gemeenteweg blijven die onder rechtstreeks en onmiddellijk beheer van de gemeente Berlaar zal blijven vallen, zo blijkt uit de bestreden beslissing. Het staat vast dat de Heestenweg na de concrete wijziging een gemeenteweg is en zal blijven dewelke echter niet zou kunnen worden gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad van de gemeente Berlaar en dit overeenkomstig artikel 8 van het Decreet Gemeentewegen. Dat deze gemeenteweg mee ingeschakeld zal worden in een fietssnelwegenproject doet ook geen afbreuk aan het lokale karakter van deze wegenis maar houdt tevens rekening met de gemeentegrensoverschrijdende functie ervan. Het rechtstreeks en onmiddellijk beheer is en blijft echter onverminderd bij de gemeente Berlaar, zo blijkt uit de bestreden beslissing. Er werd door de gemeenteraad van de gemeente Berlaar aldus op correcte wijze toepassing gemaakt van het Decreet Gemeentewegen.” 3.5.
- - wat betreft de beroepskritiek dat “het project van de aanvraag waarbij de wegenis hoort, volgens het Omgevingsvergunningsdecreet niet op gemeentelijk niveau zou horen en dat het project onterecht zou worden gesaucissoneerd”: X-18.264-5/22 “Overeenkomstig artikel 31/1, §5 Decreet betreffende de Omgevingsvergunning kan het besluit tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg door de Vlaamse regering […] alleen worden vernietigd in volgende gevallen: 1° wegens strijdigheid met het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen; 2° wegens strijdigheid met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. De beroepskritiek die door de beroepsindieners wordt geformuleerd wordt geenszins op één van hoger vermelde vernietigingsgronden betrokken maar wordt betrokken op andere gronden in deze de beweerde schending van artikel 15 van het Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015 en zijn dus niet ontvankelijk geformuleerd en kunnen dus niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding geven. Er dient op te worden gewezen dat de Vlaamse regering gebonden is aan en enkel bevoegd is voor de toetsingsgronden zoals vervat in artikel 31/1, §5 Decreet betreffende de Omgevingsvergunning zodat om deze reden de tweede beroepskritiek niet tot de vernietiging van het bestreden besluit van de gemeenteraad kan leiden.” 3.5.
- - wat betreft de ingeroepen verkeersonveiligheid en het gemeentegrensoverschrijdend perspectief: “Beroepsindieners kunnen geenszins overtuigen alwaar zij voorhouden dat de beoordeling van de verkeersveiligheid door de gemeenteraad niet zou zijn betrokken op de goedkeuring van de her aan te leggen wegenis. Overeenkomstig artikel 3 van het Decreet Gemeentewegen wordt het doel nagestreefd om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Daartoe wordt voornamelijk ingezet op een geïntegreerd beleid gericht op (1°) de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau en (2°) de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak. Artikel 4 voegt daar nog aan toe dat bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet minimaal rekening wordt gehouden met de principes dat (1°) wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang, (2°) een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd, (3°) de verkeersveiligheid en de ontsluiting van de aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen, (4°) wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief en (5°) bij de afweging voor X-18.264-6/22 wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen worden. In de bestreden beslissing kan uitdrukkelijk worden gelezen en blijkt zeer duidelijk dat de verkeersveiligheid wel degelijk werd beoordeeld. Zo wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangehaald dat er nood is aan fietsvriendelijke en kwalitatieve fietsvoorzieningen en waarbij de realisatie van de fietsstraat de verkeersleefbaarheid zou moeten verhogen. […] De beoogde wijziging van de Heestenweg (verbreding) strekt ertoe om voldoende ruimte te creëren voor de beoogde riolerings- en wegeniswerken waarbij de Heestenweg zal worden aangelegd die voldoet aan de richtlijnen voor fietsvoorzieningen. De werken aan de Heestenweg zullen deze wegenis voor iedere weggebruiker veiliger maken, in het bijzonder de trage weggebruikers. Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende dat de heraanleg van de Heestenweg de verkeersveiligheid ten goede zal komen. Alle elementen van artikel 4 van het Decreet Gemeentewegen w[o]rden wel degelijk betrokken bij de besluitvorming van de gemeenteraad van de gemeente Berlaar. Zowel de actuele als de toekomstige functie worden in rekening gebracht, om tot een meest geschikt ontwerp voor dit tracégedeelte te komen. Dit zonder dat de afwijkingen van de richtlijnen van het Fietsvademecum op onverantwoorde wijze afbreuk zouden doen aan verkeersveilig concept, zowel voor de bewoners als voor trage weggebruikers. Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende dat de gekozen breedte de veiligheidsvoorschriften vrijwaart en anderzijds een minder grote impact heeft op de aanpalende eigenaars. […] Uit de bestreden beslissing blijkt […] afdoende dat het gemeentegrensoverschrijdend aspect wel degelijk werd betrokken bij de besluitvorming en waarbij op afdoende wijze wordt gemotiveerd dat wat de gekozen ligging betreft, de rechtlijnigheid van de fietsostrade een belangrijk uitgangspunt vormt en waarbij het voorliggende tracégedeelte in de toekomst zal worden ingepast in het volledige tracé van de F
- De oostelijk ligging zou impliceren dat het doorgaande fietsverkeer tweemaal de spoorweg zou dienen te kruisen, hetgeen dient te worden vermeden. Ook blijkt uit de bestreden beslissing afdoende dat met betrekking tot de mobiliteit het gemotoriseerd verkeer door de herinrichting niet zal toenemen. De verbreding van de Heestenweg moet toestaan dat bestemmingsverkeer op verkeersveilige wijze kan worden gecombineerd met de toekomstige inrichting als fietsostrade. Het feit dat beroepsindieners niet kunnen instemmen met deze nochtans adequate motivering en er aldus een andere visie op na houden betreft bovendien een loutere opportuniteitskritiek, maakt de bestreden beslissing X-18.264-7/22 niet onwettig en geeft geen aanleiding tot vernietiging van de bestreden beslissing. Verder komt het de Vlaamse regering niet toe om in het kader van haar wettigheidstoezicht in de plaats van de gemeenteraad van Berlaar een eigen beoordeling te maken van de veiligheid of onveiligheid van de weginrichting en verkeerssituatie. De beroepsindieners tonen alvast ook niet aan dat de overwegingen en motivering die in de bestreden beslissing in dat verband worden aangevoerd de grenzen van de kennelijke onredelijkheid of onwettelijkheid zouden te buiten gaan.” 3.5.
- - wat betreft de beroepskritiek betreffende “het aspect verkeersveiligheid en […] het aantal parkeerplaatsen en de verkeersafwikkeling bij het verlaten van een parkeerplaats”: “In ieder geval dient te worden besloten dat uit de bestreden beslissing afdoende blijkt dat de gemeenteraad de bezwaren van beroepsindieners heeft ontmoet en terdege heeft weerlegd en waarbij afdoende blijkt dat afwijkingen noodzakelijk zijn om parkeren in de Heestenweg te kunnen behouden. Hiermee wordt vermeden dat wagens bij regelmaat deels of volledig op de rijbaan zullen staan, hetgeen bij de inrichting van een fietsostrade absoluut dient te worden vermijden. Zo werd de veiligheidsafstand tot de spoorlijn vastgelegd op 3,5m de veiligheidsafstand tussen omheining en fietsostrade 75cm (ipv 1m), de verhardingsoppervlakte van de fietsostrade 4m (ipv 4,5m), de veiligheidsafstand tot de parkings 40cm (ipv 50cm). Indien de richtlijnen van het fietsvademecum zouden zijn gevolgd, dan was het onmogelijk geweest om te parkeren in de Heestenweg. In totaal worden in de Heestenweg 22 parkeermogelijkheden voorzien. Dit komt gemiddeld neer op 1 parkeerplaats per eigenaar. Door het gebrek aan beschikbare ruimte vormen de parkeermogelijkheden een geheel met het voetpad. Dit heeft bijkomend een voordeel gezien wanneer er geen voertuigen geparkeerd staan, deze ruimte vrijkomt voor voetgangers. De gekozen breedte vrijwaart enerzijds alle veiligheidsvoorschriften, met anderzijds een minder grote impact op de aanpalende eigenaars als gevolg van de rooilijnwijziging[.] Waarbij wel degelijk een voldoende brede verharding wordt gerealiseerd, zo blijkt uitdrukkelijk uit de bestreden beslissing. Ook blijkt uit de bestreden beslissing dat kantstroken worden voorzien, naast een strook parkeerplaatsen en het voetpad met groenvoorzieningen
(3m). Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende dat de gekozen rooilijnbreedte verantwoord en noodzakelijk is. De afwijkingen doen geen afbreuk aan de verkeersveiligheid voor fietsers en bewoners. Op basis van het administratief dossier dat door de diensten van de gemeente werd samengesteld, dient de Vlaamse Regering vast te stellen dat de gemeenteraad van de gemeente Berlaar op goede gronden, na uitgebreid X-18.264-8/22 onderzoek en op gemotiveerde wijze heeft kunnen besluiten tot een wijziging van de rooilijn van de Heestenweg. […].” 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlaar heeft op 20 januari 2022 ook beslist om de omgevings-vergunning te verlenen. Het bestuurlijk beroep tegen die beslissing wordt op 24 november 2022 door de bestendige deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen verworpen. Hiertegen wordt bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen een beroep tot nietigverklaring ingediend. Die procedure is nog hangende. IV. Precisering van het voorwerp
- Met haar beslissing van 24 augustus 2022 heeft de bevoegde Vlaamse minister louter een vernietigings- en geen hervormingstoezicht uitgeoefend. Het ministerieel besluit is niet in de plaats van de beslissing van de gemeenteraad van 20 januari 2022 gekomen, maar heeft er zich aan toegevoegd.
- Er is er reden om, naast het ministerieel besluit van 24 augustus 2022, ook de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2022 tot het voorwerp van het beroep te rekenen. V. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Een eerste middel voert de schending aan van de artikelen 31 en 31/1, § 5, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de X-18.264-9/22 omgevings-vergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), artikel 3 van het decreet van 8 mei 2009 ‘houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen’ (hierna: gewestelijkerooilijnendecreet), de artikelen 2, 6°, 3, 6, §1, 10 en 26 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: gemeentewegendecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 6.
- Volgens de verzoekende partijen is de gemeenteraad van de gemeente Berlaar onbevoegd tot het nemen van het gemeenteraadsbesluit van 20 januari
- De aanleg van de betrokken fietsstraat kadert immers in een globaal plan tot het realiseren van een fietsostrade (F104) tussen Lier en Aarschot. Er is dan geen sprake meer van een gemeenteweg, maar van gemeente- en zelfs provincieoverschrijdende lijninfrastructuur. De F104 betreft geen weg op lokaal niveau, maar een weg van gewestelijk niveau. De gemeente kan ook niet overgaan tot de realisatie van het gehele tracé waar ze evenwel een aanzet toe neemt. Door het voorwerp van de aanvraag wordt van de gemeenteweg Heestenweg een gewestweg gemaakt aangezien het beheer van de door de gemeenteraad goedgekeurde wegenis niet langer toekomt aan het gemeentelijk niveau. De gemeente Berlaar kon niet besluiten dat het inschakelen van deze gemeenteweg in een fietssnelwegproject geen afbreuk doet aan het lokale karakter van deze wegenis. Beoordeling
- Enkel de volgende bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, kunnen worden gerelateerd aan de in het eerste middel geformuleerde grief: X-18.264-10/22 - artikel 31, § 1, van omgevingsvergunningsdecreet “[…] De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt.” - van het gemeentewegendecreet: Artikel
- “Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder: […] 6° gemeenteweg: een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond; […].” Artikel
- “Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op: 1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau; 2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.” Artikel
- “§
- De gemeenten nemen bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentelijke wegen de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, in acht. Ze kunnen die doelstellingen en principes binnen het decretale kader verfijnen, concretiseren en aanvullen in een gemeentelijk beleidskader. […].” Artikel
- “Bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6.” X-18.264-11/22 Artikel
- “§
- De vastlegging van een gemeenteweg heeft tot gevolg dat op de gemeente de rechtsplicht rust om over te gaan tot de realisatie, de vrijwaring en het beheer van de gemeenteweg overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsmaatregelen.”
- Niet wordt betwist dat de Heestenweg voorafgaand aan de bestreden beslissingen een gemeenteweg uitmaakte. Evenmin wordt betwist dat uitsluitend de gemeente bevoegd is om te beslissen over de wijziging van een gemeenteweg.
- De verzoekende partijen houden in essentie voor dat het de gemeente niet toegestaan is om aan de gemeenteweg een bovenlokale bestemming te verlenen. De inschakeling van een gemeenteweg in een (bovenlokaal) fietssnelwegproject zou volgens de verzoekende partijen niet verenigbaar zijn met de lokaal-gemeentelijke aard van die wegenis.
- Dit blijkt alvast niet uit de bovenvermelde bepalingen waarvan de schending wordt ingeroepen. Zo blijkt uit artikel 2, 6°, van het gemeentewegendecreet dat het loutere gegeven dat de weg onder het beheer van de gemeente valt, volstaat opdat van een gemeenteweg sprake is. Daartoe is niet vereist dat de weg een louter lokaal-gemeentelijke bestemming heeft. De andere vermelde decretale bepalingen staan er evenmin aan in de weg dat gemeentewegen zodanig worden ingericht dat daarmee ook bovenlokale doelstellingen kunnen worden gerealiseerd.
- De verzoekende partijen tonen niet aan dat de inschakeling van een gemeenteweg in bovenlokale doelstellingen automatisch tot gevolg heeft dat het niet langer gaat om een gemeenteweg maar om een gewestweg, noch dat in een X-18.264-12/22 dergelijk geval de rechtsplicht bestaat om het beheer van de betrokken weg over te dragen aan het gewest.
- In de mate dat ook de miskenning van de formelemotiveringswet en de materiëlemotiveringsplicht wordt ingeroepen, kan verwezen worden naar de motivering van de bestreden beslissing, zoals die is opgenomen in randnummer 3.5.
- Daaruit blijkt dat ter zake een behoorlijk gemotiveerde beslissing is genomen.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Een tweede middel voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag”. 14.
- Het middel voert aan dat, in tegenstelling tot wat het bestreden ministerieel besluit voorhoudt, uit het bestreden gemeenteraadsbesluit niet blijkt dat de weg zoals deze zou worden aangelegd, rechtstreeks en onmiddellijk onder het beheer van de gemeente Berlaar zal blijven. Uit de overwegingen in het gemeenteraadsbesluit blijkt immers dat de Heestenweg op termijn zal worden ingericht als fietsostrade om ingeschakeld te worden in de F104, waaruit blijkt dat het tracé van de Heestenweg op termijn deel zal uitmaken van een weg die het lokaal karakter ver overschrijdt en dus niet langer een gemeenteweg zal zijn. X-18.264-13/22 Beoordeling
- Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de Heestenweg een gemeenteweg is en blijft, ook wanneer deze wordt ingericht op een wijze dat ook bovenlokale doelstellingen worden gerealiseerd. Dit standpunt – dat ook in het bestreden ministerieel besluit wordt ingenomen – brengt met zich mee dat de gemeente overeenkomstig artikel 26 van het gemeentewegendecreet blijft instaan voor het beheer. Er was dan ook geen enkele reden om in het bestreden ministerieel besluit uitdrukkelijk te motiveren dat het beheer van de betrokken weg onder het beheer van de gemeente zal blijven.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 17.
- Het derde middel voert de schending aan van de artikelen 15 en 31/1, § 5, van het omgevingsvergunningsdecreet, de artikelen 3, 4, 6, §1, 8 en 10 van het gemeentewegendecreet, artikel 3 van het rooilijndecreet, de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015 ‘tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ en de materiëlemotiverings-plicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 17.
- Het middel houdt in essentie voor dat de gemeenteraad onbevoegd is om het in de aanvraag tot omgevingsvergunning onderworpen tracé goed te keuren aangezien het project van de aanvraag waarbij de wegenis hoort volgens het omgevingsvergunningsdecreet niet tot het gemeentelijk niveau behoort. X-18.264-14/22 Beoordeling
- Er valt er te dezen niet te oordelen over de wettigheid van de omgevingsvergunning, maar enkel over de wettigheid van de beslissing over de zaak der wegen. Overeenkomstig artikel 31, § 2, van het omgevings-vergunningsdecreet blijft de gemeenteraad ter zake bevoegd, ook indien “het college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is die in eerste aanleg over de aanvraag beslist”.
- Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat het uitgangspunt van verzoekers dat de Heestenweg in werkelijkheid geen gemeenteweg zou zijn, maar als een gewestweg moet worden beschouwd. niet wordt bijgetreden.
- Het middel is ongegrond. D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 21.
- Het vierde middel voert de schending aan van de artikelen 3, 4, 6, §1, 8 en 10 van het gemeentewegendecreet, artikel 31/1, § 5, van het omgevingsvergunningsdecreet en de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 21.
- Volgens de verzoekende partijen wordt in het bestreden gemeenteraadsbesluit onvoldoende rekening gehouden met het aspect van de verkeersveiligheid. De motivering hieromtrent in het gemeenteraadsbesluit is niet afdoende onderbouwd. Daarnaast werden niet alle elementen van artikel 4 van het gemeentewegendecreet bij de gemeenteraadsbeslissing betrokken. In het kader van het bestuurlijk beroep had moeten worden nagegaan of de beoordeling ter zake op deugdelijke wijze is gebeurd, mede in het X-18.264-15/22 licht van de bezwaren die de verzoekende partijen hieromtrent in het kader van het openbaar onderzoek hebben geformuleerd. 21.
- Meer concreet houden de verzoekende partijen voor dat onvoldoende aandacht werd besteed aan “het kruisverkeer auto’s – fietsers op dit stukje fietsstraat dat binnen de fietsostrade ingeschakeld wordt, en het feit dat [de beroepers] zullen moeten keren op de smalle fietsstraat om hun woningen en voorliggende langsparkeervakken te bereiken of verlaten, en dat door het negeren van de veiligheidsafstanden van het Fietsvademecum bv. een portier door het ontwerp noodgewongen over het fietspad openzwaait, fietspad waar naar alle verwachting hoge snelheden gehaald zullen worden”. 21.
- Een andere concrete grief bestaat erin dat niet is ingegaan op het bezwaar dat de bestreden gemeenteraadsbeslissing niet vermeldt of “de gemeente Heist-op-den-Berg akkoord is om het tracé dat op de gemeentegrens stopt op dezelfde wijze verder te zetten, laat staan dat het verwijst naar een beslissing door een orgaan van die gemeente […]”. Beoordeling
- De verzoekende partijen hebben de grief die in dit middel zit vervat, ook opgeworpen in het kader van het bestuurlijk beroep. Voor de motivering van de verwerping ervan, zij verwezen naar randnummer 3.5.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, gaat het bestreden ministerieel besluit na of de gemeenteraad het verkeersveiligheids-aspect heeft onderzocht en of de beoordeling hieromtrent artikel 4, 3°, van het gemeentewegendecreet miskent. Het bestreden ministerieel besluit komt tot het gemotiveerd besluit dat die beoordeling wel degelijk is gebeurd. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat dit stoelt op foutieve gegevens, of onredelijk of anderszins onwettig zou zijn. X-18.264-16/22
- Specifiek wat de onder randnummer. 21.3 vermelde grief betreft is de motivering die in de bestreden beslissing is opgenomen, bovendien te beoordelen in het licht van de wijze waarop de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2022 met de betrokken bezwaren is omgegaan. Daarin wordt onder meer verwezen naar “de verantwoordingsnota [waarin] een duidelijke motivatie [is] terug te vinden, waarom er van de richtlijnen vermeld in het Fietsvademecum wordt afgeweken”, hetgeen “enerzijds is ingegeven door de beschikbare ruimte tot aan de woningen vooraan in de Heestenweg […] en anderzijds de belangen en eigendomsrechten van de aanpalende eigenaars”. Bovendien blijken “de afwijkingen noodzakelijk om parkeren in de Heestenweg te kunnen behouden [waarmee] wordt vermeden dat wagens bij regelmaat deels of volledig op de rijbaan zullen staan, hetgeen bij de inrichting van een fietsostrade absoluut te vermijden is”. Verder licht het gemeenteraadsbesluit toe dat “de parkeer-mogelijkheden een geheel [vormen] met het voetpad”, en dat “kantstroken [worden] voorzien, naast een strook voor de parkeerplaatsen en het voetpad met groenvoorzieningen”.
- De verzoekende partijen kunnen er in die omstandigheden niet van overtuigen dat het bestreden ministerieel besluit niet afdoende is ingegaan op de bovenvermelde grieven inzake verkeersveiligheid. Dat de verzoekende partijen het met de visie van de betrokken overheden niet eens zijn, toont geen onwettigheid aan.
- De grief dat het bestreden ministerieel besluit niet is ingegaan op de kritiek dat niet is vermeld of de gemeente Heist-op-den-Berg “akkoord is”, is niet van aard om de bestreden beslissing te vitiëren. De betrokken kritiek betreft immers veeleer een vaststelling tot staving van de beweerde lichtzinnigheid van de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2022, zonder dat het gaat om een autonome beroepsgrief die een specifiek antwoord behoeft. Uit de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat het te dezen gaat om een gemeenteweg, die onder het beheer van de gemeente X-18.264-17/22 Berlaar valt. Overigens heeft de bestreden gemeenteraadsbeslissing uitdrukkelijk erkend dat de aanleg van een fietsstraat in de Heestenweg “een deelproject [is] dat versneld uitgevoerd zal worden in combinatie met een rioleringsproject”. Dat een fietsostrade pas over zijn volledige lengte gebruikt kan worden als alle betrokken wegbeheerders de nodige maatregelen hebben genomen, maakt de bestreden besluiten niet onwettig.
- Het vierde middel is ongegrond E. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 28.1 Een vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 31/1 van het omgevingsvergunningsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiverings-plicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 28.2 De verzoekende partijen voeren aan dat de weerlegging van hun vierde beroepskritiek niet afdoende is. In deze beroepskritiek voerden de verzoekende partijen aan dat het bestreden gemeenteraadsbesluit slechts in algemene termen beweert dat de nieuwe situatie verkeersveilig zal zijn, maar in het geheel niet ingaat op de concrete feitelijke context. Volgens de verzoekende partijen zou het concept niet conform de richtlijnen van het Fietsvademecum zijn. Verder zijn de verzoekende partijen van oordeel dat het bestreden ministerieel besluit had moeten vaststellen dat het gemeenteraadsbesluit niet erkent of vermeldt dat “een stukje van de aanvraag, richting Aarschot” in overstromingsgevoelig gebied ligt. X-18.264-18/22 Beoordeling
- De verzoekende partijen hebben de grief die in dit middel zit vervat, ook opgeworpen in het kader van het bestuurlijk beroep. Voor de motivering van de verwerping ervan, zij verwezen naar randnummer 3.5.5., weze het dat ook de motivering onder randnumer 3.5.
- gerelateerd is aan de verkeersveiligheid.
- Bij de beoordeling van het vierde middel, dat inhoudelijk grote gelijkenissen vertoont met het vijfde middel, werd reeds aangenomen dat het bestreden ministerieel besluit wel degelijk heeft nagegaan of de gemeenteraad voldoende aandacht heeft besteed aan de verkeersveiligheid en de ter zake ingeroepen bezwaren. Tevens blijkt dat wel degelijk werd ingegaan op de afwijkingen van het Fietsvademecum, en waarom deze in casu kunnen worden verantwoord. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat het bestreden ministerieel besluit gesteund is op foutieve gegevens, of onredelijk of anderszins onwettig zou zijn.
- In de mate dat de verzoekende partijen voorhouden dat het bestreden ministerieel besluit niet heeft geantwoord op de kritiek “omtrent het niet vermelden noch beoordelen door de gemeenteraad van de gedeeltelijke ligging in overstromingsgevoelig gebied en ruimer het opgeworpen argument naar effecten op het watersysteem”, gaan zij eraan voorbij dat het gemeenteraadsbesluit van 20 januari 2022 wel degelijk is ingegaan op de impact op de waterhuishouding, en ter zake heeft verwezen naar het gunstig advies van de provinciale dienst Integraal Waterbeleid luidens welk “geen significante negatieve effecten op het watersysteem worden verwacht”. X-18.264-19/22 De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat het bestreden besluit nader had moeten ingaan op het door de hen aangevoerde gegeven van de ligging van “een stukje van de aanvraag, richting Aarschot” in overstromings-gevoelig gebied. F. Het zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Het zesde middel is afgeleid uit de schending van artikel 12, § 2, in samenhang met de artikelen 16-23 van het gemeentewegendecreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
- Verzoekende partijen stellen dat het bestreden ministerieel besluit niet heeft geantwoord op de vraag of er een rooilijnplan bestaat en, in bevestigend geval, of dit wel alle noodzakelijke gegevens bevat. Beoordeling
- In het beroepschrift van 1 maart 2022 wordt onder titel III.0 enkel de vraag gesteld of er een rooilijnplan bestaat en, zo ja, of de “als noodzakelijk voorgeschreven gegevens op het nieuwe rooilijnplan staan, nu beroepers zulks niet konden nagaan”. Een dergelijke vraagstelling behoeft geen antwoord. De kritiek dat er niet op werd geantwoord, kan dan ook niet tot de vernietiging leiden.
- De bewering dat de verzoekende partijen niet tijdig kennis zouden hebben gehad van het rooilijnplan, doet niet anders besluiten. Immers, uit het onderzoek van het auditoraat blijkt dat dit rooilijnplan op 24 september 2021 via WeTransfer aan de verzoekende partijen is bezorgd. De verzoekende partijen hebben aangaande deze kennisgeving geen wettigheidskritiek geformuleerd. X-18.264-20/22 Bovendien hebben de verzoekende partijen nagelaten om, na de kennisname van het rooilijnplan, aan te voeren dat dit plan door een onwettigheid zou zijn aangetast.
- Het zesde middel is ongegrond. G. Besluit
- Vermits geen van de ingeroepen middelen gegrond is, moet het beroep worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter X-18.264-21/22 Silvan De Clercq Johan Lust X-18.264-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div