← België

Arrest 261656 - Reglementen (economische zaken) - 06/12/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.656 Rolnummer: A. 242258/XIV-39472 Zaak: Arrest 261656 - Reglementen (economische zaken) - 06/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 13:00 Fiche Arrest nr 261.656 van 6 december 2024 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 261.656 van 6 december 2024 in de zaak A. 242.258/XIV-39.472 In zake: 1. XXXX 2. XXXX 3. XXXX 4. XXXX 5. XXXX 6. XXXX 7. XXXX 8. XXXX 9. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie en de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306a bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. ORDE VAN VLAAMSE BALIES (OVB) 2. ORDRE DES BARREAUX FRANCOPHONES ET GERMANOPHONE DE BELGIQUE (OBFG) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdende te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XIV-39.472-1/17 I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 21 juni 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 29 maart 2024 ‘tot vaststelling van de retributie tot financiering van het beheer van het centraal register collectieve schuldenregelingen’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van De Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. XIV-39.472-2/17 III. Feiten 3.1. De artikelen 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek regelen de procedure van collectieve schuldenregeling. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 92/2024 van 19 september 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.092) deze regeling als volgt samengevat: “B.2.1. De procedure van collectieve schuldenregeling is door de wetgever ingesteld bij de wet van 5 juli 1998 ‘betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen’ (hierna: de wet van 5 juli 1998). Die procedure beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name hem ertoe in staat te stellen, voor zover mogelijk, zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De financiële situatie van de persoon met overmatige schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een schuldbemiddelaar, die luidens artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling. B.2.2. De beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg (artikel 1675/7, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Door die beschikking worden de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten geschorst, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen (artikel 1675/7, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Zij heeft eveneens een schorsing tot gevolg van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom (artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter, enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat, enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen (behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft) en zijn onvermogen te vergroten (artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek). De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling (artikel 1675/7, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek).” Luidens artikel 1675/20 van het Gerechtelijk Wetboek verzamelt het centraal register collectieve schuldenregeling, hierna “register” genoemd, “alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, XIV-39.472-3/17 overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19”. Het is “de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling” (artikel 1675/20, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Luidens artikel 1675/21, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek staan de tussenkomende partijen gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register. De financiering van het register is geregeld in artikel 1675/27 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat luidt: “Art. 1675/27.[1 § 1. De oprichtingskosten van het register worden gefinancierd door de Federale Overheidsdienst Justitie. De Koning bepaalt het bedrag, de toekenningsvoorwaarden, de betalingsmodaliteiten en het beheer van en de controle op de toelagen voor de oprichting van het register. § 2. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieuwing en de verwijdering van gegevens in het register alsook het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling kunnen aanleiding geven tot de inning van een jaarlijkse retributie teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het beheer van het register. Deze retributie mag in geen geval door de schuldenaar worden gedragen. De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de beheerder. Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van de inning van de retributie worden door de Koning na advies van de beheerder bepaald. De beheerder brengt elk jaar voor einde mei verslag uit aan de ministers bevoegd voor Justitie en voor Economie met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het register. § 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2 wordt op de eerste januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing gebeurt. Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.” Uit deze bepaling blijkt dat de oprichtingskosten van het register ten laste zijn van de FOD Justitie, maar dat “de registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieuwing en de verwijdering van gegevens in het register alsook het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling” aanleiding kunnen geven tot een retributie die moet dienen om de kosten van het beheer van het XIV-39.472-4/17 register te dekken en die niet ten laste van de schuldenaar mogen zijn. De tussenkomende partijen staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register en worden samen de “beheerder” genoemd. Zij werden hiertoe door de wetgever aangesteld (artikel 1675/21, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek). 3.2. Het koninklijk besluit van 29 maart 2024 ‘tot vaststelling van de retributie tot financiering van het beheer van het centraal register collectieve schuldenregeling’, geeft uitvoering aan het hiervoor aangehaalde artikel 1675/27, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het luidt: “Artikel 1. De jaarlijkse retributie, bedoeld in artikel 1675/27, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voor het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling in het centraal register wordt vastgesteld op 75 euro. De Minister van Justitie en de Minister van Economie kunnen het bedrag van deze retributie aanpassen na advies van de beheerder bedoeld in artikel 1675/21, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. De retributie is vooraf betaalbaar en elk begonnen jaar, te rekenen van de verjaardag van de beschikking van toelaatbaarheid, is volledig verschuldigd. Art. 2. De jaarlijkse retributie is een administratieve kost voor de schuldbemiddelaar waarvan de forfaitaire vergoeding wordt opgenomen in de staat van erelonen en kosten, bedoeld in artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 2 november 2023. Art. 4. De minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.” Dit is het bestreden besluit. Het artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar artikel 2 van het bestreden besluit verwijst, luidt: “Art. 1675/19. § 1er. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren. § 2. De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald. Onverminderd artikel 1675/9, § 4, houdt de schuldbemiddelaar tijdens de opmaak van de regeling van de baten van het vermogen van de schuldenaar een reserve af voor de betaling van ereloon, emolumenten en kosten. In geval van totale kwijtschelding van schulden legt de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste van de XIV-39.472-5/17 FOD Economie bedoeld in artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen. Indien de regeling voorziet in een kwijtschelding van schulden in kapitaal en enkel mits wordt gerechtvaardigd dat de verzoeker in de onmogelijkheid verkeert de honoraria binnen een redelijke termijn te betalen, kan de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste leggen van de FOD Economie. De schuldbemiddelaar duidt in zijn verzoek de redenen aan waarom de aangelegde reserve onvoldoende is en waarom de beschikbare middelen van de schuldenaar ontoereikend zijn om het ereloon te betalen. De rechter geeft de redenen aan die de interventie van de FOD Economie rechtvaardigen. Het bedrag van de honoraria en de kosten van de schuldbemiddelaar mag per dossier niet hoger liggen dan 1.200 euro, tenzij de rechter er anders over beslist middels een bijzondere gemotiveerde beslissing. In het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, bedoeld in artikel 1675/10, § 2, en in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling wordt aangegeven hoe de vervallen en te vervallen honoraria worden betaald door de schuldenaar. § 3. Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in artikel 1675/10, § 5, in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.” Artikel 1675/9, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar deze bepaling verwijst, luidt: “1675/9, § 4. De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat tenminste gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen 1409 tot 1412 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen.” Welk ereloon, emolumenten en kosten een schuldbemiddelaar mag aanrekenen aan de schuldenaar is geregeld in het koninklijk besluit van 13 december 1998 ‘houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar’ (hierna: het koninklijk besluit van 13 december 1998). XIV-39.472-6/17 3.3. Het bestreden besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 april 2024 en wordt voorafgegaan door een verslag aan de Koning dat luidt: “VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit voor te leggen, regelt - overeenkomstig artikel 1675/27, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek - het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels voor de inning van een retributie ter financiering van de kosten die worden gemaakt door het beheer van het centraal register collectieve schuldenregelingen (hierna: JustRestart). In de vorige legislatuur werd de wettelijke basis voor JustRestart gelegd, dat de geïnformatiseerde gegevensbank is voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling. Deze legislatuur besliste de wetgever om - i.t.t. de oprichtingskosten - de beheerskosten niet langer ten laste te leggen van de Federale Overheidsdienst Justitie, maar te voorzien in een systeem van retributie naar analogie van het centraal register voor solvabiliteit. De retributie wordt door de schuldbemiddelaar vooraf genomen op de boedel waardoor ze de jure en de facto niet ten laste valt van de schuldenaar, dewelke zich reeds in een precaire financiële situatie bevindt. De wetgever heeft duidelijk zijn wil kenbaar gemaakt om de digitalisering niet ten laste van de schuldenaar door te voeren (zie artikel 1675/27, § 2, eerste lid, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikelsgewijze bespreking Artikel 1, eerste lid, legt de retributie vast op 75 euro. Dit bedrag wordt verantwoord op basis van het uitgebreid advies dat door de beheerder op 26 februari 2024 werd overgemaakt. Het tweede lid bepaalt dat de Minister van Justitie en de Minister van Economie het bedrag van de retributie kunnen aanpassen op basis van het advies van de beheerder. Overeenkomstig het derde lid is de retributie elk jaar volledig verschuldigd te rekenen vanaf de verjaardag van de beschikking van toelaatbaarheid; er wordt geen pro rata berekening toegepast voor het laatste jaar. Artikel 2 bepaalt de aard van de retributie. De retributie is voor de schuldbemiddelaar een administratieve kost waarvan de vergoeding wordt opgenomen in de staat van erelonen en kosten. De staat van erelonen en kosten wordt vooraf genomen van de boedel waardoor ze ten laste komt van de boedelschuldeisers. Artikel 3 verleent een retroactieve inwerkingtreding van het besluit tot op de dag van de inwerkingtreding van JustRestart. Dit is ook een logisch gevolg, gelet op de kosten die reeds actief zijn sinds de lancering van het register, op de opdracht die de beheerder volgens artikel 1675/21, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek werd toegewezen en op het principe van de retributie in artikel 1675/27, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek dat geen andere wijze van kostenrecuperatie voorziet. Dit waarborgt de invoering van een billijke retributie vanaf inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 voorziet tenslotte een uitvoering van het besluit door de ministers bevoegd voor Economie en Justitie, ieder wat betreft zijn aangelegenheden. XIV-39.472-7/17 De Raad van State - afdeling Wetgeving - werd over het ontwerpbesluit om advies gevraagd aan de hand van een grondige adviesaanvraag. Op 14 maart 2024 deelde de Raad van State mee dat de adviesaanvraag, ingeschreven op de rol onder het nummer 75.882/2, op die dag van de rol werd afgevoerd met toepassing van artikel 84, § 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.” IV. Tussenkomst 4. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de belangen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux Francophones et Germanophones de Belgique kunnen worden beïnvloed door de oplossing die aan het ingestelde beroep gegeven zou worden. Derhalve worden zij toegelaten in dit geding voor die belangen op te komen. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-39.472-8/17 VII. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift 7. De verzoekende partijen zetten vooreerst het volgende uiteen: “Uit hetgeen eerder in het voorliggend verzoekschrift is geschreven, blijkt ontegensprekelijk de juridische onzekerheid, onduidelijkheid en chaos omtrent het bestreden besluit waarover de Raad van State, afdeling wetgeving geen advies heeft gegeven. Het komt aan de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak toe om zo snel mogelijk uitspraak te doen zodat hieraan een einde kan worden gesteld. In het andere geval ontstaan onmiddellijk, minstens op zeer korte termijn onherroepelijk nadelige gevolgen voor de verzoekende partijen, des te meer voor de vijfde tot en met achtste verzoekende partij. Er wordt hierbij verwezen naar hetgeen onder het onderdeel belang is geschreven met betrekking tot de feitelijke en juridische situatie waarin de vijfde tot en met achtste verzoekende partij zich bevinden. Deze verzoekende partijen zijn toegelaten tot de procedure collectieve schuldenregeling, de aanzuiveringsregeling is doorlopen, en een eindverslag en eindstaat zou moeten worden neergelegd. Het bestreden besluit, de vele vragen en onduidelijkheden, en de richtlijnen van de arbeidsrechtbank(

  1. en)maken dat dit einde aan de rechtbank niet kan worden gevraagd waardoor de verzoekende partijen ‘gegijzeld’ blijven in de procedure die ze zo snel als mogelijk achter de rug willen hebben.” Vervolgens zetten de verzoekende partijen omstandig de procedure collectieve schuldenregeling uiteen en de “vele vragen en onduidelijkheden na de publicatie van het bestreden besluit” ter zake, die volgens de verzoekende partijen aldus aanleiding geven “tot heel wat interpretatie- en toepassingsproblemen,” inzake de retributie en die in essentie samengevat, volgens hen inhouden dat het bestreden besluit en de interpretatie ervan door de arbeidsrechtbanken een snelle beëindiging van de procedure na het hebben doorlopen van de aanzuiveringsregeling “evenwel onmogelijk [maakt] met aldus […] onherroepelijke schadelijke gevolgen waardoor het resultaat van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring niet kan worden afgewacht”. Aldus blijft volgens de verzoekende partijen de verzoeker-schuldenaar “onnodig onder de gevolgen van de beslissing toelaatbaarheid die immers verder loopt vermits het einde van de procedure (artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek) niet in zicht is”. De verzoeker-schuldenaar blijft volgens de verzoekende partijen aldus XIV-39.472-9/17 “onnodig ‘gegijzeld’ in de procedure, blijft geafficheerd bij het CBB en de NBB, kan niet voort met zijn/haar leven, kan geen leningen aangaa[n], kan zijn eigen loon niet ontvangen etc.” en “deze situatie is voor de verzoeker-schuldenaar bijkomend onnodig stigmatiserend”. Het voorgaande houdt volgens de verzoekende partijen “ontegensprekelijk in dat er sprake [is van] onherroepelijke gevolgen die de spoedeisendheid kunnen verantwoorden. Na het afwachten van het resultaat van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring kan het veroorzaakte nadeel niet worden rechtgezet door achteraf één of meerdere malen het bedrag van 75 euro terug te storten”. Tot slot stellen de verzoekende partijen dat het “on hold” staan van het leven van de verzoeker-schuldenaar onmogelijk in overeenstemming is met de volgens hen leidende beginselen van artikel 23 van de Grondwet. Beoordeling 8. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal XIV-39.472-10/17 worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan verzoeker om aan te tonen dat hij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade. 9. De eerste vier verzoekende partijen zijn advocaat-schuldbemiddelaars. De overige verzoekende partijen zijn toegelaten tot de procedure collectieve schuldenregeling. 10. Alle verzoekende partijen voeren vooreest aan dat er ontegensprekelijk juridische onzekerheid en chaos is omtrent het bestreden besluit en dat het aan de Raad van State toekomt om “zo snel mogelijk uitspraak te doen zodat hieraan een einde kan worden gesteld.” Dit argument overtuigt niet. XIV-39.472-11/17 Dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, naar de verzoekende partijen betogen, “ontegensprekelijk” juridische onzekerheid, onduidelijkheid en chaos veroorzaakt, is een gegeven eigen aan het feit dat het bestreden reglementair besluit uitvoerbaar is, maar het toont niet uit zichzelf aan dat de verzoekende partijen in bijzondere omstandigheden verkeren die van dien aard zouden zijn dat zij het resultaat van de procedure te gronde hierdoor niet kunnen afwachten. Te dezen ontbreken, wat de eerste tot en met de vierde verzoekende partijen betreft, de concrete gegevens waaruit blijkt dat het ondergaan van een beweerdelijk rechtsonzekere toestand ingevolge interpretatieproblemen die rijzen bij de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hen een persoonlijk nadeel veroorzaakt waardoor zij dreigen zich te bevinden in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Hetzelfde geldt wat de negende verzoekende partij betreft, waarvan de Raad van State overigens bemerkt dat die partij een gehomologeerde minnelijke aanzuiveringsregeling heeft met een laatste betaling gepland op 29 juni 2029 en dus pas in 2029 of mogelijks later zich kan bevinden in een toestand van “einderegeling”. Dit volstaat om wat die verzoekende partijen betreft, de spoedeisendheid ter zake te verwerpen. 11. Wat de vijfde tot en met de achtste verzoekende partijen betreft, wordt bijkomend op breedvoerige wijze aangevoerd waarom, naar hun mening, de voorliggende vordering spoedeisend is. De essentie hiervan is dat deze verzoekende partijen zich in de eindfase van hun schuldbemiddeling zouden bevinden, maar de zaak nog op de rol van de arbeidsrechtbank staat tot er een beschikking einderegeling is geveld.. Die beschikking zou uitblijven omwille van de rechtsonzekerheid over de retributie. Dit uitblijven van de eindregeling maakt dat zij nog in het regime van de collectieve schuldenregeling blijven hangen waardoor zij aldus onnodig “gegijzeld” zijn in het regime van de collectieve schuldenregeling, wat nadelige gevolgen heeft. Ter adstructie daarvan voeren zij aan dat hun leven, samengevat, “on hold” staat en dat deze situatie voor hen “bijkomend onnodig stigmatiserend” is. Dit argument overtuigt evenmin. XIV-39.472-12/17 Los van de vraag of dit uitblijven van een eindverslag en eindstaat wel het gevolg is van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dan wel van de in de wet vervatte procedure, en zonder dat de Raad van State in deze stand van het geding reeds moet onderzoeken of het bestreden besluit wel degelijk “vele vragen en onduidelijkheden” oproept die maken dat de einderegeling niet zou kunnen worden gevraagd, staat vast dat de collectieve schuldenregeling van deze partijen nog niet ten einde is gekomen omdat er nog geen rechterlijke beschikking “einderegeling” is. Het komt derhalve aan de verzoekende partijen toe om bijzondere omstandigheden aan te tonen die ervan kunnen overtuigen dat het uitblijven van die einderegeling door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit maakt dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten, zonder dat zij zich daardoor in een toestand zouden bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Dit tonen de vijfde tot en met de achtste verzoekende partijen niet aan. Vooreerst wordt bemerkt dat de enkele omstandigheid dat de collectieve schuldenregeling van deze partijen nog niet ten einde is gekomen omdat er nog geen rechterlijke beschikking “einderegeling” is, voor elkeen geldt die is toegelaten tot de collectieve schuldenregeling. Het toont evenwel op zich niet het spoedeisend karakter aan van de vordering. Ter adstructie voeren deze verzoekende partijen aan dat zij “gegijzeld” zijn in de procedure en dat hun leven “on hold” staat en dat deze situatie voor hen “bijkomend onnodig stigmatiserend” is. In de eerste plaats betreft dit aldus een moreel nadeel volgend uit het feit zich alsnog te bevinden in een procedure die “beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name hem ertoe in staat te stellen, voor zover mogelijk, zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden” (artikel 1675/3, derde lid, van het XIV-39.472-13/17 Gerechtelijk Wetboek). Een dergelijk moreel nadeel wordt in beginsel geheel goedgemaakt door een vernietigingsarrest en vergt geen spoedeisende behandeling van de zaak in kort geding. Het komt derhalve aan de verzoekende partijen toe om aan te tonen dat in hun geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat zij de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit onmogelijk kunnen ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde. Zij brengen evenwel geen enkel element aan dat erop wijst dat dit zo is. Zij beperken zich ter zake immers tot het opwerpen van algemene gevolgen die verbonden zijn aan de collectieve schuldenregeling en die gelden voor elkeen wiens collectieve schuldenregeling nog niet finaal is geregeld, zonder dat zij die op enige wijze pogen te betrekken op de eigen persoonlijke situatie of enige nadere illustratie of “bijzondere gebeurtenis” uiteenzetten. Dat deze verzoekende partijen voorts nadelen ondervinden van het (volgens hen onnodig) uitblijven van een einderegeling laat zich verstaan maar toont nog geen spoedeisendheid aan. Zij gaan er in hun betoog in grote mate aan voorbij dat het hiervoor niet volstaat te wijzen op de nadelige gevolgen van het uitblijven van een einderegeling. Dit is immers één zaak; overtuigen echter waarom zij die nadelen - nadelen die zoals is gesteld inherent zijn aan en ontstaan vanaf de beschikking tot toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling - niet kunnen verdragen tot over de grond van de zaak uitspraak is gedaan, een andere. In de mate dat het aangevoerde nadeel (mede) pecuniaire nadelen - dat in beginsel een herstelbaar nadeel is - zou hebben omdat zij door het uitblijven van een einderegeling - waarvan nog maar de vraag is of dat een gevolg is van het bestreden besluit - langer dan nodig in de collectieve schuldenregeling blijven, verzuimen de vijfde tot en met de achtste verzoekende partijen ter zake hierin het nodige te verschaffen. Ook wat het financieel nadeel betreft, gaan zij er in hun betoog in grote mate aan voorbij dat het hiervoor niet volstaat te wijzen op de nadelige (pecuniaire) gevolgen van het uitblijven van een einderegeling. Dit is immers één zaak; overtuigen echter waarom zij die nadelen - nadelen die zoals is gesteld inherent zijn aan en ontstaan vanaf de beschikking tot toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling - niet kunnen verdragen tot over de grond van de XIV-39.472-14/17 zaak uitspraak is gedaan, een andere. Aldus tonen zij niet aan dat zij door het bestreden besluit in een dermate precaire financiële situatie terechtkomen dat kan worden aangenomen dat die een zodanige impact heeft, dat zij de duur die een beroep tot nietigverklaring in beslag neemt, niet zullen kunnen dragen en die zou verantwoorden dat hun vordering bij voorrang dient te worden behandeld. Overigens bemerkt de Raad van State dat luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing kan worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals de verzoekende partijen thans deden, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). 12. In zoverre de vijfde tot en met de achtste verzoekende partijen in fine van hun uiteenzetting doen gelden dat het aangevoerde nadeel onmogelijk in overeenstemming kan worden geacht met de leidende beginselen van artikel 23 van de Grondwet, ontslaat dat een verzoekende partij er niet van de spoedeisendheid aan te tonen. De strijdigheid van het bestreden besluit met artikel 23 van de Grondwet die wordt aangevoerd, is op zich geen reden om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden. Dat die onwettigheid betrekking heeft op een fundamentele vrijheid, ontslaat een verzoekende partij er immers niet van de spoedeisendheid aan te tonen (RvS, 22 december 2020, A.V., nrs. 249.313 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.313 en 249.314 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.314) De inperking van een fundamenteel grondrecht en vrijheid is op zich niet steeds een zwaarwichtige aangelegenheid, en volstaat bijgevolg op zich niet om het nadeel in hoofde van de verzoekende partijen aan te tonen (cfr. RvS, 22 december 2020, A.V., nrs. 249.313 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.313 en 249.314 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.314). Of het bestreden besluit de fundamentele grondrechten en vrijheden miskent, betreft de voorwaarde van een ernstig middel. De voorwaarde van de spoedeisendheid is van die voorwaarde te onderscheiden en XIV-39.472-15/17 laat zich er niet zonder meer toe herleiden. De vijfde tot en met de achtste verzoekende partijen blijven derhalve ertoe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens ook het bestaan van het spoedeisend karakter inzichtelijk en aannemelijk te maken. 13. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er sprake is van spoedeisendheid. VIII. Conclusie 14. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. Het verzoek van de Orde van Vlaamse Balies (OVB) en van de Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone de Belgique (OBFG) tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. XIV-39.472-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.472-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.656 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.092 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.313 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.