id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.659 Rolnummer: A. 237773/X-18278 Zaak: Arrest 261659 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 06/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-12 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-17 04:11 Fiche Arrest nr 261.659 van 6 december 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 261.659 van 6 december 2024 in de zaak A. 237.773/X-18.278 In zake : 1. VRIJ SYNDICAAT VOOR HET OPENBAAR AMBT 2. D.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Laurent kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 250 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 20 september 2022 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten’ (hierna: het bestreden koninklijk besluit). II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.278-1/16 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2024. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephanie Colella, die loco advocaat Jean Laurent verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Sebastiaan De Meue die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: de Raad van State-wet). III. Juridisch kader 3. Luidens artikel 106 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ bepaalt de Koning, bij een in de ministerraad overlegd besluit, het administratief en geldelijk statuut van het administratief en operationeel personeel van de zones, hierbij inbegrepen de opleiding. 3.2. Artikel 73 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 ‘betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijk besluiten’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 november 2015) vervangt (onder meer) de bevorderingsvoorwaarden voor de X-18.278-2/16 graad van kolonel, bepaald in artikel 56, 7°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 april 2014). Na de vernietiging van het aldus vervangen artikel 56, 7°, c), van het koninklijk besluit van 19 april 2014, door het arrest van de Raad van State nr. 237.506 van 28 februari 2017, behoort artikel 56, 7°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 gelezen te worden als volgt: “Art. 56. De bevorderingsvoorwaarden zijn: […] 7° voor de graad van kolonel:
- a)benoemd zijn in de graad van kapitein of majoor;
- b)de vermelding ‘voldoende’ gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
- c)titularis zijn van het brevet OFF4, door Ons bepaald, op basis van een beraadslaging door de Ministerraad;
- d)geslaagd zijn voor de bevorderingsproef, vermeld in artikel 57;
- e)houder zijn van een diploma van niveau A of geslaagd zijn in een proef georganiseerd na een opleiding bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluite, na advies van het Kenniscentrum voor de civiele veiligheid.” 3.3. Met het bestreden koninklijk besluit van 20 september 2022 wordt hoofdzakelijk voorzien in bepalingen inzake de opleiding met betrekking tot het brevet OFF4. - Artikel 5 voegt in het koninklijk besluit van 18 november 2015 een artikel 31/1 in, luidend: “Worden toegelaten tot de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4, de leden van een hulpverleningszone die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen: 1° minstens de graad van kapitein of majoor met tien jaar gecumuleerde graadanciënniteit dragen of minstens de graad van majoor met drie jaar graadanciënniteit dragen; 2° houder zijn van het brevet OFF3; 3° houder zijn van een diploma van niveau A, zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; 4° na het afleggen van de toelatingsproeven, bedoeld in artikel 39/3, geschikt bevonden worden door de jury, bedoeld in artikel 39/4. X-18.278-3/16 De voorwaarden bedoeld onder 1°, 2° en 3° moeten vervuld zijn op het moment dat de eerste van de proeven bedoeld onder 4° plaatsvindt.” - Artikel 7 voegt in het koninklijk besluit van 18 november 2015 een afdeling ‘Toelatingsprocedure tot de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4’ in, bestaande uit de artikelen 39/1 tot en met 39/5. De toelatingsproeven omvatten vier onderdelen. Een jury besluit of de kandidaat geschikt of ongeschikt bevonden wordt om toegelaten te worden tot de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4. - Artikel 8 voegt in het koninklijk besluit van 18 november 2015 een afdeling ‘Opleiding tot het behalen van het brevet OFF4’ in, bestaande uit de artikelen 39/6 tot en met 39/9. De opleiding bestaat uit vijf modules; de vijfde module is een stage. Een leerling moet slagen in de eerste vier modules vooraleer te kunnen beginnen aan de vijfde, tenzij het begeleidingscomité voor de opleiding OFF4 anders beslist. - Artikel 13 voegt in het koninklijk besluit van 18 november 2015 een artikel 50/1 in: “§ 1. Tot uiterlijk 31 december 2023 is, het personeelslid van een hulpverleningszone dat op 7 oktober 2022 zonecommandant is of zonecommandant geweest is gedurende minstens één mandaat met een gunstige evaluatie, vrijgesteld van de toelatingsprocedure zoals bedoeld in de artikelen 39/1 tot en met 39/5 en van de module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4. § 2. De houder van een diploma van master in publiek management kan een gelijkstelling met of vrijstelling van het geheel van de modules 1 tot en met 4 en/of module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4 aanvragen. Deze aanvraag dient gemotiveerd te zijn. Bij iedere aanvraag formuleert het comité een advies aan de Hoge Raad voor de opleiding. De Minister kan geen gelijkstelling of vrijstelling geven per afzonderlijke module van het geheel van de modules 1 tot en met 4.” 4. Eerste verzoekster is een representatieve vakbondsorganisatie. Tweede verzoeker verkreeg de rang van kolonel op grond van de overgangsbepaling van artikel 308, § 1, 9°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014. Hij heeft nooit het brevet OFF4 behaald. X-18.278-4/16 IV. Verzoek tot samenvoeging 5. In de memorie van antwoord vraagt de verwerende partij de samenvoeging van de voorliggende zaak met de – Franstalige en nog niet in staat van wijzen zijnde – zaak gekend onder nr. A. 237.752//VIII-12.095 “nu zowel het voorwerp van het beroep als de partijen (deels) dezelfde zijn”. Verzoekers verklaren zich niet tegen een samenvoeging te verzetten, maar zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen. 6. Noch apart, noch tezamen beschouwd is het feit dat de beide beroepen hetzelfde koninklijk besluit tot voorwerp hebben en het feit dat de partijen gedeeltelijk dezelfde zijn, voldoende van aard om te doen besluiten dat een samenvoeging van de zaken noodzakelijk is met het oog op een goede rechtsbedeling. Integendeel kan voor die samenvoeging als contra-indicatie gelden dat ze de verwijzing zou dienen mee te brengen naar de tweetalige kamer, waardoor de berechting van de voorliggende zaak een vertraging zou oplopen die des te minder verantwoord is vermits het beroep intussen al twee jaar geleden werd ingesteld. Samengevat, acht de Raad van State het wijs de zaken niet samen te voegen. V. Ontvankelijkheid van het beroep wat eerste verzoekster betreft Excepties 7. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord in de eerste plaats dat eerste verzoekster niet rechtsgeldig in rechte is getreden in zoverre niet vaststaat dat het beroep is ingesteld bij besluit van het directiecomité van eerste verzoekster of dat het directiecomté E. L. heeft aangewezen om dat te doen. X-18.278-5/16 In de laatste memorie argumenteert de verwerende partij dat voor zoveel de beslissing van het directiecomité van 21 november 2022, die eerste verzoekster intussen bijbracht, bewijst dat eerste verzoekster geldig heeft besloten om in rechte te treden en daarvoor mandaat te geven aan E. L., die beslissing “slechts melding maakt van één beroep of procedure bij de Raad van State”. Er is dus geen geldig mandaat voorhanden voor eerste verzoekster om, na het vernietigingsberoep in de zaak A. 237.752/VIII-12.095 te hebben ingesteld, het voorliggende, tweede vernietigingsberoep in te stellen. 8. In een tweede exceptie doet de verwerende partij gelden dat eerste verzoekster geen rechtspersoonlijkheid bezit en alleen toegang heeft tot de rechter “wanneer haar prerogatieven zijn miskend”. Slechts in het tweede middel beroept eerste verzoekster zich op een dergelijke miskenning. Beoordeling 9. Door het directiecomité van eerste verzoekster is op 21 november 2022 beslist om tegen het koninklijk besluit van 20 september 2022 een procedure bij de Raad van State in te stellen en om E. L. het mandaat te geven daartoe op te treden. De voorliggende vordering, ingesteld door (onder meer) eerste verzoekster, vertegenwoordigd door E. L., is een procedure als die waartoe het directiecomité op 21 november 2022 besloot. Dat ook het annulatieberoep in de zaak A. 237.752/VIII-12.095 als zo een procedure te beschouwen is, verandert daar niets aan. De eerste exceptie wordt verworpen. 10. Wat de tweede exceptie aangaat, voert eerste verzoekster geen betwisting. X-18.278-6/16 Zij argumenteert terecht dat zij “bekwaam is om een beroep bij de Raad van State in te stellen voor zover zij krachtens de toepasselijke wettelijke of reglementaire bepalingen bij de opstelling van de bestreden handeling betrokken had moeten worden en zij zich erover beklaagt dat dit niet het geval was”. In haar beroep, naar eigen zeggen beperkt zijnde tot de bescherming “van een bij wet erkend prerogatief”, voert eerste verzoekster alleen de schending van een dergelijk prerogatief aan in het tweede middel. Haar beroep is slechts wat dat middel betreft ontvankelijk. V. Ontvankelijkheid van het beroep wat tweede verzoeker betreft. Standpunt van de partijen 11. Tweede verzoeker heeft volgens de memorie van antwoord geen belang bij het beroep. Het brevet OFF4 is een voorwaarde voor de bevordering tot kolonel, maar aangezien hij reeds de rang van kolonel bezit, heeft hij geen reden om het brevet te behalen. 12. In de memorie van wederantwoord repliceert tweede verzoeker dat de bestreden koninklijk besluit wel degelijk op hem van toepassing is omdat hij over een brevet OFF4 dient te beschikken om te kunnen solliciteren naar de post van zonecommandant. 13. In de laatste memorie “bedenkt” de verwerende partij daarbij dat tweede verzoeker ook niet in aanmerking komt om tot zonecommandant benoemd te worden omdat hij niet beschikt over een diploma van niveau A. Dat is één van de cumulatieve voorwaarden om toegelaten te worden tot de opleiding voor het behalen van het brevet OFF4. 14. In zijn laatste memorie reageert tweede verzoeker nog dat zijn belang “betrekking heeft op de vrijstellingen waarin de bestreden maatregel al dan niet voorziet” en dat de argumenten van de verwerende partij “slechts aan[tonen] X-18.278-7/16 dat andere vrijstellingen hadden moeten worden ingevoerd door de bestreden maatregel”. Beoordeling 15. Tweede verzoeker heeft geen brevet OFF4. Behoeft hij dat brevet OFF4 niet meer om de rang van kolonel te bekleden (zie randnummer 4), hij heeft het wel nodig om zonecommandant te kunnen worden. Weliswaar voorziet artikel 13 van het bestreden koninklijk besluit in gelijk- en vrijstellingen met betrekking tot het behalen van dat brevet, maar die kunnen tweede verzoeker niet voldoen. De ontoereikendheid ervan verantwoordt volgens hem voldoende zijn belang bij het voorliggende beroep. 16. De Raad van State volgt die zienswijze. De exceptie van gebrek aan belang wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 17. Tweede verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 84 van de Raad van State-wet, de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, bevoegdheidsoverschrijding, en “de kennelijke beoordelingsfout”. Toegelicht wordt dat tweede verzoeker niet weet “op basis van welke hypothese van artikel 84, § 1, de wederpartij zich gebaseerd heeft om het advies van de afdeling Wetgeving te verzoeken”, maar dat alleszins geen beroep mocht worden gedaan op “de hypothese zoals vermeld in 3° van deze bepaling”, bij gebrek aan spoed. X-18.278-8/16 Beoordeling 18. De verwerende partij heeft de afdeling Wetgeving niet geadieerd met een adviesaanvraag op grond van artikel 84, § 1, 3°, van de Raad van State-wet (“in spoedeisende gevallen”), maar met een adviesaanvraag op grond van artikel 84, § 1, 2°. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’, en van de artikelen 21 tot en met 33 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 ‘tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. Tevens wordt een ondeugdelijke motivering aangevoerd, miskenning van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, bevoegdheidsoverschrijding en een kennelijke beoordelingsfout. Immers verschilt de versie van artikel 13 van het bestreden koninklijk besluit van de versie die ter onderhandeling is voorgelegd aan de vakbonden. Uit de tekst die uiteindelijk is aangenomen, verdween: “Het brevet van de Hogere Opleiding Militaire Administrateur (HOMA) wordt gelijkgesteld met het brevet OFF4.” Over de schrapping van die bepaling is niet onderhandeld. Het voorstel was zinvol omdat de gelijkstelling al sinds 2017 door de verwerende partij was toegezegd. Om die reden werden er geen opmerkingen over gemaakt tijdens de onderhandelingsprocedure. X-18.278-9/16 Beoordeling 20. Luidens artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités grondregelingen vaststellen betreffende onder meer het administratief statuut van het personeel. Deze onderhandelingsplicht maakt een substantieel vormvoorschrift uit. 21. In het kader van de onderhandelingen over het ontwerp van het bestreden koninklijk besluit in de schoot van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten is, wat artikel 13 van het ontwerp betreft, aan de vakbonden een tekst voorgelegd die onder meer voorzag: - in een gelijkstelling van het brevet van Hogere Opleiding Militair Administrateur met het brevet OFF4; - in vrijstellingen van module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4 voor de houder van een slaagbewijs in de master-na-masteropleiding ‘Fire Safety Engineering’ en voor de houder van een slaagbewijs in de master-na-masteropleiding ‘Adviseur Gevaarlijke Stoffen’; - en in een vrijstelling van de toelatingsprocedure en van module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4 voor het personeelslid van de hulpverleningszone dat zonecommandant is of geweest is gedurende minstens één mandaat met een gunstige evaluatie. 22. Blijkens de notulen van de vergadering van 24 mei 2022 hebben de vakorganisaties bij de onderhandeling met betrekking tot dat artikel 13 aangegeven dat zij akkoord gaan met de gelijkstelling van het brevet van Hogere Opleiding Militair Administrateur, maar niet met de vrijstellingen voor de master-na-masteropleiding ‘Fire Safety Engineering’ en ‘Adviseur Gevaarlijke Stoffen’. Die opleidingen worden geacht weinig of niet overeen te komen met de competenties die vereist zijn voor het brevet OFF4. De vakorganisaties kunnen dan weer wel instemmen met het voorstel van de overheid dat de houder van een X-18.278-10/16 diploma van master in publiek management een gelijkstelling kan aanvragen met, of een vrijstelling van, het geheel van de modules 1 tot en met 4 en module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4. Dat diploma voldoet aan dezelfde opleidingsvereisten. Vermeld wordt nog dat de vakorganisaties “voorstander [zijn] om zo weinig mogelijk vrijstellingen en gelijkstellingen toe te staan en alle opleidingen te volgen”. Finaal hebben de onderhandelingen geresulteerd in een protocol van 16 juni 2022 van niet-akkoord van de vakorganisaties met het ontwerp van het bestreden koninklijk besluit. 23. Met andere woorden hebben de vakorganisaties zich in het kader van de gevoerde onderhandelingen wel degelijk kunnen uitspreken over een gelijkstelling van het brevet van Hogere Opleiding Militair Administrateur met het brevet OFF4 en zijn zij meer bepaald in de gelegenheid geweest om zich in hun opmerkingen erover een voorstander van de gelijkstelling te betonen – in tegenstelling tot wat de vrijstelling aangaat inzake andere opleidingen, die volgens hen te weinig overeenkwamen met de vereiste competenties voor het brevet OFF4. Een en ander brengt niet mee dat de bevoegdheid van de verwerende partij om de betrokken regeling al dan niet aan te nemen, aan banden wordt gelegd. 24. Kennelijk heeft de verwerende partij er na de onderhandeling over het ontwerp – waarover, zoals gezegd, de vakorganisaties een protocol van niet-akkoord ondertekenden – voor gekozen de gelijkstelling van het brevet Hogere Opleiding Militair Administrateur met het brevet OFF4 niet op te nemen in de uiteindelijke tekst van het bestreden besluit. Deze weglating heeft geen wezenlijke weerslag op de inhoud van de uiteindelijke tekst. X-18.278-11/16 Ze maakt geen inbreuk uit op in het middel aangevoerde rechtsregels. 25. Louter volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de vakorganisaties intussen al opnieuw de kans hebben gekregen zich over de gelijkstelling in kwestie uit te spreken, en namelijk in het kader van de onderhandelingen die zijn uitgelopen in het koninklijk besluit van 26 oktober 2022 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 tot vaststelling van het functieprofiel van de commandant van een hulpverleningszone en van de nadere bepalingen voor zijn selectie en zijn evaluatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten’. Dat koninklijk besluit voert wél de gelijkstelling van het brevet van Hogere Opleiding Militair Administrateur met het brevet OFF4 in, weze het dat van het koninklijk besluit de vernietiging wordt gevraagd in de zaak A. 238.261/VIII-12.145. 26. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 27. Een derde middel heet gebaseerd te zijn op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de ondeugdelijke motivering, de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, bevoegdheidsoverschrijding en de kennelijke beoordelingsfout. In het verzoekschrift wordt in een eerste middelonderdeel het nieuwe artikel 50/1, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 2015, ingevoerd door artikel 13 van het bestreden koninklijk besluit, bekritiseerd. In die bepaling wordt de mogelijkheid vastgelegd voor personeelsleden die in het bezit X-18.278-12/16 zijn van een masterdiploma in publiek management om gelijkstelling te vragen met of vrijstelling van het geheel van de modules 1 tot en met 4 en module 5 van de opleiding voor het brevet OFF4. Immers “[valt] alleen de Master in publiek management onder de gelijkwaardigheid of vrijstelling”. De personen met een ander masterdiploma kunnen niet om een dergelijke gelijkstelling of vrijstelling verzoeken. Vastgesteld dient te worden “dat de bestreden akte een totaal ongerechtvaardigd verschil in behandeling creëert tussen mensen met een masterdiploma in publiek management en mensen die niet zo’n diploma hebben maar wel op A-niveau zijn”. In het verzoekschrift wordt in een tweede middelonderdeel het nieuwe artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015, ingevoerd door artikel 13 van het bestreden koninklijk besluit, geviseerd. Daarin wordt voorzien in een vrijstelling voor het personeelslid van een hulpverleningszone dat op 7 oktober 2023 zonecommandant is of ten minste gedurende één mandaat zonecommandant is geweest met een gunstige evaluatie. Geargumenteerd wordt dat moeilijk begrepen kan worden “waarom een vrijstelling wordt georganiseerd voor alleen zonecommandanten en niet voor alle personen die de rang van kolonel hebben gekregen op basis van de in artikel 308 van [het koninklijk besluit van 19 april] 2014 georganiseerde overgangsregeling”. Het bestreden koninklijk besluit creëert een totaal ongerechtvaardigd verschil in behandeling “tussen personen die op basis van de overgangsregeling van bovengenoemd artikel 308 de rang van kolonel hebben gekregen, naargelang zij al dan niet zonecommandant zijn of zijn geweest”. Beoordeling 28. Zoals het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift wordt geformuleerd, oefent het kritiek uit op de ongelijke behandeling tussen, enerzijds, houders van een diploma van master in publiek management en, anderzijds, houders van een ander diploma van niveau A. X-18.278-13/16 Het is een ongelijkheid die tweede verzoeker niet benadeelt. Hij bezit geen diploma van niveau A. In zoverre heeft tweede verzoeker geen belang bij het eerste middelonderdeel en is het onontvankelijk. 29. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie betoogt tweede verzoeker dat het gewraakte verschil in behandeling “niet alleen betrekking [heeft] op een discriminatie tussen de masters, maar in het algemeen, op de gemaakte discriminatie tussen de houders van een master publiek management en alle andere personeelsleden die het OFF4-brevet nodig hebben om de functie van commandant te kunnen uitoefenen en die, net als een kolonel bevorderd krachtens artikel 308 van het koninklijk besluit van 19 april 2014, specifieke ervaring en kennis kunnen aantonen”. Ook al beweert tweede verzoeker het anders, hij geeft hiermee een nieuwe, bijkomende invulling aan het middelonderdeel. Het gaat om een onontvankelijke uitbreiding ervan. 30. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 31. Het tweede middelonderdeel neemt de ongelijke behandeling op de korrel tussen, enerzijds, wie zonecommandant is of geweest is gedurende minstens één mandaat met een gunstige evaluatie en, anderzijds, anderen die geen zonecommandant zijn of geweest zijn. Alleen met betrekking tot de eersten wordt in het – door het bestreden besluit nieuw ingevoegde – artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015 gesteld dat “zij vrijgesteld [zijn] van de toelatingsprocedure zoals bedoeld in de artikelen 39/1 tot en met 39/5 en van de module 5 van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4”. 32. De vrijstelling waarin voor de bedoelde zonecommandanten wordt voorzien, betreft alleen de toelatingsprocedure tot de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4 en de vijfde module van die opleiding. Met andere X-18.278-14/16 woorden moeten de betrokkenen nog altijd de eerste vier modules van de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4 volgen. En om daartoe te worden toegelaten is, zoals de verwerende partij op goede grond opmerkt, vereist – gelet op het nieuw ingevoegde artikel 31/1 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 – dat de kandidaat beschikt over een diploma van niveau A. Tweede verzoeker heeft dat diploma niet. Ook als hij dezelfde vrijstelling zou mogen genieten als de zonecommandanten bedoeld in artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015, komt hij nog niet in aanmerking voor het behalen van het brevet OFF4. In dit licht bekeken, berokkent de bepaling hem geen nadeel en kan haar vernietiging hem geen voordeel opleveren. 33. Dat er een verplichting bestaat om een diploma van niveau A te hebben, weet tweede verzoeker volgens zijn laatste memorie wel, maar dat belet niet “dat verwerende partij in het kader van de bestreden akte had kunnen voorzien in een specifieke vrijstelling voor kolonels die in het kader van de overgangsregeling zijn bevorderd”. Nu wordt zonder enige motivering “geen enkele vorm van vrijstelling [verleend] aan de op grond van artikel 308 van [het koninklijk besluit] van 19 april 2014 bevorderde kolonels”. Het is een grief die als zodanig losstaat van de vrijstelling die artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015 verleent aan de daarin bedoelde zonecommandanten. Die vrijstelling heeft meer in het bijzonder niets vandoen met het vereiste dat, om toegelaten te worden tot de opleiding tot het behalen van het brevet OFF4, de kandidaten houder dienen te zijn van een diploma van niveau A. Dat vereiste geldt niet minder voor de zonecommandanten bedoeld in artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015 dan voor de kolonels die – zoals tweede verzoeker – bevorderd werden op grond van artikel 308 van het koninklijk besluit van 19 april 2014. De grief is dan ook niet van aard te staven dat het voorschrift van het nieuwe artikel 50/1, § 1, van het koninklijk besluit van 18 november 2015 een X-18.278-15/16 discriminatie inhoudt door de erin bedoelde zonecommandanten de welbepaalde vrijstelling te geven waarin het voorziet. De omstandigheid dat de “specifieke vrijstelling” die tweede verzoeker met de besproken grief kennelijk nastreeft, beweerdelijk evengoed als het voorschrift van het meer vermelde artikel 50/1, § 1, zou bijdragen tot de versterking van de directies en aansturing van de zones, verandert dat niet. 34. Ook het tweede middelonderdeel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Johan Lust X-18.278-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div