id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.660 Rolnummer: A. 238230/X-18326 Zaak: Arrest 261660 - Handelsvestigingen - 06/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-12 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-17 04:11 Fiche Arrest nr 261.660 van 6 december 2024 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 261.660 van 6 december 2024 in de zaak A. 238.230/X-18.326 In zake :
- F.T.
- I.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE MEISE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: G.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Anton Rombaut kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van “de stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise, waarvan het bestaan door verwerende partij ter kennis van verzoekers werd gebracht bij brief d.d. 5 december 2022, tot het verlenen van een socio-economische vergunning aan [G.V.] voor een nieuwe kleinhandelszaak in bloemen en planten, gelegen te 1861 Meise, […]”. X-18.326-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. G.V. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Laurence Hoet, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Anton Rombaut, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-18.326-2/19 X-18.326-3/19 III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen wonen naast het tuincentrum van de tussenkomende partij (hierna: het tuincentrum). 3.
- Het tuincentrum is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 goedgekeurde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gesitueerd in woongebied met landelijk karakter en agrarisch gebied. 3.
- Voor een aantal constructies van het tuincentrum (kwekerij met serres, bedrijfswoning, loods) worden in de periode tussen 1998 en 2010 stedenbouwkundige vergunningen verleend. In 2007 wordt een proces-verbaal van overtreding opgesteld omdat de kwekerij wordt gebruikt als verkoopruimte voor allerlei decoratieartikelen en als refter voor het personeel. Met een besluit van 24 maart 2009 verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: de deputatie) na bestuurlijk beroep een regularisatievergunning, met een beperkte mogelijkheid tot het verkopen van eigen plantgoed als ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf en een verbod op andere detailverkoop. Met een vonnis van 6 september 2013 veroordeelt de correctionele rechtbank te Brussel de tussenkomende partij voor het zonder vergunning wijzigen van de functie van een deel van de kwekerij naar winkelruimte voor de verkoop van decoratieartikelen en refter voor het personeel. De tussenkomende partij verkrijgt de gunst van opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van drie jaar. In 2015 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor een nieuwbouwproject langs de straatkant van de site, bestaande uit een commerciële detailhandel in bloemen en planten op het gelijkvloers met daarboven X-18.326-4/19 vijf appartementen. Ook voorziet het project in de aanleg van een ondergrondse parking. Tegelijk wordt een aanvraag tot regularisatievergunning ingediend voor meerdere ingrepen en verhardingen achteraan de site, die voornamelijk detailhandelsactiviteiten aldaar mogelijk moeten maken. Op 9 juni 2016 vergunt de deputatie de beide aanvragen na bestuurlijk beroep. De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) vernietigt de vergunningen echter met zijn arresten nrs. RvVb/A/1819/0162 en RvVb/A/1819/0163 van 9 oktober
- Hierop volgend, neemt de deputatie in de dossiers twee “herstelbeslissingen”, die de RvVb vervolgens op vordering van de verzoekende partijen met zijn arresten nrs. RvVb-A-2021-0188 en RvVb-A-2021-0189 van 22 oktober 2020 vernietigt. Met een besluit van 28 januari 2021 weigert de deputatie de vergunning voor de ingrepen en verhardingen achteraan de site. Op dezelfde datum verleent de deputatie een vergunning voor de meergezinswoning met de handelsruimte op het gelijkvloers en de ondergrondse garage. Op vraag van de verzoekende partijen vernietigt de RvVb deze vergunning met zijn arrest nr. RvVb-A-2223-0178 van 27 oktober
- Finaal weigert de deputatie ook voor het laatstvermelde project de vergunning met een besluit van 12 juni
- 3.
- Inmiddels had de tussenkomende partij in april 2017 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise een nieuwe aanvraag ingediend voor een bijkomende kweek- en verkoopserre met uitbreiding van de zone voor het verkopen van planten en bijkomende verhardingen. Het college verleent de vergunning met een besluit van 31 juli
- Op 11 januari 2018 verwerpt de deputatie het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen tegen deze vergunning wegens laattijdig. Op vordering van de verzoekende partijen vernietigt de RvVb met zijn arrest nr. RvVb-A-1819-1196 van 9 juli 2019 deze beslissing van de deputatie. Daarop behandelt de deputatie het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen ten gronde, en weigert zij de vergunning voor het project met een besluit van 28 januari
- 3.
- Naar aanleiding van de feestelijke opening van het nieuwe en uitgebreide tuincentrumcomplex van de tussenkomende partij eind oktober 2018, dienen de verzoekende partijen op 25 oktober 2018 bij het Vlaams agentschap voor X-18.326-5/19 innoveren en ondernemen (hierna: VLAIO) een klacht in “wegens schending vergunningsplicht kleinhandelsactiviteiten”. Met een bericht van 26 oktober 2018 antwoordt het VLAIO dat de tussenkomende partij reeds op 14 december 2016 een socio-economischevergunningsaanvraag voor de uitbating van het nieuwe en uitgebreide tuincentrum met een netto handelsoppervlakte van 875 m² heeft ingediend. Het VLAIO vervolgt dat over deze vraag binnen de wettelijke termijn van vijftig dagen, “met andere woorden uiterlijk op 12/02/2017”, moest worden beslist, maar dat het gemeentebestuur van de gemeente Meise pas op 6 maart 2017 een beslissing heeft genomen en de vergunning heeft verleend onder de voorwaarde dat de stedenbouwkundige vergunningen niet door de RvVb worden vernietigd. De VLAIO wijst erop dat deze laatste beslissing buiten de voorziene termijn werd genomen, waardoor de site sinds 12 februari 2017 stilzwijgend en zonder enige bijkomende voorwaarde, socio-economisch voor een tuincentrum is vergund. De voorwaarde van niet vernietiging van de stedenbouwkundige vergunningen door de RvVb is volgens het VLAIO “bijgevolg zonder waarde”, zodat het feit dat deze vergunningen inmiddels door de RvVb werden vernietigd “evenmin enige rol speelt”. Op 31 oktober 2018 verleent het VLAIO aan de verzoekende partijen een afschrift van de socio-economischevergunningsaanvraag, de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 6 maart 2017, en de bewijzen van de laattijdige betekening van deze beslissing. 3.
- Met zijn arrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 vernietigt de Raad van State op vraag van de verzoekende partijen de stilzwijgend tot stand gekomen socio-economische vergunning en de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 6 maart
- X-18.326-6/19 3.
- Vervolgens dringen de verzoekende partijen er (onder meer) bij de gemeente Meise meermaals vergeefs op aan om handhavend op te treden tegen de uitbating van het tuincentrum. 3.
- Met een brief van 5 december 2022 laat de gemeente Meise aan de verzoekende partijen weten dat uit een onderzoek van het VLAIO is gebleken dat volgend op ’s Raads vernietigingsarrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 een nieuwe stilzwijgende vergunning voor de uitbating van de kleinhandelszaak werd bekomen, nu de gemeente geen beslissing over de kwestieuze aanvraag heeft genomen binnen de daartoe voorziene termijn van vijftig dagen. De gemeente voegt eraan toe dat die stilzwijgende vergunning definitief is, aangezien de termijn voor het indienen van een bestuurlijk beroep ertegen intussen is verstreken. 3.
- De verzoekende partijen vragen de gemeente Meise op 29 december 2022 en 17 januari 2023 om het bewijs bij te brengen dat van de voormelde stilzwijgende toelating een aanplakking zou zijn gebeurd, maar krijgen daarop geen antwoord. 3.
- Ingevolge een door de verzoekende partijen in handen van de onderzoeksrechter neergelegde strafklacht met burgerlijke partijstelling, veroordeelt de Brusselse correctionele rechtbank bij vonnis van 7 juni 2023 zowel de tussenkomende partij als de voormalige burgemeester en een voormalige schepen van de gemeente Meise wegens actieve omkoping, respectievelijk belangenneming en passieve omkoping, en wordt aan de verzoekende partijen als burgerlijke partijen een morele schadevergoeding toegekend. Tegen dit vonnis is hoger beroep aangetekend. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis. X-18.326-7/19 De verwerende partij betoogt dat de bestreden (stilzwijgende) beslissing ten laatste van 21 augustus 2021 dateert, zijnde de einddatum van de termijn waarover het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise beschikte om na ’s Raads vernietigingsarrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 een nieuwe beslissing over de kwestieuze vergunningsaanvraag te nemen. De verzoekende partijen waren bij deze procedure voor de Raad van State betrokken en behoorden dan ook te weten dat er vanaf 21 augustus 2021 een nieuwe beslissing moest zijn. Dat er pas zeventien maanden later een beroep tegen de stilzwijgende beslissing werd ingesteld, noemt de verwerende partij niet ernstig, temeer nu de verzoekende partijen elke dag opnieuw konden vaststellen dat er bij hun gebuur een commerciële activiteit werd uitgeoefend. De verzoekende partijen moesten ook weten dat deze vergunning stilzwijgend was, vermits er door de aanvrager geen aanplakking was gebeurd. 4.
- Ook de tussenkomende partij betwist in haar memorie de tijdigheid van het beroep. Zij stelt dat de verzoekende partijen ervan op de hoogte waren dat na het vernietigingsarrest van de Raad van State een nieuwe beslissingstermijn begon te lopen, en dat het verstrijken daarvan noodzakelijkerwijze een stilzwijgende vergunning zou doen ontstaan. De verzoekende partijen dienden zich te informeren over de te nemen stappen in de vergunningsprocedure en konden zich niet louter beperken tot het aandringen dat er handhavend zou worden opgetreden. De verzoekende partijen dienden zich actief te bevragen over het al dan niet bestaan van een nieuwe vergunningsbeslissing. Zij hebben daarbij geen redelijke termijn in acht genomen. 4.
- De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat zij voldaan hebben aan hun waakzaamheidsplicht. De kans dat zij een aanplakkingsbericht niet zouden hebben opgemerkt, is onbestaande. Daaromtrent bevraagd, brengt de gemeente geen enkel bewijs bij dat een aanplakking van de vergunning heeft plaatsgehad. De verwerende partij diende hen op de hoogte te brengen van het feit dat een stilzwijgende vergunning was verkregen, nadat een eerste stilzwijgende vergunning op hun verzoek door de X-18.326-8/19 Raad van State werd vernietigd. Na dit vernietigingsarrest hadden zij in het kader van een goed bestuur ook gehoord moeten worden. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij de verwerende partij “tot vervelens toe” hebben aangeschreven om de uitbating van het wederrechtelijke tuincentrum te verbieden. Tot 5 december 2022 heeft de gemeente nooit op hun verzoeken gereageerd. Zij deelde hen nooit mee dat inmiddels een stilzwijgende vergunning voor de uitbating was afgegeven. De verzoekende partijen moesten er niet van uitgaan dat er na de vernietiging van de eerste stilzwijgende vergunning opnieuw een stilzwijgende, en dus per definitie onwettige, beslissing zou volgen. De verwerende partij heeft in strijd met het fair play-beginsel gehandeld door opnieuw een stilzwijgende vergunning tot stand te laten komen. Zij neemt een schaamteloze houding aan door zich op eenzelfde onwettige stilzwijgende beslissing te beroepen, in de hoop dat dit tot de onontvankelijkheid van hun beroep zou leiden. De vragen van de verzoekende partijen om het tuincentrum te sluiten, werden stelselmatig genegeerd, zonder dat enige melding werd gemaakt van het bestaan van een stilzwijgende vergunning. De verwerende partij beroept zich voor haar exceptie eigenlijk op haar eigen in gebreke blijven, wat ontoelaatbaar is. Eerder dan stil te zitten, hebben de verzoekende partijen proactief gehandeld. De verwerende partij heeft haar rechtsplicht naast zich neergelegd door na het meervermelde vernietigingsarrest dezelfde onwettigheid te herhalen, en geen uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing te nemen. De verzoekende partijen konden geen kennis hebben van het bestaan van de stilzwijgende vergunning, nu zij daaromtrent niet de nodige inlichtingen kregen van de verwerende partij. De tussenkomende partij is het tuincentrum steeds onverstoord blijven uitbaten en de nieuwe stilzwijgende vergunning werd nooit aangeplakt. 4.
- De tussenkomende partijen doen in hun laatste memorie nog gelden dat rekening houdend met het rechtsbeginsel ‘nemo censetur ignorare legem’ van de verzoekende partijen, die door een advocaat worden bijgestaan, mocht worden verwacht dat zij de nodige stappen zouden zetten om de vernietiging van de bestreden beslissing te verkrijgen. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, werd met ’s Raads vernietigingsarrest nr. 250.992 van 18 juni X-18.326-9/19 2021 niet expliciet bevolen dat een nieuwe beslissing diende genomen te worden en dat de verzoekende partijen daarvoor gehoord dienden te worden. Artikel 8, § 3, van de wet van 13 augustus 2004 ‘betreffende de vergunning van handelsvestigingen’ (hierna: de handelsvestigingenwet) bepaalt duidelijk dat bij ontstentenis van een beslissing binnen de voorziene termijn, de beslissing geacht wordt gunstig te zijn. De loutere vernietiging door de Raad van State van de vorige stilzwijgende beslissing, maakt nog niet dat de regels van de handelsvestigingenwet niet gevolgd moeten worden. Beoordeling 5.
- Artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bepaalt dat bij ontstentenis van een tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een aanvraag tot het verkrijgen van een handelsvestigingsmachtiging, “de beslissing geacht [wordt] gunstig te zijn”. 5.
- Voor de bestreden beslissing, die ingevolge het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde termijn is tot stand gekomen, is er geen bekendmaking voorzien in de zin van artikel 4 van het algemeen procedurereglement van de Raad van State, die de beroepstermijn voor de Raad van State doet aanvangen. Voor derde belanghebbenden, zoals te dezen de verzoekende partijen, doet de feitelijke kennisname van de bestreden beslissing de beroepstermijn ingaan. Het is zaak van de verwerende partij en de tussenkomende partij, die aanvoeren dat het beroep laattijdig is ingesteld, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. 5.
- Met ’s Raads arrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 wordt de beslissing die het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise op 6 maart 2017, buiten de wettelijke beslissingstermijn, over de kwestieuze vergunningsaanvraag heeft genomen, vernietigd. Ook wordt de eerder tot stand X-18.326-10/19 gekomen stilzwijgende vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise vernietigd, waarbij de Raad aanneemt dat deze beslissing niet geacht kan worden inhoudelijk voldoende steun te vinden in de stukken van het dossier. Uit ’s Raads vernietigingsarrest nr. 250.992 van 18 juni 2021, met het daarin vastgestelde motiveringsgebrek en bij een ongewijzigd dossier, volgt voor de verwerende partij de rechtsplicht om middels een uitdrukkelijke beslissing over de door de tussenkomende partij ingediende socio-economische vergunningsaanvraag te oordelen. Deze beslissing diende vervolgens te worden aangeplakt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de handelsvestigingenwet: “Een bericht dat de vergunning werd afgeleverd, moet worden aangeplakt, door de aanvrager, op de plaats waar de handelsvestiging die het voorwerp uitmaakt van de vergunning zich zal bevinden, binnen acht dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing, voor de aanvang van de bouwwerf en tijdens de ganse duur ervan tot op het ogenblik van de opening van de handelsvestiging.” Over de kwestieuze aanvraag werd geen uitdrukkelijke beslissing genomen. Er vond geen aanplakking plaats. 5.
- De verzoekende partijen mochten er gezien het voormelde van uitgaan dat een uitdrukkelijke beslissing over de vergunningsaanvraag zou worden genomen, en dat een gebeurlijke vergunningsbeslissing zou worden aangeplakt. Na ’s Raads arrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 dienden zij niet te verwachten dat de tussenkomende partij weer een stilzwijgende vergunning voor haar kwestieuze tuincentrum zou verkrijgen. In die omstandigheden laat het zich begrijpen dat de verzoekende partijen, die nergens de aanplakking van enige vergunning konden bespeuren, er (onder andere) bij de gemeente meermaals – op 6 juli 2021, 23 oktober 2021, 16 september 2021 en 14 november 2022 – op hebben aangedrongen om de handelsactiviteiten van het tuincentrum stil te leggen. Minder X-18.326-11/19 te begrijpen valt dat de verwerende partij in die omstandigheden heeft gewacht tot 5 december 2022 om de verzoekende partijen van het bestaan van de bestreden stilzwijgende vergunning op de hoogte te brengen. 5.
- Gelet op wat voorafgaat, tonen de tussenkomende partij en de verwerende partij niet aan dat de verzoekende partijen méér dan zestig dagen voor het indienen van hun beroep op 23 januari 2023 kennis hadden of dienden te hebben van de bestreden stilzwijgende socio-economische vergunning. 5.
- De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 6.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8 en 9 van de wet van de handelsvestigingenwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het motiverings-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “het beginsel van de redelijke termijn”, van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 van de Raad van State, alsook de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de verwerende partij na ’s Raads vernietigingsarrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 is tekortgeschoten in haar plicht om een uitdrukkelijke beslissing te nemen over de socio-economischevergunningsaanvraag van de tussenkomende partij. Met dit arrest werd een eerder verkregen stilzwijgende vergunning vernietigd omdat zij niet gemotiveerd was en geen steun kon vinden in de gegevens van het dossier. De verwerende partij had dan ook de rechtsplicht om een uitdrukkelijke beslissing over de aanvraag te nemen. De bestreden stilzwijgende beslissing schendt opnieuw de materiëlemotiveringsplicht en kan onmogelijk geacht worden (voldoende) steun X-18.326-12/19 te vinden in de stukken van het dossier. Het blijkt niet dat rekening is gehouden met de wettelijke beoordelingscriteria voor een handelsvestigingsaanvraag. Uit meerdere arresten van de RvVb blijkt dat de verenigbaarheid van de inrichting met de planologische bestemming van het gewestplan niet behoorlijk werd onderzocht. Daarbij blijken vooral de verkoopactiviteiten in agrarisch gebied problematisch te zijn. De bestreden beslissing reveleert geen afdoende materieel motief om de kwestieuze aanvraag in te willigen. Het is onmogelijk te beoordelen op welke gronden zij steunt. 6.
- De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord geen inhoudelijk verweer en gedraagt zich wat de gegrondheid van het enige middel betreft naar de wijsheid van de Raad van State, gelet op ’s Raads arrest nr. 250.992 van 18 juni
- 6.
- De tussenkomende partij stelt in haar memorie dat wel degelijk impliciet rekening werd gehouden met de elementen vermeld in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet. De deputatie heeft reeds een aantal vergunningen verleend die getuigen van de planologische inpasbaarheid van de kwestieuze handelsvestiging. De RvVb heeft die vergunningen enkel vernietigd om reden van een gebrekkige motivering. Ten tijde van de stilzwijgende bestreden beslissing bestond er een uitvoerbare vergunning van de deputatie die de planologische inpasbaarheid van het tuincentrum bevestigt. Het is dan ook begrijpelijk dat er een stilzwijgende socio-economische vergunning werd verleend. Het blijkt dat met alle beoordelingscriteria van de handelsvestigingenwetgeving rekening werd gehouden, wanneer men ook de beslissing erbij neemt die het college van burgemeester en schepenen op 6 maart 2017, weliswaar laattijdig, over de aanvraag heeft genomen. Beoordeling 7.
- Zoals hoger gezien, volgt uit ’s Raads arrest nr. 250.992 van 18 juni 2021 voor de verwerende partij de rechtsplicht om een uitdrukkelijke beslissing over de kwestieuze vergunningsaanvraag te nemen. De verwerende X-18.326-13/19 partij liet na dit te doen en schendt aldus het gezag van gewijsde van ’s Raads voormelde arrest. 7.
- Voorts zij opgemerkt dat de bestreden beslissing een impliciete beslissing betreft, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag kan schragen. Een materieel motief daarvoor blijkt evenmin voorhanden. Het betoog van de tussenkomende partij dat dergelijke motieven zouden blijken uit eerdere voor het tuincentrum verleende vergunningen en uit de op 6 maart 2017 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise laattijdig verleende socio-economische vergunning, kan allerminst bijval vinden, nu deze beslissingen werden vernietigd en geacht moeten worden nooit van het rechtsverkeer deel te hebben uitgemaakt. Bovendien zij vastgesteld dat de verwerende partij, die zich ter zake naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt, zich niet op deze visie van de tussenkomende partij steunt. 7.
- Het middel is gegrond. VI. Vraag om substitutie en injunctie Standpunt van de partijen 8.
- In hun verzoekschrift vragen de verzoekende partijen aan de Raad van State gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 36, § 1, tweede lid, RvS-wet, en het vernietigingsarrest in de plaats te stellen van de beslissing van het bestuur. Van die substitutiebevoegdheid kan gebruik worden gemaakt wanneer de na vernietiging nieuw te nemen beslissing kan worden gekaderd in een gebonden bevoegdheid in hoofde van het bestuur. De verzoekende partijen menen dat daarvan in casu sprake is, nu de verwerende partij er na jaren niet in slaagt om een tijdige en wettige beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij. Daar komt nog bij dat de redelijke termijn om over de aanvraag te beslissen verstreken is, wat leidt tot het verlies van beslissingsbevoegdheid en gelijkstaat met een gebonden bevoegdheid tot weigering van de vergunning. X-18.326-14/19 Indien niet zou worden ingegaan op hun verzoek tot substitutie, vragen de verzoekende partijen om aan de verwerende partij minstens te bevelen om binnen een termijn van vijftig dagen na de betekening van het uit te spreken vernietigingsarrest een uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij, en aan de naleving van deze verplichting een dwangsom van 500 euro per dag vertraging te verbinden. Dit alles overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 35/1 en 36 RvS-wet. 8.
- De tussenkomende partij verzet zich in haar memorie tegen de door de verzoekende partijen gevraagde indeplaatsstelling omdat geenszins blijkt dat het project onvergunbaar en onverenigbaar met de stedenbouwkundige voorschriften zou zijn. Ook de RvVb heeft steeds uitdrukkelijk geweigerd om van zijn substitutiebevoegdheid gebruik te maken. Er is geen verlies van beslissingsbevoegdheid wegens overschrijding van de redelijke termijn, nu de handelsvestigingenwet de figuur van de stilzwijgende vergunning bij het overschrijden van de wettelijk bepaalde beslissingstermijn uitdrukkelijk voorziet. 8.
- In hun memorie van wederantwoord dringen de verzoekende partijen aan op het gebruik van de substitutiemogelijkheid door de Raad van State. Er is te dezen sprake van een uitholling van de discretionaire bevoegdheid van de overheid, wat een indeplaatsstelling wettigt. De voorgeschiedenis van het dossier toont bovendien aan dat de redelijke beslissingstermijn voorbij is. De verzoekende partijen betogen tenslotte wel degelijk diligent te hebben gehandeld bij het bestrijden van de stilzwijgende socio-economische vergunning. 8.
- De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat er in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier en de toepassing van de wetgeving minstens sprake is van een feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid in hoofde van de verwerende partij, waardoor de Raad van State zijn arrest in de plaats dient te stellen van de nieuwe beslissing die de verwerende partij na vernietiging dient te nemen. De verwerende partij heeft namelijk al twee keer de kans gekregen om een oordeel te vellen over de kwestieuze vergunningsaanvraag X-18.326-15/19 en om na te gaan of een socio-economische vergunning kan worden verleend. Tot tweemaal toe heeft zij echter de termijn laten verstrijken waarbinnen zij een beslissing moest nemen, om vervolgens zonder enige motivering een stilzwijgende vergunning te verlenen. Beoordeling 9.
- Artikel 36, § 1, tweede lid, RvS-wet luidt: “Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing.” Uit de wetsgeschiedenis van artikel 36, § 1, tweede lid, RvS-wet blijkt dat de substitutiebevoegdheid “om […] redenen van efficiëntie” aan de RvS werd toegekend, te weten wanneer “de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de bestuurlijke overheid”, waarbij onder meer gedacht wordt aan “de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26-27). 9.
- De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat ingevolge het tijdsverloop sinds het indienen van de kwestieuze vergunningsaanvraag en/of ingevolge het feit dat de verwerende partij tot tweemaal toe heeft nagelaten om tijdig een beslissing over de kwestieuze aanvraag te nemen, er in hoofde van deze partij een gebonden bevoegdheid zou bestaan om de gevraagde socio-economische vergunning te weigeren. De vraag om tot indeplaatsstelling over te gaan, wordt niet ingewilligd. 9.
- Artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, RvS-wet, bepaalt: X-18.326-16/19 “Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen.” Uit de wetsgeschiedenis van die bepaling blijkt dat deze bevoegdheid tot het opleggen van een termijn waarbinnen de nieuwe beslissing door de betrokken overheid moet worden genomen kan worden toegepast “telkens een arrest een nieuwe beslissing van de betrokken overheid met zich meebrengt”, en dit om redenen van efficiëntie, zodat “de partij op wier verzoek de nietigverklaring wordt bevolen de overheid niet meer in gebreke [dient] te stellen om op te treden, zoals dit het geval was voordien” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5- 277/1, 26). 9.
- Nu de verwerende partij tot tweemaal toe in gebreke is gebleven om tijdig een standpunt over de kwestieuze socio-economische vergunningsaanvraag in te nemen, is er wel grond om haar het bevel op te leggen binnen een termijn van vijftig dagen na de betekening van huidig vernietigingsarrest een uitdrukkelijk beslissing over de kwestieuze vergunningsaanvraag te nemen. De termijn van vijftig dagen correspondeert met de termijn voorzien in artikel 8, § 1, van handelsvestigingenwet, waarover de verwerende partij beschikt om na de datum van aflevering van het indieningsbewijs van de aanvraag een beslissing te nemen en te betekenen. Het past om aan de niet naleving van voormeld bevel een dwangsom van 500 euro per dag vertraging te verbinden. De verwerende partij blijkt zich daartegen niet te verzetten, evenmin overigens als de tussenkomende partij. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise tot het verlenen van een socio-economische vergunning aan G.V. voor een nieuwe kleinhandelszaak in bloemen en planten, gelegen te […]. X-18.326-17/19
- De Raad van State beveelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise om binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de kennisgeving van huidig vernietigingsarrest een uitdrukkelijke beslissing te nemen over de aanvraag die G.V. in december 2016 bij haar heeft ingediend voor het bekomen van een socio-economische vergunning voor een nieuwe kleinhandelszaak in bloemen en planten, gelegen te […] en dit onder de verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-18.326-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.326-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.