id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.662 Rolnummer: A. 240552/XIV-39478 Zaak: Arrest 261662 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 06/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-11 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-06-18 22:22 Fiche Arrest nr 261.662 van 6 december 2024 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 261.662 van 6 december 2024 in de zaak A. 240.552/XIV-39.478 In zake : de BV HORTIPOWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Guy Block, Kris Wauters en Michel Vandersmissen kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Bert Van Herreweghe en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 november 2023 strekt tot de nietigverklaring van de “[b]eslissing van het Vlaams Energie- en Klimaat-agentschap van 22 september 2023 met betrekking tot het expertisedossier voor garanties van oorsprong voor elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en voor warmtekrachtcertificaten voor de warmte-krachtbesparing gerealiseerd door de warmtekrachtinstallatie ‘WKK-1041 [bv H.3]’ bestaande uit een interne verbrandingsmotor met een elektrisch vermogen van 4.775 kW[…]”. II. Verloop van de rechtspleging XIV-39.478-1/26 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2024 om 14.15 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Vincent Verbelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is een bedrijf actief in de groenten- en fruitteelt. Om in haar energiebehoeften te voorzien maakt zij gebruik van warmte-krachtinstallaties (hierna: WKK). Warmtekrachtinstallaties zijn energieproductie-installaties die omwille van hun bijzondere technologie zeer energie-efficiënt zijn. Voor deze energie-efficiëntie krijgen de uitbaters van deze XIV-39.478-2/26 installaties subsidies toegekend in de vorm van warmtekrachtcertificaten (hierna: WKC). 3.2. De verzoekende partij exploiteert initieel WKK installatie - 0294 (hierna: WKK-0294) met een elektrisch vermogen van 8.585,00kWe, waarvoor zij op 4 juni 2015 een milieuvergunning heeft bekomen en waarvoor ze WKC heeft ontvangen tot januari 2022. Deze milieuvergunning van 2015 dekt de uitbating van een warmtekrachtinstallatie met een maximaal thermisch vermogen van 18.350kWth, waarbij het elektrisch vermogen wordt geschat op 40-50% van het thermisch vermogen. 3.3. De verzoekende partij beslist in 2018 om deze WKK-0294 te vervangen door drie nieuwe installaties: (
- i)WKK-1016 (elektrisch vermogen: 4.775,00kWe), (
- ii)WKK-1041 (elektrisch vermogen: 4.775,00kWe) en (iii) WKK-1047 (elektrisch vermogen: 2.678,00kWe). De drie installaties betreffen allen een ‘interne verbrandingsmotor in WKK-modus’, dit is een verbrandingsmotor die de warmte die vrijkomt bij de verbranding in grote mate recupereert en opnieuw aanwendt als energiebron. De verzoekende partij dient voor elk van deze drie WKK een principeaanvraag in tot het bekomen van WKC. Enkel voor twee van deze WKK, met name WKK-1016 en WKK-1041 zal zij ook een definitieve aanvraag indienen. 3.4. Op 30 december 2018 dient de verzoekende partij een principeaanvraag in bij het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap [hierna: het VEKA] tot het bekomen van warmtekrachtcertificaten voor WKK-1041. Zij voegt bij haar aanvraagdossier de milieuvergunning van 4 juni 2015, evenals een stedenbouwkundige vergunning uit 2011. XIV-39.478-3/26 3.5. Op 28 februari 2019 neemt het VEKA een principebeslissing wat WKK-1041 betreft. Het VEKA kwalificeert de WKK-1041 onder de toenmalige categorie 4 a), zijnde “kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5° en met uitsluiting van warmtekrachtinstallaties op biogas afkomstig van vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib, met minimaal een motor en met een bruto nominaal vermogen groter dan 1MWe tot en met 5MWe: nieuwe installaties”. Het VEKA legt in die principebeslissing de startdatum voor deze WKK-1041 vast op 30 december 2018, dit is de datum waarop de verzoekende partij de principeaanvraag heeft ingediend waarbij er van is uitgegaan dat de verzoekende partij hiervoor reeds over een geldige omgevings-/milieuvergunning beschikt, met name deze van 4 juni 2015. De bandingfactor die correspondeert met de desbetreffende projectcategorie en startdatum werd in de principebeslissing van het VEKA vastgesteld op 1 (één). Op grond van deze startdatum/bandingfactor zou de verzoekende partij telkens recht hebben op 1 WKC per 1.000 kWh primaire energiebesparing gerealiseerd door WKK-1041. 3.6. Op 19 december 2019, dit is omstreeks een jaar na de principeaanvraag, verkrijgt de verzoekende partij van de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen een omgevingsvergunning voor WKK-1041 (evenals voor WKK-1016). Artikel 1, § 1, derde lid, zesde streepje, van deze beslissing vergunt: “- 2 WKK’s met een totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 9.590 kVA (2x 4.795 kVA) een bijhorend totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 19.990 kW (2x 9.995 kW) en een noodgenerator met een elektrisch schijnbaar vermogen van 250 kVA en een nominaal thermisch ingangsvermogen van 150 kW (reductie met 50%, XIV-39.478-4/26 3.7. Zowel WKK-1016 als WKK-1041 worden op 28 juni 2021 in dienst genomen. Vervolgens, op 3 april 2022, wordt WKK-0294 (cfr. supra punt 3.2) uit dienst genomen. 3.8. Op 13 oktober 2022 dient de verzoekende partij een definitieve aanvraag in bij het VEKA tot het bekomen van warmtekrachtcertificaten voor WKK-1041 (evenals voor WKK-1016). Zij voegt aan deze definitieve aanvraag opnieuw de milieuvergunning van 4 juni 2015 toe. 3.9. Op 22 september 2023 neemt het VEKA een definitieve beslissing en stelt in artikel 3 ervan, de startdatum van WKK-1041 (evenals deze van WKK-1016) vast op 3 april 2022, zijnde de dag waarop WKK-0294 buiten werking is genomen, met als gevolg dat de toepasselijke bandingfactor niet langer op 1 (een) doch op 0,222 wordt vastgesteld, wat een voor de verzoekende partij ongunstiger bandingfactor is. Dit is de bestreden beslissing die, met betrekking tot de vaststelling van de startdatum van WKK-1041 overweegt wat volgt: “Met betrekking tot de vaststelling van de startdatum van het Project Overwegende dat eerder werd aangetoond dat het Project in een bepaalde projectcategorie valt, en dat bijgevolg een startdatum kan worden vastgesteld voor het Project; Overwegende dat het aanvraagdossier voor een principebeslissing voor het Project werd ingediend op 30 december 2018; Overwegende dat de Aanvrager in het aanvraagdossier voor een principebeslissing verklaarde dat de voorgelegde vergunningen geldig waren en daarnaast noodzakelijk voor het Project; Overwegende dat de milieuvergunning voor het Project geldig is vanaf de uitdienstneming van de warmte-krachtinstallatie ‘WKK 0294 [bv H.]’, met name 3 april 2022; Overwegende dat blijkt dat, omwille van het gelijktijdig in dienst houden van de warmte krachtinstallatie ‘WKK 0294 [bv H.]’ en de Warmte krachtinstallatie, de in het aanvraagdossier voor een principebeslissing voorgelegde mileuvergunning niet geldig was voor het Project; XIV-39.478-5/26 Overwegende dat de in de principebeslissing vastgelegde startdatum bijgevolg door het VEKA wordt opgeheven; Overwegende dat het Project op het moment van indienen voor een aanvraagdossier beschikte over een geldige stedenbouwkundige vergunning en/of milieuvergunning en dat deze vergunningen in aanmerking worden genomen in het kader van het begrip ‘startdatum’, zoals gedefinieerd in artikel 1.1.3, 113°/2 van het Energiedecreet; Overwegende dat het VEKA daarnaast in goede orde een kopie ontving van de vergunningen voor het Project, met name: - stedenbouwkundige vergunning: afgeleverd op 13 oktober 2011, - milieuvergunning: afgeleverd op 4 juni 2015 geldig voor het Project vanaf de uitdienstneming van de warmte-krachtinstallatie ‘WKK 0294 [bv H.]’ op 3 april 2022; Overwegende dat de Aanvrager in het aanvraagdossier verklaart dat deze voorgelegde vergunningen geldig zijn en daarnaast noodzakelijk zijn voor het Project; Overwegende dat de startdatum van het Project aldus, overeenkomstig artikel 1.1.3, 113°/2 van het Energiedecreet gelijk wordt gesteld aan de datum waarop het Project beschikt over de vereiste milieuvergunning, met name 3 april 2022;” 3.10. Nadat de verzoekende partij op 2 en 31 oktober 2023 het VEKA heeft verzocht zijn beslissing te heroverwegen en waarbij zij op dat ogenblik de omgevingsvergunning van 19 december 2019 bijbrengt, antwoordt het VEKA met een e-mail van 7 november 2023 dat het “geen reden [ziet] om haar beslissingen van 22 september 2023 voor WKK 1016 en WKK 1041 te heroverwegen”. In diezelfde e-mail wijst het VEKA de verzoekende partij nog “voor de volledigheid” op haar rechten zoals reeds vermeld in haar schrijven van 22 september 2023, met name dat zij tegen de bestreden beslissing een verzoek tot nietigverklaring kan indienen bij de Raad van State. In de daarop aansluitende zin stelt het VEKA voorts dat het “[v]oor een verzoek tot heroverweging (…) een uitgewerkte motivatie met stavingstukken [verwacht] op basis waarvan blijkt dat de overweging in de beslissing [lees: de bestreden beslissing], zoals hiervoor meer in detail toegelicht, niet correct zou zijn”. 3.11. Op 17 november 2023 bezorgt de verzoekende partij nog een tweede verzoek tot heroverweging waarop de verwerende partij met een e-mail van 19 januari 2024 antwoordt dat zij inmiddels akte heeft genomen van het voorliggende beroep dat tegen de bestreden beslissing is ingesteld en de uitkomst van die procedure afwacht. XIV-39.478-6/26 3.12. Tegen de beslissing van 22 september 2023 van het VEKA om ook de startdatum van WKK-2016 vast te stellen op 3 april 2022 (cfr. supra punt 3.9) heeft de verzoekende partij eveneens een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend. Die zaak is bij de Raad van State gekend onder het rolnummer A. 240.553/XIV-39.479 waarin de Raad van State uitspraak zal doen op dezelfde dag als dit arrest. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht op. De Raad van State kan geen kennis nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring aangezien het werkelijke en rechtstreekse voorwerp ervan betrekking heeft op een subjectief recht: de vaststelling van de startdatum van WKK-1041 op 19 december 2019 en, dus, niet op 3 april 2022. De verwerende partij zet uiteen dat krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State strekt het annulatieberoep tot de erkenning van een subjectief recht wanneer het bestuur geen discretionaire maar slechts een gebonden bevoegdheid heeft. Om van een vordering op grond van een subjectief recht te spreken en van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Het is noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen. Het voorliggende annulatieberoep heeft de erkenning van een subjectief recht als doel. Het enige middel van de verzoekende partij komt erop neer dat het VEKA, krachtens artikel 1.1.3, 113/2°, van het Energiedecreet, de startdatum niet op 3 april 2022 had mogen vaststellen, maar wel op 19 december 2019, namelijk de datum van de XIV-39.478-7/26 omgevingsvergunning van WKK-1041. De verzoekende partij bekritiseert niet de uitoefening door het VEKA van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, maar wel een vermeende schending van een wettelijke verplichting en het daarmee corresponderende subjectieve recht: het vaststellen van de startdatum volgens artikel 1.1.3, 113/2° van het Energiedecreet op 19 december 2019. De verzoekende partij voert weliswaar een schending aan van het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Niettemin komt haar vordering erop neer dat krachtens artikel 1.1.3, 113/2°, van het Energiedecreet het VEKA de rechtsplicht had om de startdatum vast te stellen op 19 december 2019. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het annulatieberoep betreft een subjectief recht. De verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie nog dat de verzoekende partij niet betwist dat het voorwerp van haar beroep betrekking heeft op de erkenning of vaststelling van een subjectief recht waarbij de beoordelingsbevoegdheid van de administratie volledig is gebonden. Dit houdt in dat is voldaan aan de “eerste connexe voorwaarde” om te kunnen besluiten tot een gebrek aan rechtsmacht. In de mate de verzoekende partij beweert dat haar beroep niet voldoet aan de “tweede connexe voorwaarde”, met name omdat de verzoekende partij zich – naast een schending van de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet, zijnde de bepalingen die de gebonden bevoegdheid vestigen –, ook beroept op een schending van het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en het VEKA deze beginselen heeft geschonden door een onzorgvuldige keuze te maken in de feitelijke elementen die het heeft gebruikt om de bestreden beslissing op te gronden, kan zij niet worden bijgevallen. Deze vermeende schendingen van het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn in essentie terug te brengen tot een feitelijke kritiek: het VEKA zou volgens de verzoekende partij immers een incorrecte feitelijke beoordeling van de stukken hebben gemaakt en daardoor de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet hebben geschonden. De verzoekende partij is derhalve van mening dat het VEKA de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet zou hebben toegepast op een fout feitelijk kader of op een door haar verkeerde appreciatie van de feiten. Dat verhindert evenwel niet dat het hier een geschil over subjectieve rechten XIV-39.478-8/26 betreft. Het enkele gegeven dat het VEKA bepaalde feiten moet kwalificeren teneinde de decretale bepalingen toe te passen, leidt er immers niet toe dat er sprake zou zijn van een discretionaire bevoegdheid of dat er geen subjectief recht zou voorliggen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert is het dus onvoldoende dat zij zich beroept op de beginselen van behoorlijk bestuur nu de vermeende schending van die beginselen louter een herformulering zijn van de feitelijke kritiek die de verzoekende partij heeft op de bestreden beslissing. De Raad van State is dan ook zonder rechtsmacht. 5. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat volgens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet “geschillen over burgerlijke en politieke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoren, behoudens inzake politieke rechten de bij wet gestelde uitzonderingen. De gewone rechtbanken zijn bevoegd voor geschillen inzake subjectieve rechten”. Op grond van de artikelen 14, § 1 en 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is deze bevoegd om uitspraak te doen over vorderingen tot schorsing en verzoekschriften tot nietigverklaring van rechtshandelingen uitgaande van administratieve overheden. De vraag naar de verdeling van de rechtsmacht betreft de vraag in welke mate ofwel de Raad van State, ofwel de gewone rechter bevoegd is om een geschil met de overheid op te lossen, wat moet worden bepaald in het licht van de artikelen 144, 145 en 146 van de Grondwet. Volgens de leer van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp zijn er twee cumulatieve voorwaarden die maken dat de Raad van State niet bevoegd is: (1.) de bestreden rechtshandeling weigert een recht dat rechtstreeks voortvloeit uit het objectieve recht; (2.) het ingeroepen middel houdt in dat de overheid de rechtsregel die dat recht toekent, miskent. Dit is nog bevestigd door de Raad van State in een arrest nr. 257.892 van 14 november 2023 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892). De Raad van State is niet bevoegd als zowel de erkenning of vaststelling van een subjectief recht als de miskenning van een rechtsregel die dat recht vestigt, aan de orde zijn. De verwerende partij behandelt in haar memorie van antwoord alleen de eerste voorwaarde en niet de tweede, waardoor de exceptie geen grondslag heeft. Bovendien toont de verwerende partij niet aan dat de tweede voorwaarde niet is XIV-39.478-9/26 vervuld. “Ten overvloede”, zo stelt de verzoekende partij, is de tweede voorwaarde niet vervuld zodat de Raad van State wel degelijk bevoegd is. De vordering van de verzoekende partij steunt niet op de miskenning van een subjectief recht: zij vordert niet de erkenning van een recht op subsidie. Immers, in haar middel voert de verzoekende partij niet aan dat zij voldoet aan de voorwaarden om een subsidie te bekomen. De hoofdkritiek is gebaseerd op de miskenning van het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids-beginsel. De Raad van State moet beoordelen of de verwerende partij bij haar subsidieonderzoek voldoende zorgvuldig was en of zij alle relevante feitelijke en juridische elementen correct heeft beoordeeld. Daarom is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend door de verzoekende partij. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat zij van oordeel blijft dat haar verzoekschrift wel degelijk kadert binnen het objectief contentieux, waarvoor de Raad van State bevoegd is. Er mag volgens haar geen te strikte uitlegging aan de tweede connexe voorwaarde worden gegeven teneinde de Raad van State al dan niet bevoegd te achten. Volgens die tweede voorwaarde, aldus de verzoekende partij, “dient een middel te steunen op een rechtsbepaling of -beginsel, die niet rechtstreeks een bepaald subjectief recht toekent”. Uit voornoemd arrest nr. 257.892 blijkt niet dat het afdoende is dat één van de rechtsgronden (in casu een decretale bepaling) waarop een middel is gesteund, de rechtsregel is die een bepaald subjectief recht toekent opdat de Raad van State zich onbevoegd zou moeten verklaren, wat zou inhouden dat de Raad van State abstractie moet maken van de andere rechtsregels en rechtsbeginselen, waarop het desbetreffende middel steunt. Dergelijke uitlegging gaat volgens de verzoekende partij in tegen de hele filosofie van de leer van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp. Volgens haar dient men juist na te gaan wat de verzoekende partij met het door haar aangevoerde middel beoogt. In dat kader is het afdoende dat het middel gerelateerd kan worden aan een beginsel of een rechtsregel die een administratieve overheid nog een bepaalde keuze laat. De verzoekende partij voert aan dat het door haar aangevoerde middel minstens steunt op twee beginselen die een administratieve overheid nog “een bepaalde keuze laten” en waarbij het middel de verwerende partij juist verwijt een bepaalde keuze te hebben gemaakt “met XIV-39.478-10/26 miskenning van bepaalde stukken van het administratief dossier”. In de eerste plaats draait het door de verzoekende partij ingeroepen middel duidelijk om een onzorgvuldige, want onjuiste keuze in de feitelijke elementen, die de verwerende partij meenam om de bestreden beslissing te nemen. Deze keuze is, zo stelt de verzoekende partij, “discretionair”: een administratieve overheid “kiest welke feiten zij relevant of pertinent vindt om haar uiteindelijke beslissing te rechtvaardigen”. De verzoekende partij verwijt de verwerende partij dat zij een belangrijk stuk uit het dossier over het hoofd heeft gezien. De discretionaire keuze, die de verwerende partij ter zake maakte, is onzorgvuldig en dus onwettig. Het middel draait geenszins om het feit dat er een andere startdatum had moet worden gehanteerd. Immers, in se is de keuze van startdatum, zoals gedaan door de verwerende partij, niet onwettig als men ervan uitgaat dat de milieuvergunning van 4 juni 2015 het pertinente stuk is dat de verwerende partij in ogenschouw kon nemen. De stelling van de verzoekende partij is echter dat de startdatum onjuist is omdat de verwerende partij een bepaald pertinent feitelijk element (een juridische beslissing) “over het hoofd heeft gezien of er voor heeft gekozen om dit niet mee te nemen in haar beoordeling”. Trouwens, in de toelichting bij het middel wordt het begrip ‘startdatum’ zelfs niet vermeld zodat het middel dus helemaal niet draait rond een verkeerde startdatum. Voorts, zo stelt de verzoekende partij, zijn de bepalingen uit het Energiedecreet niet nodig om het middel te horen gegrond verklaren. Het is duidelijk dat de door de verzoekende partij ingeroepen kritiek een schending betreft van het materieel motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zodat bij het onderzoek van het middel abstractie kan worden gemaakt van de bepalingen uit het Energiedecreet. De verzoekende partij beoogt uiteindelijk dat haar middel leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat enkel een nietigverklaring haar een kans geeft om alsnog een positieve beslissing te bekomen. Zij wijst er tot slot nog op dat in het genoemde arrest nr. 257.892 wordt gesteld dat het niet voldoende is dat een annulatiemiddel er de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks toe verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State. Deze passage bevestigt volgens de verzoekende partij dat een verzoekschrift tot nietigverklaring of een middel wel degelijk elementen mag bevatten die de Raad XIV-39.478-11/26 van State er eventueel toe verplicht, weliswaar incidenteel of onrechtstreeks, om uitspraak te doen over het bestaan of de draagwijdte van een subjectief recht. Uiteindelijk wenst de verzoekende partij dat haar middel leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat enkel een nietigverklaring haar een eventuele kans geeft om alsnog een positieve beslissing te bekomen. De Raad van State is de enige rechter in België, die aan de verzoekende partij die kans nog kan geven. Beoordeling 6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N) (ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). 7. In zijn arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891; ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892; ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893) heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak bevestigd dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (
- i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht XIV-39.478-12/26 waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
- ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418 (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een XIV-39.478-13/26 subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 (ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9) en van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2) . Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 (ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10) en C.06.0596.F (ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11)). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9) Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende. 8. Uit wat voorafgaat volgt dat in de eerste plaats moet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen XIV-39.478-14/26 of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts echter moet bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering eveneens acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi). 9. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij onder meer heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken. 10. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op het te dezen aangevoerde enige middel (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. Beoordeling van de eerste connexe voorwaarde 11. De eerste voorwaarde om uit te maken of het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering een geschil omtrent een subjectief recht betreft, houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, wat het geval is wanneer hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. XIV-39.478-15/26 Deze eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van het bestuur volledig gebonden is. De vraag die voorligt, is of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing (al dan niet) over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt dan wel of haar bevoegdheid ter zake volledig, dit wil zeggen “honderd ten honderd” gebonden is en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of (in hoofde van de verzoekende partij) de decretale en/of reglementaire voorwaarden zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. 12. Artikel 7.1.2., § 2, van het Energiedecreet is de rechtsgrondbiedende bepaling voor de toekenning van WKC. Hieruit volgt, wat kwalitatieve warmte-krachtinstallaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest betreft, dat: (
- i)warmte-krachtcertificaten worden toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, (
- ii)een installatie of ingrijpende wijziging met startdatum vanaf 1 januari 2013 enkel warmte-krachtcertificaten krijgt gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek voor de onrendabele top voor de WKK-technologie wordt gehanteerd en (iii) het aantal warmte-krachtcertificaten dat voor installaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing, gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, gelijk is aan 1, “vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor” (eerste tot derde lid). De Vlaamse regering kan, in afwijking van het tweede lid, een alternatieve methode voor het toekennen van warmte-krachtcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die warmte-krachttechnologie (vierde lid). De aanvraag en de toekenning van WKC wordt nader geregeld in de artikelen 6.2.1 tot 6.2.10 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ (hierna: het Energiebesluit). Artikel 6.2.3 van dat Energiebesluit bepaalt dat WKC XIV-39.478-16/26 alleen “worden” toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dat besluit is gevoegd. Hieruit volgt, wat de toekenning van WKC vermeld in artikel 6.2.3 van het Energiebesluit betreft, dat – zoals blijkt uit rechtspraak van de Raad van State –, het VEKA bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren, wat te dezen door de partijen ook niet wordt betwist. De toekenning van WKC voor warmtekrachtbesparing betreft derhalve een subjectief recht dat rechtstreeks aan de rechthebbende toekomt indien deze aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet. 13. Meer specifiek, voert de verzoekende partij in de voorliggende zaak aan dat de startdatum voor projecten die over een omgevingsvergunning beschikken de datum is waarop een aanvraag voor de toekenning van certificaten voor het project is ingediend of de datum waarop het project over de vereiste milieuvergunning beschikt, indien deze laatste datum een latere datum is. Zij meent te dezen dat in de mate de omgevingsvergunning voor de WKK-1041 dateert van 19 december 2019, de startdatum van deze installatie overeenkomstig artikel 1.1.3, 113/2°, van het Energiedecreet moet worden vastgesteld op de datum waarop het project beschikte over de vereiste omgevingsvergunning, zijnde te dezen op 19 december 2019 en niet op 3 april 2022. 14. Het te dezen relevante artikel 1.1.3., 113/2°, van het Energiedecreet omschrijft het begrip ‘startdatum’ als volgt: “startdatum: voor wat betreft projecten die niet over een omgevingsvergunning dienen te beschikken, de datum van indienstneming van de installatie; voor wat betreft projecten die over een omgevingsvergunning dienen te beschikken: de datum waarop een aanvraag voor de toekenning van certificaten XIV-39.478-17/26 voor het project is ingediend, of de datum waarop het project beschikt over de vereiste omgevingsvergunning, indien deze laatste datum een latere datum is. Deze startdatum blijft voor installaties op basis van zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(
- s)kleiner of gelijk aan 10 MW geldig gedurende twaalf maanden, voor installaties op basis van zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(
- s)groter dan 10 MW gedurende vijftien maanden, voor warmte-krachtinstallaties met een elektrisch vermogen groter dan 25 MW gedurende 48 maanden en voor andere installaties gedurende 36 maanden na de aanvraag. Een project kan maar een nieuwe startdatum krijgen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)de installatie is nog niet in gebruik genomen gedurende de geldigheidsduur van de startdatum en op voorwaarde dat de nieuwe aanvraag gebeurt in hetzelfde kalenderjaar als het jaar van de indienstname;
- b)zij beschikt nog steeds over een omgevingsvergunning;
- c)er zijn voor installaties op basis van zonne-energie minstens twaalf maanden en voor andere installaties minstens 36 maanden verstreken sinds de vorige aanvraag voor de toekenning van certificaten werd ingediend”. Deze bepaling is nauwkeurig en precies en laat aan de verwerende partij geen vrije of discretionaire beoordelingsruimte. Haar bevoegdheid in dat verband is integendeel volledig gebonden. Hieruit volgt dat de beoordeling en vaststelling van de startdatum van een project eveneens een volledig gebonden bevoegdheid betreft. 15. Er is dan ook voldaan aan de eerste connexe voorwaarde om tot het gebrek aan rechtsmacht te besluiten. Beoordeling van de tweede connexe voorwaarde Vooraf 16. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de “ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden” die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd. Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische XIV-39.478-18/26 verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Uit de hiervoor in punt 7 aangehaalde arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt. 17. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt evenwel mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen. Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht. 18. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht. Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State. XIV-39.478-19/26 XIV-39.478-20/26 Toepassing Uiteenzetting van het enige annulatiemiddel (de causa petendi) 19. Zoals hiervoor reeds is gebleken (supra punt 5), voert de verzoekende partij een enig middel aan dat is gebaseerd op een schending van de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet en van het materieel motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens haar moest voor WKK-1041 een andere startdatum worden gehanteerd en, zulks, samengevat, omdat de verwerende partij is uitgegaan van feitelijk onjuiste gegevens. Zij beargumenteert dat voor het bepalen van de startdatum van WKK-1041 moest worden uitgegaan van de omgevingsvergunning van 19 december 2019 omdat de betrokken WKK-1041 vanaf die datum door deze omgevingsvergunning zou zijn gedekt. Bijgevolg was er “geen enkel valabel argument voorhanden om de startdatum van WKK-1041 die door de principebeslissing werd vastgesteld op 30 december 2018, uit te stellen tot 3 april 2022”. Hoogstens zou men kunnen beargumenteren dat de startdatum dient te worden uitgesteld tot 19 december 2019, zijnde de datum waarop het project beschikt over de vereiste omgevingsvergunning maar niet, zoals in de bestreden beslissing, tot op het ogenblik van het (definitief) buiten werking stellen van de van de oude WKK – 0294, zijnde 3 april 2022. De oude WKK-0294 heeft immers nog enkel en alleen gedraaid teneinde de motor in optimale staat te houden met het oog op de verkoop ervan. In de memorie van wederantwoord benadrukt zij dat de motivering van de bestreden beslissing is gebaseerd op verkeerde feitelijke motieven. Het VEKA was immers op de hoogte – minstens had het dat redelijkerwijze moeten zijn –, dat de WKK-1041 was gedekt door een geldige omgevingsvergunning ten tijde van het indienen van de definitieve aanvraag. In de mate het VEKA, eensdeels, de bestreden beslissing steunt op de ongeldigheid van de milieuvergunning omwille van het gelijktijdig in dienst houden van de installaties en, anderdeels, (achteraf) in zijn e-mail van 7 november 2023 aanvoert dat het de berekening had gemaakt op basis van het gelijktijdig in dienst zijn van XIV-39.478-21/26 WKK-0294, WKK-1016, WKK-1041 én WKK-1047, is de motivering inconsistent. Mocht het VEKA zelf met onduidelijkheden zijn geconfronteerd, had het dit duidelijk moeten bespreken met de rechtszoekende om tot een zorgvuldig onderzoek te komen. In haar laatste memorie tot slot beklemtoont de verzoekende partij dat het ingeroepen middel “in de eerste plaats draait om een onzorgvuldige, te dezen, een onjuiste keuze in de feitelijke elementen, die de verwerende partij meenam om de bestreden beslissing te nemen”. Deze keuze is, aldus de verzoekende partij, discretionair wat zij verder beargumenteert zoals hiervoor reeds ruim is uiteengezet (supra punt 5). Beoordeling 20. In de mate de verzoekende partij in haar enige middel een schending aanvoert van de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet is hiervoor (cfr. supra punten 12 tot 15) reeds gebleken dat het VEKA bij het bepalen van (onder meer) de startdatum van de WKK over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren. De door de verzoekende partij aangevoerde schendingen van deze decretale bepalingen hebben aldus rechtstreeks betrekking op of worden rechtstreeks afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van de verzoekende partij vestigen. 21. In de mate de verzoekende partij in het bijzonder verwijst naar haar enige middel, partim schending van het materieel motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel dat volgens haar “in de eerste plaats draait om een onzorgvuldige, te dezen, een onjuiste keuze in de feitelijke elementen, die de verwerende partij meenam om de bestreden beslissing te nemen”, keuze die volgens de verzoekende partij “discretionair” is, gaat zij er aan voorbij dat de XIV-39.478-22/26 beoordeling van de (juistheid en waarachtigheid) van de in ogenschouw te nemen pertinente feiten en de juridische kwalificatie ervan in het licht van de toe te passen wettelijke, decretale en/of reglementaire voorwaarden die moeten zijn vervuld, onlosmakelijk behoort tot de bevoegdheid van de ter zake bevoegde feitenrechter, dat wil zeggen deze die de rechtsmacht heeft om te oordelen over het bestaan en de omvang van het in het geding zijnde subjectief recht. Overigens, in zoverre de verzoekende partij een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (behoorlijk feitenonderzoek) en het materieel motiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur inroept, dient te worden vastgesteld dat een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur niet kan worden aangenomen indien de overheid bij het nemen van een beslissing niet over een discretionaire bevoegdheid doch, zoals te dezen het geval is, slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, volstaat het niet om zich op deze beginselen te beroepen nu de door haar aangevoerde schendingen van deze beginselen niet meer zijn dan een herformulering van haar feitelijke kritiek op de bestreden beslissing met name dat het VEKA een onjuiste feitelijke beoordeling zou hebben gemaakt waardoor de door de verzoekende partij ingeroepen beginselen (doch meteen ook de ingeroepen decretale bepalingen) zouden zijn geschonden. De verzoekende partij mag dan wel stellen dat zij met het enige middel, in zoverre het steunt op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieelmotiveringsbeginsel “niet meer beoogt dan de vernietiging van de bestreden beslissing” om aldus een nieuwe kans te krijgen om alsnog een positieve beslissing te bekomen, dit wil zeggen de vaststelling van een andere voor haar voordeliger startdatum van de WKK, zij gaat er geheel aan voorbij – zoals blijkt uit de arresten van de algemene vergadering van 14 november 2023 –, dat het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, ertoe leiden dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een XIV-39.478-23/26 op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtszoekende. De verzoekende partij kan er evenmin aan voorbijgaan dat een vernietigingsarrest altijd is gesteund op een welbepaald – per hypothese – gegrond bevonden en determinerend annulatiemiddel. Met het door de verzoekende partij aangevoerde enige middel – hoe ze het ook draait of keert –, wil zij de Raad van State ertoe brengen zich uit te spreken over de vraag welke en vanaf welke datum de te dezen in acht te nemen omgevingsvergunning is, wat net bepalend is voor het vaststellen van de startdatum van het project en, zodoende, over de schending door het bestuur van de regel van materieel recht die het bestuur ertoe verplicht de door de verzoekende partij aangevraagde WKC (met de door haar beoogde bandingfactor) toe te kennen. De door de verzoekende partij aangevoerde schendingen van de artikelen 1.1.3, 113/2° en 7.1.2., § 2 van het Energiedecreet, van het materieel motiverings- of het zorgvuldigheidsbeginsel hebben aldus rechtstreeks betrekking op of worden rechtstreeks afgeleid uit de schending van de regel van materieel recht (cq. de onjuiste toepassing ervan) die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van de verzoekende partij vestigt. Besluit 22. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep betreft bijgevolg een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145, van de Grondwet zonder rechtsmacht is. Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de verwerende partij van oordeel mocht zijn dat de startdatum moest worden vastgesteld op 3 april 2022, of deze de juiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan XIV-39.478-24/26 en de toepasselijke decretale en reglementaire voorschriften correct heeft geïnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter, evenals de vraag of gebeurlijk een schending voorligt van het materieel motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. 23. In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen. De exceptie is gegrond. V. Kosten 24. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien de verwerende partij in haar e-mailbericht van 7 november 2023 aan de verzoekende partij, evenwel ten onrechte, heeft meegedeeld dat “zoals reeds vermeld ons schrijven van 22 september 2023” tegen de bestreden beslissing beroep kan worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekende partij. XIV-39.478-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.478-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.662 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div