← België

Arrest 261711 - Kansspelen - 11/12/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.711 Rolnummer: A. 234201/VII-41179 Zaak: Arrest 261711 - Kansspelen - 11/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 03:58 Fiche Arrest nr 261.711 van 11 december 2024 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.711 no lien 280460 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 261.711 van 11 december 2024 in de zaak A. 234.201/VII-41.179 In zake : de BV FORTUNA 2000 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pierre Slegers en Jennifer Duval kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
  2. de KANSSPELCOMMISSIE BIJ DE FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Leandra Decuyper en Fien Duymelinck kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 2 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Kansspelcommissie van 28 mei 2021, waarbij deze de verzoekende partij een waarschuwing geeft. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.179-1/16 Auditeur Thomas Maes heeft op 25 maart 2024 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
  5. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pierre Slegers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Fien Duymelinck, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 5 februari 2020 vindt een controle plaats in de speelautomatenhal die door de verzoekende partij wordt geëxploiteerd te Lier. Er worden bij deze controle twee inbreuken op de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) en de uitvoeringsbesluiten ervan vastgesteld: - de identiteit van één speler werd niet juist geregistreerd (onjuiste familienaam); - van één speler is er geen kopie/scan beschikbaar van het identiteitsdocument. VII-41.179-2/16 3.
  8. Van deze vaststellingen wordt op 25 augustus 2020 een proces-verbaal opgesteld dat op 26 oktober 2020 aan de procureur des Konings wordt bezorgd. Deze beslist op 2 december 2020 om geen strafvordering in te stellen. 3.
  9. Vervolgens beslist de Kansspelcommissie op 17 maart 2021 om: - een administratieve sanctieprocedure te starten met nummer S2021/022 met het oog op het intrekken van de kansspelvergunning van de verzoekende partij; - een administratieve sanctieprocedure te starten met nummer S2021/023 met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete van 5.000 euro. Op 31 maart 2021 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van deze sanctieprocedures en wordt zij uitgenodigd om haar verweermiddelen in te dienen. 3.
  10. Op 28 mei 2021 beslist de Kansspelcommissie om in de administratieve sanctieprocedure met nummer S2021/022 een waarschuwing uit te spreken ten aanzien van de verzoekende partij. In de sanctieprocedure met nummer S2021/023 wordt aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
  11. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de “artikelen 22, 108 en 159 van de Grondwet, artikel 5 van de algemene verordening gegevensbescherming, inzonderheid het minimaliseringsbeginsel, artikelen 64 van de Kansspelenwet al dan niet in samenlezing met artikelen 15/2 en 54 van de Kansspelenwet, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering VII-41.179-3/16 van de bestuurshandelingen, de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de zorgvuldigheidsplicht, de motiveringsplicht, de tegenstrijdigheid der motieven [en] het evenredigheidsbeginsel”. De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “Doordat de bestreden beslissing de verzoekende partij bestraft met een waarschuwing om reden van twee vermeende inbreuken op artikel 62 van de wet van 7 mei 1999; Terwijl - eerste onderdeel - de bestreden beslissing niet op afdoende motieven steunt om, noch in rechte, noch in feite, een inbreuk vast te stellen op artikel 62 van de wet van 7 mei 1999; En terwijl - tweede onderdeel - de bestreden beslissing de motieven in rechte of in feite niet bevat die toelaten om te begrijpen waarom de twee vermeende inbreuken, voor zover zij zouden worden vastgesteld, aanleiding geven tot een geldboete van 250 euro in één procedure en aan een waarschuwing in een andere procedure. De waarschuwing komt alleszins onverantwoord en disproportioneel voor t.o.v. de geldboete van 250 euro.”
  12. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 betreffende kansspelen, weddenschappen, kansspelinrichtingen en de bescherming van spelers artikel 22 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens’, in de mate dat voornoemd artikel 62 aldus wordt uitgelegd dat het een papieren kopie vereist van de plastic drager van de elektronische identiteitskaart die wordt gebruikt om de persoon bij binnenkomst in de inrichting te identificeren, terwijl die drager bijkomende gegevens bevat die niet vereist zijn om de persoon te identificeren die zich bij de ingang van de inrichting aanbiedt?”
  13. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat overeenkomstig artikel 62 van de kansspelwet de identiteit van een speler kan blijken uit de ‘chip’ van de identiteitskaart en dat ook in artikel 3, tweede lid, van de kansspelwet de e-ID VII-41.179-4/16 wordt aanvaard als een rechtsgeldig bewijs. Beoordeling Eerste onderdeel
  14. Artikel 62 van de kansspelwet luidde ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing als volgt: “In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV is slechts toegestaan wanneer de betrokken persoon een identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en adres in een register inschrijft. De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen. Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende ten minste vijf jaar na zijn laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd. Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers. De commissie kan de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de overheden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen.” Op grond van voormelde bepaling moeten de kansspelinrichtingen van de klassen I, II en de vaste kansspelinrichtingen van klasse IV een afschrift bewaren van het identiteitsbewijs dat de speler moet voorleggen en een register bijhouden waarin bepaalde gegevens over de spelers worden vermeld. Artikel 62 van de kansspelwet moet gelezen worden in het licht van het bepaalde in artikel 54 van dezelfde wet. Voormelde bepaling verbiedt de toegang tot bepaalde kansspelinrichtingen en de deelname aan bepaalde kansspelen en weddenschappen door minderjarigen en personen jonger dan 21 jaar, voor bepaalde beroepscategorieën (magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten het kader van de uitoefening van hun functies) en voor personen die door de Kansspelcommissie zijn uitgesloten. Daarenboven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.711 VII-41.179-5/16 voorziet artikel 55 van de kansspelwet in een systeem van informatieverwerking om “de kansspelcommissie in staat te stellen de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen” en “de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54”. Door het koninklijk besluit van 15 december 2004 ‘betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I, klasse II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt ontzegd’ werd dit zogenaamde EPIS-systeem (Excluded Persons Information System), nader uitgewerkt. De identiteitscontrole laat toe om, met behulp van het EPIS-systeem, te verifiëren of de desbetreffende persoon zich bevindt in één van de gevallen die aanleiding geven tot een toegangsverbod. De registratie van de persoonsgegevens en de bewaring van een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, laat toe dat de Kansspelcommissie nagaat wie toegang heeft gekregen tot de desbetreffende kansspelinrichtingen.
  15. Het toegangsregister wordt nader geregeld in het koninklijk besluit van 15 december 2004 ‘betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV’ (hierna: het koninklijk besluit van 15 december 2004). Ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing bepaalde artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 dat de exploitant van een kansspelinrichting klasse I of II een toegangsregister moet bijhouden teneinde iedere persoon te identificeren die aanwezig is in de kansspelinrichting. Artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalde: “Het toegangsregister wordt op gecomputeriseerde wijze bijgehouden of op papieren drager. Het gebruikte computerprogramma moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan de kansspelcommissie. Elke wijziging in het programma moet aan de kansspelcommissie worden gemeld. In dit geval dient de handtekening van de speler geplaatst te worden op de fotokopie van de identiteitskaart of op het stuk waaruit de identiteit blijkt. Een eenmalige handtekening volstaat dan. VII-41.179-6/16 De papieren drager bestaat uit een schrift, waarvan de bladen genummerd en samengebonden zijn.” De artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 luidden destijds als volgt: “Art.
  16. De exploitant van een kansspelinrichting klasse I of II, of een door hem aangewezen persoon, moet de identiteit controleren van iedere persoon die de speelzalen wenst te betreden. Deze controle geschiedt aan de ingang van de speelzaal. Daartoe vraagt hij aan de klant om zijn identiteitskaart te tonen, of een stuk waaruit de identiteit blijkt. Voordat de speler kan worden ingeschreven in het toegangsregister, moet de exploitant van de kansspelinrichting klasse I of II, of een door hem aangewezen persoon, door middel van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, nagaan of de toegang tot die kansspelinrichting aan de speler niet is ontzegd, overeenkomstig de uitsluitingen bedoeld in artikel 54 van voornoemde wet. Art.
  17. De fotokopie van de identiteitskaart of van een stuk waaruit de identiteit blijkt bedoeld in artikel 4, tweede lid, van dit besluit moet gedurende ten minste tien jaar na de laatste deelneming van de speler aan een kansspel worden bewaard. De fotokopie wordt onmiddellijk gemaakt, waarna de identiteitskaart onverwijld wordt teruggeven. Deze fotokopie wordt genomen wanneer de klant de kansspelinrichting van klasse I of II voor het eerst betreedt. De exploitant of de door hem aangewezen persoon gaat de foto alsook datum van de geldigheid van de identiteitskaart na. Een ongeldige identiteitskaart wordt niet in aanmerking genomen.”
  18. Uit de aangehaalde bepalingen, zoals ze golden op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, volgt dat de exploitant van de kansspelinrichting de voorlegging dient te vragen van de identiteitskaart of een ander stuk waaruit de identiteit blijkt van iedere persoon die de speelzalen wenst te betreden en dat hij daarvan een fotokopie dient te nemen en deze fotokopie dient te bewaren ofwel in het digitale toegangsregister, ofwel in het papieren toegangsregister. Er kan dan ook niet aangenomen worden dat het louter uitlezen van de elektronische chip op de identiteitskaart en het bewaren van die gegevens volstaan om te voldoen aan artikel 62, derde lid, van de kansspelwet.
  19. De verzoekende partij kan niet worden bijgetreden in zoverre zij argumenteert dat het bewaren van een afschrift van de identiteitskaart van een VII-41.179-7/16 persoon die de speelzalen wenst te betreden het beginsel van de minimale gegevensverwerking, zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, c), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’, miskent. In de eerste plaats wordt vastgesteld dat door het bewaren van een afschrift van de fysieke identiteitskaart minder persoonsgegevens worden verwerkt in vergelijking met de persoonsgegevens die kunnen verwerkt worden bij het uitlezen van de elektronische chip op de kaart. Voorts kan het bijhouden van een afschrift van de elektronische identiteitskaart voordelen bieden bij de controle op het naleven van de identiteitsverificatie door de exploitant van een kansspelinrichting doordat in zekere mate de echtheid van de identiteitskaart kan worden onderzocht. Het bewaarde afschrift kan desgevallend ook dienen als bewijs dat de identificatieprocedure wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat de identiteit van de persoon wel degelijk correct is geverifieerd aan de hand van diens identiteitskaart. In het licht van de doelstellingen van de betrokken wettelijke en reglementaire bepalingen, die nauw verbonden zijn met de openbare orde, namelijk de bescherming van de speler en de controle door de Kansspelcommissie op het correcte verloop van de identificatieprocedure, dient het bewaren van een afschrift van de identiteitskaart te worden aangemerkt als een evenredige maatregel, die het beginsel van de minimale gegevensverwerking niet overschrijdt.
  20. De omstandigheid dat de vastgestelde inbreuken betrekking hebben op slechts twee spelers op een spelersbestand van in totaal 9.000 spelers, impliceert niet dat de vaststellingen die tot de bestreden beslissing hebben geleid, ondanks hun “statistisch uiterst beperkte draagwijdte“, feitelijk onjuist zijn of niet dienstig kunnen worden ingeroepen als inbreuken op de bepalingen van de kansspelwet. De beschouwingen over de marginale omvang en aard van de inbreuken, leiden niet tot een andere gevolgtrekking. VII-41.179-8/16 VII-41.179-9/16
  21. Specifiek wat betreft de herhaalde foutieve registratie van de familienaam van één speler in de periode van 14 april 2016 tot en met 4 februari 2020, is er geen reden om aan te nemen dat de Kansspelcommissie had moeten afzien van het opleggen van een sanctie. Als exploitant van een kansspelinrichting kan van de verzoekende partij immers verwacht worden dat een onzorgvuldigheid of materiële misslag bij de identificatie van een speler niet wordt herhaald bij alle latere bezoeken van dezelfde speler.
  22. Artikel 15/2, § 1, van de kansspelwet, bepaalt dat de Kansspelcommissie bij een met redenen omklede beslissing aan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een inbreuk pleegt op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, waarschuwingen kan richten. Op grond van deze bepaling kan de Kansspelcommissie inbreuken op de identificatieverplichting beteugelen, ongeacht of ze al dan niet opzettelijk werden begaan. In dit verband is het van geen belang te weten of de betrokken speler al dan niet uitgesloten is. Evenmin doet het ter zake dat artikel 62 van de kansspelwet geen herhaalde registratieplicht zou voorschrijven, maar enkel een identificatieplicht bij elk bezoek aan de inrichting.
  23. De door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is niet dienstig voor de beslechting van het geschil aangezien ze steunt op twee foutieve veronderstellingen, met name dat artikel 62 van de kansspelwet zou voorschrijven dat enkel een papieren kopie van de identiteitskaart moet worden bewaard en tevens dat de identiteitskaart meer gegevens, die niet vereist zijn om de persoon te identificeren, zou bevatten in vergelijking met de elektronische chip. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen.
  24. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. VII-41.179-10/16 Tweede onderdeel
  25. Artikel 15/2 van de kansspelwet verleent aan de Kansspelcommissie de bevoegdheid om inbreuken op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten te sanctioneren met een waarschuwing, de schorsing of de intrekking van de vergunning en het tijdelijk of definitief verbod om een of meer kansspelen te exploiteren. Met de bestreden beslissing werd aan de verzoekende partij een waarschuwing gegeven. De waarschuwing is de laagste administratieve sanctie die de Kansspelcommissie kan opleggen wegens inbreuken op de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten. Er kan niet worden aangenomen dat het geven van een waarschuwing voor de vastgestelde inbreuken, een disproportionele maatregel is, dit is een maatregel waarvan het ondenkbaar is dat een redelijk handelende administratieve overheid ertoe zou overgaan.
  26. De vraag of in dit geval voor dezelfde feiten per afzonderlijke beslissing van de Kansspelcommissie ook nog een administratieve geldboete kon worden opgelegd, moet niet worden onderzocht aangezien die beslissing niet behoort tot het voorwerp van voorliggend beroep.
  27. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  28. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
  29. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van “artikel 15 van de wet van 7 mei 1999, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de beginselen van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.711 VII-41.179-11/16 behoorlijk bestuur, inzonderheid de zorgvuldigheidsplicht, de motiveringsplicht, de tegenstrijdigheid der motieven, rechten van verdediging, zorgvuldigheidsplicht, non bis in idem beginsel, art. 4, lid 1 van het Protocol nr. 7 bij het EVRM”. Zij vat het middel als volgt samen: “Doordat de kansspelencommissie beslist heeft om twee inbreukprocedures op te starten en te voeren; Terwijl - eerste onderdeel - de bestreden beslissing niet aangeeft welke motieven in rechte of in feite verantwoorden om in maart 2021 feiten te beoordelen die in februari 2020 zouden zijn gepleegd; En terwijl - tweede onderdeel - de Commissie een bijzondere bewijswaarde toekent aan het proces-verbaal opgesteld in augustus 2020 door de heer Hubeau, terwijl deze geen lid (meer) is van de Commissie in de zin van artikel 15 van de wet van 7 mei 1999 op het ogenblik dat hij het kwestieuze proces-verbaal opstelt. De bestreden beslissing is dus gesteund op feiten die moeten worden geacht niet te zijn vastgesteld met een voldoende bewijslast; En terwijl - derde onderdeel - de Kansspelencommissie haar zorgvuldigheidsplicht schond door geen kopie van het proces-verbaal aan de verzoekende partij toe te sturen wanneer het proces-verbaal werd opgesteld, waardoor de verzoekende partij niet in de mogelijkheid werd gesteld om op een passend moment onderzoek te voeren over mogelijke verweermiddelen, waardoor haar rechten van verdediging in het gedrang kwamen; En terwijl - vierde onderdeel - de bestreden beslissing dezelfde persoon, dezelfde feiten, dezelfde omstandigheden, en dezelfde motieven betreft als deze die aanleiding gaven tot een andere beslissing van dezelfde dag van dezelfde overheid, waarbij een andere sanctie werd opgelegd.”
  30. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, gelden dat het controlebezoek aan de inrichting “bijna 6 weken voor de eerste lockdown” heeft plaatsgevonden, dat pas zeven maanden later het controlebezoek heeft geleid tot het opstellen van een proces-verbaal en dat voor het verstrijken van deze termijnen geen enkele verantwoording wordt opgegeven. Ter zake het tweede middelonderdeel benadrukt de verzoekende partij dat zij te laat in kennis werd gesteld van het proces-verbaal. Omtrent dit middelonderdeel zou de handelwijze van de verwerende partij niet getuigen van de in acht te nemen zorgvuldigheid. VII-41.179-12/16 Beoordeling Eerste onderdeel
  31. De miskenning van de redelijke termijnvereiste moet in concreto worden beoordeeld. Bij deze beoordeling moet in het bijzonder rekening worden gehouden met alle relevante feitelijke omstandigheden die de duur van het besluitvormingsproces hebben beïnvloed. Te dezen heeft de bestreden beslissing betrekking op de bestraffing van inbreuken op de kansspelwet die in de maand februari 2020 werden vastgesteld. Omtrent de termijn voor het sanctioneren van deze inbreuken, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat ze werden gedaan aan de vooravond van de mondiale verspreiding van het virus COVID-19 dat later heeft geleid tot een lockdown van de volledige samenleving. Het feit dat tussen het vaststellen van de inbreuken en de sanctionering ervan ongeveer een jaar is verstreken, leidt in dit geval niet tot het besluit dat de redelijke termijnvereiste werd miskend.
  32. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
  33. Artikel 15, § 2, van de kansspelwet bepaalt: “De politieambtenaar of de in § 1 bedoelde met het onderzoek belaste ambtenaren die een inbreuk vaststellen op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, zenden het origineel van het proces-verbaal over aan het bevoegde parket. Een afschrift van het betreffende proces-verbaal wordt overgezonden aan de commissie evenals aan de persoon die een inbreuk heeft gepleegd op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, met uitdrukkelijke vermelding van de datum waarop het origineel werd toegestuurd of ter hand werd gesteld aan de procureur des Konings. Het proces-verbaal dat door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren werd opgesteld inzake inbreuken op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. VII-41.179-13/16 Wanneer de commissie kennis heeft van een inbreuk op de toepassing en naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, mag zij eisen dat de politiediensten en administratieve diensten van de Staat, haar alle bijkomende inlichtingen die zij voor de vervulling van haar opdracht nodig acht, meedelen binnen de door haar bepaalde termijn op voorwaarde dat die diensten daarvoor vooraf de toestemming van de procureur des Konings hebben verkregen.” Daarnaast voorziet artikel 15, § 3, van de kansspelwet in de mogelijkheid tot het aanstellen van maximaal vier verbindingsofficieren bij de Kansspelcommissie, die instaan voor de contacten tussen de geïntegreerde politie en de commissie.
  34. Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijkt uit artikel 15, §§ 2 en 3, van de kansspelwet niet dat een proces-verbaal waarin een inbreuk op de bepalingen van de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten wordt vastgesteld, enkel mag worden opgesteld door een politieofficier die over de bijzondere hoedanigheid beschikt van verbindingsofficier bij de Kansspelcommissie. Het doet dan ook niet ter zake dat de politieambtenaar op het ogenblik dat het proces-verbaal werd opgesteld niet langer verbindingsofficier was bij de Kansspelcommissie.
  35. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Derde onderdeel
  36. Artikel 15, § 2, van de kansspelwet bepaalt geen (verval)termijn waarbinnen het proces-verbaal aan de overtreder moet worden toegezonden. Evenmin voorziet het in een sanctie indien het proces-verbaal niet onmiddellijk maar pas in de loop van de sanctieprocedure aan de betrokkene wordt meegedeeld. Er kan dan ook niet aangenomen worden dat het verzuim om de verzoekende partij onverwijld in kennis te stellen van het proces-verbaal heeft geleid tot de nietigheid of het verlies van de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal. Bovendien blijkt niet dat de verzoekende partij is geschaad in de uitoefening haar recht van verdediging. Nadat het proces-verbaal haar was meegedeeld, heeft zij zich bij de VII-41.179-14/16 Kansspelcommissie kunnen verweren tegen de vaststellingen die gedaan werden naar aanleiding van het controlebezoek van 5 februari
  37. Het derde middelonderdeel is ongegrond. Vierde onderdeel
  38. Het volstaat te verwijzen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel.
  39. Het vierde middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  40. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-41.179-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.179-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.