id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.721 Rolnummer: A. 238542/XIV-39493 Zaak: Arrest 261721 - Overheidsopdrachten - 12/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-13 05:21 Fiche Arrest nr 261.721 van 12 december 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 261.721 van 12 december 2024 in de zaak A. 238.542/XIV-39.493 In zake :
- de NV APCOA BELGIUM
- de NV CITY PARKING
- de NV INDIGO PARK BELGIUM
- de BV OPTIMAL PARKING CONTROL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Van Hooydonck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Emiel Banningstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : DIENSTVERLENENDE VERENIGING CIPAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Elise Descheemaker kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de NV CEGEKA
- de NV CIPAL SCHAUBROECK
- de NV CRESCENT
- de NV FAIRVILLE samen vormend een tijdelijke maatschappij bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen, Thomas Christiaens en Manon De Weser kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de SAS FLOWBIRD vennootschap naar Frans recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Van Hooydonck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Emiel Banningstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XIV-39.49 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van : “1° het besluit van de Raad van Bestuur van de dienstverlenende vereniging CIPAL van 22 september 2022 waarbij aan opdrachtnemer Smartville werd toegestaan om, bij de uitvoering van de raamovereenkomst ‘voor de verwerving en exploitatie van een multifunctioneel cloudplatform voor de ondersteuning van duurzaam beleid door positieve incentivering, effectieve ontrading en correcte handhaving’ (ref. CSMRTIOH20), de gevraagde wijzigingen aan de ‘oplossingencatalogus’ of ‘prijslijst’ door te voeren, waarbij in deze ‘oplossingencatalogus’ of ‘prijslijst’ o.m. parkeerautomaten en scanvoertuigen werden opgenomen, en mogelijk tevens andere elementen, artikelen en/of prijzen i.v.m. de exploitatie van het straatparkeren in de brede zin […]; 2° de besluiten van de dienstverlenende vereniging CIPAL tot vaststelling van de selectievoorwaarden betreffende voormelde opdracht, tot vaststelling van het bestek en tot gunning van de opdracht aan Smartville van 20 februari 2020, 30 juli 2020 resp. 23 december 2020; 3° alle overige besluiten van de dienstverlenende vereniging CIPAL van eerdere of latere datum die als grondslag dienen of kunnen dienen voor het plaatsen, onder voormelde raamovereenkomst, van opdrachten i.v.m. de exploitatie van het straatparkeren, inbegrepen de besluiten van verweerster van onbekende datum waarbij goedkeuring werd gegeven voor de aanpassing of uitbreiding van de ‘catalogus’ en/of ‘prijslijst’ van Smartville”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De NV CEGEKA, de NV CIPAL SCHAUBROECK, de NV CRESCENT, de NV FAIRVILLE en de SAS FLOWBIRD hebben een XIV-39.49 verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten van de NV CEGEKA, de NV CIPAL SCHAUBROECK, de NV CRESCENT en de NV FAIRVILLE zijn toegestaan bij beschikking van 5 mei 2023, de tussenkomst van de SAS FLOWBIRD is toegestaan bij beschikking van 20 juni
- De tussenkomende partijen hebben allen een memorie ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 26 augustus 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 9 oktober
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Verzoek tot afstand
- Bij brief van 13 juli 2024 deelt de raadsman van de verzoekende partijen en van de vijfde tussenkomende partij, de Raad van State mee dat, ingevolge een tussen al de in het geding betrokken partijen gesloten dading, de verzoekende partijen hebben besloten “afstand van geding te doen”. IV. Kosten
- In diezelfde brief van 13 juli 2024 wordt vermeld dat, als onderdeel van deze dading, ook een regeling werd getroffen in verband met de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, “zodat Uw Raad zich XIV-39.49 daaromtrent niet hoeft uit te spreken.” Dit werd ook zo bevestigd in een brief van 16 juli 2024 door de raadsman van de verwerende partij en in een brief van 17 juli 2024 door de raadsman van (de tijdelijke maatschappij welke wordt gevormd door) de eerste vier tussenkomende partijen.
- Luidens artikel 68, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 'tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,’ (hierna: de algemene procedureregeling) begroot de Raad van State de in artikel 66 bedoelde uitgaven en doet hij uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan. Tot de kosten die verband houden met het beroep tot nietigverklaring behoren te dezen de in artikel 70 van dat besluit bedoelde rechten en de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ (artikel 66 van de algemene procedureregeling). Beide kosten zijn belastingen in de zin van artikel 170 van de Grondwet (zie respectievelijk GwH nr. 124/2006 van 28 juli 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124), punt B.6.
- en GwH nr. 22/2020 van 13 februari 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.22), punt B.9.
- Een door de partijen gesloten overeenkomst kan hier geen afbreuk aan doen noch beletten dat de Raad van State zich ter zake uitspreekt, c.q. moet uitspreken. Bijgevolg legt de Raad van State te dezen de kosten die verband houden met het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een bijdrage van 24 euro, ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vierde, die te dezen de partijen zijn die in het ongelijk worden gesteld. De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding als kost bedoeld in artikel 66 van de algemene procedureregeling, heeft een andere grondslag: het betreft een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), dat, desgevallend, moet worden gevorderd door de betrokken partij in een processtuk of in een nota tot XIV-39.49 vereffening (art. 84/1 van de algemene procedureregeling). Partijen kunnen er derhalve aan verzaken. In deze is de verwerende partij de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In haar laatste memorie handhaaft deze partij haar verzoek tot het veroordelen van de verzoekende partij tot een door haar begrote rechtsplegingsvergoeding, maar in haar hiervoor vernoemde, navolgende brief van 16 juli 2024 doet zij daarentegen evenwel gelden dat “ Uw Raad zich niet dient uit te spreken over de kosten van de procedure.” En dergelijk verzoek kan niets anders betekenen dan dat zij ervan afziet een rechtsplegingsvergoeding te vorderen en dat derhalve het eerder begrote verzoek tot het veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding geen voorwerp meer heeft, in welk geval de Raad van State zich daarover inderdaad niet meer hoeft uit te spreken. BESLISSING
- De Raad van State verleent akte van de afstand.
- De verzoekende partijen worden, ieder voor een vierde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden, ieder voor een vijfde, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 750 euro. XIV-39.49 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques. XIV-39.49 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.721 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.