id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.727 Rolnummer: A. 240870/IX-10401 Zaak: Arrest 261727 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 12/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-13 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 03:59 Fiche Arrest nr 261.727 van 12 december 2024 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.727 van 12 december 2024 in de zaak A. 240.870/IX-10.401 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Van Essche kantoor houdend te 2018 Antwerpen Korte Lozanastraat 20-26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonathan de Wilde en Karel Devloo kantoor houdend te 5100 Jambes Passage de l’Atelier 6/2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 oktober 2023 (lees: 26 oktober 2023) waarbij de door de evaluatiecommissie aan verzoeker toegekende evaluatie ‘ongunstig’ van zijn mandaat als directeur-diensthoofd (A4) bij de Haven van Brussel blijft behouden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.401-1/14 Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mario Van Essche, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Romain Annoye en Victor Wouters, die loco advocaten Jonathan de Wilde en Karel Devloo verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is als statutair ambtenaar tewerkgesteld bij de Haven van Brussel. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 december 2018 wordt hij, na een gunstige evaluatie, vanaf 1 januari 2019 en voor een periode van vijf jaar opnieuw aangesteld in de mandaatfunctie van directeur-diensthoofd (A4) van de dienst die toezicht houdt op de technische directie en de operationele en strategische directie van de Haven van Brussel. Bij een tussentijdse evaluatie in dat mandaat beoordeelt de evaluatiecommissie verzoeker op 16 maart 2021 als ‘gunstig’. IX-10.401-2/14 Op 15 juli 2021 beslist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om verzoeker tijdelijk aan te stellen in het mandaat van adjunct-directeur-generaal (A4+) en bij besluit van diezelfde regering van 3 februari 2022 wordt verzoeker tijdelijk aangesteld in het mandaat van directeur-generaal (A5). Na de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal (functie waarvoor verzoeker ook kandideerde) en een nieuwe adjunct-directeur-generaal, keert verzoeker in mei 2022 terug naar zijn functie als directeur-diensthoofd. 3.
- Met een brief van 18 april 2023 wordt verzoeker uitgenodigd voor een tweede evaluatiegesprek met de evaluatiecommissie, dat zoals voorzien in het statuut plaatsvindt zes maanden vóór het verstrijken van het mandaat. Op 27 juni 2023 maakt de bevoegde voogdijminister ‘voorbehoud’ in zijn advies met betrekking tot verzoekers evaluatie. Aangestipt wordt – samengevat – dat verzoeker in een aantal dossiers een gebrek aan visie en vooruitziendheid toonde en dat deadlines bij vragen van het kabinet niet werden nageleefd. De directeur-generaal en zijn adjunct geven op 29 juni 2023 omtrent verzoekers functioneren een advies ‘negatieve evaluatie’. Verzoeker gehoord, beslist de evaluatiecommissie op 18 juli 2023 unaniem om aan verzoeker de evaluatie ‘ongunstig’ toe te kennen. De commissie oordeelt dat verzoeker drie van de vijf transversale doelstellingen niet heeft behaald, dat er onvoldoende informatie beschikbaar is voor een beoordeling van de vierde en de vijfde transversale doelstelling en dat geen van de vier strategische doelstellingen werd behaald. 3.
- Op 5 september 2023 stelt verzoeker tegen die evaluatiebeslissing een beroep in bij de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. IX-10.401-3/14 Na verzoeker op 19 oktober 2023 te hebben gehoord, beslist de regering op 26 oktober 2023 dat de eindevaluatie ‘ongunstig’ behouden blijft. Die beslissing luidt: “I. Schets van de feiten […] Voorafgaand aan het evaluatiegesprek met de mandaathouder heeft de evaluatiecommissie de adviezen ingewonnen, voorzien in artikel 460 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De adviezen werden voorafgaand aan het evaluatiegesprek aan de mandaathouder meegedeeld. Op 18 juli 2023 heeft het eindevaluatiegesprek van [verzoeker] plaatsgevonden. Tijdens deze evaluatie van de mandaathouder op 18 juli 2023 heeft de evaluatiecommissie de volgende aandachtspunten geformuleerd: ‘[Verzoeker] maakt in zijn activiteitenverslag systematisch een overschatting van zijn realisaties. Na het evaluatiegesprek met de commissie is het duidelijk dat de auto-evaluaties in zijn activiteitenverslag niet overeenstemmen met de werkelijkheid, waardoor het merendeel van de transversale en strategische doelstellingen niet kunnen worden beoordeeld als behaald. Tijdens de coronacrisis heeft [verzoeker] acties ondernomen om de haven operationeel te houden, al ontbreekt het hem aan een bredere strategische visie voor de Haven van Brussel. Bovendien identificeert [verzoeker] het implementeren van controlemechanismen eerder als bijzaak, dit in tegenstelling tot de algemene directie, wat een vlotte en transparante samenwerking bemoeilijkt. Samenvattend kan worden gesteld dat [verzoeker] in zijn activiteitenverslag en tijdens het gesprek met de commissie onvoldoende kan aantonen welke stappen hij ondernam om de Haven van Brussel en meer specifiek zijn directie op de kaart te zetten. Hij leunt veelal op de expertise van externen waardoor zijn rol als directeur-diensthoofd eerder beperkt is en hij de nodige ondersteuning niet kan bieden aan de werknemers en zijn directie in het algemeen.’ In dit verband werd aan [verzoeker] een vermelding ‘ongunstig’ toegekend. […] II. Algemene beoordeling De regering heeft kennis genomen van het advies, voorzien in artikel 460 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. IX-10.401-4/14 De regering heeft nota genomen van het proces-verbaal van de hoorzitting van [verzoeker]. De regering komt tot de volgende algemene beoordeling: [Verzoeker] heeft aangetoond dat hij doorheen de jaren een aantal doelstellingen behaald heeft. Hij verklaart echter in zijn activiteitenverslag dat al de vooropgestelde doelstellingen 100% bereikt zijn, wat onjuist is. Tijdens het gesprek met de evaluatiecommissie geeft hij bovendien toe dat niet alle doelstellingen voor 100% werden bereikt. [Verzoeker] maakt een systematische overschatting van zijn prestaties. Er zijn verschillen tussen de twee verslagen van de evaluatiegesprekken waarbij in de tussentijdse evaluatie van 16 maart 2021 naar voren kwam dat er sommige doelstellingen behaald waren. De termijn voor meerdere doelstellingen van [verzoeker] eindigt niet op dat moment. Heel veel doelstellingen hebben een permanent karakter of beslaan periodes die na de tussentijdse evaluatie vielen. Het is dan ook logisch dat deze doelstellingen tijdens de eindevaluatie opnieuw werden geëvalueerd. De Regering is van oordeel dat doelstellingen die eerder als behaald werden beschouwd op het moment van de tussentijdse evaluatie niet langer als behaald kunnen worden beschouwd op het moment van de eindevaluatie, zoals door de evaluatiecommissie werd beoordeeld. [Verzoeker] toont bovendien geen structuur of formalisatie van de manier waarop de doelstellingen zijn behaald. De regering beslist dat de eindvermelding ‘ongunstig’ blijft behouden.” Eveneens op 26 oktober 2023, wordt aan verzoekers raadsman volgend aangetekend schrijven gericht: “Naar aanleiding van het beroepsverzoekschrift van 5 september 2023 tegen de beslissing van de evaluatiecommissie om uw cliënt, [verzoeker], de vermelding ‘ongunstig’ toe te kennen in het kader van de evaluatie van zijn mandaat als directeur-diensthoofd (A4) bij de Haven van Brussel, conform artikel 466 en 467 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, heeft de Regering, volgend op de hoorzitting van 19 oktober 2023, beslist […] dat de eindvermelding ‘ongunstig’ blijft behouden.” Dat is, volgens verzoeker, de bestreden beslissing. IX-10.401-5/14 IV. Ontvankelijkheid en precisering van het voorwerp Exceptie
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat het beroep onontvankelijk is. Zij stelt vooreerst dat de door verzoeker aangewezen beslissing “van 19 oktober 2023” onbestaande is, dat het tegen die beslissing ingestelde beroep bijgevolg onontvankelijk is en dat verzoeker het voorwerp van zijn beroep niet kan wijzigen of uitbreiden na de memorie van antwoord. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, dient een verzoekende partij overeenkomstig artikel 3, 3°, van het algemeen procedurereglement bij het verzoekschrift een afschrift van de bestreden beslissing te voegen. Ter zake blijkt dat verzoeker enkel de kennisgevingsbrief van 26 oktober 2023 bij zijn beroep heeft gevoegd en niet de eigenlijke beslissing van de regering van die datum. Die kennisgeving is evenwel een loutere uitvoeringsmaatregel, die niet het voorwerp van een annulatieberoep kan uitmaken. De verwerende partij kan de conclusies van het ambtshalve onderzoek naar het voorwerp van het beroep in het auditoraatsverslag niet bijvallen. Zij betwist verzoekers stelling dat de beslissing van de regering niet als bijlage bij de kennisgevingsbrief was gevoegd, betoogt – met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 195.795 van 7 september 2009 – dat het aan verzoeker toevalt om van zijn stelling het bewijs te leveren en stelt dat het inquisitoriale karakter van de procedure voor de Raad van State niet ertoe kan leiden dat het voorwerp van het beroep wordt gewijzigd. Zij stipt aan dat in de hoofding van de brief uitdrukkelijk naar bijlagen is verwezen. Voorts voert de verwerende partij aan dat verzoeker zelfs in zijn memorie van wederantwoord het oorspronkelijke voorwerp van zijn beroep handhaaft, aangezien hij nog steeds niet naar de eigenlijke beslissing van 26 oktober 2023 verwijst en in het beschikkend gedeelte van die memorie de vernietiging van de beslissing “van 19 oktober 2023” blijft vorderen. IX-10.401-6/14 Beoordeling 5.
- Artikel 3, 3°, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat de verzoekende partij bij het verzoekschrift “een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen” voegt. Wat verzoeker bij zijn verzoekschrift voegt als de bestreden beslissing, is (enkel) het aangetekend schrijven van 26 oktober 2023 dat hiervóór sub 3.3 is aangehaald. Méér is hem, zo betoogt verzoeker, ook niet ter kennis gebracht. 5.
- Uit het administratief dossier blijkt dat die brief slechts de kennisgeving is van de eigenlijke beslissing van dezelfde datum. Een dergelijke loutere kennisgeving vormt an sich geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling en een beroep dat enkel zulk een kennisgeving tot voorwerp heeft, is in beginsel onontvankelijk ratione materiae. De Raad van State acht het te dezen – en onverminderd wat hierná bij de beoordeling van het eerste middel wordt overwogen – aannemelijk dat verzoeker enkel het begeleidend schrijven heeft ontvangen. De Raad besluit daartoe op grond van de specifieke voorliggende feitelijke gegevens, in het bijzonder de overweging dat verzoeker, die zijn ongunstige evaluatie reeds middels een georganiseerd administratief beroep heeft aangevochten, geen enkel belang erbij zou hebben om, mocht de werkelijke beslissing hem ter kennis zijn gebracht, enkel ten aanzien van het begeleidend schrijven middelen te ontwikkelen. 5.
- Er kan ook geen twijfel bestaan over wat verzoeker beoogt te bestrijden, namelijk zijn ongunstige evaluatie. Zo heeft ook de verwerende partij het begrepen. Zij voert in de memorie van antwoord (uitsluitend) ten gronde een verweer omtrent de drie door verzoeker ontwikkelde middelen. IX-10.401-7/14 Bijgevolg gaat de Raad ervan uit dat het werkelijke voorwerp van verzoekers beroep de beslissing is van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 26 oktober 2023, waarbij wordt beslist om de eindvermelding ‘ongunstig’ bij verzoekers evaluatie te behouden. Dat verzoeker, na de kennisname van de eigenlijke evaluatiebeslissing in het administratief dossier, in de memorie van wederantwoord én in zijn laatste memorie de vernietiging van de beslissing “dd. 19 oktober 2023” blijft vorderen, is een slordigheid die aan het bovenstaande geen afbreuk doet. 5.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoeker steunt een eerste middel op een schending van de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de bestreden beslissing – versta: zoals ze hem ter kennis is gebracht – helemaal niet is gemotiveerd en dat daarin zelfs niet is veruitwendigd dat de regering de vermelding ‘ongunstig’ bevestigt omdat zij het eens is met de beoordeling van de evaluatiecommissie. 6.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij middels het administratief dossier van de verwerende partij voor het eerst kennisneemt van de beslissing van de regering, dat dit stuk niet was gevoegd bij de kennisgevingsbrief van 26 oktober 2023 en dat het stuk derhalve ook geen onderdeel van de motivering kan zijn. Daarnaast ontwikkelt verzoeker kritiek op de beslissing van de regering. Hij stipt aan: IX-10.401-8/14 “
- Bovendien werden niet ‘elk van de factoren opgesomd op grond waarvan’ de beslissing werd genomen. Ten eerste stelt verwerende partij dat ze ‘kennis genomen’ hebben van het advies. Dat is geen motivering. Het advies wordt trouwens niet bijgevoegd. Ten tweede wordt er verwezen naar een proces-verbaal van de hoorzitting, waarvan eisende partij evenmin ooit een kopie mocht ontvangen. Ten derde stelt verwerende partij dat [verzoeker] zou beweerd hebben dat alle doelstellingen voor 100% behaald werden, daar waar er onmiddellijk toegevoegd werd dat dat niet de inhoud van het ‘gesprek’ was. Eisende partij heeft gesteld dat sommige doelstellingen behaald werden en de overige doelstellingen werden toegelicht. Ten vierde stelt verwerende partij: ‘De Regering is van oordeel dat doelstellingen die eerder als behaald werden beschouwd op het moment van de tussentijdse evaluatie niet langer als behaald kunnen worden beschouwd op het moment van de eindevaluatie, zoals door de evaluatiecommissie werd beoordeeld’. Dit is geen pertinente motivering. Enerzijds is dit geen inhoudelijke motivering. Het is niet duidelijk wat verwerende partij inhoudelijk bedoel[t] en bovendien zijn er wel degelijk aflopende doelstellingen die niet als ‘permanent’ kunnen gekwalificeerd worden. De vermelding ‘[Verzoeker] toont bovendien geen structuur of formalisatie van de manier waarop de doelstellingen zijn behaald’ is evenmin duidelijk. Wat bedoelt verwerende partij hier mee? Uit geen enkel document blijkt wat dit betekent.
- Verwerende partij tracht nu alsnog de motivering te geven, maar dit is laattijdig. Het feit dat verwerende partij dit niet kan doen, met verwijzing naar de beslissing, toont al aan dat daarin niets gemotiveerd werd. Om dit te kunnen doen, moet verwerende partij ook naar het verslag van de evaluatiecommissie verwijzen, dat niet eens toegevoegd was aan de beslissing. Verwerende partij stelt dan dat zij het verslag van de evaluatiecommissie zou onderschreven hebben. Dat blijkt evenmin uit de beslissing (of uit stuk 17). Daarin staat louter dat men kennis genomen heeft van het verslag van de evaluatiecommissie.
- Als de vermelding ‘kennis nemen’ een voldoende motivering zou zijn, dan is het eisende partij een raadsel waarom ‘nota nemen’ (hetgeen verwerende partij vermeld[t] voor wat betreft het proces-verbaal van de hoorzitting van eisende partij) geen aanvaarding zou zijn. Dit alles blijkt niet uit de beslissing.
- Uit [a]rrest nr. 245.685 (geciteerd in het verzoekschrift) blijkt duidelijk dat dit geen zorgvuldige manier van handelen is, noch voldoende tegemoet komt aan de formele motiveringsplicht.
- Eigenlijk is het nog niet duidelijk wat de motivering van verwerende partij is. Verwerende partij legt dit niet uit, maar verwijst louter naar stukken die niet aan de beslissing werden toegevoegd en aan eisende partij niet bekend waren.” IX-10.401-9/14 6.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de eigenlijke beslissing geen deel uitmaakte van de kennisgeving en dat hij niet kon vermoeden dat er nog andere documenten bestonden dan “wat nu de kennisgeving genoemd wordt”. Verzoeker weerspreekt dat zijn raadsman zulks had moeten opmerken, aangezien de communicatie van de regering van bij aanvang onvolledig en chaotisch was. Het was, zo stelt verzoeker, niet aan zijn raadsman om de regering uit te nodigen om de procedure correct te volgen. Tot slot stelt verzoeker, zij het onder het kopje ‘onontvankelijkheid’, dat het niet valt uit te sluiten dat de eigenlijke beslissing “nadien werd opgesteld”. Beoordeling
- De beslissing van de regering met betrekking tot verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, zoals ze als stuk 17 van het administratief dossier is neergelegd, is gedateerd 26 oktober
- Verzoeker beticht dit stuk niet van valsheid. Er is derhalve voor de Raad van State geen reden om aan te nemen dat dit stuk “nadien werd opgesteld”. 8.
- Verzoeker heeft met tussenkomst van een raadsman op 5 september 2023 bij de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een beroep ingesteld. In dat beroepschrift is uitdrukkelijk woonstkeuze gedaan bij verzoekers raadsman. Het is dan ook aan het kantoor van die raadsman dat de kennisgeving van de bestreden beslissing is gericht. Verzoeker kan, wat de beoordeling van de door of namens hem in de afwikkeling van de procedure gestelde handelingen betreft, dan ook niet worden beschouwd als een leek die niet wist of behoorde te weten welke verwachtingen in het bestuur kunnen worden gesteld bij de afwikkeling van een georganiseerd administratief beroep. De kennisgevingsbrief van 26 oktober 2023 vermeldt in de hoofding: “Betreft Beroep tegen de beslissing van de evaluatiecommissie – beslissing van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest IX-10.401-10/14 Bijlagen Beslissing van de Regering inzake beroep.” 8.
- In zijn verzoekschrift reeds, dus vóór de kennisname van het besluit van de regering in het administratief dossier, merkt verzoeker op dat de briefwisseling en de afwikkeling van procedures aan de zijde van de verwerende partij vaak te wensen overlaten. Zo stipt verzoeker aan dat hij voor de hoorzitting vier verschillende uitnodigingen – met verschillende data en tijdstippen – ontving, dat de brief van 26 oktober 2023 geen motivering bevat en geen beroepsmogelijkheden vermeldt en dat er “[v]an het ‘gedetailleerd proces-verbaal en een verder dossier, zoals voorgeschreven door artikel 474 Statuut Brussel […] geen spoor [is]”. Verzoeker heeft, zo begrijpt de Raad, in de zorgvuldigheid van het bestuur weinig fiducie. Uit datzelfde verzoekschrift blijkt verzoekers verbazing over de ter kennis gebrachte ‘beslissing’, waarover hij aangeeft dat hij “er het raden naar [heeft] waarom de regering beslist heeft wat ze beslist heeft”. 8.
- De concrete omstandigheden van de zaak doen de Raad van State besluiten dat verzoeker voorbijgaat aan de op hem rustende plicht tot waakzaamheid. Aangezien de “Beslissing van de Regering inzake beroep” in de hoofding van de brief van 26 oktober 2023 uitdrukkelijk als bijlage wordt aangekondigd, had het op de weg van verzoeker casu quo verzoekers raadsman gelegen om bij de verwerende partij te informeren naar een afschrift van het eigenlijke regeringsbesluit. Dit geldt des te meer nu de kennisgevingsbrief uitgaat van één minister, terwijl overeenkomstig artikel 467 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ de regering bevoegd is om uitspraak te doen over een beroep tegen een vermelding ‘ongunstig’. IX-10.401-11/14 Daarbij moet voorts worden bedacht dat indien – zoals in de memorie van wederantwoord wordt uiteengezet – met het bestuur wél telefonisch contact werd opgenomen om te achterhalen welke uitnodiging voor de hoorzitting de juiste was, een stilzitten aan verzoekers zijde na ontvangst van de kennisgevingsbrief niet kan worden gebillijkt, temeer nu ten gevolge van het door verzoeker wél opgemerkte ontbreken van een mededeling van de beroepsmogelijkheden, daarvoor ampel tijd voorhanden was. De Raad stipt bij dit alles nog aan dat verzoeker niet alleen werd bijgestaan door een raadsman, maar bovendien als directeur-diensthoofd en directeur-generaal ad interim zelf geacht wordt het verloop van de evaluatieprocedure te kennen. In die omstandigheden kan verzoeker niet voorhouden dat het feit dat hij slechts in de memorie van wederantwoord voor het eerst de motieven van de bestreden beslissing bekritiseert, te wijten is aan de onbehoorlijke kennisgeving van die beslissing door de verwerende partij. Evenmin zijn de in die beslissing opgenomen motieven laattijdig of post factum. 8.
- Uit het voorgaande volgt dat in zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift doet gelden dat de bestreden beslissing niet is gemotiveerd, het eerste middel feitelijke grondslag mist en dus ongegrond is. Voor zover verzoeker in zijn latere memories de motieven van de bestreden beslissing voor het eerst bekritiseert, moet dan weer worden opgemerkt dat de nieuwe wending die verzoeker daarmee aan het eerste middel geeft, te laat komt om op ontvankelijke wijze in het debat te worden betrokken.
- Het eerste middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. VI. Aanvullend onderzoek IX-10.401-12/14
- Luidens artikel 24, tweede lid, RvS-Wet mag het auditoraatsverslag zich beperken tot het middel dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt. Het auditoraat heeft alzo zijn onderzoek beperkt tot het eerste middel. Aangezien dit middel de oplossing van de zaak niet mogelijk maakt, is er reden om het debat te heropenen en het bevoegde lid van het auditoraat te belasten met het aanvullend onderzoek van de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.401-13/14 Tiny Temmerman Wouter Pas IX-10.401-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.727 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.912 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.