id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.856 Rolnummer: A. 243762/X-18946 Zaak: Arrest 261856 - Sluitingen van vestigingen - 20/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-20 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-17 03:55 Fiche Arrest nr 261.856 van 20 december 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 261.856 van 20 december 2024 in de zaak A. 243.762/X-18.946 In zake: de BV R.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Brusselmans en Peter Henriksen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 300 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 december 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen d.d. 22 november 2024 waarmee aan de verzoekende partij een gemeentelijk administratieve sanctie werd opgelegd, inhoudende de sluiting van de inrichting ‘[R. I.]’, gelegen aan de Wapper […] te 2000 Antwerpen voor een periode van één week, lopende van maandag 16 december 2024 van 00.00 uur tot en met zondag 22 december 2024 tot 24.00 uur”. X-18.946-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 december 2024, om 9 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Thomas Beelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij baat een horeca-inrichting uit aan de Wapper te Antwerpen. 3.
- Op 31 maart 2022 wordt aan de verzoekende partij een toelating voor het plaatsen van een eilandterras verleend. 3.
- Op 23 april 2024 wordt vastgesteld dat het terras van de betrokken inrichting “een heel stuk voorbij de vergunde zone staat”. X-18.946-2/9 3.
- Op 3 mei 2024 wordt het proces-verbaal aan de verzoekende partij overgemaakt. Er wordt een administratieve geldboete van 400 euro voorgesteld. De verzoekende partij heeft de mogelijkheid om binnen de 15 dagen schriftelijk verweer in te dienen. Het schrijven geldt ook als “formele waarschuwing” aan de verzoekende partij om “[haar] zaak in orde te brengen met het overtreden reglement”. Er wordt op gewezen dat “[b]ij een nieuwe vaststelling van een inbreuk [het college] uw zaak tijdelijk of definitief [kan] sluiten en/of uw toelating schorsen of intrekken (artikel 45 van de GAS-wet van 24 juni 2013)”. 3.
- Er wordt geen verweer gevoerd. Op 28 mei 2024 wordt een administratieve geldboete opgelegd van 400 euro. 3.
- Op 16 september 2024 wordt dezelfde inbreuk op de toelating een tweede maal vastgesteld. 3.
- Op 2 oktober 2024 wordt het proces-verbaal aan de verzoekende partij overgemaakt. Deze keer wordt er een administratieve geldboete van 500 euro voorgesteld. Het schrijven bevat opnieuw een “formele waarschuwing”. 3.
- Er wordt geen verweer gevoerd. Op 25 oktober 2024 wordt een administratieve geldboete van 500 euro opgelegd. 3.
- Op 18 oktober 2024 volgt een nieuwe – derde – vaststelling dat het terras van de horeca-inrichting een grotere oppervlakte beslaat dan toegelaten. X-18.946-3/9 3.
- Bij schrijven van 31 oktober 2024 wordt de verzoekende partij andermaal gewezen op de sancties die daaraan kunnen worden gekoppeld: “Het college van burgemeester en schepenen kan uw zaak tijdelijk of definitief sluiten en/of uw toelating schorsen of intrekken (artikel 45 van de GAS-wet van 24 juni 2013). U werd hiervoor reeds gewaarschuwd en werd hierbij verzocht om u in regel te stellen. Gelieve uw schriftelijk verweer en alle bewijzen uiterlijk op 13 november 2024 over te maken aan volgend e-mailadres: gas@antwerpen.be met vermelding van ons kenmerk MV/GAS/523544.” 3.
- Naar eigen zeggen “maakte [de verzoekende partij] geen schriftelijk verweer over nu zij het schrijven van 31 oktober 2024 nooit ontving”. 3.
- Op 22 november 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen om de horeca-inrichting van de verzoekende partij te sluiten voor de periode van één week. De sanctie wordt als volgt verantwoord: “Het komt aan het college van burgemeester en schepen toe uit te maken welke sanctie het meest gepast is om de herhaalde inbreuken op het Terrassenreglement te sanctioneren en te voorkomen dat bepalingen opgenomen in het Terrassenreglement in de toekomst nog worden overtreden. Gelet op de herhaalde vaststellingen dat het Terrassenreglement niet wordt nageleefd, is het gepast om de inrichting te sluiten gedurende een periode van één week. De tijdelijke sluiting betreft een sanctie voor de inbreuken die zijn vastgesteld op 18 oktober
- Aan de betrokkene dient een duidelijk signaal te worden gegeven dat de voorwaarden opgenomen in het Terrassenreglement dienen nageleefd te worden, meer bepaald dat de voorwaarden en afmetingen opgenomen in de uitgereikte terrastoelating gerespecteerd moeten worden. Een tijdelijke sluiting van de inrichting van één week staat in verhouding tot de gestelde inbreuken, en wel om volgende redenen: • het is duidelijk dat de betrokkene zich niet schikt naar de betreffende voorschriften uit het Terrassenreglement en de aan haar uitgereikte terrastoelating, en zij dus steeds en consequent een veel te ruim terras opstelt, • de betrokkene werd meermaals gewaarschuwd, zowel via processen-verbaal als via formele waarschuwingen; X-18.946-4/9 • de administratieve geldboetes die aan betrokkene werden opgelegd, hebben niet het gewenste resultaat teweeg gebracht aangezien zij niet hebben geleid tot een gedragsverandering; • de betrokkene heeft intussen reeds zeer veel tijd gehad om haar situatie te regulariseren en de inbreuken te herstellen. Gelet op het voorgaande wordt de inrichting van de betrokkene, gelegen aan de Wapper […] te 2000 Antwerpen gesloten van maandag 16 december 2024 van 00.00 uur tot en met zondag 22 december 2024 tot 24.00 uur. De sluiting van de inrichting van de betrokkene impliceert een volledig uitbatingsverbod. Indien de politiediensten vaststellen dat de inrichting van de betrokkene in gebruik is tijdens de periode van sluiting, kan de politie overgaan tot onmiddellijke ontruiming en verzegeling van de inrichting.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partij verantwoordt de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt: “De verzoekende partij heeft de afgelopen jaren al enorm veel hinder ondervonden ten gevolge van de renovatie [van] het Rubenshuis en zijn inkomportaal […]. Ingevolge deze renovatie werd de Wapper en de doorgang naar de Meir herhaaldelijk afgesloten en was er sprake van een X-18.946-5/9 werfzone naast het terras van de verzoekende partij. Dit heeft al voor een aanzienlijk verlies aan inkomsten en omzet gezorgd. Om die reden heeft de verzoekende partij, nadat zij op 26 november 2024 kennis nam van het thans bestreden besluit, onmiddellijk het nodige gedaan om aan haar boekhouder een berekening te vragen van de financiële impact die de gedwongen sluiting met zich zou meebrengen. Uit die voorlopige berekeningen bleek een financieel nadeel, maar mogelijk niet van die aard dat het een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen verantwoorden. Echter is het afgelopen zaterdag (14 december 2024, zijnde de voorlaatste zaterdag voor kerst) dat de verzoekende partij heeft moeten vaststellen dat haar omzet vele malen hoger lag dan de gebruikelijke omzet tijdens de andere weekends doorheen het jaar en waarmee de boekhouder eerder rekening had gehouden. Het staat vast dat ook het volgend weekend (weekend van zaterdag – zondag 21-22 december 2024, zijnde het laatste weekend voor kerst) een soortgelijke omzet gerealiseerd zou kunnen worden. De verzoekende partij heeft dan ook de afgelopen dagen gevraagd om opnieuw een berekening te maken van de financiële impact, ditmaal door haar bedrijfsrevisor, rekening houdend met de hogere omzetten die gehaald worden tijdens de weekends voor kerst. De bedrijfsrevisor komt nu effectief tot de vaststelling dat wanneer de verzoekende partij de deuren gesloten moet houden, en zeker tijdens volgend weekend, zij met een dermate groot verlies aan omzet geconfronteerd wordt dat zij niet langer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Na het verlies aan inkomsten en omzet ten gevolge van de renovatie van het Rubenshuis heeft de verzoekende partij deze omzetten nodig. Het omzetverlies van de verzoekende partij, zeker nu dit omzetverlies zich voordoet tijdens de kerst- en eindejaarsperiode, dient aanzien te worden als een ernstig financieel nadeel. Er zal zich dus met zekerheid een scenario voordoen waarbij het financieel evenwicht van de verzoekende partij in het gevaar wordt gebracht met een risico op faillissement tot gevolg. Dit wordt bevestigd door de bedrijfsrevisor (stuk nr. 11) : […].”
- De verzoekende partij houdt tevens voor dat zij voldoende diligent is opgetreden omdat zij “maar zeer recent aan de hand van de tijdens zaterdag 14 december 2024 gerealiseerde omzet en de conclusies van haar bedrijfsrevisor [heeft] vastgesteld dat zij ten gevolge van de uitvoering van het thans bestreden besluit met een dergelijke financieel nadeel geconfronteerd zal worden dat haar betalingsverplichtingen in het gedrang komen en de continuïteit van haar onderneming in het gedrang kwam en dat er dus sprake is van een afdoende ernstig X-18.946-6/9 financieel nadeel dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan verantwoorden”. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven.
- Op de verzoekende partij die meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust te dezen een dubbele bewijslast. Zij moet aantonen dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden, én zij moet aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing.
- Te dezen heeft de verzoekende partij meer dan drie weken gewacht om haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. Een dergelijke periode is in beginsel niet verenigbaar met de diligentie die mag worden verwacht indien een beroep op een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gedaan. X-18.946-7/9
- Dat de eindejaarsperiode een substantieel grotere omzet genereert, moet de verzoekende partij reeds bij de betekening van de bestreden beslissing bekend zijn geweest. De voorstelling van zaken als zou dit pas “afgelopen zaterdag” zijn gebleken, mist elke geloofwaardigheid. Dat de verzoekende partij de daaruit resulterende inkomsten goed kan gebruiken om eventuele betalingsproblemen te voorkomen, moet haar eveneens reeds bij de kennisgeving van de bestreden beslissing bekend zijn geweest. Er is dan ook geen enkele verantwoording voorhanden om meer dan drie weken met het instellen van de vordering te wachten – meer bepaald, dan nog, tot op het moment dat de bevolen sluiting reeds voor de helft is verstreken. VI. Besluit
- De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is niet vervuld. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. X-18.946-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq David D’Hooghe X-18.946-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.856 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div